Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:964

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
15/02034
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2489, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging na ruzie in uitgaansgelegenheid in Lelystad, art. 141.2 onder 1 Sr. Heeft het door verdachte gepleegde geweld lichamelijk letsel in de vorm van bloeduitstortingen bij het slachtoffer veroorzaakt? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AR3230, inhoudende dat zwaardere strafbedreiging van art. 141.2 onder 1 Sr alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte o.g.v. deze bepaling niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders i.h.k.v. het openlijke geweld veroorzaakte letsel. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld is geweest waardoor bij het slachtoffer het bewezenverklaarde letsel is ontstaan, is de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende met redenen omkleed. Samenhang met 15/01959 en ECLI:NL:HR:2017:592.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02034

Zitting: 27 juni 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 22 april 2015 de verdachte wegens primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 15/01959, waarin ik vandaag eveneens concludeer.1

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. B.P. de Boer en mr. R. van Leusden, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder nadere toelichting niet kan worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring genoemde letsel van het slachtoffer, te weten bloeduitstortingen, door het door de verdachte uitgeoefende geweld is ontstaan.

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 10 mei 2013 te Lelystad met anderen op of aan de openbare weg, [a-straat 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 1], welk geweld bestond uit het duwen en trekken en schoppen en slaan en een knietje geven tegen het lichaam van [betrokkene 1], waarbij hij, verdachte, (met kracht) heeft geschopt en geslagen tegen het lichaam van [betrokkene 1], en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (bloeduitstortingen) voor [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 10 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1], voor zover inhoudende:

“Op 10 mei 2013 kwam ik na het stappen met een taxi thuis aan [a-straat 1] in Lelystad. Ik zag dat er een grote groep van tien tot vijftien personen voor de deur stond. Er kwam een aantal personen, minstens vijf personen, op mij aflopen die mij gedurende minstens vijf minuten over mijn hele lichaam begonnen te schoppen en slaan. Ik voel een zwelling in mijn gezicht en heftige pijn in mijn onderrug.”

(ii) Een geneeskundige verklaring/letselbeschrijving van 15 mei 2013, opgemaakt door de arts S. van den Berg, voor zover inhoudende als bevinden van de arts:

“Achternaam: [betrokkene 1]

Datum onderzoek: 15-05-2013

Uitwendig waargenomen letsel:

Betrokkene toont mij een foto waarop een fractuur van een linker dwarsuitsteeksel van een rugwervel te zien is. Betrokkene geeft aan dat het zijn derde rugwervel betreft. Bloeduitstorting, boven het rechter ooglid, onder het rechter oog, hoog aan de rug in het midden, de bekkenrand rechts en op de rug links.”

(iii) Een op 11 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2], voor zover inhoudende:

“als verklaring van [betrokkene 2]:

Ik heb gezien dat het slachtoffer (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) op de grond is gevallen.

Er stonden op dat moment drie personen om de gevallen man heen.

als vragen van de verbalisanten:

Wie waren de jongens die bij de man stonden die op de grond lag en wat heb jij deze jongens zien doen?

als verklaring van [betrokkene 2]:

[verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]), [medeverdachte] (het hof begrijpt [medeverdachte]) en [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]).

Ik zag dat [betrokkene 3] de man vast hield en dat [verdachte] en [medeverdachte] de man hebben geslagen aan de zijkanten van de ribbenkast van die man.

[betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]) heeft de man geduwd en naar de grond gebracht.

Ik zag dat [betrokkene 4] vanuit de loop met kracht met zijn rechter been uithaalde naar het slachtoffer.

als vraag van de verbalisanten:

Wie heeft iedereen op lopen kloten?

als verklaring van [betrokkene 2]:

[betrokkene 4]. Hij zocht ruzie met mensen.”

(iv) Een op 12 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte], voor zover inhoudende:

“als verklaring van [medeverdachte]:

Bij die schermutseling (het hof begrijpt: de schermutseling als bedoeld in de aangifte van [betrokkene 1]) heb ik met kracht een knietje gegeven.

[betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]) had ruzie met hem (het hof begrijpt: [betrokkene 1]). Hij (het hof begrijpt: [betrokkene 4]) stond te duwen en te trekken.

als vraag van de verbalisanten:

Heb je vrienden zien slaan?

als verklaring van [medeverdachte]:

[betrokkene 4], en toen kwam het groepje dat er om heen stond.

als vraag van de verbalisanten:

Wie is de aanjager hiervan?

als verklaring van [medeverdachte]:

[betrokkene 4].”

(v) Een op 13 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte], voor zover inhoudende:

“als verklaring van [medeverdachte]:

[betrokkene 4] sloeg het slachtoffer (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en toen sprong de rest er ook op. Ik heb het slachtoffer een knietje gegeven.

[betrokkene 3] stond ook in de groep die bezig was met het slachtoffer.

als vraag van de verbalisant:

En met bezig zijn bedoel je dat er geslagen en geschopt wordt.

als verklaring van [medeverdachte]:

Ja.”

(vi) Een op 11 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 5], voor zover inhoudende:

“als verklaring van [betrokkene 5]:

In de nacht van 9 op 10 mei (het hof begrijpt: van 9 op 10 mei 2013) zijn [medeverdachte] (het hof begrijpt [medeverdachte]) en ik naar I’M geweest. Ik hoorde dat er een vriend was geslagen.

Toen gingen we verhaal halen en kregen we het met een paar jongens aan de stok.

als vraag van de verbalisant:

Wie is “we”?

als verklaring van [betrokkene 5]:

[medeverdachte], [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]) en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).

als vraag van de verbalisant:

Hoe komen jullie op [a-straat 1]?

als verklaring van [betrokkene 5]:

De jongen (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) zat in een taxi. Buiten stond een groepje onder wie [betrokkene 4] en hij (zei) dat we achter die taxi aan moesten rijden.

De man die later geslagen is, stapte uit. [betrokkene 4] ging met hem in discussie. Er kwamen er een paar bij en toen werd er gevochten. [betrokkene 4] heeft zeker een tik uitgedeeld.”

(vii) Een op 12 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:2

“[betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 4]) en die man (het hof begrijpt:

[betrokkene 1]) waren aan het duwen en trekken.

Ik zag [medeverdachte] (het hof begrijpt [medeverdachte]) meedoen in die vechtpartij (het hof begrijpt: de vechtpartij als bedoeld in de aangifte van [betrokkene 1]). Ik zag dat [medeverdachte] de man had geslagen en geschopt.

[betrokkene 4] maakte schoppende en slaande bewegingen (het hof begrijpt: richting [betrokkene 1]). Ik zag dat hij indraaide en de man schopte.

Ik heb hem (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) nog een schop gegeven.”

7. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, onder meer omdat de verdachte geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte heeft geslagen, aangezien de enige verklaring waaruit dit kan worden opgemaakt (de verklaring van [betrokkene 2]) niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De schop die de verdachte naar eigen zegen tegen het onderbeen van [betrokkene 1] heeft gegeven, kan niet als uitvoeringshandeling van het geweld worden beschouwd. De schop van de verdachte staat los van het reeds door anderen gepleegde geweld en zijn bijdrage is niet van voldoende gewicht geweest. Ook anderszins heeft de verdachte niet een voldoende significante bijdrage geleverd aan het geweld dat is toegepast tegen [betrokkene 1].3
Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de verdachte ten aanzien van zijn aandeel in de geweldpleging verklaard dat hij aan “[a-straat 1]” een stuk verderop samen met een andere man in een groene jas heeft gestaan, dat hij niet heeft meegedaan aan het geweld tegen [betrokkene 1] en dat hij [betrokkene 1] alleen een “afwerend trapje” heeft gegeven toen deze met een bergschoen op hem af kwam.

8. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer in de bestreden uitspraak onder “overweging met betrekking tot het bewijs van het primair ten laste gelegde” het volgende overwogen:

“De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [betrokkene 1]. In het verlengde hiervan heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Dit op de grond dat de voor de verdachte belastende verklaring die door [betrokkene 2] is afgelegd niet consistent is en dat de verklaring van de verdachte steun vindt in verklaringen van andere betrokkenen.

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. De enkele omstandigheid dat in verklaringen van betrokkenen op onderdelen verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers zijn veroorzaakt door verklaarbare beperkingen van de waarneming, al dan niet teweeg gebracht onder invloed van de hectiek tijdens het voorval en/of door het gebruik van alcohol door de waarnemer. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd. De op ondergeschikte onderdelen voorkomende verschillen in die verklaringen maken niet dat de verklaringen als niet accuraat, niet betrouwbaar, dan wel ongeloofwaardig moeten worden bestempeld.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de voor de verdachte belastende verklaringen die door [betrokkene 2] en [medeverdachte] zijn afgelegd, en acht de andersluidende lezing van de feiten door de verdachte niet aannemelijk geworden.

Het hof acht met name niet aannemelijk geworden dat de geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht geen onderdeel vormden van het geweld dat was gericht tegen [betrokkene 1], maar als een daarvan geïsoleerd incident moeten worden aangemerkt.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de noodzaak tot het nader horen van [betrokkene 2] niet aannemelijk geworden. Zeker niet nu de verklaring afgelegd door [betrokkene 2] niet het enige bewijsmiddel tegen verdachte vormt en bovendien in hoofdlijnen niet strijdig is met de andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Gelet op de hetgeen uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt over het aandeel en de rol van de verdachte in het openlijk geweld dat is gepleegd tegen [betrokkene 1], heeft de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan die geweldpleging.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zoals hieronder nader aangegeven in de bewezenverklaring en verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdediging.”

9. De tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 141, tweede lid, onder 1°, Sr. Deze bepaling houdt in dat aan de verdachte, die openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, een gevangenisstraf van zes jaren kan worden opgelegd indien het door de verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

10. De oorspronkelijke memorie van toelichting4 bij art. 141 (oud) Sr houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Uit de voor de strafverzwaringen in geval van goederenvernieling en van lichaamsleed gekozen bewoordingen blijkt ondubbelzinnig, dat de zwaardere strafbedreiging beperkt is tot hen, die persoonlijk eenig goed hebben vernield of wier daden lichamelijk leed, zwaar lichamelijk letsel of den dood voor iemand hebben ten gevolge gehad. Onbillijk ware het, de verzwaring toe te passen op ieder, die deelneemt aan eene geweldpleging waarin door daden van anderen de bedoelde ernstige gevolgen zijn ontstaan.”

11. Bij wet van 25 april 2000 tot wijziging van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 2000, 173) zijn in art. 141, eerste lid, Sr de woorden “met verenigde krachten” vervangen door de woorden “in vereniging”.5 De nota naar aanleiding van het verslag6 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt ten aanzien van de strafverzwaringsgrond van art. 141, tweede lid, Sr het volgende in:

“De leden van de CDA-fractie zouden voor de vraag of het tweede lid ook van toepassing zou moeten zijn op degene die feitelijk bij het plegen van geweld betrokken was, maar van wie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij het strafverzwarende gevolg heeft veroorzaakt, beslissend willen achten of het strafverzwarende gevolg redelijkerwijs aan de pleger van het geweld kan en mag worden toegerekend. Naar mijn mening zou een dergelijke uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid te ver voeren. Het kan, bij openlijke geweldpleging, gaan om grote groepen, waarin tal van gewelddadige activiteiten van een deels verschillend karakter plaatsvinden. Het voert naar mijn mening te ver om in dat geval uit de enkele omstandigheid dat de betrokkene aan de gewelddadigheden heeft bijgedragen, een strafrechtelijke aansprakelijkheid voor alle daardoor teweeggebrachte gevolgen af te leiden. (…)

Deze leden vragen voorts of de algemene deelnemingsbepalingen van toepassing zijn op het tweede lid. In dat verband kan voorop worden gesteld, dat het niet goed met de tekst van het tweede lid te rijmen zou zijn, wanneer de strafverzwarende omstandigheden die in dat artikellid expliciet tot bepaalde plegers beperkt worden, bijvoorbeeld via de algemene deelnemingsregeling toch voor rekening van anderen zouden kunnen komen. De Hoge Raad lijkt daar ook niet van uit te gaan. Ter illustratie kan worden verwezen naar HR 3 maart 1992, NJ 1992, 531 m.nt. ThWvV, waarin de openlijke geweldpleging daaruit bestond dat een groep mannen zich in twee delen opsplitst, die vervolgens twee slachtoffers afzonderlijk mishandelen. In cassatie wordt er met succes over geklaagd dat bij een veroordeling op grond van artikel 141, tweede lid, WvSr ook het tegen het andere slachtoffer gepleegde geweld is meegenomen.

Ook de leden van de fractie van D66 vragen of het tweede lid van toepassing moet zijn op degene die wel feitelijk bij het plegen van geweld betrokken was, maar van wie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij het strafverzwarende gevolg heeft veroorzaakt. Zij vragen zich af of het niet ondoenlijk is om aan te tonen dat het gevolg van de geweldpleging te wijten is aan de handeling van een persoon die aan de geweldpleging deelnam. Inderdaad kan het, met name bij gelegenheid van een grote en onoverzichtelijke openlijke geweldpleging, moeilijk zijn om aan te tonen wiens gedragingen het intreden van de dood ten gevolge hebben gehad. Toch komt het wenselijk voor, dat het geldend recht niet uit het enkele deelnemen aan een openlijke geweldpleging een strafrechtelijke aansprakelijkheid voor elk daarmee in verband staand gevolg afleidt. De strafbaarstelling van openlijke geweldpleging staat in verband met de openbare orde. Dat geeft een indicatie, welk soort opzet bij de pleger van dit misdrijf centraal staat. In dat opzet is het risico van het intreden van lichamelijk letsel of zelfs de dood veel minder «ingebakken» dan bij het opzet op deelneming aan een aanval of vechterij, die immers de aantasting van de lichamelijke integriteit van personen impliceert. Hoewel ook in het laatstgenoemde geval geen opzet op de dood bestaat, is het risico van het intreden daarvan veel manifester. Dat verklaart en rechtvaardigt waarom het intreden van dit gevolg bij artikel 306 WvSr wel, en bij artikel 141 WvSr niet voor rekening van alle betrokkenen komt. De aan het woord zijnde leden menen, dat in het geval iemand op grond van artikel 141, eerste lid, WvSr aansprakelijk kan worden gesteld voor in vereniging gepleegd geweld, het erop lijkt dat hij ook aansprakelijk kan worden gesteld voor de delictgevolgen van het tweede lid, gelet op de formulering» het door hem gepleegde geweld». Zij vragen in dat verband, of het onderscheid tussen het eerste en het tweede lid nog eens duidelijk kan worden verwoord door de regering. Het verschil tussen beide formuleringen is gelegen in het onderscheid tussen «in vereniging gepleegd» en door hem «gepleegd». Van gewelddaden die door anderen fysiek zijn gepleegd, maar waaraan de betrokkene een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd, kan wel worden gezegd dat hij ze «in vereniging» heeft gepleegd, maar niet dat ze - alleen - «door hem» zijn gepleegd.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of het tweede lid ook van toepassing moet zijn op hen die wel feitelijk bij het plegen van geweld betrokken zijn, maar van wie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zij het strafverzwarende gevolg hebben veroorzaakt. Zij vragen zich voorts af of de jurisprudentie van de Hoge Raad de toepassing van de deelnemingsbepalingen op het tweede lid uitsluit. Ook willen zij weten of niet beslissend dient te zijn of het strafverzwarende gevolg redelijkerwijs aan de pleger van het geweld kan en mag worden toegerekend. Graag verwijs ik deze leden naar het antwoord dat in deze paragraaf op vragen van de leden van de fractie van het CDA is gegeven. In dat antwoord ligt besloten dat naar mijn mening de eisen die het huidige artikel 141, tweede lid, WvSr stelt, onverkort dienen te worden gehandhaafd. In die eisen ligt besloten dat toerekening van het strafverzwarende gevolg bij dit misdrijf slechts redelijk kan zijn als het aan het door de betrokkene gepleegde geweld te wijten is.”

12. Uit de hiervoor weergegeven oude en nieuwe wetsgeschiedenis volgt dat de in art. 141, tweede lid, onder 1°, Sr opgenomen zwaardere strafbedreiging alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezen verklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn medeverdachten in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel.7 In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt aan dit vereiste strikt de hand gehouden. Daar waar de grenzen van het openlijk in vereniging plegen van geweld relatief ruim zijn getrokken, in die zin dat ook degene die zelf geen geweld heeft gepleegd maar daaraan anderszins een voldoende significante bijdrage heeft geleverd ter zake van art. 141 Sr kan worden veroordeeld, dient de toepassing van het strafverzwarende gevolg van art. 141, tweede lid, onder 1°, Sr te worden beperkt tot gevallen waarin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat juist het door de verdachte gepleegde geweld het in de tenlastelegging genoemde lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Zo had de verdachte in HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230 deelgenomen aan het op verschillende slachtoffers uitgeoefende geweld. Hij had een slachtoffer (1) met zijn tot vuist gebalde hand een klap in het gezicht gegeven en een ander (2) drie tot vier keer tegen het lichaam geschopt. Het eerste slachtoffer had pijn in het hoofd en bewustzijnsverlies opgelopen, het tweede één of meer kiezen verloren en/of een hersenschudding opgelopen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het door de verdachte op de beide slachtoffers uitgeoefende geweld het geweld is geweest waardoor het desbetreffende letsel is ontstaan. De bewezenverklaring was niet voldoende met redenen omkleed.

13. In de hiervoor onder 8 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de bewezenverklaring, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte door het door hem gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij [betrokkene 1] in de zin van art. 141, eerste lid, onder 1°, Sr. Uit de bewezenverklaring blijkt dat het daarbij gaat om bloeduitstortingen.

14. De aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat minstens vijf personen hem gedurende minstens vijf minuten over zijn hele lichaam begonnen te schoppen en te slaan (bewijsmiddel 1). De medeverdachte [betrokkene 4] was de aanstichter en heeft vanuit de loop met kracht met zijn rechterbeen uitgehaald naar [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 3 en 4). Ten aanzien van de rol van de verdachte in de openlijke geweldpleging jegens [betrokkene 1] kan uit de gebezigde bewijsmiddelen het volgende worden afgeleid. De bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 3) houdt in dat een medeverdachte ([betrokkene 3]) [betrokkene 1] heeft vastgehouden en dat de verdachte en een andere medeverdachte ([medeverdachte]) [betrokkene 1] aan de zijkanten van zijn ribbenkast hebben geslagen. De bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 6) houdt in dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte] en [betrokkene 4] verhaal gingen halen en het met een paar jongens aan de stok kregen. De verdachte heeft zelf bij de politie (bewijsmiddel 6) verklaard dat hij [betrokkene 1] een schop heeft gegeven. Een geneeskundige verklaring van een arts (bewijsmiddel 2) vermeldt als letsel van [betrokkene 1] een fractuur van een linker dwarsuitsteeksel van zijn derde rugwervel en bloeduitstortingen boven en onder zijn rechter oog en op drie verschillende plekken op zijn rug. Uit de bewijsmiddelen kan aldus niet zonder meer worden afgeleid dat het het door de verdachte uitgeoefende geweld is geweest dat de bloeduitstortingen bij [betrokkene 1] heeft veroorzaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat ten minste vijf personen gedurende minimaal vijf minuten [betrokkene 1] over zijn hele lichaam hebben geschopt en geslagen. De verdachte en een medeverdachte hebben [betrokkene 1] aan de zijkanten van zijn ribbenkasten geslagen en de verdachte heeft [betrokkene 1] een keer geschopt. Een nadere bewijsoverweging waarin inzichtelijk wordt gemaakt dat het juist de handelingen van de verdachte zijn geweest die bloeduitstortingen hebben veroorzaakt, ontbreekt, terwijl de bewijsmiddelen voor dit oordeel onvoldoende grondslag vormen. De zaak kan worden vergeleken met de zaak die leidde tot het eerdergenoemde arrest van HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230.

15. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

16. Ten aanzien van het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond merk ik nog het volgende op. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als het misdrijf van art. 141, tweede lid, onder 1°, Sr.8 Bovendien heeft het hof de strafverzwaringsgrond expliciet in aanmerking genomen ter motivering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, waarvan zestig uren, subsidiair dertig hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, door in de strafmotivering te verwijzen naar het desbetreffende oriëntatiepunt uit de “LOVS-oriëntatiepunten” en het individuele aandeel van de verdachte in de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging.9

17. Het middel slaagt.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten in voldoende mate de redenen op te geven op grond waarvan het hof is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

19. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, onder meer omdat de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] onbetrouwbaar is en terzijde dient te worden geschoven. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. De bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 2] en zijn op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring zijn “inconsistent met elkaar”. [betrokkene 2] heeft bij de politie anders verklaard, aangezien hij zo snel mogelijk weg wilde van het politiebureau en hij zijn eigen rol wilde minimaliseren. De bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] is ook “niet consistent met de rest van het dossier”. De medeverdachte [medeverdachte] heeft de verdachte heel duidelijk buiten het jegens het slachtoffer gebruikte geweld geplaatst. De verdachte heeft vanaf zijn eerste verklaring duidelijk verklaard dat hij wel op “[a-straat 1]” aanwezig is geweest maar dat hij bij zijn keel werd vastgegrepen door een man met een groene jas. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van [betrokkene 3] en [medeverdachte] en in de waarneming van de verhorende verbalisant. De overige verklaringen in het dossier bevestigen niet het door [betrokkene 2] geschetste scenario maar juist wel hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard, aldus de raadsvrouwe.10

20. Zoals hiervoor onder 8 bij de bespreking van het eerste middel is weergegeven, heeft het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “overweging met betrekking tot het bewijs van het primair ten laste gelegde” in reactie op dit betrouwbaarheidsverweer gemotiveerd geoordeeld dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen van [betrokkene 2]. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. De op ondergeschikte onderdelen voorkomende verschillen in de verklaringen van betrokkenen maken niet dat die verklaringen als niet accuraat, niet betrouwbaar dan wel ongeloofwaardig moeten worden bestempeld. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd. Het hof acht de andersluidende lezing van de feiten door de verdachte, inhoudende dat de door hem verrichte geweldshandelingen geen onderdeel vormden van het geweld dat was gericht tegen [betrokkene 1] maar als daarvan geïsoleerd incident moeten worden aangemerkt, niet aannemelijk geworden.
Vervolgens heeft het hof de op 11 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] als bewijsmiddel 3 tot het bewijs gebezigd.

21. In het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsvrouwe naar voren is gebracht, acht ik het voornoemde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus stond het het hof vrij de op 11 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] tot het bewijs te bezigen.11

22. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, noopte het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv het hof niet nader in te gaan op de “totale indruk die de verklaringen maken” en op de “wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd”. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.12

23. Het middel faalt.

24. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 29 april 2015 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. In het onderhavige geval behoeft de Hoge Raad evenwel niet ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het slagen van het eerste middel, kan het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.13

25. Het eerste middel slaagt, terwijl het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaak tegen een andere medeverdachte ([A]) heeft de Hoge Raad reeds op 4 april 2017, nr. 15/01973, ECLI:NL:HR:2017:584 (onderzoek aan smartphone) uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft de cassatieberoepen van de verdachte en de advocaat-generaal bij het hof in die zaak verworpen.

2 In de aanvulling met bewijsmiddelen is dit bewijsmiddel aangeduid als bewijsmiddel 6. Dit betreft een kennelijke vergissing, aangezien de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 5] het zesde bewijsmiddel is en de verklaring van de verdachte ([verdachte]) het zevende bewijsmiddel.

3 Zie pleitnotities in hoger beroep van 8 april 2015, p. 5-8.

4 Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 91.

5 Inwerkingtreding op 12 mei 2000 (Stb. 2000, 193).

6 Zie Kamerstukken II 1999-2000, 26 519, nr. 6, p. 22-24 (Stb. 2000, 173).

7 Zie HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230, rov. 4.6. Vgl. ten aanzien van art. 141 (oud) Sr HR 6 maart 1990, NJ 1990/637 m.nt. Mulder, rov. 5.2. Vgl. voorts J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, aant. 6 bij art. 141 Sr (bijgewerkt tot 14 oktober 2014) en J.M. ten Voorde in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, elfde druk, Deventer: Kluwer 2016, aant. 4 bij art. 141 Sr.

8 De bewezenverklaring bevat de zinsnede “waarbij hij, verdachte, (met kracht) heeft geschopt en geslagen tegen het lichaam van [betrokkene 1], en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (bloeduitstortingen) voor [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad”, terwijl in de kwalificatie de woorden “terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” zijn opgenomen.

9 Volgens de “LOVS-oriëntatiepunten” geldt voor “openlijke geweldpleging zonder letsel” als oriëntatiepunt van 150 uren taakstraf en voor “openlijke geweldpleging, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

10 Zie pleitnotities in hoger beroep van 8 april 2015, p. 2-5.

11 Vgl. HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:944, rov. 3.1-3.2, HR 7 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:370 (art. 81 RO, tweede middel), HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:350, NJ 2014/280 m.nt. Schalken, rov. 3 en HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143, rov. 2.

12 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

13 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.