Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:913

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-07-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
17/01183
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2323, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Executie-uitlevering aan Servië. Dreigende of voltooide schending art. 3 en 6 EVRM? De Rb heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat het aangevoerde niet de slotsom wettigt dat t.a.v. de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van de fundamentele rechten a.b.i. art. 3 EVRM noch van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM. Dat oordeel is feitelijk en - in aanmerking genomen dat de verweren niet zijn gestaafd met bescheiden die de opgeëiste persoon zelf betreffen - niet onbegrijpelijk. Dat de Rb abusievelijk rept van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM, doet hieraan niet af. De Rb heeft voorts - in reactie op het verweer dat de opgeëiste persoon na uitlevering zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling - overwogen dat het verweer een dreigende schending van art. 3 EVRM betreft en om die reden niet ter beoordeling van de Rb staat, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit oordeel van de Rb m.b.t. de bevoegdheidstoedeling aan de rechter en de Minister is juist. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01183 U

Zitting: 4 juli 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij uitspraak van 21 februari 2017 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Servië toelaatbaar verklaard ter fine van tenuitvoerlegging van een uitspraak van de Hogere Rechtbank te Novi Sad (Servië) van 7 september 2012 waarbij de opgeëiste persoon wegens – kort gezegd –medeplegen van diefstal met geweldpleging is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

  2. Mr. E. Sahin, advocaat te Eindhoven, heeft namens de opgeëiste persoon vier middelen van cassatie voorgesteld. De opgeëiste persoon heeft ten overstaan van de rechtbank onder meer aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard wegens schending van art. 3 en art. 6 EVRM omdat hij door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd en zijn daardoor afgedwongen bekentenis voor het bewijs in de strafzaak tegen hem is gebruikt. De middelen richten zich tegen de beoordeling door de rechtbank van dit verweer en tegen andere daarmee verband houdende mensenrechtenschendingen. Allereerst geef ik de gevoerde verweren en de overwegingen van de rechtbank weer.

  3. Volgens de pleitnota die aan het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 7 februari 2017 is gehecht, heeft de raadsman van de opgeëiste persoon – voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang – het volgende naar voren gebracht (de cursiveringen en onderstrepingen zijn overgenomen uit de pleitnota):

“In casu is er sprake van:

- dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces);
Manier waarop cliënt is verhoord en zijn bekentenis is los gekregen.

- reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM (het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing)
Omstandigheden in politiecel en in gevangenis Klisa

en

- schending van artikel 13 EVRM (geen effective remedy)
Gevangenen kunnen niet klagen

Deze schendingen komen aan de beoordeling van uw rechtbank toe, omdat deze reeds hebben plaatsgevonden.

De schendingen zal ik in het navolgende onderbouwen met hetgeen cliënt in Servië heeft meegemaakt. Zijn verhaal wordt ondersteund door diverse bronnen, waarnaar ik zal verwijzen.

Verhaal van cliënt

Blijkens het dossier is cliënt op 30 december 2010 door de Servische politie gearresteerd. Op het politiebureau heeft cliënt in eerste instantie zijn eigen verhaal verteld. Cliënt wist namelijk niet dat er een overval gepleegd zou worden.

Hij is echter door de Servische politie gedwongen om een bekennende verklaring te ondertekenen, die niet van hem was. Deze verklaring was namelijk door de Servische politie zelf opgesteld. Hij werd gedwongen om te zeggen wat de politie wilde horen.

Cliënt zat in de verhoorkamer op een stoel. Zijn arm zat geboeid vast aan een pijpleiding. Om een beeld te krijgen van de verhoorkamer waar cliënt heeft gezeten, heb ik een foto bij gevoegd als productie 1 (foto verhoorkamer).

De handboeien zaten heel strak om zijn pols. Dat deed ontzettend pijn, omdat de boeien in zijn pols sneden. Hij werd vervolgens door de politie hard geslagen met vuisten in zijn buik en ribben. Hij werd niet één of twee keer, maar heel vaak geslagen. Eerst door een politieambtenaar, daarna door een andere. Dit duurde enkele uren.

Na de zware mishandeling, werd er gedreigd met een kromme pijp. Een van de agenten zei: "ik sla je met deze pijp totdat deze recht is, als je de verklaring niet ondertekent."

Omdat hij zich ernstig bedreigd voelde en had ervaren dat ze het niet alleen bij woorden lieten, heeft cliënt de bekennende verklaring uiteindelijk ondertekent. Pas ná het ondertekenen van de verklaring, mocht hij met een advocaat spreken.

Op basis van deze bekennende verklaring, die hij onder dwang en bedreiging heeft ondertekend, is hij uiteindelijk toch veroordeeld.

Het voorgaande is niet iets waar cliënt nu pas mee aankomt. Hij heeft dit namelijk ook tijdens zijn proces in Servië tevergeefs naar voren gebracht.

Onder punt 5 van de uitspraak staat namelijk dat cliënt tijdens de hoofdzitting het plegen van het strafbare feit heeft ontkent.

Onder punt 11 van de uitspraak: Op de hoofdzitting van 31 juli 2012 heeft cliënt verklaart dat zijn verklaring die hij had afgelegd niet van hem was en dat die verklaring door de medewerkers van de politie is opgemaakt, dat de advocaat die hem ambtshalve is toegewezen twee uur later was gekomen, toen hij de verklaring al had getekend.

Eveneens onder punt 11 van de uitspraak: "Als laatste woord heeft cliënt aangegeven dat hij zich niet schuldig voelt, dat hij in het onderhavig geval een dienst aan een vriend heeft bewezen door hem ergens weg te brengen zodat hij zijn geld kon ophalen, en dat hij geen weet had dat er iets dergelijks zou gebeuren."

Het verhaal van cliënt is ook door de andere verdachten bevestigd: Zowel [betrokkene 1] als zijn advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat mijn cliënt er niets van af wist. [betrokkene 1] heeft verklaard: "dat hij op 30-12-2012 naar Turija moest om een schuld van een zekere [betrokkene 2] terug te vragen, aan wie hij eerder geld had geleend, dat hij [de opgeëiste persoon] had gevraagd om hem er naartoe te brengen, waarmee de laatstgenoemde had ingestemd."

Hij heeft het voorval met de politie niet expliciet durven te zeggen tijdens de rechtszaak, omdat hij dan in de gevangenis nog harder aangepakt zou worden.

De andere verdachte [betrokkene 3] heeft onder punt 9 van de uitspraak ook aangegeven dat hij de verklaring bij de politie ook onder druk heeft afgelegd, en dat voordat hij zijn verklaring moest afleggen zijn raadsman niet aanwezig was.

Nadat cliënt was verhoord, heeft hij enkele dagen in een politiecel moeten verblijven. Het enige wat zich in de cel bevond was een betonnen bank. Er was geen verwarming en het was -15 tot -20 graden buiten. Dat kon cliënt ook voelen omdat er geen glas in de opening zat, enkel stalen pijpen. De koude lucht kon dus zo naar binnen. Cliënt kreeg geen dekens of kussen. Hij mocht ook niet zijn cel uit. Hij zat dus 24 uur in zijn cel en heeft dit enkele dagen in die kleine en koude cel moeten volhouden.

Na enkele dagen werd hij overgebracht naar de gevangenis in Klisa. Hier heeft hij van 3 januari 2011 tot en met 21 januari 2011 in voorarrest gezeten. Dit blijkt ook uit het dossier. De omstandigheden in deze gevangenis waren zeer slecht en onmenselijk. Hij zat in een cel van 4 bij 3 meter. Daar zaten ze met 8 personen in. Er was 1 tv, ze kregen 1 maaltijd per dag, er was 1 toilet. Hij mocht 1 keer per week douchen en 1 keer per dag een uur naar buiten. Ook in deze cel waren de ramen kapot en kwam er koude lucht naar binnen. Om u een beeld te geven van de toestand van de cellen en douches heb ik als productie 2 foto's bijgevoegd.

Gevangenen durven niet te klagen, omdat je dan nog harder wordt aangepakt. Je wordt dan in een isolatiecel geplaatst. Dus klagen heeft geen zin.

Cliënt is echter niet de enige die dit heeft meegemaakt. Hij is één van de velen. Het verhaal van cliënt wordt bevestigd in diverse bronnen:

- Rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (CPT) from 26 May to 5 June 2015 d.d. 24 juni 2016 (productie 3) (…);

- Country Reports on Human Rights Practices for 2015, United States Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor (productie 4) (…);

- Helsinki Committee for Human Rights in Serbia, "Prisons in Serbia", February - March 2010, Monitoring of the prison system reform, Belgrade, April 2010 (productie 5);

- Nieuwsbericht van RTL nieuws d.d. 24 april 2014 (productie 6).

Rapport CPT d.d. 24 juni 2016

(…)

Cliënt zal terechtkomen in de gevangenis Sremska Mitrovica, omdat personen die worden uitgeleverd in die gevangenis terechtkomen. De andere medeverdachten in zijn zaak hebben immers daar hun gevangenisstraf uitgezeten.

(…)

Cliënt heeft de namen en adressen van de andere personen genoemd bij de politie, dus mede door cliënt zijn de anderen opgepakt. Cliënt zal dus uiteindelijk in dezelfde gevangenis worden geplaatst als degene die hij heeft genoemd bij de politie. Hierdoor loopt hij ook gevaar in deze gevangenis.

Daarnaast loopt cliënt ook gevaar omdat hij ook de Kroatische nationaliteit bezit. De verhoudingen tussen Kroatië en Servië zijn slecht vanwege de oorlog in de jaren ’90. Er is sprake van discriminatie en haat tussen deze landen. Cliënt kan ook niet verbergen dat hij Kroatisch is, dit blijkt alleen al uit zijn voornaam [de opgeëiste persoon] en ook zijn accent. Cliënt loopt ernstig gevaar te worden gediscrimineerd en slechter te worden behandeld, dan andere gevangenen, vanwege zijn afkomst.

Country Reports on Human Rights Practices for 2015, United States Department of State, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor (productie 4);

Vanwege de omvang van het rapport heb ik enkel de samenvatting bijgevoegd. Hierin staat onder punt c. hetgeen cliënt ook heeft meegemaakt:

(…)

Helsinki rapport (productie 5)

(…)

Nieuwsbericht RTL (productie 6)

(…)

Schending artikel 3 EVRM

Er is sprake van een reëel gevaar dat cliënt na uitlevering wederom zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.

De uitspraak van het EHRM van 20 oktober 2016, zaaknummer 7334/13, Muršić tegen Kroatië, gaat over het gebrek aan persoonlijke ruimte in gevangeniscellen. In deze uitspraak is verduidelijkt wanneer er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Uit hetgeen cliënt heeft meegemaakt en de overgelegde foto’ s blijkt al dat er niet is voldaan aan het minimale vereiste van 3 m² aan persoonlijke ruimte. Gelet op de rapporten waarin is aangegeven dat er sprake is van overbezetting zal dit wederom worden geschonden indien cliënt wordt uitgeleverd.

Ook aan de standaarden die onder het Verdrag tegen foltering zijn ontwikkeld wordt niet voldaan. Iedere gevangene moet, bijvoorbeeld, minimaal één uur per dag bewegingsvrijheid krijgen wat bij voorkeur onderdeel uitmaakt van een programma van activiteiten die te maken hebben met onderwijs, recreatie of werk. Dat de detentieomstandigheden niet voldoen volgt reeds uit de rapporten.

(…)

Conclusie

Uit bovengenoemde rapporten, met name het CPT en Human Rights, rapport blijkt, onder meer, dat preventief gehechten in Servië slecht behandeld worden door de politie. Er wordt zeer frequent fysiek geweld door de politie toegepast om bekentenissen los te krijgen, zoals ook bij cliënt is gebeurd.

De slachtoffers hiervan zijn bij herhaling niet behandeld door artsen, omdat de artsen weigerden de slachtoffers te behandelen vanwege de ernst van de verwondingen. Verder heeft het CPT in verhoorkamers ongebruikelijke attributen als houten knuppels en ijzerdraad aangetroffen.

Daarom moet de uitlevering van cliënt worden geweigerd op grond van artikel 3 en 6 van het EVRM.

Uit voornoemde rapportages blijkt ook dat de behandeling van gedetineerden en de detentie-faciliteiten zeer slecht zijn en dat er niets is veranderd naar aanleiding van eerdere rapportages. Diverse bronnen bevestigen dat het penitentiaire klimaat in Servië niet humaan is. Er zijn heel veel schendingen geconstateerd en de organisaties hebben hun diepe bezorgdheid geuit. Het CPT stelt dat sinds het eerste bezoek in 2004 geen enkele vooruitgang, op geen enkel gebied, is geboekt.

Daarbij speelt tevens een rol dat er waarde moet worden gehecht aan een rapport van een orgaan als het CPT. Het is een integere organisatie die uitgebreid onderzoek doet en uitgebreid rapporteert. Als het CPT zonder voorbehoud zegt dat de situatie in Servische penitentiaire inrichtingen inhumaan is, dient de uitlevering dient dan ook te worden geweigerd. Echter, het is niet alleen CPT die het zegt, maar ook andere organisaties zeggen hetzelfde.

Gelet op deze rapporten, betekent uitlevering van cliënt aan Servië dat hij naar een land wordt gezonden waarvan uw rechtbank weet dat onafhankelijke organisaties als het CPT zeggen dat de penitentiaire inrichtingen ver onder de maat en inhumaan zijn. Ik verzoek uw rechtbank dringend om hieraan niet mee te werken.

Weliswaar is het vertrouwensbeginsel van toepassing, maar indien de rechtbank weet dat de situatie in de Servische penitentiaire instellingen zo ernstig is dat gedetineerden aldaar worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling, dan dient de uitlevering te worden geweigerd. U heeft ook kunnen zien wat er met de gevangenen gebeurt die klagen.

Indien u de uitlevering toelaatbaar verklaart, dan zal cliënt terechtkomen in de hierboven beschreven beruchte gevangenis Sremska Mitrovica en zal hij wederom worden onderworpen aan foltering, mishandeling, bedreiging en de onmenselijke omstandigheden.

Er zijn in casu immers concrete, mijn cliënt betreffende omstandigheden, waaruit blijkt dat hij in Servië al slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

VERZOEK

Hetgeen cliënt heeft meegemaakt in Servië, ondersteund door onafhankelijke rapporten en de aangehaalde jurisprudentie, en wat hem nog te wachten staat kan mijns inziens niet tot een andere conclusie leiden dan dat de verzochte uitlevering primair ONTOELAATBAAR verklaard dient te worden. Indien het verzoek ontoelaatbaar wordt verklaard, verzoek ik u tevens cliënt in vrijheid te stellen.

Subsidiair verzoek ik u – voordat u een beslissing neemt – eerst vragen te stellen aan de Servische autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden in de gevangenis waar cliënt zijn straf dient uit te zitten, indien hij wordt uitgeleverd.”

4. De rechtbank heeft de gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen:

“Schending mensenrechten (beroep op artikelen 3 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat schending van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de onderhavige zaak aan uitlevering in de weg staat. De rechtbank stelt voorafgaand aan de bespreking van dit standpunt het volgende voorop. In uitleveringszaken is de bevoegdheid tot beoordeling van dergelijke verweren verdeeld tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie. Kort gezegd komt die verdeling op het volgende neer. Een dreigende schending van artikel 3 en van artikel 6 EVRM dient door de minister beoordeeld te worden. Een dreigende flagrante schending van artikel 6 en een reeds voltooide schending van artikel 3 EVRM ter zake de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, dient door de uitleveringsrechter te worden beoordeeld.

Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM

De verdediging heeft een rapportage van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) overgelegd betreffende een bezoek dat het CPT van 26 mei tot 5 juni 2015 aan Servië heeft gebracht.

Volgens de verdediging blijkt uit dit rapport onder meer dat preventief gehechten in Servië slecht worden behandeld door de politie. Bedreiging en mishandeling worden door de politie toegepast om bekentenissen af te dwingen. Ook de opgeëiste persoon is mishandeld en vervolgens gedwongen om een bekennende verklaring te ondertekenen. Daarom moet de uitlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd op grond van artikel 6 EVRM, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft tot verwerping van dit verweer geconcludeerd omdat het verweer niet met concrete op de opgeëiste persoon betrekking hebbende omstandigheden is onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon geen onderbouwd verweer heeft gevoerd inzake een schending van artikel 6 EVRM die reeds heeft plaatsgevonden. Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM sprake is. Gelet op hetgeen in de rapportage van het CPT is vermeld, is er – hoewel erop wordt gewezen dat “a significant number of allegations of physical ill-treatment of criminal suspects by the police were received” waarbij verschillende politiebureaus met naam worden genoemd - geen sprake van een zo wijdverbreide spreiding van gevallen van “ill-treatment” door politiefunctionarissen bij verhoren, dat enkel op basis van die rapportage kan worden vastgesteld dat in het geval van de opgeëiste persoon van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM sprake is. Het verweer slaagt dan ook niet.

Dreigende schending van artikel 3 EVRM

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Uit voornoemde rapportage van het CPT blijkt dat de behandeling van (preventief) gedetineerden en de detentie-faciliteiten zeer slecht zijn en dat er weinig is veranderd naar aanleiding van eerdere rapportages van het CPT. De verdediging voert dan ook aan dat, gelet op het rapport van het CPT, uitlevering van de opgeëiste persoon aan Servië betekent dat hij naar een land wordt gezonden waarvan de rechtbank weet dat een onafhankelijke organisatie als het CPT zegt dat de penitentiaire inrichtingen onder de maat zijn. De rechtbank dient hieraan niet mee te werken. De detentieomstandigheden in de politiecel, zoals de opgeëiste persoon reeds heeft ervaren in de gevangenis in Klisa, waren niet humaan. Bovendien zal de opgeëiste persoon terechtkomen in de gevangenis Sremska Mitrovica, zoals in het vonnis van de verzoekende staat is vermeld. De detentieomstandigheden in deze gevangenis zijn zeer slecht. Weliswaar is het vertrouwensbeginsel van toepassing, maar indien de rechtbank weet dat de situatie in de Servische penitentiaire instellingen zo ernstig is dat (preventief) gedetineerden aldaar worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling, dan dient de uitlevering te worden geweigerd. Daarbij speelt tevens een rol dat er waarde moet worden gehecht aan een rapport van een orgaan als het CPT. Het is een integere organisatie die uitgebreid onderzoek doet en uitgebreid rapporteert. De uitlevering dient dan ook te worden geweigerd.

De officier van justitie heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat zij weliswaar het rapport van het CPT serieus neemt, maar dat de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het CPT-rapport punten zou bevatten die concreet op de opgeëiste persoon zagen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank volgt het verweer niet. Er zijn geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Omdat aldus niet gebleken is dat in Servië reeds een inbreuk op artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het verweer een dreigende schending van artikel 3 EVRM betreft. Om die reden staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank zal dan ook niet, zoals de verdediging heeft verzocht, de uitlevering ontoelaatbaar achten. Ook zal de rechtbank daarom geen vragen stellen aan de Servische autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting waar de gevangenisstraf van de opgeëiste persoon ten uitvoer zal worden gelegd gelet op het vonnis van de verzoekende staat.

Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank het CPT-rapport dat door de verdediging is overgelegd in het dossier zal voegen en in haar adviesbrief aan de Minister aandacht zal vragen voor dit rapport en de zorgen van de verdediging over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon in een Servische penitentiaire inrichting komt te verkeren indien hij wordt uitgeleverd. De rechtbank acht het van belang, gelet op de inhoud van het rapport, dat de Minister aandacht besteedt aan die zorgen met het oog op een mogelijke dreigende schending van artikel 3.”

5. De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 maart 2017 een overzicht gegeven van de aan te leggen maatstaven bij de beoordeling van een beroep op mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures.1 Dit arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. (…)

3.6.

Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.

A. Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en).”

6. Het eerste middel behelst, zo begrijp ik uit de toelichting, de klacht dat de rechtbank heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het beroep dat namens de opgeëiste persoon is gedaan op een reeds voltooide schending van art. 3 EVRM ten gevolge van de foltering die hij tijdens zijn verhoor door de politie heeft ondergaan.

Het tweede middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon geen onderbouwd verweer heeft gevoerd inzake een voltooide schending van artikel 6 EVRM, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

6.1.

Hoewel de terminologie met betrekking tot een al dan niet voltooide schending van art. 6 EVRM niet helemaal consistent door de raadsman van de opgeëiste persoon is gebruikt, kan de hiervoor weergegeven inhoud van de pleitnota bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat de raadsman ter zitting van de rechtbank namens de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard vanwege zowel voltooide schendingen van art. 3 en 6 EVRM als een dreigende schending van art. 3. EVRM. Ik heb uit de pleitnota gedestilleerd dat het gaat om:

a) een voltooide schending van art. 3 EVRM, bestaande enerzijds uit de foltering van de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor door de Servische politie en anderzijds uit de detentieomstandigheden tijdens zijn voorarrest in het politiebureau en in de gevangenis in Klisa (Servië);

b) een voltooide flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM, bestaande uit het gebruik van de door foltering verkregen bekennende verklaring van de opgeëiste persoon voor het bewijs in de strafzaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

c) een dreigende schending van art. 3 EVRM, bestaande uit de detentieomstandigheden in de gevangenis waar de opgeëiste persoon na zijn uitlevering de straf zou moeten uitzitten;

d) een voltooide schending van art. 13 EVRM, bestaande uit het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel voor gedetineerden.

6.2.

De klachten met betrekking tot het oordeel van de rechtbank over de beroepen op respectievelijk de dreigende schending van art. 3 EVRM en de voltooide schending van art. 13 EVRM laat ik bij de bespreking van het eerste en het tweede middel buiten beschouwing. Deze komen bij de bespreking van het derde en het vierde middel aan de orde.

Ik richt mij eerst op de in het eerste en tweede middel geformuleerde klachten die betrekking hebben op het beroep op de voltooide (flagrante) schending van respectievelijk art. 3 en 6 EVRM, zoals hiervoor onder 6.1 sub a) en b) aangeduid.

6.3.

In de toelichting op het eerste middel wordt er terecht op gewezen dat de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het beroep op art. 3 en 6 EVRM grotendeels lijken te zijn overgenomen uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5147. Hoewel dat op zichzelf wel vaker voorkomt, met name als het gaat om standaardoverwegingen, is er een cruciaal verschil tussen beide zaken. De onderhavige zaak betreft een executie-uitlevering en in de zaak waarin de rechtbank Amsterdam op 9 augustus 2013 heeft beslist ging het om een vervolgingsuitlevering. Dat verschil is niet onbelangrijk, omdat een voltooide flagrante schending van art. 6 lid 1 EVRM in geval van vervolgingsuitlevering minder voor de hand ligt.2

6.4.

Kennelijk heeft de rechtbank onvoldoende onderkend dat de gestelde voltooide schending van art. 3 EVRM die betrekking heeft op de wijze waarop de opgeëiste persoon is verhoord in samenhang moet worden beschouwd met de gestelde voltooide schending van art. 6 EVRM zoals hiervoor onder 6.1 weergegeven.

6.5.

De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan slechts overwogen dat de verdediging heeft aangevoerd:

“Ook de opgeëiste persoon is mishandeld en vervolgens gedwongen om een bekennende verklaring te ondertekenen. Daarom moet de uitlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd op grond van artikel 6 EVRM, aldus de verdediging.”

en vervolgens:

“De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon geen onderbouwd verweer heeft gevoerd inzake een schending van artikel 6 EVRM die reeds heeft plaatsgevonden.”

6.6.

Dit oordeel acht ik, gelet op hetgeen daartoe namens de opgeëiste persoon is aangevoerd onbegrijpelijk.3

6.7.

Ter onderbouwingen van de door en namens de opgeëiste persoon ingenomen stellingen heeft de raadsman allereerst een foto van de verhoorkamer overgelegd. Voorts heeft de raadsman gewezen op de uitspraak van de Hogere Rechtbank te Novi Sad d.d. 7 september 2012, voor zover inhoudende dat:

a) de opgeëiste persoon op de hoofdzitting het plegen van het strafbare feit heeft ontkend en heeft verklaard dat de verklaring die hij zou hebben afgelegd niet zijn verklaring was maar door medewerkers van de politie was opgemaakt en dat zijn advocaat pas was gekomen toen hij de verklaring al had ondertekend;

b) de opgeëiste persoon in zijn laatste woord heeft aangegeven “dat hij zich niet schuldig voelt, dat hij in het onderhavig geval een dienst aan een vriend heeft bewezen door hem ergens weg te brengen zodat hij zijn geld kon ophalen, en dat hij geen weet had dat er iets dergelijks zou gebeuren";

c) een van de medeverdachten en diens raadsman tijdens de zitting hebben aangegeven dat de opgeëiste persoon van niets wist;

d) een andere medeverdachte heeft aangegeven dat hij zijn verklaring bij de politie onder druk heeft afgelegd en dat zijn raadsman niet aanwezig was voordat hij zijn verklaring moest afleggen.

Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn zaak door de Hogere Rechtbank te Novi Sad de foltering niet aan de orde heeft gesteld, omdat hij dan in de gevangenis nog harder zou worden aangepakt.

6.8.

Daarnaast heeft de raadsman verwezen naar een rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT), opgemaakt naar aanleiding van een bezoek van een delegatie van het CPT aan Servië in 2015, dat onder meer het volgende inhoudt:

“The delegation received a significant number of allegations of physical ill-treatment of detained persons by police officers. The ill-treatment consisted primarily of slaps, punches and truncheon blows, but also included striking persons with various non-standard objects (such as bicycle locking cables, wooden floor tiles and baseball bats). Detailed allegations were also received of the handcuffing of criminal suspects in stress positions for hours on end (…).

The majority of the allegations concerned the time when suspects were being questioned by crime inspectors in their offices, sometimes for prolonged periods, prior to being placed in holding cells or transferred to the prosecutor’s offices. (…)”

6.9.

Ten slotte heeft de raadsman verwezen naar de samenvatting van het Serbia 2015 Human Rights Rapport van het United States Department of State, die onder meer het volgende inhoudt:

“Although the constitution prohibits such practices, police allegedly at times beat detainees and harassed persons, usually during arrest or initial detention, with a view towards obtaining a confession, even though such evidence is not permissible in court.”

6.10.

Naast hetgeen door de raadsman is aangevoerd, heeft de opgeëiste persoon op de zitting van de rechtbank van 7 februari 2017 het volgende verklaard:

“Toen ik hier in Nederland op bezoek was geweest bij een zieke tante werd ik bij vertrek aangehouden omdat er een arrestatiebevel lag in verband met het uitzitten van de straf. Ik wil dat niet omdat ik destijds mijn verklaring niet uit vrije wil heb gegeven. Ik ben urenlang mishandeld, ik ben verhoord zonder advocaat en die verklaring hebben ze gebruikt. Toen ik niet meer verklaarde dan dat ik drie jongens ergens naar toe had gebracht hebben ze mij vastgebonden aan een radiator, hebben ze mij geslagen in mijn buik en op mijn ribben en hebben ze gedreigd al mijn ribben te breken als ik de verklaring niet zou ondertekenen. Uiteindelijk heb ik getekend.”

6.11.

Het kan de rechtbank dus niet ontgaan zijn dat er wel concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd met betrekking tot de behandeling van de opgeëiste persoon, waarbij is getracht de aannemelijkheid daarvan door middel van rappoten van het CPT en het Human Rights Rapport van de VS te onderbouwen.

6.12.

Het beroep op een voltooide schending van art. 3 EVRM in verband met de detentieomstandigheden tijdens het voorarrest heeft de rechtbank verworpen met de overweging dat “geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden [zijn] aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM” en dat aldus “niet gebleken is dat in Servië reeds een inbreuk op artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden”. Ook dit oordeel acht ik gelet op hetgeen daarover is aangevoerd onbegrijpelijk, nu er wel concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden zijn aangevoerd omtrent zijn verblijf in een Servische penitentiaire inrichting.

6.13.

Op grond van het vorenstaande zijn het eerste en het tweede middel terecht voorgesteld.

6.14.

Ik hecht er aan hieraan nog het volgende toe te voegen.

6.15.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de uitleveringsrechter de verzochte uitlevering zonder meer ontoelaatbaar te verklaren, indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd4 of als er sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM, zoals de Hoge Raad in zijn laatste overzichtsarrest heeft overwogen.5

6.16.

Het aan te leggen criterium is daarbij dat de voltooide schending moet komen vast te staan. Dat zou de indruk kunnen wekken dat de opgeëiste persoon de voltooide schending moet bewijzen. Dat is echter niet het geval. Wanneer door de opgeëiste persoon gemotiveerd wordt aangevoerd dat hij door functionarissen van de verzoekende staat in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, is gefolterd, dient de uitleveringsrechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de aannemelijkheid hiervan te onderzoeken.6

6.17.

De civiele kamer van de Hoge Raad heeft dat in zijn arrest van 11 juli 2014 als volgt uitgedrukt:

“Een opgeëiste persoon die in het geding voor de burgerlijke rechter aanvoert dat hij door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, dient zijn stellingen te specificeren en zoveel mogelijk toe te lichten. Indien die stellingen voldoende klemmend en aannemelijk zijn, kan het absolute karakter van het folterverbod in samenhang met de in de regel bestaande praktische onmogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zulke stellingen te bewijzen of aannemelijk te maken, meebrengen dat op de Staat de verplichting rust nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan.”7

6.18.

Deze overweging sluit aan bij de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot klachten over schendingen van art. 3 EVRM. Het EHRM hanteert daarbij in het algemeen als criterium dat het bewijs ‘beyond reasonable doubt’ moet zijn, waarbij het bewijs ook kan volgen uit een geheel van voldoende zwaarwegende, duidelijke en overeenstemmende aanwijzingen of vergelijkbare niet-weerlegde feitelijke veronderstellingen.8 Volgens het EHRM lenen bovendien niet alle zaken zich voor strikte toepassing van het uitgangspunt ‘wie stelt, bewijst’. Zo overwoog het EHRM in El-Masri tegen Macedonië:

“(…) where the events in issue lie within the exclusive knowledge of the authorities, as in the case of persons under their control in custody, strong presumptions of fact will arise in respect of injuries and death occurring during that detention. The burden of proof in such a case may be regarded as resting on the authorities to provide a satisfactory and convincing explanation (…). In the absence of such explanation, the Court can draw inferences which may be unfavourable for the Government (…).”9

Naar het oordeel van het EHRM was er prima facie bewijs voor de stellingen van
El-Masri. De bewijslast verschoof daarom naar de overheid van Macedonië: zij was in de gelegenheid de stellingen van El-Masri te weerleggen, maar deed dat in de visie van het EHRM niet. Onder die omstandigheden hechtte het EHRM geloof aan de stellingen van El-Masri en achtte het deze ‘bewezen’.10

6.19.

Ik meen dat de verplichting van de Staat, zoals geformuleerd door de civiele kamer van de Hoge Raad, om onderzoek te doen naar de juistheid van de stellingen van de opgeëiste persoon op dezelfde wijze zou moeten worden benaderd. In feite komt het erop neer dat als de Staat aannemelijke en onderbouwde stellingen van de opgeëiste persoon niet kan weerleggen, dit aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.

6.20.

Er zijn mijns inziens geen goede gronden om aan te nemen dat het door de civiele kamer geschetste kader alleen zou gelden in het geding voor de burgerlijke rechter nadat de uitleveringsrechter de verzochte uitlevering toelaatbaar heeft verklaard en de minister de uitlevering heeft toegestaan. Ik meen daarom dat het onderzoek naar de toelaatbaarheid van de uitlevering door de uitleveringsrechter volgens dezelfde maatstaven zou moeten plaatsvinden. Dat betekent in mijn visie dat indien ter zitting van de uitleveringsrechter door de opgeëiste persoon gemotiveerd wordt aangevoerd dat hij door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd en deze stellingen voldoende klemmend en aannemelijk zijn, op de rechter de verplichting rust om nader onderzoek te doen naar de juistheid van die stellingen.

6.21.

Het eerste en het tweede middel slagen.

7. Het derde middel bevat, bezien in het licht van de toelichting daarop, allereerst de klacht dat de rechtbank heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te reageren op het beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende schending van art. 3 EVRM. Daarnaast klaagt het middel dat de beslissing van de rechtbank om geen vragen aan de Servische autoriteiten te stellen omtrent de detentieomstandigheden onbegrijpelijk is.

7.1.

Met betrekking tot dit middel kan ik kort zijn. Blijkens het aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit verweer niet ter beoordeling van de rechter, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie staat. Dat oordeel van de rechtbank getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook niet onbegrijpelijk is. In dat licht acht ik de beslissing van de rechtbank om geen vragen te stellen aan de Servische autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting waar de gevangenisstraf van de opgeëiste persoon ten uitvoer zal worden gelegd, evenmin onbegrijpelijk.

7.2.

Het middel faalt.

8. Het vierde middel klaagt dat de rechtbank heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te reageren op het beroep op een reeds voltooide schending van art. 13 EVRM, namelijk dat gevangenen in Servië niet kunnen klagen over de detentieomstandigheden en, zo vat ik het middel op, de opgeëiste persoon over zijn behandeling in de Servische penitentiaire inrichting(en) ook niet heeft kunnen klagen.

8.1.

Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de rechtbank heeft verzuimd te responderen op dit verweer. Tot cassatie hoeft dit mijns inziens echter niet te leiden. Uit het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest kan namelijk worden afgeleid dat in geval van verzoeken tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling het vertrouwensbeginsel met zich brengt dat de uitleveringsrechter niet mag beslissen over de vraag of een in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, tenzij het verweer wordt gevoerd dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM dan wel het verweer wordt gevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM.

8.2.

Het verweer dat is gevoerd met betrekking tot de schending van art. 13 EVRM betreft naar mijn mening niet een verweer in vorenbedoelde zin. De rechtbank had dit daarom slechts kunnen verwerpen, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.

9. Het eerste en het tweede middel slagen. Mocht de Hoge Raad daaraan toekomen dan kunnen het derde en vierde middel met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde op het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463.

2 Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rov. 3.6 onder B (ii).

3 Vgl. HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1913, rov. 3.4.

4 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533, HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215, NJ 2000/540, m.nt. Schalken, rov. 4.3, HR 19 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7138, rov. 3.5, HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, NJ 2004/41, m.nt. Buruma, rov. 6.5, HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875, rov. 3.3, HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0838, NJ 2011/206, rov. 2.3, en HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263, m.nt. Klip, rov. 5.2. Zie ook V.H. Glerum, Weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, dissertatie 2013, p. 174-176.

5 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rov. 3.5

6 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533, rov. 5.4 en 5.6. Vgl. HR 17 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0602, NJ 1997/534, m.nt. Schalken, rov. 5.2, HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5215, NJ 2000/540, m.nt. Schalken, rov. 4.3, en HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0875, rov. 3.4.

7 HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. Klip, rov. 3.4.7.

8 EHRM (Grote Kamer) 1 juni 2010, Gäfgen tegen Duitsland, nr. 22978/05, NJ 2010/628, m.nt. Buruma, par. 92. Zie ook Harris, O’Boyle en Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2014, p. 148.

9 EHRM (Grote Kamer) 13 december 2012, El-Masri tegen Macedonië, nr. 39630/09, NJ 2013/167, m.nt. Reijntjes, par. 152.

10 Vgl. EHRM (Grote Kamer) 13 december 2012, El-Masri tegen Macedonië, nr. 39630/09, NJ 2013/167, m.nt. Reijntjes, par. 165-167.