Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-07-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/00132
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2392, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde (contactverbod), voor zover inhoudende “relaties van voornoemde personen”, art. 14c.2 Sr. 2. Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht, art. 14e.1 Sr.

ad 1. Een bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 sub 14 Sr dient het gedrag van veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:1968:AB6079). De door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde dat “de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met X en Y, dan wel relaties van voornoemde personen” is in strijd met genoemde bepaling v.zv. deze betrekking heeft op “relaties van voornoemde personen”, omdat in zoverre in deze voorwaarde niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd. HR vernietigt bijzondere voorwaarde v.zv. deze betrekking heeft op “relaties van” X en Y.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. motiveringsverplichting dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. ’s Hofs arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00132

Zitting: 11 juli 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 30 december 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2015, waarbij de verdachte wegens 1. “belaging” en 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en “bedreiging met zware mishandeling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met toepassing van algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis omschreven en een proeftijd van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, met aanvulling van gronden bevestigd. Ook is beslist op een vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals vermeld in het bevestigde vonnis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat de gestelde bijzondere voorwaarde ontoelaatbaar is, omdat deze vaag is, het naleven daarvan deels afhankelijk is van het gedrag van derden en inbreuk maakt op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op privé-, familie- en gezinsleven.

  4. De bewezenverklaring in de onderhavige zaak ziet op belaging van de ex-partner van de verdachte, [betrokkene 1] (feit 1). De veroordeling wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling heeft betrekking op de partner van [betrokkene 1] ten tijde van de bewezen verklaarde gedragingen, [betrokkene 2] (feit 2). Door de bevestiging van het vonnis in eerste aanleg heeft het hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“Feit 1 :

hij in de periode van 1 april 2013 tot en met 18 juni 2014 in de gemeente Haarlem en/of in de gemeente Heemstede, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], met het oogmerk [betrokkene 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

* veelvuldig (voor [betrokkene 1] bedreigende en/of dwingende) email-berichten gestuurd naar [betrokkene 1] en/of

* veelvuldig (voor [betrokkene 1] bedreigende en/of dwingende) WhatsApp-berichten gestuurd naar [betrokkene 1] en/of

* veelvuldig (voor [betrokkene 1] bedreigende en/of dwingende) SMS-en/of Twitter-berichten gestuurd naar [betrokkene 1] en/of

* veelvuldig gebeld naar [betrokkene 1] en/of

* zich begeven bij de woning van [betrokkene 1].

Feit 2:

hij in de periode van 26 mei 2014 tot en met 13 juni 2014 in de gemeente Haarlem, [betrokkene 2] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (middels Facebook[chatberichten] aan [betrokkene 2], althans leesbaar voor die [betrokkene 2]) de woorden/teksten geuit:

-‘…als nou blijkt dat de oplossing voor de situatie die is ontstaan, het meest efficiënt is te veranderen door niet zozeer een nieuwe woning voor jezelf, maar directe levensbeëindiging, dan zal ik dat ter zijne tijd ook overwegen. Gezien de consequenties ook. Weet niet wat de minimumstraffen zijn etc. Wat de strafmaat is. Directe levensbeëindiging slaat op jouw leven hier of het einde ervan dus' en/of

-'..in leven blijven gaat toch het beste als je een flatje voor jezelf gaat inrichten' en/of -'Je leeft dus nog. Ik werk aan een oplossing voor dat probleem..' en/of

-'..hoewel een end hout dat herhaaldelijk kennis maakt met je gezicht, me een goed begin lijkt voor detentie' en/of

-'..Je beste optie houdt in: dan blijf je leven het blijft nog wat hypothetisch tot nu toe "moord met voorbedachte rade" wil ik wel consequenties voor dragen als mijn kindjes daar beter bij af zijn..' en/of

-'vergat nog te melden dat het beëindigen van jouw leven om deze reden, me nog

steeds een beter voorbeeld voor mijn kinderen zou maken..' en/of

-'..bloederige gezinsdrama's ...zijn jij en [betrokkene 1] aan het creëren..' en/of

-'..het lijkt mij wijs als hij ([betrokkene 2]) en ik gaan babbelen namelijk ik realiseer me goed wat de consequenties zijn voor moord en ik wil ze best dragen'.”

5. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde wordt verbonden een contactverbod met [betrokkene 1], haar kinderen en [betrokkene 2], alsmede een locatieverbod voor het adres van [betrokkene 1] met een straal van een kilometer. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de eis van de officier van justitie niet passend is en heeft de rechtbank verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf.

6. De rechtbank heeft in het bevestigde vonnis als bijzondere voorwaarden gesteld dat de veroordeelde:

“- gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen;

zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet zal bevinden binnen een straal van één (1) kilometer van de [a-straat 1] te [plaats].”

7. De rechtbank heeft in het bevestigde vonnis voorts verklaard dat de op grond van art. 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

8. In het kader van de strafmotivering heeft de rechtbank in het bevestigde vonnis, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende overwogen:

“Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Een contactverbod met de kinderen van verdachte en [betrokkene 1] zal niet worden opgelegd teneinde eventueel contact tussen verdachte en zijn kinderen in de toekomst niet te frustreren. Daarnaast acht de rechtbank een locatieverbod noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal eveneens als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.”

9. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal bij het hof gevorderd het vonnis in eerste aanleg te bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft aldaar betoogd dat de rechtbank ten onrechte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf heeft opgelegd, omdat de ten laste gelegde feiten niet aan hem kunnen worden toegerekend. In het verweer wordt geen specifieke aandacht besteed aan de bijzondere voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en ter aanvulling van de gronden - kort samengevat - in reactie op dit verweer overwogen dat het hof geen aanknopingspunten in het dossier heeft gevonden om de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

10. Het middel betreft de regeling van de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling. Vanaf de invoering van deze rechtsfiguur in 1915 heeft de wetgever de rechter armslag gegeven bij de concrete invulling van bijzondere voorwaarden. Daarmee is de deur geopend voor voorwaarden zie zijn toegesneden op de omstandigheden van het geval. Het meest sprekende voorbeeld van deze armslag is de algemeen geformuleerde mogelijkheid als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr tot het stellen van ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Zowel de term ‘goed levensgedrag’ als de term ‘maatschappelijke betamelijkheid’ heeft een normatief element. Over de vraag wat onder goed levensgedrag kan worden verstaan, kan in een pluriforme samenleving als de onze verschillend worden gedacht.1 Naar mijn mening dient deze strekking in rechtstreeks verband te worden gezien met de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Hoewel ook arresten zijn aan te wijzen waarin een voorwaarde is aangemerkt als een voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreffende nadat was vastgesteld dat deze de strekking had de veroordeelde te weerhouden van het begaan van strafbare feiten, met name van soortgelijke als waarvoor de verdachte werd vervolgd,2 keerde in meer recente arresten de minder heldere term ‘goed levensgedrag’ terug. Gedragingen op basis van normen van maatschappelijke betamelijkheid zien op de naweeën van het begane feit.

11. De globale omschrijving ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ heeft als voordeel dat de rechter vrijheid toekomt om maatwerk te leveren, maar heeft als nadeel dat een spanningsveld ontstaat met het zogenoemde ‘nulla poena’-beginsel.3 De wetgever heeft om die reden bepaalde bijzondere voorwaarden, die voorheen onder de algemene noemer van ‘voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ werden gebracht, afzonderlijk in art. 14c, tweede lid, Sr opgenomen.4 De uitbreiding van de wettelijke verankering van de bijzondere voorwaarden dient volgens de wetgever de rechtszekerheid. Daarbij is ook betrokken dat het belangrijk is dat de veroordeelde, het openbaar ministerie en de reclassering duidelijkheid wordt geboden welke inhoud de gestelde bijzondere voorwaarde heeft. Daarmee zou ook de effectiviteit van het reclasseringstoezicht worden bevorderd.5

12. De wetgever heeft ook het contactverbod afzonderlijk in de wet opgenomen. Daarbij gaat het om het in art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr opgenomen verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen. Een contactverbod zoals in de onderhavige zaak opgelegd, kan beide strekkingen van de gedragsvoorwaarde in zich verenigen: deze kan ertoe strekken te voorkomen dat de veroordeelde zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten jegens de in de voorwaarde genoemde personen, maar ook om hen niet opnieuw te confronteren met de bewezen verklaarde feiten. Het hof heeft door het vonnis van de rechtbank te bevestigen geen specifieke motivering gewijd aan de strekking van de gestelde bijzondere voorwaarden, maar in het licht van de motivering van het voorwaardelijk strafdeel en de daarbij gestelde proeftijd kan worden aangenomen dat de voorwaarden ertoe strekken de veroordeelde te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan recidive door te vermijden dat de veroordeelde contact onderhoudt met de bedoelde personen.

13. Het middel bevat onder meer de klacht dat de bijzondere voorwaarde inhoudende een contactverbod in strijd is met het in art. 14c, tweede lid, Sr voor zover daarin is opgenomen dat de veroordeelde geen contact zal “hebben” met de in de voorwaarde bedoelde personen. De steller van het middel betoogt daartoe dat de naleving van de voorwaarde in zoverre niet te allen tijde van de wil van de verdachte afhankelijk is.

14. Uit de omschrijving ‘het gedrag van de veroordeelde betreffende’ in art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr volgt dat de veroordeelde de naleving van de voorwaarde zelf in de hand moet hebben. De voorwaarde “dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (…) van veroordeelde” doorstond de toets in cassatie niet, omdat de naleving ervan niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde.6Art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr bevat niet uitdrukkelijk de clausule dat de voorwaarde het gedrag van de veroordeelde moet betreffen. Om drie redenen meen ik evenwel dat een dergelijke beperking wel in die bepaling besloten ligt.

15. In de eerste plaats volgt uit het karakter van de voorwaardelijke veroordeling als instrument tot het beïnvloeden van het gedrag van de veroordeelde dat de naleving van de voorwaarde - uitsluitend - afhankelijk moet worden gesteld van het gedrag van de veroordeelde. In de tweede plaats heeft de wetgever met het in de wet verankeren van bepaalde specifieke bijzondere voorwaarden beoogd de rechtszekerheid te dienen, terwijl nergens uit blijkt dat de wetgever in dit opzicht een inhoudelijke wijziging heeft voorgestaan. Ten derde volgt ook uit de omschrijving van art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr dat de voorwaarde een inspanningsverplichting van de veroordeelde inhoudt. Te wijzen valt op de woorden “contact te leggen of te laten leggen”, die gedragingen van de veroordeelde behelzen.

16. Ik meen dat de door het hof gestelde voorwaarde in de hiervoor bedoelde zin moet worden begrepen. Het hof had er beter aan gedaan de wettelijke terminologie over te nemen. Niettemin meen ik dat de voorwaarde niet anders kan worden begrepen dan dat van de veroordeelde wordt gevergd dat hij geen contact legt en laat leggen met de in het bevestigde vonnis bedoelde personen. In deze zin begrepen, houdt de voorwaarde een inspanningsverplichting voor de veroordeelde in contact met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te mijden. Aldus bezien, is de gestelde voorwaarde in zoverre niet in strijd met het bepaalde in art. 14c, tweede lid, Sr.

17. Daarnaast bevat het middel de klacht dat de gestelde voorwaarde te onbepaald is voor zover daarin is opgenomen “dan wel relaties van voornoemde personen”.

18. De wetgever heeft het contactverbod in het kader van de voorwaardelijke veroordeling geregeld in art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr. Uit de hiervoor kort geschetste geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat de voorwaarde is opgenomen in het kader van de wens van de wetgever de reikwijdte van bijzondere voorwaarden nader te omlijnen. Zowel de veroordeelde als de toezichthoudende instantie moet duidelijkheid worden geboden over de inhoud van de bijzondere voorwaarde. Art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr geeft invulling aan deze doelstelling door te verlangen dat het contactverbod betrekking heeft op bepaalde personen of instellingen. Het spreekt vanzelf dat voor de veroordeelde duidelijk moet zijn of een persoon met wie hij contact heeft onder de reikwijdte van het contactverbod valt. De veroordeelde zal aan de hand van de omschrijving van de voorwaarde in staat moeten zijn zijn gedrag daarop af te stemmen.

19. In het licht van het voorafgaande, meen ik dat de door het hof gestelde voorwaarde tekortschiet. De aanduiding “relaties van” is zodanig vaag, dat deze niet meer kan worden aangemerkt als betrekking hebbend op “bepaalde personen” als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr. Van de verdachte kan niet worden gevergd dat hij bekend is met alle relaties van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Dat betekent dat de voorwaarde niet een voldoende bepaald gedragsvoorschrift bevat.7 Daarbij komt dat de onduidelijkheid over de invulling van de voorwaarde wordt vergroot doordat de rechtbank het door de officier van justitie gevorderde verbod van contact met de kinderen van de verdachte en [betrokkene 1] van de hand heeft gewezen. Niet valt in te zien dat de kinderen van [betrokkene 1] buiten de reikwijdte van de formulering “relaties van” [betrokkene 1] zouden kunnen vallen, tenzij het begrip ‘relaties’ een heel specifieke invulling heeft, zoals liefdesrelaties. Voor een dergelijke restrictieve interpretatie van het begrip relaties ontbreekt evenwel elk aanknopingspunt.

20. Uit het voorafgaande volgt dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde, voor zover deze betrekking heeft op “relaties van voornoemde personen”, in strijd is met het bepaalde in art. 14c, tweede lid onder 5°, Sr. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen door de bijzondere voorwaarde betreffende het contactverbod, voor zover inhoudende “dan wel relaties van voornoemde personen”, te vernietigen.

21. Het middel slaagt.

22. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht8 heeft bevolen.

23. Door het vonnis van de rechtbank te bevestigen heeft het hof ter motivering van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank zal, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daartoe is redengevend dat verdachte een bedreigende situatie heeft gecreëerd voor beide aangevers, waarbij de berichten die hij heeft verzonden en de bedreigingen die hij heeft geuit in sommige gevallen zeer dreigend van aard waren. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het reclasseringsrapport alsmede uit de psychiatrische pro justitia rapportage blijkt dat het recidiverisico als gemiddeld tot hoog wordt ingeschat.”

24. Met ingang van 1 april 2012 kent art. 14e Sr de mogelijkheid dat de rechter bij de uitspraak waarbij een (al dan niet gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt opgelegd beveelt dat de gestelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.9 Art. 14e, eerste lid, Sr luidt als volgt:

"De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen."

25. Volgens de wetgever rechtvaardigt de bescherming van de veiligheid en lichamelijke integriteit van personen dat de mogelijkheid wordt gecreëerd om in individuele gevallen af te wijken van het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging eerst een aanvang neemt na het onherroepelijk worden van de veroordeling. De wetgever heeft wel onder ogen gezien dat een dergelijk bevel voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben en heeft daarom de toepassing ervan met waarborgen willen omkleden. 10 Zo kan een dergelijk bevel alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, een criterium dat ook in art. 14b, tweede lid, Sr ten aanzien van de maximumduur van de proeftijd van tien jaren wordt genoemd.11 In de nota naar aanleiding van het verslag bij het desbetreffende wetsvoorstel is in dit verband het volgende opgemerkt12:

“De rechter zal moeten vaststellen of er, kort gezegd, ernstig recidivegevaar bestaat voor een zeden- of geweldsmisdrijf. De rechter zal dit doen aan de hand van de ernst van het gepleegde stafbare feit, de omstandigheden van het geval en de in het dossier aanwezige stukken over het recidive-gevaar.

De leden van de SP-fractie vragen voor welke gevallen de dadelijke uitvoerbaarheid van de (bijzondere) voorwaarden en het reclasserings-toezicht een mogelijkheid is. Deze dadelijke uitvoerbaarheid is een mogelijkheid voor, kort gezegd, alle gevallen waarin er recidivegevaar bestaat voor gewelds- en/of zedenmisdrijven. Mijn indruk van de praktijk - het criterium wordt immers al gehanteerd voor de toepassing van een langere proeftijd bij een voorwaardelijke straf - is dat de rechter dit met name toepast in gevallen van veroordeling wegens (ernstige) zedenmisdrijven.“

26. In lijn met de wetsgeschiedenis, benadrukt de Hoge Raad dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op de regel dat een uitspraak eerst wordt ten uitvoer gelegd als deze onherroepelijk is voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan.13 Uit de bestreden uitspraak moet aldus in de eerste plaats volgen dat de bewezen verklaarde feiten waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarnaast dient daaruit te volgen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal begaan.

27. Wat het eerste aspect van de motivering betreft, kan inspiratie worden geput uit de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 359, zevende lid, Sv. Deze bepaling voorziet in een motiveringsverplichting in geval de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De Hoge Raad overweegt dat deze motiveringsverplichting vooral van belang is indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS wordt opgelegd niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf, dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarbij noemt de Hoge Raad als voorbeelden bedreiging (art. 285 Sr) en belaging (art. 285b Sr).14

28. In HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8 was de bewezenverklaring geënt op belaging. Het hof had toepassing gegeven aan art. 14e, eerste lid, Sr. De Hoge Raad overwoog in rov. 5.5:

“Gelet op art. 14e, eerste lid, Sr en mede in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet een gedraging bevat die onmiskenbaar is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangever terwijl het misdrijf "belaging" niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf "dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen" als bedoeld in voornoemde bepaling, diende het Hof te motiveren waarom het de dadelijke tenuitvoerlegging van de voorwaarden heeft bevolen. Dat het Hof heeft overwogen dat de verdachte "eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit", dat "het recidiverisico als hoog gemiddeld wordt ingeschat" en dat "de verdachte op geen enkele wijze blijk [heeft] gegeven het laakbare van zijn handelingen in te zien", is geen toereikende motivering nu daaruit niet zonder meer volgt dat aan voormeld vereiste van art. 14e, eerste lid, Sr is voldaan.”15

29. Zoals opgemerkt, dient ook uit de motivering te volgen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal begaan. De motivering dat de verdachte eerder voor (huiselijk) geweld is veroordeeld en er aanwijzingen bestaan dat de verdachte sinds de veroordeling door de rechtbank opnieuw contact heeft gezocht met de aangeefster, werd door de Hoge Raad ontoereikend bevonden, mede in aanmerking genomen dat het hof niets had vastgesteld over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het zoeken van contact plaatsvond.16

30. In het licht van het voorafgaande meen ik dat het hof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat noch belaging noch bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een misdrijf "dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen". Ook in samenhang met de omstandigheid dat uit het reclasseringsrapport en de psychiatrische pro justitia rapportage blijkt dat het recidiverisico als gemiddeld tot hoog wordt ingeschat, volgt niet dat aan de vereisten van art. 14e, eerste lid, Sr is voldaan.17

31. Het voorafgaande betekent dat het middel terecht is voorgesteld. In een geval als het onderhavige pleegt de Hoge Raad te vernietigen en geen toepassing te geven aan art. 80a RO.18 De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen door het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid te vernietigen.

32. Het middel slaagt.

33. Beide middelen slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft:

- de bijzondere voorwaarde dat de "veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen”, voor zover daarin is opgenomen “dan wel relaties van voornoemde personen", en
- het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079, NJ 1970/123, m.nt. Enschedé. Zie recent: HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302.

2 Vgl. bijvoorbeeld HR 12 januari 1988, NJ 1989/107.

3 Zie hierover nader mijn Onder voorwaarde, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 92-96.

4 Laatstelijk bij Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545, in werking getreden op 1 april 2012 (Stb. 2011, 615).

5 Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 6 (Stb. 2011, 545).

6 Zie HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2981, NJ 2015/431, rov. 2.3.2.

7 Vgl. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302, rov. 2. Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400, NJ 2016/329, rov. 3.3.

8 Hoewel in het middel uitsluitend wordt geklaagd over het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde bijzondere voorwaarden, begrijp ik uit de toelichting op het middel dat het zich mede uitstrekt tot het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het uit te oefenen toezicht.

9 Deze bepaling is ingevoerd bij wet van 17 november 2011 (Stb. 2011, 545 in verbinding met Stb. 2011, 615).

10 Zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 319, nr. 3, p. 12-13 (Stb. 2011, 545).

11 Vgl. HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:524 en de daaraan voorafgaande uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2017:195).

12 Zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 319, nr. 7, p. 29 (Stb. 2011, 545).

13 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400, NJ 2016/329, rov. 3.4.

14 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161, m.nt. Van Kempen en HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646, NJ 2017/181.

15 Zie ten aanzien van belaging ook HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1239.

16 Zie HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:867, NJ 2016/259. Zie ook HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236.

17 Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8.

18 Mijn ambtgenoot Harteveld heeft de Hoge Raad in een dergelijk geval in zijn conclusie van 20 juni 2017 in de zaak met nummer 16/03717 (niet gepubliceerd) in overweging gegeven wel toepassing te geven aan art. 80a RO.