Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:855

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/02419
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2397, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verontschuldigbare termijnoverschrijding i.v.m. de psychische gesteldheid van verdachte. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN8587 m.b.t. verontschuldigbare termijnoverschrijding. Gelet hierop alsmede gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd had het hof zijn beslissing om verdachte n-o te verklaren in het h.b. nader moeten motiveren (vgl. ECLI:NL:HR:2001:BP2429 en ECLI:NL:HR:2015:1345). Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02419

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 3 mei 2016 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2015, waarbij de verdachte wegens eenvoudige belediging bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met algemene voorwaarden en een bijzondere voorwaarde als in het vonnis is bepaald. Voorts heeft de politierechter beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, nu het hof heeft verzuimd om naar aanleiding van het dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer te onderzoeken of de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verontschuldigbaar was vanwege de psychische toestand van de verdachte.

3.2. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in:

(i) de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2015 is op 4 augustus 2015 aan de verdachte in persoon uitgereikt;

(ii) de verdachte heeft bij brief van 21 augustus 2015, ingekomen ten parkette van de officier van justitie op 28 augustus 2015, bezwaar gemaakt tegen de dagvaarding, althans tegen het aan hem ten laste gelegde strafbare feit;

(iii) bij vonnis van 15 oktober 2015 is de verdachte bij verstek veroordeeld. Aan die veroordeling heeft de politierechter onder meer, naast een aantal algemene voorwaarden, een bijzondere voorwaarde verbonden inhoudende dat de verdachte wordt verplicht om zich te laten onderzoeken en indien nodig te laten behandelen in een forensisch psychiatrische polikliniek of soortgelijke ambulante zorg;

(iv) bij brief van 20 november 2015, ingekomen ten parkette van de officier van justitie op 26 november 2015, heeft de verdachte, die door het openbaar ministerie bij schrijven van 11 november 2015 op de hoogte was gesteld van de uitspraak van de politierechter, bezwaar gemaakt tegen het vonnis van de politierechter van 15 oktober 2015;

(v) blijkens een daartoe opgemaakte ‘Akte instellen hoger beroep’ is, naar aanleiding van vorengenoemde brief van de verdachte, die reeds op 26 november 2015 was ingekomen, op 29 december 2015 ter griffie van de rechtbank namens de verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

3.3. In het onderhavige geval diende de verdachte ingevolge art. 408 lid 1, onder a, Sv binnen 14 dagen na het vonnis van de politierechter 15 oktober 2015, te weten uiterlijk op 29 oktober 2015, hoger beroep tegen dat vonnis in te stellen, aangezien de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte was betekend. Eerst bij schrijven van 26 november 2015 heeft de verdachte te kennen gegeven hoger beroep te willen instellen, waarna de appelakte vervolgens op 29 december 2015 is opgemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden.

3.4. Een eerste, tamelijk formeel-juridisch punt waarop ik de aandacht wel moet vestigen betreft de processuele afwikkeling door het hof van de zaak. De enkelvoudige kamer van het hof heeft een mondeling arrest gewezen, en dat neergelegd in een afzonderlijke ‘aantekening mondeling arrest’. Voorts is een proces-verbaal van de terechtzitting opgemaakt, waarin echter – anders dan de wet in art. 425 lid 3 Sv voorschrijft - het arrest niet is aangetekend. Kennelijk is de idee geweest om wat de einduitspraak van het hof betreft naar de eerder genoemde aantekening mondeling arrest te verwijzen. De aantekening mondeling arrest is dan ook niet, zoals art. 426 lid 4 Sv verlangt in de gevallen waarin alsnog het proces-verbaal van de zitting wordt opgemaakt, doorgehaald. Aldus is een soort fusie van de gang van zaken bij het wijzen van een ‘normaal’ schriftelijke arrest en de procedure bij het mondelinge arrest ontstaan. Over de gang van zaken wordt echter niet geklaagd in het middel en het belang van een dergelijke klacht lijkt mij ook twijfelachtig. Voor de beoordeling van de zaak zal toch vooral naar de bedoeling van het hof worden gekeken en is de formele neerslag daarvan wat mij betreft niet doorslaggevend.

3.5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2016 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden - voor zover hier van belang - het volgende in:

“6. In het onderhavige geval is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die de verdachte niet kan worden toegerekend. Cliënt is volstrekt onbekend met de gang van zaken in en rond de gerechtelijke procedures in strafzaken. Op dit punt wijs ik u op het bezwaarschrift van cliënt aan de Officier van Justitie d.d. 21 augustus 2015, waarbij cliënt bezwaar heeft gemaakt tegen de dagvaarding.

Zekerheidshalve leg ik een kopie van dit bezwaarschrift over.

7. De Officier van Justitie heeft nagelaten, het schrijven 21 augustus 2015 aan te merken als een bezwaar tegen de dagvaarding, en dit als zodanig door te zenden naar de rechtbank, met verzoek voor verdere behandeling zorg te dragen. Tevens heeft het OM nagelaten de ontvangst te bevestigen en hem te berichten over het verdere verloop van de zaak en hem te bevestigen dat hij ondanks zijn bezwaar tegen de dagvaarding aanwezig diende te zijn ter zitting van 15 oktober 2015.

8. Cliënt was er niet mee bekend en behoefde er niet mee bekend te zijn dat de behandeling ter zitting van de rechtbank, zou eindigen in een einduitspraak. Cliënt is er met recht van uit gegaan en heeft er op vertrouwd dat op 15 oktober 2015 zou worden beslist op het bezwaar tegen de dagvaarding, zoals door cliënt ingediend bij de Officier van Justitie d.d. 21 augustus 2015. Dat cliënt dit ook als zodanig heeft begrepen volgt uit de reactie van cliënt op het schrijven van de Officier van Justitie d.d. 11 november 2015, waarbij cliënt bericht:

“ik maak bezwaar tegen, uw beslissing van 11 november 2015. Het kenmerk van de beslissing is ... 103. U ontvangt een kopie van de beslissing bij dit bezwaarschrift". Alsmede verderop in zijn schrijven: “Daarnaast wil ik in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten die ik voor deze bezwaarprocedure maak". Dit bewijst dat cliënt de oproep van de Officier van Justitie heeft opgevat als een bestuursrechtelijke procedure, in plaats van een procedure conform het Wetboek van Strafvordering. Cliënt heeft niet begrepen dat hij in persoon ter zitting van 15 oktober 2015 diende te verschijnen voor de Politierechter, op verdenking van mishandeling.

9. Dit is mede ingegeven door de psychische gesteldheid van cliënt. Cliënt verkeert in een zodanige psychische gesteldheid dat hij niet in staat is zijn eigen zaken naar behoren te behartigen. Gezien de psychische gesteldheid van cliënt moet ervan uit worden gegaan dat hij niet in staat was de tegen hem aangespannen procedure op juistheid te beoordelen en hij evenmin in staat was te beoordelen op welke wijze tijdig en dan ook nog eens op de juiste wijze hoger beroep diende te worden ingesteld. Bovendien was cliënt niet in staat te beoordelen of er sprake was van een einduitspraak of respectievelijk sprake was c.q. Zou kunnen zijn van een tussenbeslissing, ongeacht de aard van deze tussenbeslissing (daarbij valt te denken aan beslissing door de Officier op bezwaar, beslissing door de rechtbank op bezwaar). Hiervoor verwijs ik naar hetgeen ik reeds heb opgemerkt, over het feit dat cliënt bezwaar heeft gemaakt bij de Officier van Justitie, naar aanleiding van de aan hem uitgereikte dagvaarding.

10. Op dit punt verwijs ik uitdrukkelijk naar de bevindingen van de reclassering, reclasseringsadvies d.d. 1 oktober 2015. De reclassering vermeldt dat cliënt in reactie op zijn vervolging een bezwaarschrift bij het OM heeft ingediend en de reclassering erop wijst dat de toon in het bezwaarschrift opmerkelijk is. Tevens verwijs ik naar de door de reclassering vermelde psychische problematiek van cliënt: psychotrauma, persoonlijkheidsstoornis en identiteitsstoomis. Eveneens verwijs ik naar het vonnis waarbij cliënt als bijzondere voorwaarde is opgelegd behandeling door een psychiatrische kliniek. Dit alles bewijst dat cliënt in een zodanige psychische gesteldheid verkeert, dat de wijze waarop cliënt hoger beroep heeft ingesteld en de daardoor ontstane termijnoverschrijding verschoonbaar is.

11. Vastgesteld moet worden dat cliënt zo spoedig mogelijk nadat hij met de uitspraak bekend is geraakt, hoger beroep heeft ingesteld/heeft willen instellen/heeft willen laten instellen. Ik verwijs hiervoor naar het schrijven van 20 november aan het Parket (toegezonden kort na ontvangst van het schrijven van 11 november 2015. (…)”

3.6. In aanvulling op dit verweer hebben de raadsman en de verdachte ter terechtzitting van het hof nog het volgende aangevoerd:

“De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek verdachte ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Mijn cliënt is in eerste aanleg niet verschenen. Hij verkeerde in een verwarde psychische toestand die maakte dat hij geen inzicht had in de procedure. Mijn cliënt heeft op 21 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen de dagvaarding en dat maakt dat hij er van uitging dat er een beslissing zou worden gegeven op het door hem ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Door zijn verwarde psychische gesteldheid

Heeft mijn cliënt de oproep van de officier van justitie opgevat als een oproep in een bestuursrechtelijke procedure.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat de uitspraak van 15 oktober 2015 een einduitspraak betrof. Ik ben tijdens de behandeling in eerste aanleg niet aanwezig geweest omdat ik daartoe fysiek en geestelijk niet in staat was. Ik heb een schriftelijke reactie gegeven op de dagvaarding. De uitspraak is mij eerst in een laat stadium toegezonden, de beroepstermijn was al bijna verlopen. Een beroepstermijn van veertien dagen is te kort. Het EVRM zegt dat er altijd een mogelijkheid

tot het instellen van hoger beroep moet zijn.”

3.7. De voorzitter van het hof heeft blijkens het proces-verbaal in hoger beroep van 3 mei 2016 - kennelijk in reactie op het verweer - het volgende medegedeeld:

“Het wettelijk systeem schrijft voor dat een verdachte wordt gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting. U heeft tegen die dagvaarding een bezwaarschrift ingediend, maar dat betekent niet dat u dan niet ter zitting hoeft te verschijnen. U heeft nagelaten te informeren naar de uitspraak van de eerste rechter, terwijl u daar veertien dagen de tijd voor hebt gehad. De omstandigheid dat u geen rechtsgeleerd persoon bent, doet daar niet aan af. Ook uw psychische toestand doet aan het voorgaande niet af. Alleen als ieder inzicht ontbreekt zou dat anders zijn. Er is mijns inziens geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.”

3.8. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld. In de aantekening van het mondeling arrest heeft het hof als volgt overwogen en beslist:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De inleidende dagvaarding is op 4 augustus 2015 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3.9.

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.1 Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.2

3.10.

In een situatie zoals de onderhavige, waarin duidelijk en gemotiveerd door de verdediging een beroep is gedaan op verontschuldigbare termijnoverschrijding onder meer vanwege de psychische problematiek van de verdachte, dient het hof te doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In een dergelijk geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep indien hij, nadat de verhindering zoals hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.3

3.11.

Uit het bestreden arrest blijkt niet ondubbelzinnig dat het hof een dergelijk onderzoek heeft verricht. Wel heeft de voorzitter van het hof als gezegd, in antwoord op het verweer en kennelijk mede ter motivering van de beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, aan de kwestie enige woorden gewijd, te weten: ‘Ook uw psychische toestand doet aan het voorgaande niet af. Alleen als ieder inzicht ontbreekt zou dat anders zijn. Er is mijns inziens geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding’.

3.12.

Wanneer, zoals ik als uitgangspunt neem, de vorenbedoelde mededelingen van de voorzitter betrokken worden bij ’s hofs oordeel tot niet-ontvankelijkverklaring, meen ik echter nog steeds dat het hof zijn beslissing in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.10 is vooropgesteld nader had dienen te motiveren. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verweer dat de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet goed in staat was om zijn belangen te behartigen als gevolg waarvan dat hij niet tijdig hoger beroep heeft kunnen doen instellen, verwezen naar het reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 1 oktober 2015, opgemaakt door [betrokkenen], beiden verbonden aan Reclassering Nederland. In dit rapport is te lezen dat de verdachte in 2012 in Sinai Centrum is behandeld wegens zijn psychotrauma en dat in 2012 in een medische verklaring werd gesproken van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met een identiteitsstoornis. Deze diagnose is inmiddels verouderd, zodat nieuw onderzoek is geïndiceerd om een actueel beeld te krijgen van verdachtes psychisch functioneren. Verder acht de reclassering in geval van een veroordeling een begeleidingstraject noodzakelijk, nu de combinatie van de toon van de brief die de verdachte aan het openbaar ministerie heeft geschreven, verdachtes houding ten aanzien van de samenleving en de reclassering, de aard van het ten laste gelegde feit, verdachtes religieus getinte uitingen en signalen van identiteitsproblemen zeer zorgelijk worden geacht. Tenslotte wordt geopteerd voor een nader onderzoek en een eventuele behandeling. Ook heeft de raadsman de veroordeling van de politierechter aangehaald waarbij aan de verdachte naast algemene voorwaarden tevens een bijzondere voorwaarde is opgelegd, te weten behandeling in een psychiatrische kliniek, indien dat nodig wordt geacht.

3.13.

Het door het hof gehanteerde criterium, of omslagpunt, inhoudende ‘Alleen als ieder inzicht ontbreekt zou dat anders zijn’ lijkt mij niet toegesneden te zijn op de kwestie van het al dan niet verschoonbaar zijn van het termijnverzuim. De gehanteerde maatstaf wekt meer associaties op met de materieelrechtelijke vraag wanneer bij ontoerekeningsvatbare verdachten nog van opzet gesproken kan worden. Dan gaat het om het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van het handelen.4 Het neerleggen van een dergelijke hoge ‘drempel’ bij de vraag naar verschoonbare termijnoverschrijding lijkt mij in de buurt te komen van een onjuiste rechtsopvatting. Zo dat al niet de gevolgtrekking zou moeten zijn is aldus motiverende tevens niet inzichtelijk gemaakt wat de gedachtegang van het hof is geweest. Want ten aanzien waarvan volgens het hof ‘ieder inzicht’ ontbroken zou moeten zijn teneinde de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn is in het geheel niet duidelijk. Het hof heeft naar mijn mening aldus de mogelijkheid open gelaten dat de betekenis van de uitgereikte oproeping en/of het vonnis niet tot de verdachte heeft kunnen doordringen ten gevolge van een hem niet toe te rekenen geestesgesteldheid. Gelet hierop is het oordeel van het hof tegen de achtergrond van het ter terechtzitting gevoerde verweer met betrekking tot de psychische gesteldheid van de verdachte en de ter onderbouwing van dat verweer aangehaalde stukken, niet zonder meer begrijpelijk.

3.14.

Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer aldus onvoldoende gemotiveerd verworpen en de verdachte ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

3.15.

Het middel slaagt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.

2 Vgl. o.m. HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9757, NJ 1998/577, HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064, NJ 2001/696 m.nt. JdH en HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5700.

3 Vgl. o.m. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1345 en HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429.

4 Vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, 6e druk, p. 232.