Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:877

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/03717
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2396, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden. Art. 14e.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. de motiveringsverplichting betreffende de dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden. ’s Hofs arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. CAG: anders, met verwijzing naar gebrek aan voldoende belang in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03717

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 juli 2016 - met vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16-661926-15 en met vrijspraak van het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16-661445-15 - de verdachte in de zaak met parketnummer 16-661445-15 wegens subsidiair. “zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met - kort gezegd - de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedurende de proeftijd. De bijzondere voorwaarde is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.1 Mr. M. van Stratum, advocaat te Den Haag, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het delictsbestanddeel "zijn levensgezel" in de zin van art. 304 Sr.

3.2.

Het hof heeft zich in een nadere bewijsoverweging (op pag. 6 van het arrest) gebogen over de vraag of er in het onderhavige geval sprake is van een ‘levensgezel’ als bedoeld in art. 304 Sr. Het hof heeft over de verhouding tussen de verdachte en de aangeefster uit met name de verklaringen van de verdachte zelf het volgende kunnen vaststellen. De verdachte had een (nieuwe) relatie met de aangeefster. Zij waren Islamitisch getrouwd. Hij verbleef af en toe ook bij zijn vrouw (aangeefster) in de woning, terwijl hij de sleutel van die woning had.2 Deze omstandigheden wettigen de conclusie dat de verdachte met de aangeefster een relatie van affectieve aard heeft gehad en duiden op een betrekkelijk nauwe lotsverbondenheid.3 Ik merk op dat de hiervoor genoemde omstandigheden hun bevestiging vinden in de verklaring van de aangeefster4. Zo kan uit haar verhaal worden afgeleid dat zij de verdachte al sinds 2007 kent en een relatie met hem had, dat de verdachte eerder een tijd bij haar is ingetrokken, dat uit hun relatie twee dochters zijn geboren en dat de verdachte regelmatig bij haar en de kinderen over de vloer kwam. Het oordeel van het hof dat de aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde feit als ‘levensgezel’ van de verdachte als bedoeld in art. 304 Sr kan worden aangemerkt, geeft aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, en behoefde in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, onder meer dat de aangeefster nu verdachtes ex is, geen nadere motivering.5

3.3.

Het middel faalt duidelijk.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt naar ik begrijp dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, aan de verdachte een “dadelijk uitvoerbaar verklaard contactverbod” ten aanzien van [betrokkene 2] (de zoon van aangeefster) heeft opgelegd.

4.2.

Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-661445- 15 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de. duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van driejaren. Daarbij heeft de rechtbank een contactverbod alsmede een locatieverbod opgelegd als maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, welke maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-661445-15 primair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft zij gevorderd de maatregelen van een contactverbod alsmede een locatieverbod voor de gehele stad Utrecht op te leggen en verzocht deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer tweemaal in het gezicht gestoken en daarmee ernstig letsel toegebracht. Aan de steekwond heeft zij een groot litteken overgehouden in haar gezicht. Het is de verwachting dat dit zichtbaar zal blijven. In haar schriftelijke slachtofferverklaring vertelt zij dat zij hier (veel moeite mee heeft. Zij heeft hierdoor ook moeite om zichlin het openbaar te vertonen. Haar leven is hierdoor veranderd. De steekpartij heeft plaatsgevonden

in de eigen woning van het slachtoffer, door haar eigen partner. Haar kinderen waren op dat moment in de woning aanwezig en haar oudste zoon heft haar zwaar gewond en bloedend aangetroffen. Niet alleen het gevoel van veiligheid van het slachtoffer zelf is hierdoor ernstig aangetast, maar ook dat van haar zoon.

Het hof komt tot een hogere straf dan door de rechtbank is opgelegd. De omstandigheden waaronder verdachte de zware mishandeling heeft gepleegd, de ernst hiervan en de gevolgen voor het slachtoffer, zijnde zijn levensgezel, maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 30 mei 2016, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte in 2012 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten (huiselijk geweld), alsmede voor andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan hetzelfde feit.

Het hof acht een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Daarnaast zal het hof, in de lijn met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft bepaald en de advocaat-generaal daaromtrent heeft gevorderd, aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden van een verbod contact te hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Het hof zal deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu het bewezenverklaarde feit gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Anders dan de rechtbank zal het hof geen locatieverbod opleggen, nu onvoldoende bekendheid bestaat over de woonplaats van het slachtoffer. Een locatieverbod betreffende de gehele stad Utrecht, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, is in dit verband te ingrijpend.”

4.3.

Voor zover het middel klaagt dat het hof het opleggen van de bijzondere voorwaarde ten aanzien van [betrokkene 2] (afzonderlijk) had moeten motiveren, faalt het. Die stelling vindt immers geen steun in het recht: het opleggen van een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2 onder 5° (contactverbod) behoeft doorgaans geen motivering.6 In dit verband wijs ik er op dat de steller van het middel ten onrechte het door het hof gebezigde ‘gevaarscriterium’ ex art. 14e lid 1 Sr, om de opgelegde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te kunnen verklaren, heeft beschouwd als ’s hofs motivering voor het opleggen van de bijzondere voorwaarde. Na aandachtige bestudering van de toelichting op het middel, kan ik daarin slechts met moeite lezen dat het middel ook beoogt te klagen over de motivering van de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde. De motivering van die beslissing schiet mijns inziens wel tekort. Uit hetgeen het hof heeft overwogen kan immers niet zonder meer volgen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een feit zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarover wordt, zoals gezegd, niet gespecificeerd geklaagd zodat ik het wellicht zou kunnen laten bij de enkele constatering van dat motiveringsverzuim.

4.4.

Maar, het middel welwillend lezende en aldus wel ingaande op dat evidente motiveringsgebrek meen ik echter dat de (enkele) klacht dat het ten onrechte - of onvoldoende gemotiveerd – verbinden van dadelijke uitvoerbaarheid aan een opgelegde bijzondere voorwaarde bij gebrek aan belang niet behoeft te leiden tot cassatie. In het onderhavige geval is de bijzondere voorwaarde opgelegd voor de gehele proeftijd. Die gaat hoe dan ook in zodra het arrest van het hof - na verwerping van het cassatieberoep - voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Winst wordt daarmee voor de verdachte niet behaald. Slechter kan de verdachte er juist wel op worden. Ik citeer mijn ambtgenoot Vegter uit diens conclusie in een vergelijkbaar geval:7

“Vanuit het standpunt van verdachte bezien heb ik moeite te begrijpen waarom in een geval als het onderhavige een middel over de dadelijke uitvoerbaarheid wordt voorgesteld. Immers indien de Hoge Raad mij volgt, de zaak zelf afdoet en de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigt, betekent dit dat [in de desbetreffende zaak, AEH] de duur van de proeftijd alsnog twee jaar bedraagt. Bedenk daarbij dat tussen de uitspraak van het hof en de uitspraak van de Hoge Raad naar verwachting iets meer dan een jaar zal liggen. Feitelijk werd en wordt verdachte dus meer dan drie jaar met de bijzondere voorwaarden geconfronteerd.”

4.5.

Mutatis mutandis gaat dit in veel van dit soort zaken op: door de beslissing tot dadelijke tenuitvoerlegging gaat de proeftijd ingevolge art. 14b lid 4, onder b, Sr ook dadelijk, d.w.z. op de datum van die uitspraak lopen. Die kan op het moment waarop op het cassatieberoep wordt beslist dus heel goed deels – of zelfs geheel – opgesoupeerd zijn.8 Vernietiging van uitsluitend de dadelijke uitvoerbaarheid heeft in zulke gevallen het vervelende effect dat de proeftijd in volle omvang (weer) gaat lopen. Opmerking verdient dat dit de ‘algehele’ proeftijd betreft waaronder ook de algemene voorwaarde – kort gezegd het niet plegen van strafbare feiten - ressorteert, die per definitie gedurende de gehele looptijd van de proeftijd geldt.

Vernietiging in cassatie van uitsluitend de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid biedt aan de verdachte dus geen enkel voordeel en brengt hem wellicht zelfs in een nadeliger positie. Toch heeft de Hoge Raad in een aantal van dergelijke zaken9 wel (uitsluitend) op deze grond vernietigd en de strafoplegging ‘verbeterd.’ Ik meen echter dat de Hoge Raad zulks – het enkele vernietigen van die beslissing - niet als regel zou moeten doen, omdat daarmee geen evident belang is gediend. Daarmee valt de enkele (overblijvende) klacht over de dadelijke uitvoerbaarverklaring onder het bereik van art. 80a RO. Weliswaar heeft de beslissing van de Hoge Raad een declaratoire waarde, maar die kan ook op een andere manier tot uitdrukking komen. Bijvoorbeeld in de motivering van ’s Hogen Raads beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

4.6.

Terugkerend naar de klacht dat de oplegging van de bijzondere voorwaarde ‘an sich’ onvoldoende is gemotiveerd door het hof. Dat het hof de hiervoor onder 4.2 omschreven bijzondere voorwaarde heeft gesteld om de verdachte te weerhouden van het wederom begaan van soortgelijke gedragingen zoals bewezen is verklaard, lijdt geen twijfel. Het hof heeft daarbij kennelijk voor ogen gehad dat het uit preventief oogpunt noodzakelijk is om de verdachte niet slechts te verbieden met zijn (inmiddels) ex-vrouw (het slachtoffer) in contact te treden, maar hem gedurende de proeftijd ook het contact met haar zoon [betrokkene 2] te ontzeggen. Deze uitbreiding van de bijzondere voorwaarde tot het kind van het slachtoffer ligt in de rede, aangezien de zoon het incident, waarbij zijn moeder ernstig gewond raakte door toedoen van de verdachte, deels heeft meegemaakt en hij mogelijk nog bij zijn moeder woonachtig is, althans een hechte band met haar heeft. Wanneer contact met de zoon mogelijk zou zijn, dan wordt het slachtoffer niet bepaald met rust gelaten, aangezien de kans op weerzien met het slachtoffer reëel in dat geval is te noemen en het risico van ongeoorloofde druk op het slachtoffer aanwezig is. Anders dan de steller van het middel wil, maakt de omstandigheid dat de verdachte in de zaak waarbij [betrokkene 2] de aangever/het slachtoffer was, integraal is vrijgesproken, het vorenstaande niet anders. Het hof mocht aan de verdachte de genoemde bijzondere voorwaarde opleggen. Diens oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

4.7.

Het middel mist deels voldoende belang in cassatie en is deels kansloos voorgesteld.

5. Beide middelen falen evident en rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het cassatieberoep is niet gericht tegen de vrijspraken die het hof voor het primair en subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16-661926-15 heeft gegeven.

2 Zie de bewijsmiddelen 6 en 7 in de aanvulling op het arrest.

3 Zie nota van wijziging bij het voorstel van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima; Kamerstukken II 2002/03, 28 484 nr. 5, p. 5.

4 Zie bewijsmiddel 1.

5 Vgl. o.m. HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075, de conclusie van AG Hofstee (ECLI:NL:PHR:2014:1474) vóór HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:2451 (HR: 80a RO) en de conclusie van AG Aben (ECLI:NL:PHR:2013:1065) vóór HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:1661 (HR: art. 81.1 RO).

6 Vgl. bijv. HR 3 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8522, NJ 1990, 443, m.nt. Mulder, rov. 5.3 en de conclusie van voormalig AG Wortel (ECLI:NL:PHR:2008:BC7245) vóór HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7245 (HR: art. 81 RO).

7 ECLI:NL:PHR:2016:511, voorafgaand aan HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1239.

8 Dat is in cassatie wat lastig te berekenen, omdat de proeftijd niet loopt gedurende de tijd dat de verdachte rechtens van zijn vrijheid is beroofd. De gegevens die daarop betrekking hebben maken echter geen deel uit van het dossier in cassatie.

9 Vgl. o.a. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:867, HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1237 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537.