Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:965

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
15/05328
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2493, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan verzoek de tenaamstelling van de in de tll. genoemde auto te onderzoeken en de tenaamgestelde als getuige te horen. Hof heeft het in het middel bedoelde verzoek afgewezen op de grond dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. In aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05328

Zitting: 27 juni 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 11 november 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam de aan de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro, subsidiair acht dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat de afwijzende beslissing op het verzoek om onderzoek te doen naar de tenaamstelling van de auto waarmee de bestuurder heeft gereden en het verzoek de tenaamgestelde als getuige te horen, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 14 februari 2014 te Zandvoort als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 320 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”

5. De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingekomen appelschriftuur verzocht om onderzoek te doen naar de tenaamgestelde van de auto met het kenteken [AA-00-BB] en deze persoon als getuige te horen. Hij heeft opgemerkt hem of haar te willen vragen wie op 14 februari 2014 de bestuurder van de desbetreffende auto is geweest en of hij of zij de verdachte kent. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar een briefje van de verdachte, waarin de verdachte heeft aangegeven dat hij op de dag van het ten laste gelegde feit niet in Zandvoort was, maar in België en dat hij niet met de auto heeft gereden in Zandvoort.

6. De advocaat-generaal heeft geen gronden gezien voor inwilliging van de verzoeken van de verdediging. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2015 blijkt dat de raadsman zijn verzoeken ter terechtzitting heeft herhaald en als volgt heeft onderbouwd:

“De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld zijn verzoeken te doen en toe te lichten. Hij verzoekt dat onderzoek zal worden verricht bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) naar de tenaamgestelde van de personenauto van het merk Volkswagen, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en dat in het vervolg daarop die persoon voor verhoor als getuige wordt opgeroepen. Ter toelichting op dit verzoek verwijst de raadsman naar de inhoud van zijn appelschriftuur.

Ter aanvulling merkt de raadsman op - zakelijk weergegeven - dat de door de raadsman gedane verzoeken van belang zijn voor de waarheidsvinding. Indien dit onderzoek achterwege blijft, bestaat de kans dat een onschuldige wordt veroordeeld. De verdachte stelt zich op het standpunt dat sprake is van identiteitsfraude. Anders dan de advocaat-generaal stelt, lijken de handtekening op het ID-bewijs en de handtekening op pagina 3 van het politiedossier niet op elkaar. Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij niet weet of de verdachte bij de politie aangifte van vermissing van zijn rijbewijs en/of ID-bewijs heeft gedaan. Door het verhoor van de tenaamgestelde van de hierboven genoemde personenauto, kan mogelijk duidelijk worden op welke wijze de identiteitsbewijzen van de verdachte in vreemde handen terecht zijn gekomen, aldus de raadsman.”

7. Het hof heeft de verzoeken tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 21 juli 2015 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“De voorzitter deelt mede dat de verzoeken van de raadsman worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. De voorzitter deelt als beslissing en overweging van het hof mede dat beide verzoeken van de raadsman worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd.”

8. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2015 blijkt dat de raadsman vergelijkbare verzoeken nogmaals heeft gedaan en dat deze verzoeken door het hof bij het bestreden arrest wederom zijn afgewezen. Het hof heeft de desbetreffende verzoeken beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het middel keert zich enkel tegen de op 21 juli 2015 genomen beslissing(en).

9. Het bij appelschriftuur gedane en ter terechtzitting in hoger beroep toegelichte verzoek van de raadsman van de verdachte om de tenaamgestelde van de auto als getuige te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat deze getuige namens de verdachte bij (tijdig ingediende) appelschriftuur is opgegeven en de getuige niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van dit verzoek - voor zover hier van belang - ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.1 Indien het verzoek tot het doen van nader onderzoek – in dit geval naar de identiteit van de eigenaar van de auto – als een zelfstandig verzoek wordt beschouwd, geldt dat het een verzoek betreft als bedoeld in art. 328 jo. 316 Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium. Tegen een dergelijke benadering pleit dat het verlangde onderzoek in een dergelijk geval slechts ten dienste staat van het achterhalen van de identiteit van de getuige. Het ligt niet in de rede dat in gevallen waarin het horen van de getuige in het belang van de verdediging wordt geacht het daarvoor benodigde – zeer summiere en eenvoudige – onderzoek naar de identiteit van de tenaamgestelde afstuit op de beoordeling aan de hand van het striktere noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft beide verzoeken kennelijk in samenhang met elkaar gezien en deze aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang beoordeeld. Nu in cassatie over de door het hof toegepaste maatstaf niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten. Uiteindelijk gaat het in cassatie om de vraag of die beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.2

10. Ten aanzien van de motivering van getuigenverzoeken waarop het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.”3

11. De motivering van de beslissing van het hof ter zitting van 21 juli 2015 is beperkt tot de overweging dat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd, terwijl ten aanzien van het getuigenverzoek de maatstaf van het verdedigingsbelang geldt.

12. In de onderhavige zaak is het verzoek van de verdediging niet voorzien van een uitgebreide en concrete motivering. Zo wordt de mededeling van de verdachte dat hij niet in Zandvoort was ten tijde van het ten laste gelegde niet nader onderbouwd en geeft de raadsman aan niet te weten of de verdachte aangifte heeft gedaan van de vermissing van zijn rijbewijs of ID-kaart. Tegelijkertijd is de reden van de verzoeken wel duidelijk: de verdachte verklaart niet in de auto te hebben gereden ten tijde van het ten laste gelegde en dat sprake is geweest van identiteitsfraude. De raadsman voert in dat verband aan dat de handtekening op het ID-bewijs en de handtekening op pagina 3 van het politiedossier niet op elkaar lijken. Hij stelt voorts dat de gedane verzoeken van belang zijn voor de waarheidsvinding en dat door verhoor van de tenaamgestelde mogelijk duidelijk kan worden op welke wijze de identiteitsbewijzen van de verdachte in vreemde handen terecht zijn gekomen. Nu het hierbij gaat om het daderschap van de verdachte en het een getuige betreft die daarover zou kunnen verklaren, doet zich niet de situatie voor waarin het verzoek zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Evenmin doet zich onder deze omstandigheden de situatie voor dat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Nu het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, is het belang bij de klacht evident.

13. Het middel slaagt.

14. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof zonder motivering is afgeweken van een door de raadsman ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

15. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2015 blijkt het volgende:

“De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert het volgende aan.

Het is niet de verdachte geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd, maar zijn broer. Zijn broer was tijdens de aanhouding in het bezit van de identiteitskaart van de verdachte en heeft deze aan de verbalisant getoond. De handtekening die is geplaatst op het proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994 van 14 februari 2014 komt ook niet overeen met de handtekening van de verdachte, zoals geplaatst op zijn identiteitskaart. De verdachte heeft geen aangifte gedaan van vermissing of identiteitsfraude, want hij wil niet dat zijn broer wordt vervolgd. De verdachte dient te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal deelt mede: De verdachte heeft drie broers. Het is niet duidelijk welke broer het ten laste gelegde dan zou hebben gepleegd. De verdediging had daarover meer openheid moeten verschaffen.

De raadsman deelt mede: De advocaat-generaal vraagt thans om omkering van de bewijslast. Het is in ieder geval niet het jongste broertje van de verdachte geweest. Ik sluit niet uit dat [betrokkene] of [betrokkene] (dat is dezelfde persoon) het is geweest.”

16. Het hof heeft het ten laste gelegde bewezen verklaard en in zijn arrest geen nadere bewijsoverweging opgenomen. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen en in de aanvulling opgenomen bewijsoverweging:

1. Een proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994 met nummer 2014018500 van 14 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] (dienstnummer 50489) en [verbalisant 2] (dienstnummer 52137).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb gezien dat de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats], op 14 februari 2014 als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, op de Burgemeester Van Alphenstraat te Zandvoort heeft gereden. Ik heb de verdachte gevorderd mee te werken aan een ademtest. Het resultaat van de ademtest was “A”.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb de verdachte gevorderd om mee te werken aan de ademanalyse test. Het resultaat van 320 microgram/l is direct aan de verdachte medegedeeld.

De verdachte heeft het navolgende verklaard:

'Ik erken dat ik, na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder ben opgetreden. Mijn alcoholgebruik over de voorgaande 24 uur bedraagt twee vaasjes en een shotje. ’

2. Een geschrift, te weten een Honac-ademanalyseformulier van 14 februari 2014, afgenomen door [verbalisant 1] (dienstnummer 50489). Dit geschrift wordt slechts gebruikt in samenhang met eerste bewijsmiddel.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Verdachte

Naam [verdachte]

Voornamen [voornaam verdachte]

Geboortedatum [geboortedatum]-1990

Geboorteplaats [geboorteplaats]

Bedienaar

Naam [verbalisant 1]

Voornamen [voornamen verbalisant 1]

Verbalisantnummer [001]

Ademanalyse

Ademonderzoekresultaat 230 microgram/l

Bewijsoverweging

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.”

17. Een ‘Meer en Vaart’-verweer behelst een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn doch die — indien juist — onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring. Indien de rechter na een dergelijk verweer tot een bewezenverklaring komt, zal hij die aangedragen alternatieve gang van zaken moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zó onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.4

18. De eerste vraag die rijst is of het ter verdediging aangevoerde als een ‘Meer en Vaart’-verweer kan gelden. In het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal staat vermeld dat het “de verdachte” is geweest die als bestuurder van het voertuig heeft gereden. In letterlijke zin is de alternatieve lezing van de verdediging dan ook in strijd met de inhoud van dit bewijsmiddel. Ik meen evenwel dat een dergelijke benadering te formalistisch zou zijn en voel mij daarin gesteund door een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte door het hof was veroordeeld wegens onverzekerd rijden.5 In de aan het middel voorafgaande beschouwingen gaat de Hoge Raad op de zogenoemde ‘Meer en Vaart’-verweren in. Tot het bewijs was gebezigd het proces-verbaal relaas, inhoudende de door de verbalisant van de politie gedane constatering dat de verdachte onverzekerd had gereden en hem haar persoonsgegevens had verstrekt. In hoger beroep voerde de verdachte aan dat niet zij, maar ene mevrouw N. had gereden, dat zij naast mevrouw N. had gezeten en bij de aanhouding in de auto was blijven zitten. Voorts verklaarde zij dat mevrouw N. de persoonsgegevens van de verdachte aan de politie had gegeven en dat de politie de verdachte ook nog om legitimatie had gevraagd. Ten slotte gaf zij aan dat zij helemaal niet kon rijden en met haar rijbewijs bezig was. De Hoge Raad casseerde. Geoordeeld werd dat het hof de juistheid van dit met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet strijdige betoog in het midden had gelaten, waardoor de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid was opengebleven dat het niet de verdachte was die de onderhavige overtreding had begaan.

19. Nu het hof in de onderhavige zaak in het geheel niet heeft gereageerd op het verweer van de raadsman, heeft het hof de lezing van de verdachte hetzij beschouwd als zo onwaarschijnlijk, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoefde, hetzij heeft het hof het aangevoerde anderszins niet als een responsieplichtig standpunt aangemerkt. Beide benaderingen acht ik niet zonder meer begrijpelijk.

20. Toegegeven zij dat het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario niet uitvoerig is onderbouwd. In de onder 19 besproken zaak, waarin de Hoge Raad casseerde, was het verweer concreter dan in de onderhavige zaak: de verdachte noemde de daadwerkelijke bestuurder bij naam en gaf verschillende argumenten om de stelling te onderbouwen dat zij de bestuurder niet kon zijn geweest, terwijl zij zelf ook in de auto had gezeten ten tijde van het ten laste gelegde. Ook in die zaak kwam het alternatieve scenario er echter in de kern op neer dat het niet de verdachte was geweest die de auto had bestuurd en dat iemand anders de persoonsgegevens van de verdachte aan de politie had overhandigd. Over de strekking van het verweer in de onderhavige zaak kan evenmin enig misverstand bestaan, terwijl bij dit type verweer betrekkelijk snel kan zijn voldaan aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijk is onderbouwd.6

21. Voorts wijs ik erop dat uit de stukken van het geding in de onderhavige zaak volgt dat het daderschap van de verdachte gedurende de gehele procedure door de verdediging is bestreden. In de appelschriftuur merkt de raadsman op dat hij reeds in eerste aanleg het verzoek heeft gedaan om de tenaamgestelde van de auto te achterhalen en te horen. Daarbij is ter onderbouwing ook gewezen op de eerder genoemde verschillen in de handtekening. Die verzoeken zijn in hoger beroep meermalen herhaald en telkens – onder een zeer summiere motivering – afgewezen. Naar mijn mening kon het hof de lezing van de verdachte niet beschouwen als zodanig onwaarschijnlijk, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoefde.

22. Het voorafgaande brengt mee dat het hof nader had moeten motiveren waarom het van oordeel was dat het verweer van de verdediging niet kon worden gehonoreerd.

23. Het middel slaagt.

24. De middelen slagen.

25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, rov. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, rov. 2.4.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76. Zie ook HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:379, NJ 2016/213 m.nt. Reijntjes, rov. 2.5.1.

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.6.

4 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma, rov. 2.5.

5 HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4714, NJ 2007/180.

6 Vgl. in dit verband HR 8 april 2008, NJ 2008/231.