Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:926

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-07-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/01138
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2414, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Roekeloosheid bij een verkeersruzie op de snelweg, art. 6 en 175 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960 m.b.t. roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm, waarvan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte ‘s nachts bij een verkeersruzie een voor hem rijdende auto dicht heeft genaderd, met zijn lichten heeft geseind en deze rechts heeft ingehaald, en dat hij zijn auto plotseling tot stilstand heeft gebracht op de rijbaan van een onverlichte snelweg om verhaal te halen, waarbij verdachte zo abrupt heeft geremd dat de achter hem rijdende auto werd gedwongen te stoppen. Als gevolg daarvan is een achteropkomende auto in botsing gekomen met de stilstaande auto’s, waarbij drie personen gewond zijn geraakt. Aldus heeft het Hof in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat hier zich een uitzonderlijk geval voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01138

Mr. A.J. Machielse

Zitting 4 juli 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 22 februari 2016 het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 april 2014, behoudens wat betreft de kwalificatie, strafoplegging en strafmotivering, onder aanvulling van de bewijsmiddelen en gronden bevestigd en verdachte voor: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van een normale bezigheden ontstaat, veroordeeld tot een geldboete van € 10.000, tot een taakstraf van 120 uur en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel stelt dat de verbeterde bewijsvoering het arrest innerlijk tegenstrijdig maakt omdat het hof enerzijds voor het bewijs bezigt de verklaring van verdachte 'Als ik had geweten wat er zou gebeuren, was ik nooit gestopt' en anderzijds heeft overwogen:

“De rechtbank heeft op juiste wijze overwogen dat er sprake is van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en waarvan de verdachte zich bewust is geweest.”

Volgens de steller van het middel bestaat die tegenstrijdigheid hierin dat uit de verklaring van verdachte dat hij nooit zou zijn gestopt als hij had geweten wat er zou gebeuren volgt dat verdachte zich niet bewust was van het gevaar dat door zijn gedraging in het leven is geroepen.

3.2. Dit standpunt kan ik niet onderschrijven. Het hof heeft zich klaarblijkelijk op het standpunt gesteld dat verdachte zich bewust was van het zeer gevaarlijke karakter van zijn gedrag maar, achteraf bezien en geconfronteerd met de ernstige gevolgen van zijn gedrag, betreurt dat hij zich zo heeft gedragen. Vaak is kenmerkend voor de bewuste schuld dat de verdachte toch handelt hoewel hij beseft dat aan dat handelen gevaar verbonden is, maar ervan uitgaat dat dit gevaar zich niet zal realiseren en daarom dat gevaar niet aanvaardt.1

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte roekeloosheid heeft aangenomen en wijst erop dat het hof in aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voor het bewijs ook heeft gebezigd de volgende passage uit de gewijzigde verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 5 oktober 2015 heeft afgelegd en die als volgt luidt:

"Ik ben voor die Toyota Starlet gaan rijden. Omdat ik wilde kijken wat er met mijn auto aan de hand was en ik verhaal wilde halen, trapte ik op de rem."

4.2. Het hof heeft zich aangesloten bij de vaststelling door de rechtbank van de feiten:

"De rechtbank heeft in het bestreden vonnis aan de hand van de verklaringen van de slachtoffers en het sporenbeeld de feitelijke toedracht van het verkeersongeval vastgesteld.

Verdachte heeft midden in de nacht na een verkeersruzie zijn auto (Toyota Aygo) plotseling tot stilstand gebracht op de rechterrijstrook van een onverlichte snelweg. Door de abrupte wijze van remmen werd de achter verdachte rijdende auto (Toyota Starlet) eveneens gedwongen te stoppen. Verdachte is vervolgens verhaal gaan halen bij de inzittenden van die andere auto. Een derde achteropkomende auto (Nissan Micra) kon de stilstaande auto’s niet meer ontwijken en is met beide auto’s in botsing gekomen. Een drietal personen raakte daarbij gewond.”

Even daarna onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich aan roekeloosheid schuldig heeft gemaakt:

“Op dezelfde gronden als de rechtbank verwerpt het hof het subsidiaire standpunt van de verdediging dat het rijgedrag van verdachte niet als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW’94 valt aan te merken.

De rechtbank heeft op juiste wijze overwogen dat er sprake is van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en waarvan de verdachte zich bewust is geweest."

Over de mate van schuld heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende opgenomen:

"Van “roekeloosheid” is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. "Roekeloosheid" in de zin van de wet heeft een specifieke betekenis die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van “roekeloosheid” moet sprake zijn van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen. De verdachte moet zich daarvan ook bewust zijn geweest (zie Hoge Raad 18 februari 2014, ECLI HR:2014:351).

Verdachte heeft zijn auto doelbewust tot stilstand gebracht op de autosnelweg, om verhaal te halen naar aanleiding van een verkeersruzie. Doordat verdachte abrupt remde, was de bestuurster van de achterop komende auto genoodzaakt haar auto eveneens tot stilstand te brengen. Op die manier heeft zij kunnen voorkomen dat zij achterop de auto van verdachte is gebotst. Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt om verhaal te halen bij de auto achter hem en heeft zijn auto onbemand achtergelaten.

Door het handelen van verdachte stonden twee auto’s stil op de rechterrijstrook. Bij nacht, zonder noodzaak, stilstaan op de rijbaan van een onverlichte autosnelweg, merkt de rechtbank aan als buitengewoon onvoorzichtig gedrag waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven wordt geroepen, doordat het achteropkomende verkeer volstrekt niet bedacht is op een dergelijke situatie op die plaats op de weg. Daar komt nog bij dat op de autosnelweg met hoge snelheden, zo’n 120 kilometer per uur, wordt gereden. Die snelheden zullen ’s avonds, wanneer het relatief rustig op de weg is, wellicht nog hoger liggen. In ieder geval maken deze snelheden het voor andere verkeersdeelnemers lastiger adequaat te reageren en verhogen deze de risico’s. Dat verdachte zich bewust was van de gevaren van zijn handelen, blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting. Hij verklaarde namelijk dat hij niet zomaar langzaam gaat rijden op de autosnelweg. “Dat doet geen normaal mens.” Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich degelijk bewust was van de gevaren van zijn handelen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om toch midden op de autosnelweg zijn auto tot stilstand te brengen, een andere auto daarmee te dwingen te stoppen en vervolgens zijn eigen auto onbemand achter te laten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van roekeloosheid in de zin van de wet."

4.3. Dat de Hoge Raad zware eisen stelt aan het bewijs voor roekeloosheid hebben talrijke arresten de afgelopen jaren inderdaad duidelijk gemaakt. Ik citeer uit een arrest uit 2015:

"3.2. Het onder 1 tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

3.3. Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25.)" 2

4.4. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad is af te leiden dat de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond doorslaggevend zullen zijn voor de kwalificatie als roekeloos. Het opeenstapelen van verkeersfouten en zelfs van verkeersmisdrijven levert doorgaans nog geen roekeloosheid op.3

De gevallen waarin de Hoge Raad akkoord is gegaan met een kwalificatie als roekeloos zijn stuk voor stuk bijzonder vanwege de min of meer verkeersvreemde context. In HR 6 oktober 2009, ECLI:2009:BJ9367 daagden vrienden – ieder in hun auto – elkaar in het centrum van Leeuwarden uit, overschreden de maximumsnelheid en probeerden elkaar af te troeven. Een van hen reed een fietsster aan die aan de gevolgen overleed. Beide automobilisten werden veroordeeld voor het medeplegen van dood door schuld in het verkeer, welke schuld heeft bestaan in roekeloosheid. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring toereikend was gemotiveerd en dat de vaststelling van het hof dat verdachten, mede gelet op hun te hoge snelheid waarmee zij rond 20:00 uur in het centrum van Leeuwarden dicht achter elkaar op een bochtige weg reden, waar gelet op het tijdstip andere (zwakkere) verkeersdeelnemers te verwachten waren, beiden roekeloos hebben gereden, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. In HR 15 oktober 2013, NJ 2014, 27 m.nt. Keijzer had verdachte zich laten verleiden tot een kat- en muisspel, waarbij de een de ander opjoeg en de verdachte met aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid door rood licht een kruispunt is opgereden en in botsing is gekomen met een andere auto ten gevolge waarvan twee personen overleden. Het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op dit samenstel van gedragingen en in zijn bewijsvoering aldus tot uitdrukking gebracht dat dit geval voldoende uitzonderlijk was om roekeloosheid aan te nemen. Vergelijkbaar is HR 3 december 2013, NJ 2014, 30 m.nt. Keijzer waarin twee BMW's binnen de bebouwde kom van Utrecht een snelheidswedstrijd hielden waarbij de snelheid opliep tot boven de 100 km/h en waarbij een van de BMW's tegen een derde auto botste, als gevolg waarvan een van de inzittenden van die andere auto overleed en een tweede inzittende zwaar werd gewond. Deze gevolgen waren volgens het hof aan de roekeloosheid van de bestuurder van de botsende BMW te wijten. De Hoge Raad meende dat het middel, dat klaagde over het aannemen van roekeloosheid, faalde gelet op het samenstel van gedragingen van verdachte, eruit bestaande dat hij te midden van andere weggebruikers was verwikkeld in een snelheidswedstrijd met een andere automobilist, heeft gereden met zeer grote overschrijding van de maximumsnelheid van 50 km/h en zonder bij de nadering van een bocht snelheid te verminderen, de controle over zijn auto heeft verloren en met groot snelheidsverschil is aangereden tegen de derde auto. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat zich hier een uitzonderlijk geval zoals voor roekeloosheid nodig is, zich heeft voorgedaan. Ook in HR 16 december 2014, ECLI:2014:3620 is een dodelijk ongeval het gevolg geweest van roekeloos rijden, nu verdachte te midden van medeweggebruikers zich heeft laten verleiden tot een wedstrijdachtige achtervolging met een andere bestuurder over langere afstand en met zeer grote overschrijding van de ter plekke geldende maximumsnelheid en, bekend zijnde met de situatie ter plekke, vervolgens met onverminderde snelheid door rood licht een kruispunt is opgereden waardoor een overstekende fietser dodelijk werd geraakt.

In HR 16 juni 2015, ECLI:2015:1656 probeerde verdachte aan de politie te ontkomen terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen, nooit een rijbewijs heeft gehad en het zicht in één oog miste. Verdachte slingerde over de weg met forse overschrijding van de maximumsnelheid, reed zonder voldoende aandacht voor het overige verkeer links en rechts inhalend , ramde een aantal politieauto's en reed achter op een file waardoor een derde om het leven kwam. Dit samenstel van gedragingen heeft het hof als een zodanig uitzonderlijk geval kunnen bestempelen dat de kwalificatie tot roekeloosheid gerechtvaardigd was.

4.5. De vraag is dus of de door rechtbank en hof vastgestelde omstandigheden het oordeel dat er sprake was van roekeloosheid kunnen dragen. Rozemond wijst erop dat in de zaken waarin verdachten een race hielden op de openbare weg gezegd kan worden dat verdachte zich met hun gedragingen welbewust buiten de orde van het normale verkeer plaatsten ten koste van extreme risico's voor andere verkeersdeelnemers.4 Keijzer acht kenmerkend voor roekeloosheid de onverschilligheid voor de veiligheid van anderen, een asociale attitude waarmee een delict wordt begaan.5 Kooijmans benadrukt dat in de opvatting van de Hoge Raad roekeloosheid zich alleen maar in uitzonderlijke gevallen zal voordoen. In ieder geval zal het moeten gaan om een buitengewoon onvoorzichtige gedraging die een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen, waarvan verdachte zich bewust is geweest althans heeft moeten zijn. Kooijmans wijst er voorts op dat de Hoge Raad ook van de feitenrechter verlangt dat deze zo precies mogelijk uitlegt waarom aan deze eisen is voldaan.6

4.6. Mijns inziens hebben rechtbank en hof toereikend gemotiveerd waarom zij tot het oordeel zijn gekomen dat er sprake was van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte die een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen, waarvan verdachte zich bewust was. Door de andere auto in het donker op de snelweg tot stoppen te dwingen om verhaal te halen, heeft verdachte verkeersgedrag vertoond dat een forse inbreuk opleverde op de normale afwikkeling van het verkeer. Ik ontwaar een zekere gelijkenis met de gevallen waarin de veroordeling voor roekeloosheid in de ogen van de Hoge Raad door de beugel kon. Ook in de onderhavige zaak is het verkeersgevaarlijke gedrag van verdachte bepaald door rivaliteit. Waar in het merendeel van de andere zaken de betrokkenen elkaar hebben opgejut en over en weer uitgedaagd heeft verdachte zich kennelijk aan het gedrag van de andere weggebruiker zo gestoord dat hij die ander op een uiterst riskante wijze voor het blok heeft gezet. In de meeste gevallen van roekeloosheid is het verkeersgevaarlijke gedrag in interactie met een welbepaalde ander tot stand gekomen, in deze zaak was het direct tegen de ander gericht. In de zaken waarin de Hoge Raad te weinig aanknopingspunten voor roekeloosheid zag was van zo een specifieke relatie met het gedrag van een andere verkeersdeelnemer geen sprake. Het bovenstaande wil overigens geenszins zeggen dat buiten de sfeer van de rivaliteit en uitdaging roekeloosheid niet voor kan komen, maar enkel dat naar mijn oordeel de onderhavige zaak een kenmerk deelt met die andere zaken.

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het eerste kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie Wim Vellinga, Van mate van schuld: over ondergrens (en bovengrens) van de culpa in het Nederlandse strafrecht, Preadvies voor de vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland 2012, p. 36 e.v. HR 23 september 2014, ECLI:2014:2767; HR 11 november 2014, NJ 2015, 96 m.nt. Keulen.

2 HR 30 juni 2015, ECLI:2015:1772.

3 Bijvoorbeeld HR 4 december 2012, ECLI:2012:BY2823; HR 15 oktober 2013, NJ 2014, 25 m.nt. Keijzer; HR 15 oktober 2013, NJ 2014, 26 m.nt. Keijzer; HR 3 december 2013, NJ 2014, 29 m.nt. Keijzer; HR 4 maart 2014, NJ 2014, 220 m.nt. Rozemond; HR 28 oktober 2014, NJ 2015, 14 m.nt. Keijzer.

4 Annotatie onder NJ 2014, 220.

5 Annotatie onder NJ 2015, 15. Buruma bespreekt het normatieve verwijt als een vereiste voor roekeloosheid, waarbij hij betrekt de reden voor het nemen van een onaanvaardbaar risico; Ybo Buruma, Roekeloosheid, in Ad hunc modum, Deventer 2013, p. 44. Mr. R.J.A. Klaar acht een subjectieve invulling van de roekeloosheid waarbij bijvoorbeeld het motief van handelen en de mate van bewustzijn relevant zijn minder gelukkig dan een invulling aan de hand van de objectieve kenbaarheid van het grote risico; Mr. R.J.A. Klaar, Het 'roekeloze' van roekeloosheid: een nadere omlijning van het bestanddeel roekeloosheid, in Strafblad, mei 2014, p. 132 e.v.

6 Prof. mr. T. Kooijmans, De roekeloze automobilist, AA 2014, p. 118 e.v.