Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:861

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-06-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
16/00157
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2325, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan verduistering door een rechtspersoon; medeplegen van witwassen. Falende klachten van verdachte over de bewijsmotivering, toewijzing van vorderingen van b.p.’s en strafmotivering. Falende klachten van b.p.’s over niet gehele toewijzing en niet-ontvankelijkverklaring van hun vorderingen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/00065, 16/00162 en 16/00244.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00157

Zitting: 13 juni 2017

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 december 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1B “verduistering, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en 2 “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/00065, 16/00162 en 16/00244. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Mr. M. Tijken, advocaat te Oldenzaal, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] een verweerschrift ingediend alsmede één middel van cassatie voorgesteld. Mr. Tijken heeft tevens namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] één middel van cassatie voorgesteld.

4 De middelen van de verdachte

4.1.

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1B. Blijkens de toelichting op het middel komt de klacht er op neer dat de door het hof overgenomen bewijsoverweging van de rechtbank onbegrijpelijk is omdat het hof - in tegenstelling tot de rechtbank - het tenlastegelegde medeplegen van feitelijk leidinggeven in feit 1B niet heeft bewezen verklaard, terwijl in de bewijsoverwegingen van de rechtbank juist tot uitdrukking is gebracht dat verdachte tezamen met de medeverdachten zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering gepleegd door de rechtspersoon.

4.2.

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

“ [A] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Lemele en/of Nijverdal en/of Heeten en/of Rijssen en/of Zutphen en/of Goor en/of Balkbrug en/of Lichtenvoorde en/of Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, opzettelijk meerdere geldbedragen van om en nabij 940.000 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een groot aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander dan aan [A] BV en/of zijn mededader(s), welke hoeveelheid geld [A] BV en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich hadden, namelijk ter voldoening van een dienstverlenings- / bemiddelingsovereenkomst en/of beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon / adviesbureau namens [A] BV, zich wederrechtelijk heeft of hebben toegeëigend, tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;”

4.3.

Daarvan heeft het hof ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“ [A] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Nederland, meermalen, opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan een aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] , welke hoeveelheid geld [A] BV anders dan door misdrijf onder zich had, namelijk ter voldoening van beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;”

4.4.

Voorts heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. Waarbij het hof de navolgende bewijsoverwegingen van de rechtbank overneemt:

Overweging van de rechtbank ten aanzien van feit 1B:

De rechtbank merkt in dit verband op dat van toe-eigenen zoals ten laste is gelegd sprake is indien een persoon zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - onder meer sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald al dan niet contractueel vastgelegd doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de geldbedragen die door de verschillende aangevers ter beschikking zijn gesteld aan [A], teneinde deze te beleggen in een resort of een cruiseschip op de Malediven of in onroerend goed in Europa, gedurende de tenlastegelegde periode nimmer zijn aangewend voor welk investeringsproject dan ook. In plaats van de ingelegde gelden te investeren in winstgevende projecten, en zo de betaling van de toegezegde rente en de terugbetaling van de ingelegde hoofdsommen mogelijk te maken, zijn de bedragen grotendeels gebruikt voor de financiering van de bedrijfsvoering van [A], alsmede managementvergoedingen en salarissen van verdachte en zijn medeverdachten.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben in strijd met hetgeen aan de aangevers is voorgehouden en/of tegen de met die aangevers gemaakte afspraken in, de ingelegde gelden beheerd en voor andere doeleinden aangewend. Door deze andere aanwending hebben de verdachten de teruggave - met de toegezegde rentevergoeding - van de ingelegde geldbedragen door hun eigen handelwijze onmogelijk gemaakt of aanmerkelijk bemoeilijkt.

Overweging van de rechtbank ten aanzien van feit 2:

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geldbedragen van investeerders in [A] hebben verduisterd. De rechtbank leidt voorts uit een onderzoek van de AFM bij [A] en uit het politieonderzoek naar de mutaties op de bankrekeningen van af dat verdachte ( [verdachte] ; PV) en zijn medeverdachten deze geldbedragen hebben overgedragen, omgezet en van deze geldbedragen gebruik hebben gemaakt. Immers uit genoemde onderzoeken blijkt dat het bij [A] ingelegde geld van investeerders grotendeels is opgegaan aan salarissen, beheerskosten, provisies, dienstreizen en bedrijfsvoering. Uit de genoemde onderzoeken is tevens gebleken dat door [A] nergens enig bezit is aangekocht, dan wel is geïnvesteerd in onroerend goed projecten.

Het hof merkt daarbij nog ter aanvulling op het door de rechtbank hierboven overwogene op dat van een concrete investering met het geld van de gedupeerden in een concreet project niet is gebleken.”

4.5.

Ik heb er wel begrip voor dat de steller van het middel niet valt over de weinig heldere formulering in de bewijsoverweging waarin het onderscheid tussen plegen van een strafbaar feit en daaraan feitelijk leiding geven niet goed uit de verf komt. Ik neem kennelijk met de steller van het middel maar aan dat als in de bewijsoverweging wordt gesproken over verduistering door verdachte en de medeverdachten wordt gedoeld op het feitelijk leiding geven door verdachte en zijn medeverdachten als natuurlijke personen aan verduistering door de rechtspersoon en dus niet op het (mede) plegen van verduistering door de rechtspersoon (en diens medeverdachten).

4.6.

De steller van het middel merkt terecht op dat het hof anders dan de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen van feitelijk leidinggeven, terwijl in de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank is te lezen dat verdachte én zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde verduistering. In het middel wordt niet geklaagd over de bewezenverklaring van het (plegen van) feitelijk leidinggeven door verdachte. Het bewijs van feitelijk leidinggeven is - zij het niet overdadig - vervat in de bewijsmiddelen 1 en 2 van de aanvulling die overigens worden ondersteund door de niet voor het bewijs gebruikte verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof. De kwalificatie van het feit in het arrest (p. 5) houdt feitelijk leiding geven in en niet het medeplegen daarvan.

4.7.

De in de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank opgenomen zinsnede "verdachte en zijn medeverdachten” berust voor zover daarin ook de medeverdachten worden vermeld op een kennelijke misslag. Ik meen dat de Hoge Raad het arrest kan lezen met verbetering van die misslag. Bij weglating van het woord ‘medeverdachten’ resteert een gave bewijsvoering voor het bewezenverklaarde (plegen van) feitelijk leidinggeven. Ik neem nog in aanmerking dat de bewijsoverweging die ook is terug te vinden in de arresten van medeverdachten niet is toegesneden op de vraag of er sprake is van plegen of medeplegen, maar op de vraag of er sprake is van wederrechtelijke toe-eigening.

4.8.

Het eerste middel slaagt niet.

4.9.

Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze is gekomen tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] omdat deze vorderingen zijn toegewezen ter zake van het onder 2B en 3B bewezenverklaarde, terwijl deze onbekende feiten 2B en 3B niet voorkomen in de tenlastelegging.

4.10.

Het bestreden arrest is ook in dit opzicht bepaald niet vlekkeloos. Zoals in het verweerschrift van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] terecht wordt opgemerkt, heeft het hof bij de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen abusievelijk verwezen naar het bewezenverklaarde onder 2B en 3B, terwijl in hoger beroep de bewezenverklaarde feiten zijn genummerd als 1B en 2. Het hof heeft de nummering kennelijk overgenomen van de bewezenverklaarde feiten in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Hier is sprake van een evidente vergissing die niet tot enig misverstand kan leiden. Ik meen dat de Hoge Raad (desgewenst) kan volstaan met verbeterde lezing van de nummering van de bewezenverklaarde feiten ter zake waarvan de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen als 1B en 2.

4.11.

Ook het tweede middel faalt.

4.12.

Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke dan wel ontoereikende wijze is gekomen tot het (impliciet) ontvankelijk verklaren en vervolgens toewijzen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] .

4.13.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 december 2015, is - zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“Voorts zijn verschenen de benadeelde partijen, [benadeelde partij 14] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 15] . Daarnaast is [betrokkene 8] van het slachtofferhulp verschenen voor de benadeelde partijen, [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 3] . Verder is verschenen, de raadsman, mr Tijken, die verklaard gemachtigd te zijn om voor de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op te treden.

(…)

De voorzitter deelt mede dat de zaak gelijktijdig doch niet gevoegd zal worden behandeld met de zaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4] , parketnummer 21-004011-14, en [medeverdachte 3] , parketnummer 21-004180-14.

(…)

De voorzitter deelt mede dat de navolgende niet verschenen benadeelde partijen hun vordering hebben gehandhaafd. Het betreft de benadeelde partijen [benadeelde partij 16 t/m 22] .

De raadsman, J.W. Bosman, merkt - zakelijk weergegeven - op:

Ik hoorde u net voorlezen dat een aantal benadeelde partijen hun vorderingen hebben gehandhaafd. Dat was bij de verdediging niet bekend. U heeft daarbij een aantal benadeelde partijen genoemd die ik niet ken, die kennelijk hun vordering ook hebben gehandhaafd.

De oudste raadsheer geeft aan dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 14] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 21] en [benadeelde partij 4] de vordering in de zaak van deze verdachte hebben gehandhaafd.

De voorzitter merkt op dat de verdediging er rekening mee moet houden dat het hof mogelijk ook de benadeelde partijen die hun vordering in de zaken van de medeverdachten hebben gehandhaafd in onderhavige zaak zal meenemen, omdat niet geheel kan worden uitgesloten dat wanneer particulieren drie brieven krijgen om hun vordering te handhaven zij er maar één insturen.”

4.14.

Blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen van de raadsvrouw en raadsman van verdachte, is door de verdediging ter terechtzitting het volgende aangevoerd:

Vorderingen benadeelde partij

Voor wat betreft de vorderingen benadeelde partij wordt het volgende opgemerkt. De benadeelde partijen zijn door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De voeging in eerste aanleg duurt dan ook niet voort in hoger beroep (ex artikel 421 lid 2 Wetboek van Strafvordering) terwijl de benadeelde partijen zich in hoger beroep niet (opnieuw) hebben gevoegd (ex artikel 421 lid 3 Wetboek van Strafvordering).”

4.15.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof dat de verdediging in aanvulling op de pleitaantekeningen het volgende naar voren gebracht:

“Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] merkt de verdediging op dat het voegingsformulier zich enkel richt tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . De vordering richt zich derhalve niet tegen cliënt. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

4.16.

Het hof heeft in het bestreden arrest de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] ieder voor de helft toegewezen tot een bedrag van € 35.730, € 265.913 respectievelijk € 36.050. Voorts heeft het hof - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“Het hof gaat er in deze vanuit dat de benadeelde partijen die hun vordering tot schadevergoeding in de zaak van één van de medeverdachten hebben gehandhaafd ook hebben bedoeld de vordering in de zaak van verdachte te handhaven.”

(…)

De benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vorderingen zijn door de rechtbank bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de genoemde benadeelde partijen als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden tot in elk geval na te melden bedrag aan materiële schade. Het hof stelt dat bedrag vast op de helft van de door de benadeelde partijen gevorderde schade.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

4.17.

Voor de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich op grond van art. 51f, eerste lid, Sv ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Wordt vervolging tegen de verdachte ingesteld, dan zendt de officier van justitie op grond van art. 51g, eerste lid, Sv tezamen met de mededeling daarvan een formulier voor voeging toe aan de benadeelde partij. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie. Ter terechtzitting geschiedt de voeging op grond van art. 51g, derde lid, Sv door de opgave bij de rechter. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.1 Indien de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en de verdachte en/of de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, dan kan de benadeelde partij zich op grond van art. 421, derde lid, Sv bij het gerechtshof opnieuw voegen in het strafproces. Voor de opgave van de vordering en de gronden daarvan mag zij volstaan met verwijzing naar de vordering in eerste aanleg.2 Op grond van art. 51g, tweede lid, Sv - dat ingevolge art. 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - doet het openbaar ministerie van de voeging zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de verdachte. Verzuimt de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw in het strafproces te voegen, dan is toewijzing van de vordering door het gerechtshof niet mogelijk.3

4.18.

Van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] bevindt zich in het dossier van verdachte een zogenaamd wensenformulier met een aangehecht en getekend verzoek waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat [benadeelde partij 4] het eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding handhaaft. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Uit bijlagen bij het verweerschrift in cassatie van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] komt het volgende naar voren. Mr. Tijken heeft (onder meer) namens [benadeelde partij 1] aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket bij faxbericht van 14 oktober 2014 bericht dat (onder meer) [benadeelde partij 1] zich opnieuw in hoger beroep wenst te voegen als benadeelde partij voor het volledige bedrag dat hij in eerste aanleg heeft gevorderd. Tevens werd verzocht om schriftelijke bevestiging van de ontvangst. Bij faxbericht van 12 november 2014 rappelleerde (met verzending van een kopie van het rappel aan het gerechtshof) mr. Tijken omdat bevestiging uitbleef. In een mailbericht van 17 november 2014 van een senior administratief medewerker bij het ressortsparket wordt de ontvangst van het faxbericht alsnog bevestigd en meegedeeld dat het is toegevoegd aan het dossier. Omdat aan de betrouwbaarheid van deze uit de bijlagen bij het verweerschrift in cassatie blijkende mededelingen in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld kon het hof oordelen dat [benadeelde partij 1] de vordering heeft gehandhaafd. Ik wijs er bovendien nog op dat in het dossier van een van de medeverdachten een stelbrief van de raadsman van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] bevat, waarin de raadsman te kennen geeft dat zijn cliënt [benadeelde partij 1] zich ten aanzien van alle verdachten in deze zaak in hoger beroep opnieuw wenst te voegen.

4.19.

Van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heb ik geen hernieuwde voeging in hoger beroep aangetroffen in de zaak van verdachte. Wel bevindt zich In het dossier van één van de medeverdachten een zogenaamd wensenformulier met een aangehecht en getekend verzoek, waaruit volgt dat [benadeelde partij 3] haar vordering in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gehandhaafd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 december 2015 blijkt voorts dat [betrokkene 8] van slachtofferhulp ter terechtzitting is verschenen voor (onder meer) de benadeelde partij [benadeelde partij 3] . Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het er vanuit gaat dat de benadeelde partijen die hun vordering tot schadevergoeding in de zaak van één van de medeverdachten hebben gehandhaafd ook hebben bedoeld de vordering in de zaak van verdachte te handhaven.

4.20.

In aanmerking nemende dat [betrokkene 8] namens [benadeelde partij 3] ter terechtzitting van het hof is verschenen, dat uit niets blijkt dat [benadeelde partij 3] haar vordering wenste te beperken tot de medeverdachte [medeverdachte 3] en dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen ook geen aanwijzing bevatten dat de door [benadeelde partij 3] gevorderde en door het hof deels toegewezen schade enkel is ontstaan door het handelen van de medeverdachte [medeverdachte 3] , alsmede het feit dat uit de pleitnota van de raadsvrouw van verdachte in hoger beroep niet blijkt dat de verdediging enig onderscheid heeft gemaakt voor wat betreft de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen waarover in eerste aanleg is beslist, acht ik het oordeel van het hof ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet onbegrijpelijk.4

4.21.

Het derde middel faalt.

4.22.

Het vierde middel klaagt over de motivering van de opgelegde straf in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting van het hof naar voren is gebracht.

4.23.

Blijkens de aan het hof overgelegde pleitnotities van de raadsvrouw en raadsman van verdachte is door de verdediging ten aanzien van de aan verdachte op te leggen straf, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

“Ten tijde van de aanvankelijke vervolging van cliënt bestonden er nog geen LOVS- oriëntatiepunten. Pas in augustus 2012 zijn LOVS oriëntatiepunten voor fraude geformuleerd. De straffen van vóór het LOVS-tijdperk zijn beduidend lager dan de daarna opgelegde straffen. Ze zijn ook lager dan de door de rechtbank opgelegde straf. Vergelijk bijvoorbeeld het volgende vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2007. Een man die werd veroordeeld in verband met de verduistering van gelden in dienstbetrekking voor een totaalbedrag van € 260.000, kreeg een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd. Dit zodat hij niet zijn baan zou verliezen en de terugbetalingsregeling met de gedupeerde stichting kon naleven (Rb Den Haag, 10 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9329). Vergelijk ook een vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2009 (Rb Utrecht 24 augustus 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ8074). In die zaak werd de verdachte veroordeeld tot een werkstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden ter zake het oplichten van een bedrijf voor € 81.500 en ter zake valsheid in geschrifte.

Verzocht wordt dan ook geen acht te slaan op de LOVS-oriëntatiepunten maar aan te sluiten bij rechtspraak van vóór het opstellen van de LOVS-oriëntatiepunten in 2012.

(…)

Overschrijding redelijke termijn.

Cliënt is aangehouden in juli 2011. Dat is bijna 4,5 jaar geleden. Onderhavige feiten dateren van 2007 tot en met 2009, een periode van 6 tot 8 jaren geleden. Dat is erg lang geleden. Onder de toen vigerende jurisprudentie zou deze zaak vandaag niet ontvankelijk worden verklaard vanwege de ruime overschrijding van de redelijke termijn. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Tegenwoordig zien we in de rechtspraak echter wel weer een terugkeer naar het strenger sanctioneren van tijdsverloop. In strafzaken worden opgelegde straffen aanzienlijk gematigd vanwege tijdsverloop, bijvoorbeeld door een gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen (vergelijk Hof Amsterdam, 22 januari 2015, ECLI:GHAMS:2015:337 en Hof Den Bosch, 14 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4696). Verzocht wordt de ruime overschrijding van de redelijke termijn te compenseren middels strafvermindering ingevolge artikel 359a lid 1 sub a Sv.”

4.24.

Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de aan verdachte opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder/medeaandeelhouder van de investeringsmaatschappij [A], samen met de andere bestuurders/medeaandeelhouders geldbedragen die door investeerders in [A] waren belegd, verduisterd. De door de investeerders ingelegde gelden zijn door verdachte niet gebruikt voor het doel waarvoor zij aan [A] waren verstrekt. Het ingelegde geld is grotendeels opgegaan aan kosten, provisies, salarissen, managementvergoedingen, rentebetalingen en risicovolle financiële ondersteuning van andere investeringsmaatschappijen zonder adequate tegenprestatie.

Het merendeel van de investeerders betrof particulieren die de aan verdachte toevertrouwde gelden veelal niet vrij te besteden hadden, maar daarvoor de overwaarde van hun woning dienden aan te spreken, met andere woorden een schuld moesten aangaan bij de bank. Voor deze gedupeerden heeft de handelwijze van verdachte, die thans niet of nauwelijks verhaal biedt, dan ook verstrekkende consequenties. Het vertrouwen dat genoemde investeerders in verdachte hadden is daarbij ernstig beschaamd.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof voorts acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten, die voor een zaak als onderhavige waarbij sprake is van een benadelingsbedrag bedrag van € 1.000.000,— en hoger, als uitgangspunt een straf aangeven van 24 maanden gevangenisstraf tot het wettelijk maximum aan gevangenisstraf.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van na te melden duur passend en geboden is. Het hof ziet daarbij reden een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.”

4.25.

Hetgeen is aangevoerd over de toepassing van de LOVS- oriëntatiepunten en de overschrijding van de redelijke termijn is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv.5 Er zijn geen gronden aangevoerd waarop is gestoeld dat de oriëntatiepunten niet voor toepassing in aanmerking komen, maar er wordt onder verwijzing naar drie uitspraken van lagere rechters in 2007 en 2009 alleen verzocht op de oriëntatiepunten geen acht te slaan. Hetgeen wordt opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn wordt op geen enkele wijze geënt op maatstaven uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad6 over de aanvang van de termijn, het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen, enzovoort. Er is sprake van een verzoek en niet een door argumenten geschraagd standpunt.

4.26.

Het vierde middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

5.1.

Het middel klaagt dat de beslissing van het hof dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] slechts voor de helft wordt toegewezen - zonder nadere motivering, die ontbreekt - onbegrijpelijk is.

5.2.

Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft in de hiervoor onder 4.16 weergegeven overweging dus de juiste maatstaf gehanteerd.

5.3.

Of de behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.7 De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.8 De rechter heeft de nodige ruimte de vordering van de benadeelde partij te beperken in de zin dat hij de vordering kan splitsen in een deel dat wel en een deel dat geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.9 In dat kader hecht ik er belang aan te benadrukken dat het hof de door de benadeelde partij rechtstreeks geleden schade in elk geval heeft vastgesteld op de helft van de gevorderde schade. Voor het overige deel heeft het hof de vordering niet afgewezen, maar de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en naar de burgerlijke rechter verwezen. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de hoogte van het bedrag aan rechtstreekse schade van de benadeelde partij mogelijk hoger is dan het door het hof toegewezen bedrag, maar dat een beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel komt mij, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk voor, gelet op het feit dat in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding niet nader is onderbouwd, alsook de materie waar het in deze zaak om draait. Anders gezegd: de schade aan een kapotte fiets is gemakkelijker en sneller vastgesteld dan de schade uit de in deze zaak bewezenverklaarde verduistering en witwassen van de namens de benadeelde partijen te beleggen gelden.

5.4.

Het middel faalt.

6 Het middel van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

6.1.

Het middel klaagt dat de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

6.2.

Het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (dictum arrest p. 8). Het hof heeft in zijn arrest aan de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen de volgende overweging gewijd:

Niet-ontvankelijk

De benadeelde partijen, [benadeelde partijen 7 t/m 14] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vorderingen zijn door de rechtbank bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.

Het hof stelt vast dat genoemde benadeelde partijen niet in de onderhavige tenlastelegging zijn opgenomen. Om die reden moeten de vorderingen van deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze benadeelde partijen kunnen hun vorderingen derhalve slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

6.3.

Ten gevolge van een kennelijke misslag ontbreekt de naam van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de motivering van de beslissing van het hof. Er kan echter zonder meer van worden uitgegaan dat de onder 6.2 geciteerde voor enkele andere benadeelde partijen gegeven motivering ook hier van toepassing is. Dat [benadeelde partij 2] door het handelen van verdachte mogelijk schade heeft geleden is bepaald niet uit te sluiten, maar die schade vloeit niet voort uit de bewezenverklaarde feiten. Immers de verduistering en het witwassen van het geld van dit slachtoffer is nu eenmaal niet ten laste gelegd en dientengevolge evenmin bewezen verklaard. De in het kader van de vervolging door de steller van tenlastelegging gekozen afbakening van de kring van slachtoffers staat hier in de weg aan ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering.

6.4.

Het middel faalt.

7. De vier middelen van de verdachte en de namens [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voorgestelde middelen falen. Het vierde middel van verdachte en de middelen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voeging als benadeelde partij is mogelijk tot het requisitoir van de officier van justitie een aanvang neemt, art. 59g, derde lid Sv. Vgl. HR 23 maart 1999, NJ 1999/401; F.F. Langemeijer, Het slachtoffer in het strafproces, Kluwer: Deventer 2010 (tweede druk), p. 86.

2 F.F. Langemeijer, Het slachtoffer in het strafproces, Kluwer: Deventer 2010 (tweede druk), p. 118.

3 HR 10 juli 2001, NJ 2001/604; F.F. Langemeijer, Het slachtoffer in het strafproces, Kluwer: Deventer 2010 (tweede druk), p. 120.

4 Ik kan niet nalaten op te merken dat de aanpak van het hof – zacht gezegd – geen schoonheidsprijs verdient. De samenhang met andere zaken kan op zich zelf geen zelfstandig argument zijn. Wat was er eenvoudiger geweest dan [betrokkene 8] vragen of de oorspronkelijke vordering werd gehandhaafd?

5 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.

6 Vgl. HR 16 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358.

7 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451, r.o. 4.5.2.

8 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520, m.nt. B.F. Keulen.

9 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Fokkens bij HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963, NJ 2002/497, onder 9.