Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:932

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/04834
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2787, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Appelprocesrecht; Pilotreglement gerechtshof Amsterdam. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verzuim om memorie van grieven te nemen. Mogelijkheid geboden tot herstel verzuim, akte van niet-dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr: 16/04834

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 08 september 2017

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Gemeente Haarlem

Het gaat in deze zaak om de vraag of het gerechtshof Amsterdam, na ommekomst van de ambtshalve verleende termijn van veertien dagen voor herstel van het verzuim om van grieven te dienen, akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het tussen 1 januari 2013 en 1 september 2016 bij dit hof geldende pilotreglement1.

1. Procesverloop 2

1.1 Bij inleidende dagvaarding van 27 februari 2015 heeft eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland en daarbij – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en voorts gevorderd dat de Gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij dientengevolge heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.2 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 24 juni 2015 een comparitie van partijen had gelast, die op 27 november 2015 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 20 januari 2016 de vorderingen afgewezen.

1.3 [eiser] is bij exploot van 31 maart 2016 van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.

De zaak is aangebracht op de rol van 12 april 2016. De Gemeente is op diezelfde roldatum in het geding verschenen.

1.4 Aan [eiser] is een termijn gegeven voor het nemen van een memorie van grieven. Die termijn liep op 24 mei 2016 af.

1.5 Omdat [eiser] op 24 mei 2016 nog niet van grieven had gediend, is de termijn voor het nemen van een memorie van grieven met twee weken verlengd. In het roljournaal is bij het verlenen van deze termijn aangetekend dat bij niet dienen verval zal worden verleend.

[eiser] heeft binnen deze verlenging van de termijn evenmin van grieven gediend.

1.6 Op de rol van 7 juni 2016 is verval verleend van het recht van [eiser] op het nemen van een memorie van grieven.

Het hof heeft [eiser] vervolgens bij arrest van 28 juni 2016 bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard.

1.7 [eiser] heeft tegen dit arrest alsmede3 tegen de rolbeslissing van 7 juni 2016 tijdig4 cassatieberoep ingesteld.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping.

Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft op de roldatum waarop hij schriftelijke toelichting heeft genomen tevens een conclusie tot herstel van een fout5 ingediend6.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Opmerking vooraf

2.1

Volgens de Gemeente heeft [eiser] geen cassatieberoep ingesteld tegen de “als tussenarrest aan te merken rolbeschikking” van 7 juni 20167.

Hoewel in de cassatiedagvaarding slechts wordt aangezegd dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2016, blijkt uit de eerste paragraaf van het cassatiemiddel dat tevens wordt geklaagd over de rolbeschikking van 7 juni 2016. Ik beschouw het cassatieberoep dan ook als ingesteld tegen beide beslissingen.

2.2

Kern van het cassatiemiddel is – zakelijk weergegeven – de klacht dat het hof ten onrechte verval van het recht om van grieven te dienen heeft verleend en [eiser] vervolgens wegens het niet dienen van grieven niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het hof daarbij niet het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding heeft afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van [eiser]. Indien het hof deze afweging wel heeft gemaakt, blijkt daarvan niet uit het arrest, aldus de tweede klacht.

Ik bespreek de klachten gezamenlijk.

2.3

In de rechtspraak van de Hoge Raad tot nu toe over de bepaling in het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam dat er slechts één termijn van zes weken voor het indienen van memories geldt (die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend), ging het steeds om beslissingen van het hof waarbij aan die ene termijn strikt de hand was gehouden. De Hoge Raad heeft daarover overwogen (i) dat de goede procesorde meebrengt dat – met toepassing van art. 1.6 van het pilotreglement – het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen en (ii) dat in een geval waarin niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend, die afweging zonder meer dient te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen8.

2.4

Deze jurisprudentie heeft uitdrukkelijk (mede) betrekking op het geval waarin aan het verzuim een vergissing ten grondslag lag, bijvoorbeeld doordat partijen (en hun advocaten) niet op de hoogte zijn van de toepasselijkheid van het pilotreglement9. Vervolgens heeft de Hoge Raad bij arrest van 8 april 2016 geoordeeld dat de rolraadsheer de hiervoor onder 2.3 bedoelde afweging ambtshalve dient te maken op het moment dat hij constateert dat niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend10.

2.5

In het onderhavige geval heeft de rolraadsheer aan deze rechtspraak toepassing gegeven en heeft hij [eiser], na het ongebruikt voorbij laten gaan van de in het pilotreglement genoemde termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven, nog een termijn van veertien dagen gegeven. Daarin ligt besloten dat de rolraadsheer aan de hand van de goede procesorde het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding heeft afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van [eiser]. Vervolgens heeft deze de extra termijn ongebruikt voorbij laten gaan, waarna de rolraadsheer het – aangekondigde – verval van het recht om alsnog een memorie van grieven te nemen heeft toegepast. Dat het hof [eiser] vervolgens niet-ontvankelijk heeft verklaard, is een onontkoombaar gevolg van het niet dienen van grieven. Voor zover de kernklacht al niet faalt reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, kan deze niet tot cassatie leiden omdat de rolraadsheer en het hof een juiste beslissing hebben genomen.

Nu [eiser] in hoger beroep geen nadere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, was het hof ook niet gehouden zijn beslissing van een nadere motivering te voorzien.

2.6

In zijn cassatiedagvaarding (onder 5-7) heeft [eiser] erop gewezen dat hij (weliswaar) voor de tweede keer heeft verzuimd om van grieven te dienen en geen uitstel voor het nemen van grieven heeft verzocht alsmede dat dit tweede verzuim zwaarder moet wegen dan het eerste verzuim waarover de Hoge Raad in de arresten van 17 april 201511, 8 april 2016 en 8 juli 2016 had te oordelen, maar dat het belang waarin hij wordt getroffen eveneens zwaar moet wegen. [eiser] heeft in dit verband opgemerkt:

(i) dat tussen het eindvonnis van de rechtbank en het eindarrest van het hof ruim vijf12 maanden is verstreken,

(ii) dat geen comparitie na aanbrengen heeft plaatsgevonden,

(iii) dat het hof drie weken nodig heeft gehad om arrest te wijzen, en

(iv) dat de pilotreglementen van de gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch inmiddels niet meer van kracht zijn en dat in het op 1 september 2016 in werking getreden aangepaste Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Landelijk procesreglement) is bepaald dat na een eerste termijn van zes weken voor memorie van grieven ambtshalve een laatste termijn van vier weken wordt verleend. Op basis van het thans geldende Landelijke procesreglement zou [eiser] tien weken “uitstel” voor het nemen van grieven hebben gekregen, terwijl hij nu maar acht weken “uitstel” had.

2.7

In zijn schriftelijke toelichting (onder 2-4) heeft [eiser] er, voor zover thans van belang, voorts op gewezen:

(v) dat diens advocaat over het hoofd heeft gezien dat het pilotreglement van toepassing was en dat in het digitale procesjournaal niet was vermeld dat het pilotreglement van toepassing was,

(vi) dat het hof in de onmogelijkheid verkeerde om een belangenafweging deugdelijk te maken, en

(vii) dat hij flink is benadeeld, waarbij hij wijst op de proceskostenveroordeling, het in gezag van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank en (een beroep van de Gemeente op) verjaring van (een deel van) zijn vorderingen.

2.8

Genoemde stellingen zijn in appel niet betrokken en vormen derhalve nova in cassatie. Deze nova zijn m.i. evenwel niet ontoelaatbaar omdat (i) het maar de vraag is of deze stellingen eerder hadden kunnen en moeten worden aangevoerd13 en – belangrijker – (ii) deze stellingen de toegang tot de rechter betreffen die van openbare orde is14.

2.9

Ten aanzien van de onder 2.6 genoemde stellingen merk ik het volgende op.

Het tijdsverloop in deze zaak is niet uitzonderlijk. [eiser] heeft na ruim twee maanden appel ingesteld en heeft de zaak op de rol van ruim anderhalve week later aangebracht. In de zaak die heeft geleid tot een van de hiervoor reeds aangehaalde arresten van 4 maart 201615 bedroeg de periode tussen het eindvonnis van de rechtbank (van 24 september 2014) en het eindarrest van het hof (van 24 februari 2015) 21 weken en 5 dagen; in het onderhavige geval is dat 22 weken en 5 dagen16. Voorts heeft in de hiervoor aangehaalde zaken over het pilotreglement, voor zover ik dat kan overzien, in geen van de gevallen een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden. Dat het hof verder drie weken “nodig heeft gehad” voor het arrest, is evenmin ongebruikelijk17.

De omstandigheid dat het huidige Landelijk procesreglement een langere termijn kent – overigens minder lang dan de ten tijde van deze zaak geldende versie18 –, legt evenmin gewicht in de schaal omdat op de onderhavige zaak nu juist het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam van toepassing is. Het is bovendien niet uitgesloten dat (de advocaat van) [eiser] bij een verzoek tot uitstel van bijvoorbeeld veertien dagen feitelijk dezelfde lengte van de termijn ter beschikking had gehad.

2.10

Zoals hiervoor vermeld, heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad over het pilotreglement (mede) betrekking op het geval waarin een partij noch diens advocaat op de hoogte is van de toepasselijkheid van dat reglement en heeft het hof door het verlenen van een extra termijn van twee weken aan deze rechtspraak gevolg gegeven waarin een belangenafweging ligt besloten.

Dat de appellant door het verlenen van akte niet-dienen met als onvermijdelijk vervolg niet-ontvankelijkverklaring (zwaar) wordt benadeeld, zoals tot slot wordt gesteld, rechtvaardigt op zichzelf niet dat de voorgeschreven belangenafweging anders moet uitvallen. [eiser] werd in de procedure bij het hof vertegenwoordigd door een advocaat die op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht wordt op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan overschrijding daarvan19. Deze advocaat had voorts het roljournaal moeten raadplegen waarin was opgenomen dat de termijn voor het nemen van een memorie van grieven met twee weken was verlengd met de aantekening dat bij niet dienen verval zal worden verleend (zie hiervoor onder 1.5).

2.11

Ook de door [eiser] gestelde omstandigheden die onder 2.7 zijn opgenomen, doen op grond van het voorgaande niet af aan de juistheid van het bestreden oordeel.

Het middel faalt derhalve in zijn geheel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

2 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag laat ik vermelding van de feiten achterwege. Zie daarvoor de rov. 2.1-2.11 van het eindvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2016. Het procesverloop is gedeeltelijk opgenomen. Zie voor het volledige procesverloop in eerste aanleg het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2015, rov. 1.1-1.2 en het eindvonnis van 20 januari 2016, rov. 1.1-1.2 en voor het procesverloop in hoger beroep het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2016, rov. 1.

3 Zie hierna onder 2.1.

4 De cassatiedagvaarding is op 14 september 2016 uitgebracht.

5 Daarin wijzigt hij, vanwege een cessie, de tweede volzin van het petitum in de cassatiedagvaarding in: “Met veroordeling van verweerder tot betaling aan de cassatieadvocaat van [eiser], zonder enig recht op verrekening, van de proceskosten van de procedure in cassatie.”

6 De gefourneerde procesdossiers stemmen niet geheel overeen. Het A-dossier bevat een uitdraai uit het digitale roljournaal van juli 2016 (productie 8), dat in het B-dossier ontbreekt. Voorts bevindt zich in het A-dossier een exemplaar van de cassatiedagvaarding waaraan een kopie van de aan [eiser] verleende toevoeging en het bestreden arrest zijn gehecht (productie 10), terwijl in het B-dossier een kopie van de cassatiedagvaarding zonder deze bijbehorende stukken zit (productie 10), en bevindt zich in het B-dossier bij de overgelegde producties 13 t/m 21 uit eerste aanleg het bijbehorende B8-formulier (productie 4), dat in het A-dossier ontbreekt (productie 4).

7 S.t. van de Gemeente onder 11.

8 Zie HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2015/565 en JIN 2015/133 m.nt. N. de Boer; HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, RvdW 2015/941 en JBPR 2016/4 m.nt. H.W. Wiersma; HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:376, RvdW 2016/367 en ECLI:NL:HR:2016:359, RvdW 2016/370 en JBPR 2016/23 m.nt. H.W. Wiersma; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1459, RvdW 2016/823 en vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210 met betrekking tot het pilotreglement van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

9 Zie HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2015/565 en JIN 2015/133 m.nt. N. de Boer, rov. 3.6 en onder 2.13 en 2.15 van mijn aan dit arrest voorafgaande conclusie.

10 HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:606, NJ 2016/266 en JIN 2016/88 m.nt. M.C. van Rijswijk en R.P. van den Broek. De annotatoren merken (onder 6) op dat de Hoge Raad appellanten (en m.n. ook hun raadslieden) wil beschermen tegen “het ten onrechte niet doorhebben dat een pilotreglement niet van toepassing is” (kennelijk is bedoeld: “dat een pilotreglement van toepassing is”).

11 In de cassatiedagvaarding wordt verwezen naar het arrest van deze datum dat betrekking heeft op het pilotreglement van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (ECLI:NL:HR:2015:1065, NJ 2015/210).

12 In de cassatiedagvaarding wordt abusievelijk van vier maanden gesproken.

13 Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202, rov. 3.3. Zie voorts Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/208.

14 Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/177 en Ras/Hammerstein 2017, nr. 57 onder verwijzing naar HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207, NJ 2004/569 m.nt. HJS. Zie ook: Snijders/Wendels 2009, nr. 234. In gelijke zin mijn conclusie (onder 2.4) vóór HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:284, RvdW 2017/265.

15 ECLI:NL:HR:2016:359, RvdW 2016/370 en JBPR 2016/23 m.nt. H.W. Wiersma.

16 Met verder dit verschil dat het hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 maart 2016 ten onrechte heeft nagelaten een termijn van veertien dagen te geven om het verzuim te herstellen en dat, nadat het hof akte niet-dienen had verleend, appellante nog (tweemaal) heeft verzocht om alsnog uitstel te verlenen voor het nemen van een memorie van grieven. Met de afhandeling van deze uitstelverzoeken was, gelet op het procesverloop zoals dat is geschetst in rov. 3.2.2 van het arrest, evenwel ten hoogste twee dagen gemoeid.

17 In de hiervoor aangehaalde zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 maart 2016 besloeg de periode tussen het verlenen van akte niet-dienen en het eindarrest van het hof vier weken.

18 De vierde versie (januari 2014, Stcrt. 2013, 36146).

19 Vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 en JIN 2014/194 m.nt. N. de Boer en ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418 en JIN 2014/195 m.nt. N. de Boer, onder verwijzing naar HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0721, NJ 2013/491 (betreffende griffierechten); HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 m.nt. W.D.H. Asser en HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202.