Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:851

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/01457
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2401, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afstand van het recht om in h.b. te gaan. Het p-v van de zitting van de Pr houdt in dat verdachte na de uitspraak heeft gezegd: “nee, ik vind het wel goed zo”. CAG: raadsman heeft bepleit dat verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het instellen van h.b. Hof heeft juistheid van dit standpunt onderzocht en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01457

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 4 maart 2016 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/02629. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Tegen de onder 1 vermelde uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. J. Luiten, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, omdat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte afstand van diens recht op een hoger beroep heeft gedaan terwijl het hof heeft nagelaten een zodanig onderzoek in te stellen naar de juistheid van het namens verdachte aangevoerde standpunt dat hij geen afstand van zijn recht op hoger beroep heeft gedaan, althans dat het oordeel van het hof dat verdachte ondubbelzinnig afstand van zijn bevoegdheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk is.

4.2. Ter motivering van de beslissing de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren heeft het hof in zijn arrest van 4 maart 2016 het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De strafzaak tegen verdachte is in eerste aanleg op 6 maart 2015 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland behandeld en afgedaan. Verdachte en zijn raadsman waren bij deze behandeling aanwezig.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 blijkt dat de politierechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 378 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het vonnis direct ter zitting heeft uitgesproken. Daarna heeft de politierechter verdachte opmerkzaam gemaakt op zijn recht om binnen veertien dagen tegen het vonnis hoger beroep in te stellen en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 381 Sv, op zijn recht om afstand te doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 houdt vervolgens in dat verdachte naar aanleiding van deze door de politierechter gemaakte opmerkingen meedeelt: “Nee, ik vind het wel goed zo”.

Anders dan door de raadsman betoogd, is de gang van zaken op de terechtzitting van 6 maart 2015 omtrent de uitspraak van het mondelinge vonnis, het wijzen op het tegen dat vonnis openstaande rechtsmiddel en het recht om van die bevoegdheid afstand te doen geheel overeenkomstig de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering. De stelling van de raadsman, dat het afstand doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden slechts kan geschieden door het opmaken van een akte op de griffie van het betreffende gerecht, vindt geen steun in het recht.

De uiting van verdachte “Nee, ik vind het wel goed zo ” was, gelet op de context ervan zoals die uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 blijkt, naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig bedoeld om afstand te doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het op dat moment zojuist uitgesproken vonnis van de politierechter. De omstandigheid dat verdachte er destijds voor heeft gekozen om deze uiting direct te doen, zonder daarover nog te overleggen met zijn eveneens aanwezige raadsman, komt voor rekening en verantwoording van verdachte. Het doen van afstand van de bevoegdheid een rechtsmiddel aan te wenden is een recht dat aan de verdachte zelf toekomt. Het staat hem daarbij vrij om, alvorens van dat recht gebruik te maken, overleg te plegen met zijn raadsman. Hij kan en mag er echter ook voor kiezen om zonder dit overleg een beslissing te nemen. Verdachte heeft in het onderhavige geval klaarblijkelijk gekozen voor deze laatste optie.

Nu verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van de bevoegdheid om in hoger beroep te gaan, kan hij in het nadien door hem ingesteld hoger beroep niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

4.3.

Ter zitting van het hof van 4 maart 2016 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het hof overlegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“2.1 Voorafgaand aan het doorzenden van onderhavig dossier van de rechtbank aan het gerechtshof, werd ik door de griffier telefonisch benaderd. De vraag was - het was kennelijk niet duidelijk - of cliënt wel degelijk appel wenste in te stellen of dat er sprake was van een vertragingstactiek door de verdediging in de executie van de opgelegde gevangenisstraf. De griffier meende dat cliënt ter terechtzitting rechtsgeldig afstand van zijn recht op hoger beroep zou hebben gedaan. Een standpunt waarmee ik mij als raadsman niet kon - en kan - verenigen. Van dat laatste (het doen van afstand) was - en is - geen sprake geweest. Cliënt kan zich simpelweg niet verenigen met het vonnis van de politierechter én wenst zijn zaak aan uw gerechtshof voor te leggen. Ik zal u dan ook (ondanks hetgeen er in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen) verzoeken cliënt in zijn appel ontvankelijk te achten.

2.2

Volgens Titel VI van het derde boek van het Wetboek van Strafvordering kan afstand van rechtsmiddelen worden gedaan door een zodanige verklaring ter griffie van het gerecht af te leggen (artikel 453 en 454 Sv). De in appel voorliggende vraag is aldus of cliënt tijdens de terechtzitting op rechtsgeldige wijze afstand van zijn recht op hoger heeft gedaan en (vooral) heeft willen doen.

2.3

Als cliënt immers zijn appel niet had willen voortzetten, dan was dat appel inmiddels ingetrokken. Het is dan ook de situatie dat cliënt achter (de reden voor) het instellen van appel stond en staat. En (aan de andere kant) heeft cliënt geen afstand van zijn recht op hoger beroep willen doen. Ik zal dat toelichten.

2.4

In casu speelt het volgende. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de politierechter heeft aangegeven cliënt te veroordelen terzake feit 1. Nadat de politierechter heeft aangegeven cliënt te veroordelen terzake feit 1, overweegt de politierechter (zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting) als volgt:

"Ik spreek verdachte vrij van het onder 2. en 3. ten laste gelegde omdat ik daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden acht. De politierechter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter zitting afstand te doen van dat rechtsmiddel. Verdachte deelt naar aanleiding van deze door de politierechter gemaakte opmerking mede: "Nee, ik vind het wel goed zo" (mijn onderstreping -JWEL)

2.5

Het is tegen deze achtergrond de vraag of cliënt (door de woorden "Nee, ik vind het wel goed zo") afstand van een rechtsmiddel heeft gedaan in de zin van artt. 453 en 454 Sv. Ik meen uitdrukkelijk dat van enige vorm van afstand geen sprake is.

2.6

Daarover dient allereerst te worden opgemerkt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet ondubbelzinnig blijkt dat cliënt afstand van zijn recht op hoger beroep heeft gedaan.

2.7

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt immers dat de politierechter cliënt twee mogelijkheden voorhoudt:

a. de verdachte heeft 14 dagen de tijd voor hoger beroep;

b. de verdachte kan afstand doen van het recht op hoger beroep.

2.8

Als cliënt vervolgens reageert, zoals hij volgens het proces-verbaal van de terechtzitting reageert, dan is niet of onvoldoende duidelijk waartegen de woorden “Nee, ik vind het wel goed zo” zijn gericht. Er blijkt niet dat dat onmiskenbaar duidde op het recht op hoger beroep. De laatste optie die de politierechter cliënt voorhoudt, is het doen van afstand en daarop reageert hij afwijzend met de woorden “Nee,[…]”.

2.9

Daarnaast is de vraag welke waarde kan worden van cliënt zouden kunnen worden gehecht. De woorden "nee, ik vind het wel goed zo" zijn niet zonder meer gericht op het doen van afstand. Daar waar de woorden "afstand" of "ik wens geen hoger beroep in te stellen" dat wel zijn. Uit de woorden van cliënt kan evenwel niet worden afgeleid dat hij in het vonnis berustte.

2.10

Er blijkt aldus niet van een ondubbelzinnige vorm van afstand, hetgeen ervoor pleit cliënt ontvankelijk in zijn appel te achten. Dat standpunt vindt steun in de jurisprudentie van het EHRM.

2.11

Het EHRM heeft op 23 februari 2016 - iets meer dan een week geleden - in het arrest Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland (appl.nos. 46632/13 and 28671/14) de overwegingen over het doen van afstand van rechtsmiddelen herhaald. Het gaat dan om de overwegingen van het hof in de zaken Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgië (application no. 9043/05) van 29 april 2014 en (al iets ouder, maar vanaf dat moment bestendige rechtspraak) de overwegingen in de zaak Scoppola tegen Italië (appl.no. 10249/03) van 17 september 2009.

2.12

Het hof overweegt dat (paragraaf 100) "a waiver of a number of procedural rights" door een verdachte tot de mogelijkheden behoort, voegt het hof daaraan toe:

"to be effective for Convention purposes, therefore, any waiver of procedural rights must always be established in an unequivocal manner, must be attended by minimum safeguards commensurate with its importance and must not run counter to any important public interest"

2.13

Een waiver dient aldus te worden verbonden aan bepaalde strenge minimumgaranties. En in aanvulling daarop overwoog het hof in Scoppola tegen Italië (paragraaf 135):

"The safeguards mentioned above are fundamental aspects of the right to a fair trial enshrined in Article 6 of the Convention. Neither the letter nor the spirit of Article 6 prevents a person from waiving them of his own free will, either expressly or tacitly. However, such a waiver must, if it is to be effective for Convention purposes, be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate with its importance (see Poitrimol v.j France, 23 November 1993, § 31, Series A no. 277-A, and Herrni, cited above, § 73). In addition, it must not run counter to any important public interest (see Hâkansson and Sturesson v. Sweden, 21 February 1990, § 66, Series A no. 171-A, and Sejdovic, cited above, § 86). "

2.14

Het (al dan niet) afstand doen van een recht levert - als er sprake is van een situatie waarin onvoldoende minimumgaranties worden geboden - een schending van artikel 6 EVRM op. Van een dergelijke schending is sprake als cliënt niet zou worden ontvangen in zijn appel.

2.15

Er zijn (onder de omstandigheden zoals die uit het proces-verbaal ter terechtzitting blijken) vrijwel geen minimumgaranties die aan de verdachte worden geboden. Althans geen zodanige garantie zoals die door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens worden vereist vóórdat er afstand van enig recht kan worden gedaan.

2.16

Immers, er is geen sprake van een "unequivocal manner' waarop afstand zóu zijn gedaan. Het is immers niet zonder meer gezegd dat cliënt ondubbelzinnig heeft bedoeld afstand van zijn recht op het instellen van hoger beroep te doen. Dat is hiervoor reeds uitvoerig uiteengezet.

2.17

Daar komt nog het volgende bij. In (onder meer) de zaak Scoppola tegen Italië van bijzonder belang werd geacht dat de verdachte werd bijgestaan door een door hem gekozen raadsman. Dat gegeven op zichzelf was echter onvoldoende om te oordelen dat er sprake was van een rechtsgeldige ’waiver’. In die zaak woog namelijk mee dat de verdediging (voorafgaand aan de waiver) maar liefst dertig dagen de gelegenheid had te overleggen welke stappen zouden worden genomen en welke juridische risico's en gevolgen in de te nemen keuzes lagen besloten (paragraaf 142).

2.18

Weliswaar werd cliënt tijdens de terechtzitting door een raadsman bijgestaan (in zoverre verschilt deze zaak niet van de omstandigheden in de zaak Scoppola tegen Italië). Evenwel werd hem - voorafgaand aan het moment toen hem werd gevraagd al dan niet afstand van enig recht te doen - geen mogelijkheid geboden voorafgaand aan het al dan niet doen van afstand een moment van overleg met diens raadsman geboden. Me dunkt dat een verdachte (zeker als hij net te horen heeft gekregen dat hij van twee van de drie feiten is vrijgesproken) niet overziet wat de mogelijke consequenties van het doen van afstand (als dat al zou zijn gebeurd) voldoende kan overzien.

2.19

Er is aldus géén gelegenheid, laat staan een afdoende gelegenheid, geboden met diens raadsman te overleggen (over het al dan niet doen van afstand van het recht op hoger beroep en de mogelijke consequenties daaraan) voorafgaand aan het nemen van die keuze.

2.20

Samenvattend kom ik aldus tot de volgende conclusie:

a. mijns inziens is er geen afstand van het recht op het instellen van hoger beroep gedaan; en

b. als er al zou zijn bedoeld afstand te doen, dan is dat niet op een zodanige wijze gebeurd waardoor er sprake zou kunnen zijn van een waiver of procedural rights" in een "unequivocal manner" en welke mogelijkheid tot afstand wordt beschermd door "minimum safeguards commensurate with its importance". Derhalve is er geen sprake van rechtsgeldige vorm van afstand van enig recht, althans niet zonder dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM.

2.21

Cliënt dient dan ook ontvankelijk in zijn appel te worden geacht en ik verzoek u tot een eensluidend oordeel te komen.

Conclusie:

Ontvankelijk appel; geen (rechtsgeldige) afstand/waiver”

Daarnaast heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep nog het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd:

“Bij punt 2.9 van mijn pleitnota merk ik nog op dat evenmin duidelijk is voor welk feit of welke feiten verdachte afstand zou hebben gedaan. Doelde hij ermee op feit 1, feit 2 of feit 3? Ik kan niet betwisten dat de woorden van verdachte zoals die in het proces-verbaal van de zitting van de eerste rechter zijn opgenomen ook zo door verdachte zijn gebezigd. Ik heb nadien wel gezegd dat ik dit geen vorm vind van het doen van afstand en dat ik er nog overleg over wilde voeren met verdachte.

Op de vraag van de advocaat-generaal, waarom verdachte toen niet direct hoger beroep heeft ingesteld, antwoord ik dat ik eerst nog wilde onderzoeken of daadwerkelijk rechtsgeldig afstand was gedaan. En zoals ik zojuist heb betoogd, is dat naar mijn mening niet het geval en als er al afstand is gedaan, dan is niet duidelijk ten aanzien van welk feit dat is geweest. Ik durf niet te zeggen of de politierechter de verdachte heeft gewezen op de mogelijkheid om eerst met mij te overleggen. Ik zie dat niet in het proces-verbaal staan. Als het zou zijn gezegd is het voor mij gebruikelijk dat ik opsta en zeg dat ik eerst met de cliënt wil overleggen.

Op de vraag van de voorzitter verklaar ik dat ik op de zitting wel direct heb ingegrepen, maar daarop heeft de politierechter niet gereageerd. Het onderzoek ter zitting was toen immers gesloten. Ik heb toen ook gezegd dat het volgens mij geen rechtsgeldige afstandsverklaring was. Ik vond het niet rechtsgeldig en dus was het geen afstand. Ik had ook geen kans gehad om met verdachte te overleggen. Voor de politierechter was het echter klaar en verdachte werd afgevoerd. Ik durf niet te zeggen of verdachte toen nog heeft geprotesteerd. Ik was ervan overtuigd dat het geen rechtsgeldige vorm van afstand was. Het enige wat ik toen nog kon, was hoger beroep instellen. Nadat ik hoger beroep had ingesteld, werd ik gebeld door de griffier met de vraag of ik mij ervan bewust was dat verdachte ter zitting afstand had gedaan van zijn recht om hoger beroep in te stellen. Ik moest daarna onderzoeken hoe een en ander zich juridisch verhoudt. Ik heb toen wel aan de griffier gevraagd om in het proces-verbaal op te nemen dat ik bezwaar had gemaakt. De oudste raadsheer houdt mij voor dat in artikel 381 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat dat door een verdachte ter terechtzitting van de politierechter afstand kan worden gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen en dat de politierechter de verdachte daarop moet wijzen. Als het zo in de wet staat, zal het ook wel zo kunnen.

Ik heb hierover niets in de appelschriftuur vermeld omdat ik vind dat er niet rechtsgeldig afstand is gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen. Dit moet op de zitting aan de orde komen en daarom heb ik er in de appelschriftuur geen melding van gemaakt.”

4.4.

Voorts houdt het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 maart 2016, voor zover relevant, nog het volgende in:

“De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mee:

Het is op grond van de wet mogelijk om op de terechtzitting van de politierechter afstand te doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de beslissing van die politierechter. Dit vloeit mede voort uit de arresten van de Hoge Raad die zijn gepubliceerd onder NK2001, 695 en AU6775. Het doen van afstand ter terechtzitting is rechtsgeldig, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand als bedoeld in artikel 381, lid 1 Sv. In de onderhavige zaak staan in het proces-verbaal van de zitting de normale frasering van de politierechter waarin verdachte op het recht van hoger beroep wordt gewezen en op het recht om daarvan afstand te doen. Dan volgt een weergave van wat verdachte heeft gezegd. Deze woorden houden een ondubbelzinnige manier van het doen van afstand in. In het proces-verbaal ontbreekt echter de precieze vraag die aan verdachte is gesteld. Er is dus eigenlijk nader onderzoek nodig om vast te stellen wat er precies is gebeurd en om te kunnen beoordelen of wellicht sprake is van een verschoonbare situatie omtrent het doen van afstand door verdachte. Ik verzoek u daarom de behandeling aan te houden, zodat nader onderzoek kan worden gedaan. Het hof zou dan bij de rechtbank moeten informeren naar de precieze gang van zaken aan het einde van deze zitting. Mogelijk heeft de griffier van die zitting nog meer aantekeningen.

De raadsman deelt hierop - zakelijk weergegeven - mee:

Het arrest dat de advocaat-generaal noemt betreft een andere situatie. De advocaat-generaal onderkent dat niet duidelijk is tegen welke feiten de woorden van verdachte zich hebben gericht. Ik persisteer bij mijn standpunt dat verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar ik verzet mij niet tegen een aanhouding om nader onderzoek te doen. Mogelijk is van de zitting in eerste aanleg een geluidsopname gemaakt. Die zou dan meer duidelijkheid kunnen verschaffen.

Nadat het onderzoek, na een onderbreking voor beraad, is hervat deelt de voorzitter - zakelijk weergegeven - mee:

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 blijkt dat de politierechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 378 Sv het vonnis direct ter zitting heeft uitgesproken. Daarna heeft de politierechter verdachte opmerkzaam gemaakt op zijn recht om binnen veertien dagen tegen het vonnis hoger beroep in te stellen en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 381 Sv, op zijn recht om afstand te doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 houdt vervolgens in dat verdachte naar aanleiding van deze door de politierechter gemaakt opmerkingen meedeelt: “Nee, ik vind het wel goed zó”. Anders dan door de raadsman betoogd, is de gang van zaken op de terechtzitting van 6 maart 2015 omtrent de uitspraak van het mondelinge vonnis, het wijzen op het tegen dat vonnis openstaande rechtsmiddel en het recht om van die bevoegdheid afstand te doen geheel overeenkomstig de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering. De stelling van de raadsman, dat het afstand doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden slechts kan geschieden door het opmaken van een akte op de griffie van het betreffende gerecht, vindt geen steun in het recht.

De uiting van verdachte “Nee, ik vind het wel goed zo” was, gelet op de context ervan zoals die uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 blijkt, naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig bedoeld om afstand te doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het op dat moment zojuist uitgesproken vonnis van de politierechter. De omstandigheid dat verdachte er destijds voor heeft gekozen om deze uiting direct te doen, zonder daarover nog te overleggen met zijn eveneens aanwezige raadsman, komt voor rekening en verantwoording van verdachte. Het doen van afstand van de bevoegdheid een rechtsmiddel aan te wenden is een recht dat aan de verdachte zelf toekomt. Het staat hem daarbij vrij om, alvorens van dat recht gebruik te maken, overleg te plegen met zijn raadsman. Hij kan en mag er echter ook voor kiezen om zonder dit overleg een beslissing te nemen. Verdachte heeft in het onderhavige geval klaarblijkelijk gekozen voor deze laatste optie. Nu verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van de bevoegdheid om in hoger beroep te gaan, kan hij in het nadien door hem ingestelde hoger beroep niet worden ontvangen.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak - zakelijk weergegeven - inhoudende: Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

4.5.

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 6 maart 2015 bij de politierechter bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“De politierechter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter zitting afstand te doen van dat rechtsmiddel. Verdachte deelt naar aanleiding van deze door de politierechter gemaakte opmerking mede: "Nee, ik vind het wel goed zo".

De aantekening mondeling vonnis is aan dit proces-verbaal gehecht en wordt geacht hiervan deel uit te maken.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.”

4.6.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende worden vooropgesteld. Indien het rechtsgeding voor de politierechter wordt gevoerd kan de verdachte ingevolge art. 381 lid 1 Sv, na de mededeling betreffende het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting mondeling afstand doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Indien de verdachte afstand doet, wordt dit in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld, zo bepaalt art. 381 lid 2 Sv. Op de vermelding van de gedane afstand in het proces-verbaal zal in beginsel moeten kunnen worden afgegaan, hoewel vergissingen zich kunnen voordoen.1 Wanneer het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg vermeldt dat de verdachte afstand doet van het recht om hoger beroep in te stellen, heeft die vermelding dus in beginsel ‘bewijskracht’ ten aanzien van dat feit. In het geval dat de verdachte in hoger beroep de juistheid van die vermelding betwist, dient het hof met inachtneming van het voorgaande onderzoek in te stellen naar de juistheid van dat standpunt, op straffe van nietigheid.2 Voorts geldt dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van art. 381 lid 1 Sv. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als aannemelijk is dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over de inhoud van het vonnis of de betekenis van zijn verklaring.3

4.7.

In het onderhavige geval heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte bepleit dat de verdachte met de mededeling “nee, ik vind het wel goed zo”, niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep. Het hof was gezien het vooropgestelde gehouden de juistheid van dat standpunt te onderzoeken. Blijkens de onder punt 4.2 gedane overwegingen en het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de juistheid van het standpunt onderzocht.4 Voor zover het middel er over klaagt dat een dergelijk onderzoek achterwege is gebleven mist het feitelijke grondslag. Overigens is in cassatie ook niet betwist dat de verdachte de uitlating “nee, ik vind het wel goed zo” heeft gedaan. Het daarop volgende oordeel van het hof dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In dat verband heeft het hof overwogen dat de verdachte ter terechtzitting van de politierechter afstand van zijn bevoegdheid heeft gedaan om een rechtsmiddel aan te wenden, dat de uiting van verdachte naar het oordeel van het hof gelet op de context ervan ondubbelzinnig bedoeld was om afstand te doen, dat verdachte deze uiting direct heeft gedaan zonder overleg met zijn raadsman en dat het doen van afstand een recht is dat aan verdachte zelf toekomt. Voorts heeft het hof overwogen dat het de verdachte vrij staat om alvorens van dit recht gebruik te maken overleg te plegen met zijn raadsman, maar dat verdachte er in het onderhavige geval klaarblijkelijk voor heeft gekozen een beslissing te nemen zonder overleg te plegen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.8.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Het middel kan met de aan art. 81 lid 1 Wet RO ontleende motivering worden afgedaan.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 6 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7471. Niet iedere vergissing in het proces-verbaal maakt echter dat daarmee het hele proces-verbaal niet kan worden vertrouwd. Zie de conclusie van mijn ambtsgenoot Aben bij HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3270.

2 HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8555 en HR 17 oktober 1950, NJ 1951, 259.

3 HR 12 juni 2001, ECLI:HR:2001:AB2060.

4 Zie voor een gelijksoortig geval HR 24 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:958 en de conclusie van mijn ambtsgenoot AG Vegter bij dat arrest van 29 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:391. Zie ook HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3270.