Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:906

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
17/02159
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2268, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf, nadat geneesheer-directeur aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis had verleend, welk ontslag is ingetrokken. Is de ‘nawerking’ van de voorafgaande machtiging door het ontslag beëindigd? Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/02159

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 26 juni 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Amsterdam

In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend nadat de geneesheer-directeur aan de betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis had verleend, welk ontslag is ingetrokken. In cassatie is de vraag of deze machtiging had mogen worden verleend. Een tweede klacht heeft betrekking op het beginsel van hoor en wederhoor.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 27 januari 2016 heeft de rechtbank Amsterdam ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geboren in 1953, hierna: betrokkene) een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend, met een geldigheidsduur tot en met 14 januari 2017. 1

1.2

Op 27 december 2016 heeft de (waarnemend) geneesheer-directeur [betrokkene 1] besloten tot opneming van betrokkene in het aangewezen psychiatrisch ziekenhuis (GGZ inGeest, locatie Nieuwe Valerius) op basis van genoemde machtiging. Als gevolg hiervan is de lopende voorwaardelijke machtiging voor het restant van haar geldigheidsduur van rechtswege omgezet (geconverteerd) in een onvoorwaardelijke voorlopige machtiging.2

1.3

Op 4 januari 2017 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 Wet Bopz). Bij dit verzoekschrift was een op 30 december 2016 gedateerde geneeskundige verklaring gevoegd van de waarnemend geneesheer-directeur [betrokkene 2], die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 3].

1.4

Kort daarna, op 24 januari 2017, heeft de wnd. geneesheer-directeur [betrokkene 2] aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleend per 25 januari 2017 met als bijzondere voorwaarde onder meer: het innemen van de voorgeschreven medicatie3.

1.5

In verband daarmee heeft de officier van justitie − onder handhaving van het op 4 januari 2017 ingediende verzoekschrift − op 26 januari 2017 de rechtbank verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen als bedoeld in art. 14a Wet Bopz. Bij dit verzoekschrift was een op 24 januari 2017 gedateerde geneeskundige verklaring gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 4].

1.6

De rechtbank heeft beide verzoeken van de officier van justitie behandeld op 30 januari 2017 in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat, de psychiater [betrokkene 4], de behandelend arts en een woonbegeleidster van de stichting Cordaan.

1.7

De advocaat heeft als verweer tegen het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf aangevoerd dat de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging op 14 januari 2017 was verstreken. De geneesheer-directeur heeft voorwaardelijk ontslag verleend aan betrokkene. Volgens het verweer brengt de Wet Bopz mee dat indien een voorwaardelijke machtiging is aangevraagd in aansluiting op een verblijfsmachtiging, de verblijfsmachtiging ‘nawerking’ ontbeert omdat de verzochte opvolgende machtiging niet strekt tot voortzetting van het onvrijwillig verblijf. De ter zitting gedane mededeling dat de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 heeft besloten het voorwaardelijk ontslag in te trekken, maakt dit volgens de advocaat niet anders: aan betrokkene is geen schriftelijke kennisgeving van intrekking uitgereikt. De advocaat heeft primair verzocht het verzoek van de officier van justitie om een machtiging tot voortgezet verblijf af te wijzen: er is geen lopende machtiging meer; daarom kan niet worden gesproken van een voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Subsidiair heeft de advocaat verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen omdat onvoldoende blijkt van ‘gevaar’ als bedoeld in de Wet Bopz. Het verzoek van de officier van justitie om een voorwaardelijke machtiging te verlenen was volgens de advocaat wel vatbaar voor toewijzing.

1.8

Ter zitting ontbrak een schriftelijke beslissing intrekking voorwaardelijk ontslag van 30 januari 2017 van de geneesheer-directeur. Deze beslissing is door de rechtbank ambtshalve opgevraagd en een afschrift daarvan is op 31 januari 2017 naar de advocaat toegestuurd.4

1.9

De rechtbank heeft de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend, met een geldigheidsduur tot en met 31 januari 2018. De rechtbank verwierp het primaire verweer. De verzochte machtiging tot voortgezet verblijf is volgens de rechtbank aan te merken als een machtiging die aansluit op een eerdere (onvoorwaardelijke) verblijfsmachtiging. Dit brengt volgens de rechtbank mee dat de vrijheidsbeneming op grond van de voorafgaande machtiging voortduurt totdat op het verzoek van de officier van justitie is beslist. De omstandigheid dat na de indiening van dat verzoek aan betrokkene voorwaardelijk ontslag is verleend doet hier niet aan af.

1.10

De rechtbank verwierp ook het subsidiaire verweer. Gelet op de geneeskundige verklaring en de toelichting van de psychiater, de behandelend arts en de woonbegeleidster ter zitting, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de stoornis, te weten psychotische decompensatie bij een schizo-affectieve stoornis en zwakbegaafdheid, ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en betrokkene gevaar zal doen veroorzaken. Het gaat in dit geval om het gevaar dat zij zichzelf ernstig zal verwaarlozen, gevaar dat zij maatschappelijk te gronde zal gaan, gevaar voor de psychische gezondheid van een ander en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Deze gevaren kunnen niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.

1.11

Het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een voorwaardelijke machtiging werd op diezelfde dag, 30 januari 2017, door de rechtbank afgewezen.

1.12

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld5. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

1.13

Volledigheidshalve vermeld ik dat als bijlage 15 bij het cassatierekest, onderscheidenlijk bij brief van 7 juni 2017 aan de griffier van de Hoge Raad, stukken zijn overgelegd uit het procesdossier van een andere procedure bij de rechtbank. Die andere procedure was gericht tegen de intrekking door de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 van het voorwaardelijk verleende ontslag. Die art. 14e-procedure is uitgemond in een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2017, waarin de klacht gegrond is verklaard en de opneming in het ziekenhuis op grond van de beslissing tot intrekking van het op 24 januari 2017 gegeven voorwaardelijk ontslag onrechtmatig is verklaard.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel I van het middel keert zich tegen de verwerping van het primaire verweer. Het bestrijdt de beslissing om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen niettegenstaande het feit dat betrokkene per 25 januari 2017 voorwaardelijk uit het ziekenhuis was ontslagen op de voet van art. 47 Wet Bopz.

2.2.

De klacht onder a benadrukt het feit dat de geldigheidsduur van de op 27 januari 2016 verleende machtiging liep tot en met 14 januari 2017. Omdat de officier van justitie vóór deze datum een vervolgmachtiging had verzocht, had deze machtiging ‘nawerking’ op grond van het bepaalde in art. 48 lid 1 Wet Bopz. Echter, omdat betrokkene – als gevolg van het haar verleende voorwaardelijke ontslag uit het ziekenhuis – feitelijk niet meer in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef en de officier een voorwaardelijke machtiging had verzocht, verviel volgens betrokkene deze ‘nawerking’ en daarmee de grondslag voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Volgens de klacht is onjuist dat, althans onbegrijpelijk waarom, de rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat tóch een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend. De toelichting op deze klacht houdt in dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden beter de (tevens verzochte) voorwaardelijke machtiging had kunnen toewijzen: als betrokkene, onverhoopt, zich niet aan de gestelde voorwaarden zou houden, zou de geneesheer-directeur opnieuw tot opneming in het ziekenhuis kunnen besluiten op de voet van art. 14d Wet Bopz.

2.3.

In cassatie kan worden uitgegaan van het feit dat de lopende machtiging (aanvankelijk voorwaardelijk verleend en vanaf 27 december 2016 omgezet in een onvoorwaardelijke voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz) een geldigheidsduur had tot en met 14 januari 2017. Omdat de officier van justitie vóór het verstrijken van de geldigheidsduur bij de rechtbank een verzoekschrift had ingediend dat strekte tot het verlenen van een (onvoorwaardelijke) machtiging tot voortgezet verblijf, kon de vrijheidsbeneming op grond van art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz worden voortgezet op de grondslag van de eerstgenoemde machtiging gedurende de wettelijke beslistermijn van vier weken althans totdat de rechtbank binnen de beslistermijn op dat verzoekschrift een beslissing had gegeven6.

2.4.

Het middelonderdeel stelt de vraag aan de orde of het enkele feit dat de geneesheer-directeur per 25 januari 2017 voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis heeft verleend, tot gevolg heeft dat deze ‘nawerking’ eindigt en dat de machtiging tot voortgezet verblijf vanaf dat moment niet had mogen worden verleend.

2.5.

Tot de in art. 48 lid 1 Wet Bopz genoemde gevallen die de ‘nawerking’ van de voorgaande verblijfsmachtiging doen eindigen behoort niet het geval dat de geneesheer-directeur besluit tot voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis op de voet van art. 47 Wet Bopz. Een feitelijke aanwezigheid van betrokkene buiten het psychiatrisch ziekenhuis op de voet van een voorwaardelijk ontslag staat op zichzelf niet in de weg aan het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf die aansluit op de lopende verblijfstitel. Sedert 1 januari 2004 (invoering wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging) is het evenwel niet meer mogelijk een zgn. ‘paraplu-machtiging’ te verlenen, dat wil zeggen: een pro forma-machtiging waarvan het niet de bedoeling is dat deze ten uitvoer wordt gelegd zolang de patiënt zich aan bepaalde voorwaarden houdt.7 Indien het nodig wordt geacht dat de patiënt de prikkel van een mogelijke onvrijwillige opneming krijgt voorgehouden indien hij of zij zich niet aan bepaalde, door de rechter vastgestelde en na overleg met de patiënt bepaalde voorwaarden houdt, moet gebruik worden gemaakt van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz. Indien de betrokken patiënt op basis van een voorwaardelijk ontslag feitelijk buiten het psychiatrisch ziekenhuis verblijft en de verzochte vervolgmachtiging slechts een voorwaardelijke machtiging betreft, is er geen grond voor ‘nawerking’ van de verstreken verblijfsmachtiging.

2.6.

In de huidige zaak is geen sprake van een ‘paraplu-machtiging’. Het op 4 januari 2017 ingediende verzoek van de officier van justitie tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf strekt in de redenering van de rechtbank ertoe, betrokkene daadwerkelijk in het psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven in aansluiting op de (door conversie onvoorwaardelijk geworden) lopende machtiging. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De rechtbank heeft haar beslissing mede gegrond op de verklaringen van de psychiater en de behandelend arts ter zitting (blz. 2 van de bestreden beschikking).

2.7.

De omstandigheid dat de officier van justitie op 26 januari 2017 naast een machtiging tot voortgezet verblijf tevens een voorwaardelijke machtiging heeft verzocht, brengt hierin geen verandering. De officier van justitie heeft het eerstgenoemde, op 4 januari 2017 ingediende, verzoek immers gehandhaafd. Het openbaar ministerie heeft naar aanleiding van de beslissing van de geneesheer-directeur van 24 januari 2017 de rechtbank blijkbaar twee alternatieve mogelijkheden willen voorleggen: hetzij het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, hetzij het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. Die handelwijze is weliswaar niet gebruikelijk, maar wordt door de wet niet uitgesloten; vgl. art. 8a Wet Bopz. In elk geval heeft de rechtbank niet aangenomen dat het tweede verzoek van de officier van justitie het eerste verzoek van de officier van justitie opzij heeft gezet.

2.8.

Ter zijde merk ik nog op dat de Hoge Raad heeft beslist dat de geneesheer-directeur niet op grond van art. 14d Wet Bopz de patiënt kan doen opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis op basis van een voorwaardelijke machtiging (als bedoeld in art. 14a Wet Bopz) waarvan de geldigheidsduur is verstreken. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie vóór het verstrijken van de looptijd van die voorwaardelijke machtiging een verzoekschrift had ingediend tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging.8 In het huidige geval gaat het niet om eventuele – niet in de wet geregelde − ‘nawerking’ van een voorwaardelijke machtiging, maar om de gewone ‘nawerking’ van een voorlopige machtiging, zoals geregeld in art. 48, lid 1, Wet Bopz. Een voorwaardelijk ontslag, door de geneesheer-directeur gegeven in de ‘nawerkingsperiode’, is van betekenis in zoverre, dat het twijfel kan doen rijzen aan de intentie waarmee het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf is ingediend: is bij dit verzoek sprake van een verhulde ‘paraplu-machtiging’?

2.9.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank op blz. 3 vastgesteld dat de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 het met ingang van 26 (lees: 25) januari 2017 verleende voorwaardelijk ontslag heeft ingetrokken. Ook aan de hand daarvan heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat in dit geval geen sprake was van een ‘paraplu-machtiging’ (pro forma machtiging), maar dat wel degelijk een voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis werd beoogd. De omstandigheid dat ten tijde van de zitting de schriftelijke kennisgeving aan betrokkene van het besluit tot intrekking nog niet had plaatsgevonden, brengt hierin geen verandering.

2.10.

In dit verband is het nodig, op te merken dat het tijdstip van intrekking niet in alle gedingstukken hetzelfde is. Tijdens de zitting op 30 januari 2017 heeft de psychiater aan de rechtbank meegedeeld dat de geneesheer-directeur diezelfde dag het voorwaardelijk ontslag heeft ingetrokken en betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis heeft doen opnemen. De advocaat van betrokkene heeft niet dit feit betwist, maar ter zitting betoogd dat betrokkene onrechtmatig in het ziekenhuis is opgenomen: de schriftelijke beslissing tot intrekking is niet aan betrokkene uitgereikt en naar de mening van de advocaat berust de vrijheidsbeneming niet op een wettelijke grondslag9. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt verder nog dat de advocaat heeft aangevoerd dat betrokkene vrijwillig naar de kliniek was gekomen voor de zitting.10 Het cassatierekest daarentegen, steun zoekend in de latere beschikking van 2 maart 2017, veronderstelt in de toelichting op onderdeel II (blz. 4 en 5) dat de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag eerst na de zitting bij de rechtbank is gegeven. Op dit laatste kom ik nog terug bij de bespreking van onderdeel II. Mijn slotsom is dat de klacht onder a faalt.

2.11.

De klacht in onderdeel I onder b stelt dat in eerste aanleg namens betrokkene uitdrukkelijk was aangevoerd dat de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 het voorwaardelijk ontslag niet meer kon intrekken. Volgens de klacht had de rechtbank moeten beoordelen of die stelling juist was, nu de voorgaande machtiging al was verlopen.

2.12.

Een besluit tot intrekking van een voorwaardelijk ontslag is onmiddellijk uitvoerbaar. De rechtmatigheid van de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk gegeven ontslag stond in deze procedure niet ter beoordeling van de rechtbank. Daarvoor bestaat een afzonderlijke rechtsgang, die betrokkene nadien ook heeft benut en die is uitgemond in meergenoemde beschikking van 2 maart 2017 (zie art. 47 lid 3, in verbinding met art. 46 en art. 14e lid 3 Wet Bopz). De verwijzing in het cassatierekest naar de beschikking van 2 maart 2017 is te beschouwen als een ontoelaatbaar nieuwe stelling in cassatie: de rechtbank heeft in een beslissing van 30 januari 2017 geen rekening kunnen houden met een beschikking die eerst nadien, op 2 maart 2017, zou worden gegeven.

2.13.

De rechtbank had met de ter zitting aan de orde gestelde beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag slechts te maken voor zover deze beslissing van betekenis kon zijn voor de door haar te nemen beslissing over het verzoek van de officier van justitie. De rechtbank heeft onderkend dat de advocaat had aangevoerd dat betrokkene onrechtmatig in het ziekenhuis is opgenomen (zie blz. 2, laatste alinea), maar was niettemin van oordeel dat het primaire verweer geen doel trof: volgens de rechtbank (blz. 3) is sprake van een op de voorlopige machtiging aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf. Het enkele feit van het voorwaardelijk ontslag heeft volgens de rechtbank geen wijziging daarin gebracht (i.v.m. de ‘nawerking’ van de voorlopige machtiging); om die reden achtte de rechtbank evenmin beslissend dat dit voorwaardelijk verleende ontslag op 30 januari 2017 weer is ingetrokken. De klacht onder b gaat hieraan voorbij. Daarmee faalt onderdeel I.

2.14.

Onderdeel II klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank op 30 januari 2017 op het verzoek heeft beslist zonder kennis te hebben genomen van het schriftelijk besluit van de geneesheer-directeur van 30 januari 2017 tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag. Blijkens het gestelde op blz. 3 van de bestreden beschikking heeft de rechtbank dat document opgevraagd en vervolgens op 31 januari 2017 aan de advocaat van betrokkene doorgezonden. Ten tijde van de beslissing had betrokkene volgens de klacht moeten worden aangemerkt als een patiënt met ontslag die niet in het ziekenhuis verblijft. Volgens de toelichting op de klacht heeft de rechtbank een ‘paraplu-machtiging’ verleend, hetgeen onder de huidige wet niet meer mogelijk is.

2.15.

Deze klacht komt neer op een herhaling van de opvatting die in onderdeel I werd verdedigd, te weten dat aanwezigheid buiten het psychiatrisch ziekenhuis op grond van een voorwaardelijk ontslag steeds in de weg staat aan het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Die opvatting is hiervoor, bij de bespreking van onderdeel I, in haar algemeenheid verworpen: een verblijf buiten het psychiatrisch ziekenhuis op grond van een voorwaardelijk ontslag staat alleen in de weg aan het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf indien deze laatste is bedoeld als ‘paraplu-machtiging’. De wetgever heeft gewild dat in zo’n situatie gebruik wordt gemaakt van een voorwaardelijke machtiging, die met meer waarborgen voor de patiënt is omkleed. Indien echter blijkt dat de te verlenen machtiging tot voortgezet verblijf ten uitvoer zal worden gelegd door middel van opneming in het psychiatrisch ziekenhuis, zoals de rechtbank in dit geval aanneemt, is geen sprake van een ‘paraplu-machtiging’.

2.16.

In de tweede plaats klaagt het middelonderdeel dat de rechtbank in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en met art. 19 Rv heeft gehandeld, omdat de rechtbank ambtshalve een afschrift van de beslissing van de geneesheer-directeur heeft opgevraagd en dit (op 31 januari 2017) aan de advocaat van betrokkene heeft toegestuurd toen de beslissing op het verzoek van de officier van justitie al genomen was (op 30 januari 2017). Betrokkene heeft vóór de beslissing van de rechtbank geen gelegenheid gehad om van dit stuk kennis te nemen en zich hierover uit te laten.

2.17.

Art. 19 Rv bepaalt dat de rechter partijen over en weer in de gelegenheid stelt hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht (tenzij uit de wet anders voortvloeit). Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.11

2.18.

Aan de slotzin van art. 19 Rv komt de cassatierechter in dit geval niet toe. De rechtbank heeft het verkregen afschrift van de intrekkingsbeslissing niet (uitsluitend of mede) ten grondslag gelegd aan haar beslissing tot het verlenen van de machtiging tot voortgezet verblijf. In de redenering van de rechtbank (blz. 3) doen de omstandigheid dat op 26 (lees: per 25) januari 2017 voorwaardelijk ontslag is verleend en de omstandigheid dat dit voorwaardelijk ontslag op 30 januari 2017 is ingetrokken, niets af aan hetgeen de rechtbank even daarvóór had vastgesteld en overwogen.

2.19.

Ook al heeft de rechtbank het opgevraagde stuk niet in het nadeel van betrokkene (mede) aan haar beslissing ten grondslag gelegd, dan blijft nog steeds de vraag of betrokkene in haar verdedigingsmogelijkheden is benadeeld. Wanneer een procespartij (op verzoek van de rechter of uit eigen beweging) een bescheid aan de rechter ter kennis heeft gebracht, brengt het fair trial-beginsel en brengt ook de eerste volzin van art. 19 Rv mee dat de wederpartij door de rechter in de gelegenheid wordt gesteld van dit stuk kennis te nemen en zich hierover uit te laten. Noch uit de bestreden beschikking, noch uit de overgelegde gedingstukken blijkt dat de rechtbank vóór het uitspreken van de bestreden beschikking betrokkene, althans haar advocaat, in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van het door de rechtbank ambtshalve opgevraagde afschrift van de melding/intrekkingsbeslissing van de geneesheer-directeur d.d. 30 januari 2017 (in cassatie overgelegd als bijlage 14).

2.20.

In de onderhavige zaak is een bijzonderheid dat de rechtbank − als het ware: op voorhand − aan betrokkene en haar advocaat alle gelegenheid heeft geboden zich uit te laten over de intrekking van het voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur op 30 januari 2017. Het feit dat de geneesheer-directeur op 30 januari 2017 het voorwaardelijk ontslag had ingetrokken is tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk aan de orde geweest. De rechtbank heeft dit feit vernomen van de psychiater die ter zitting werd gehoord als informant. Het feit is ter kennis van betrokkene en haar advocaat gebracht en haar advocaat heeft daarop gereageerd. Ook de reden van de intrekking (het niet naleven van de voorwaarde van inname van de voorgeschreven medicatie) is tijdens de zitting met betrokkene besproken. Betrokkene heeft bevestigd dat zij de voorgeschreven medicijnen niet meer wenst in te nemen.

2.21.

In de vaststellingen van de rechtbank ligt besloten dat de geneesheer-directeur de beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk verleende ontslag vóór of tijdens de mondelinge behandeling, in elk geval vóór het sluiten van de mondelinge behandeling, heeft genomen. Betrokkene heeft op deze beslissing kunnen reageren en heeft dit, blijkens het proces-verbaal, ook gedaan. Betrokkene dient, zoals volgt uit art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 lid 1 Wet Bopz, uiterlijk binnen vier dagen na de intrekking van het ontslag door de geneesheer-directeur daarvan schriftelijk in kennis te worden gesteld. De op schrift gestelde beslissing van de geneesheer-directeur, die na de zitting is opgevraagd en is toegestuurd aan (de advocaat van) betrokkene, is voor de onderhavige procedure verder irrelevant. Zij heeft evenmin een dragende functie in de motivering van de beslissing van de rechtbank. De rechtbank had op 30 januari 2017 ter zitting reeds uitspraak gedaan op het verzoek van de officier van justitie en de machtiging verleend. Ter zitting is de inhoud van de beslissing van de geneesheer-directeur, inclusief de motivering daarvan, aan betrokkene medegedeeld en heeft betrokkene daarop gereageerd. De tekst van de bestreden beschikking biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het document (de schriftelijke beslissing van de geneesheer-directeur) een rol speelt in de beoordeling door de rechtbank. In de redengeving gaat het veeleer om een overweging ten overvloede.

2.22.

Om deze redenen ben ik van mening dat betrokkene niet in haar verdedigingsmogelijkheden is benadeeld en daarom in rechte belang mist bij haar klacht. Onderdeel II faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Zie art. 14c lid 2 in verbinding met art. 14a Wet Bopz.

2 Zie voor dit laatste: art. 14d, lid 2, tweede volzin, in verbinding met art. 2 Wet Bopz.

3 Zie art. 47 Wet Bopz.

4 Zie blz. 3 van de bestreden beschikking en bijlage 14 bij het cassatierekest. Overigens blijft onverklaard hoe de rechtbank in een op 30 januari 2017 uitgesproken beschikking iets kan vaststellen dat op 31 januari 2017 zou zijn gebeurd; zie ook onderdeel II.

5 Het cassatierekest is ingekomen op maandag 1 mei 2017. Zie art. 1 Algemene termijnenwet.

6 Zie voor deze termijn: art. 17 lid 2 Wet Bopz.

7 Zie onder meer: HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8788, NJ 2006/288 m.nt. J. Legemaate, BJ 2006/1 m.nt. W. Dijkers; HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1817; HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2314, NJ 2011/404, JVggz 2011/16 m.nt. W. Dijkers.

8 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2711, NJ 2017/225 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2017/3 m.nt. W. Dijkers.

9 Zie blz. 2 van de bestreden beschikking, onderaan.

10 Zie het proces-verbaal van de zitting op 30 januari 2017, blz. 2 en 3.

11 Vgl. HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4185, JVggz 2013/23.