Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:954

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-06-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/02553
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2480, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Hof acht “eenzelfde deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank passend en geboden”. HR: art. 81.1 RO. CAG over uos strafmaat, art. 359.6 Sv en LOVS-oriëntatiepunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02553

Mr. A.J. Machielse

Zitting 27 juni 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 4 mei 2016 voor 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 2: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden en lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd, 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, en 4: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 107 dagen voorwaardelijk. Aan die veroordeling heeft het hof bijzondere voorwaarden verbonden zoals in het arrest weergegeven. Tevens heeft het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat de oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontoereikend is gemotiveerd. Niet alleen heeft het hof geen acht geslagen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar het hof heeft ook het zesde lid van artikel 359 Sv geschonden.

3.2. Het middel ziet kennelijk op hetgeen de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd en de reactie daarop van het hof in zijn arrest. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep vermeldt onder meer het volgende:

"De raadsman voert het woord tot verdediging, hij betoogt als volgt:

(...)

Voor de strafmaat heb ik gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten en de richtlijnen strafvordering van het Openbaar Ministerie. k heb een berekening gemaakt en kom tot een geldboete ter hoogte van 1225 euro en een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen. Het beledigen van een ambtenaar in functie kan leiden tot strafverhoging. De feiten zijn allemaal gepleegd op dezelfde dag en deze zijn telkens een logisch gevolg van hetgeen eraan is voorafgegaan. Uitgaande van de richtlijnen strafvordering van het Openbaar Ministerie waarbij ik de geldboetes heb omgerekend naar een gevangenisstraf, kom ik uit op een gevangenisstraf voor de duur van 78 dagen. De verdachte heeft 73 dagen in voorarrest gezeten. Bij een bewezenverklaring verzoek ik een gevangenisstraf op te leggen conform de duur van het voorarrest. Ik begrijp het advies van de reclassering, maar ik zie daar niets in. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris spijt betuigd, maar er is toch gekozen voor 73 dagen voorlopige hechtenis. Hierdoor bestaat er geen ruimte meer tot het opleggen van een voorwaardelijke straf. Mocht het hof wel een voorwaardelijke straf opleggen, dan verzoek ik die strafte beperken tot 14 dagen."

Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"De raadsman van de verdachte heeft verzocht de verdachte een straf conform de in voorarrest doorgebrachte tijd op te leggen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman het hof een berekening voorgehouden waarbij hij gekeken heeft naar de LOVS en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en die uitkomt op een gevangenisstraf van 78 dagen. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in het voortraject duidelijk is gekozen voor een langdurende voorlopige hechtenis en dat derhalve, mede gelet op verdachtes proceshouding en spijtbetuiging, geen ruimte meer bestaat tot het opleggen van een voorwaardelijke straf, althans hoogstens een die niet de duur van twee weken zal overschrijden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van verzet tijdens zijn aanhouding en overbrenging, dat heeft geleid tot letsel toegebracht aan de verbalisanten. Hij is door het lint gegaan en heeft tijdens het incident tevens een verbalisant beledigd, een andere verbalisant ernstig bedreigd en een politieauto beschadigd. Uit de gedragingen van verdachte en de woorden die hij tegen politieambtenaren heeft geuit, komt het beeld naar voren dat verdachte geen respect had, dan wel heeft, voor politieambtenaren en het gezag dat zij vertegenwoordigen. Het hof acht verdachtes gedrag zeer verwerpelijk en rekent het de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van 13 oktober 2015 waarin wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden. Het hof acht het van belang dat verdachte zich laat behandelen voor zijn agressieproblematiek, zoals geadviseerd door de reclassering, te meer nu de verdachte thans nog van relatief jonge leeftijd is en hij hier in de toekomst veel baat bij kan hebben.

Voorts blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 april 2016 dat hij eerder voor misdrijven onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit in verdachtes nadeel.

Het hof acht, alles afwegende, eenzelfde deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank passend en geboden. Het hof zal de na te melden bijzondere voorwaarden aan de proeftijd koppelen."

3.3. De feitenrechter is niet gebonden aan de LOVS- oriëntatiepunten maar in gevallen waarin de feitenrechter die oriëntatiepunten uitlegt of toepast kan in cassatie worden getoetst of die uitleg en toepassing door de rechter begrijpelijk zijn.1 In de onderhavige zaak is het hof niet ingegaan op die oriëntatiepunten, maar heeft het slechts het standpunt van de verdediging weergegeven dat erop neerkomt dat volgens de advocaat in hoger beroep hoogstens een gevangenisstraf van 78 dagen in aanmerking komt. Maar hoe precies de advocaat tot deze slotsom is gekomen blijkt niet uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. Ik ga er daarom vanuit dat de advocaat geen precieze berekening aan het hof heeft voorgelegd. Raadpleging van de Aanwijzingen strafvordering van het OM brengen mij tot de overtuiging dat, gelet op het zich in het dossier bevindende Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 april 2016, de berekening door de advocaat aan de magere kant is. Uit dat uittreksel is op te maken dat verdachte zich herhaalde malen aan belediging en bedreiging van politieambtenaren heeft schuldig gemaakt en eveneens aan wederspannigheid. Het hof heeft acht geslagen op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, en daarbij dat Uittreksel Justitieel Documentatie in aanmerking genomen en de inhoud van het advies van de reclassering, dat neerkomt op een strafoplegging die gelegenheid biedt tot oplegging van bijzondere voorwaarden voor behandeling. Voorts heeft het hof doen blijken onder ogen te hebben gezien dat de opgelegde straf, die deels voorwaardelijk is en die gelijk is aan de in eerste aanleg opgelegde straf, een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, welke straf volgens het hof passend en geboden is tegen de achtergrond van de in de strafmotivering opgegeven factoren. Aldus heeft het hof voldaan aan de eisen die het zesde lid van artikel 359 Sv stelt.2 De strafoplegging is dus conform de betreffende voorschriften verantwoord en is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden geworpen.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 31 januari 2017, ECLI:2017:114.

2 HR 27 september 2016, ECLI:2016:2191; HR 13 december 2016, ECLI:2016:2852.