Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:85

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-02-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
16/00767
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:695, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Schadeloosstelling na onteigening. Eliminatieregel van art. 40c Onteigeningswet. Verrekening van voor- en nadeel ook ten aanzien van waardevermeerdering overblijvende? Waarde van vrijkomende bodembestanddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00767

mr. J.C. van Oven

17 februari 2017

Conclusie inzake:

[eiser] ,

eiser tot cassatie,

(aanvankelijk: mr. P.J.L.J. Duijsens

thans: mr. D.T.J. van der Klei),

tegen

de Staat der Nederlanden,

verweerder in cassatie,

(mr. M.W. Scheltema).

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis waarin na vervroegde onteigening van twee perceelsgedeelten in de gemeente Steenbergen de schadeloosstelling is vastgesteld. In cassatie gaat het om de vraag in hoeverre bij de waardering van de perceelsgedeelten rekening moet worden gehouden met een boven de agrarische waarde uitstijgende verwachtingswaarde. Voorts zijn aan de orde de waardering van het overblijvende, de vergoeding voor bodembestanddelen, de verrekening van voordelen als gevolg van de onteigening en de kosten van deskundige bijstand.

Onteigend is ten behoeve van de aanleg van Rijksweg A4 ten westen en ten noorden van de stad Steenbergen. De bij Uw Raad nog hangende zaak nr. 15/03989, waarin ik op 11 november jl. heb geconcludeerd, gaat over een andere onteigening ten behoeve van hetzelfde werk. Anders dan in die zaak, acht ik het cassatieberoep in de onderhavige zaak niet gegrond.

1 Procesverloop

1.1

Nadat de rechtbank Breda op verzoek van de Staat bij beschikking van 4 juni 2012 op de voet van art. 54c Ow een rechter-commissaris en drie deskundigen had benoemd, heeft zij op vordering van de Staat bij vonnis van 20 juni 2012 vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de Staat van delen van de percelen kadastraal bekend Gemeente Steenbergen, sectie [A 001] ter grootte van 5.04.00, te onteigenen grootte 1.16.38 ha (grondplannummer [002] ) en sectie [B 001] ter grootte van 13.61.70, te onteigenen grootte 7.86.44 ha (grondplannummer [003] ) en het bedrag van het aan eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op 100% van het in de dagvaarding aangeboden bedrag van € 724.850.

1.2

Het onteigeningsvonnis is op 31 juli 2012 (hierna: de peildatum) ingeschreven in de openbare registers.1

1.3

Bij beschikking van 14 juni 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) een nieuwe deskundige benoemd wegens het overlijden van een van de bij beschikking van 4 juni 2012 benoemde deskundigen.

1.4

De deskundigen hebben een rapport gedateerd 20 oktober 2014 uitgebracht dat zij op 22 oktober 2014 ter griffie van de rechtbank hebben gedeponeerd. Daarin hebben zij de schadeloosstelling voor [eiser] begroot op € 867.906, zijnde de waarde van het onteigende.

1.5

Bij vonnis van 16 december 20152 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 867.906 en de Staat veroordeeld om aan [eiser] het bedrag te betalen waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat zijnde een bedrag van € 143.056, vermeerderd met een rente van 2% per jaar daarover vanaf 31 juli 2012 tot 16 december 2015, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank heeft verder de Staat veroordeeld in de kosten van het geding, tot aan uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 25.718,11 (incl. btw) ter zake van kosten van juridische bijstand, € 10.000 (incl. btw) ter zake van overige deskundige bijstand en € 267 ter zake van griffierechten. De rechtbank heeft voorts de Staat veroordeeld in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 37.602,37 (incl. btw).

1.6

Op 22 december 2015 heeft [eiser] – tijdig3 – ter griffie van de rechtbank verklaard dat hij cassatieberoep instelde tegen het vonnis van 16 december 2015. De akte houdende cassatieverklaring is bij exploot van 9 februari 2016 - tijdig4 - aan de Staat betekend met de dagvaarding in cassatie. In het exploot van dagvaarding in cassatie en in de verdere cassatiestukken is [eiser] aangeduid met een andere eerste voornaam (“ [voornaam] ”) dan in de stukken in eerste aanleg (“ [voornaam] ”).5 Ik vermoed dat het om dezelfde persoon gaat en dat [eiser] in de cassatiedagvaarding en de verdere cassatiestukken per abuis met een verkeerde eerste voornaam is vermeld.6

1.7

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De zaak is vervolgens door de advocaten van de partijen schriftelijk toegelicht, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.

2. Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing voor zover in cassatie van belang

2.1

De onderhavige onteigening geschiedt ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 7 december 2011, nr. 11.002971 (hierna: het KB), gepubliceerd in de Staatscourant van 30 januari 2012, nr. 1874). In dat KB zijn onder meer ter onteigening aangewezen de hiervoor in 1.1. genoemde perceelsgedeelten, ten behoeve van de aanleg van de Rijksweg A4 om Steenbergen tussen km. 300.112 nabij Laageinde en km. 310.493 nabij de brug over de Steenbergsche Vliet (deel 2 Steenbergen) met bijkomende werken. Uw Raad heeft reeds met dit werk kennisgemaakt in de zaak [C] /Staat, waarin U op 1 april 2016 uitspraak heeft gedaan.7 Ook de nog hangende cassatiezaak nummer 15/03989 ( [Van der P.] /Staat der Nederlanden), waarin ik op 11 november 2016 concludeerde, betreft een onteigening voor dit werk. Op de in de onderhavige zaak onteigende perceelsgedeelten zal een gedeelte van de nieuwe Rijksweg A4 worden aangelegd en de te verleggen provinciale weg N257, met bijbehorende bermen, taluds, watergangen en groenstroken.8

2.2

Het betreft een onteigening op de voet van art. 72a (Titel IIa) van de Onteigeningswet voor aanleg van werken ter uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in art. 15, eerste lid (oud) Tracéwet, te weten het Tracébesluit “A4 Dinteloord-Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen” dat op 18 februari 2011door de Minister van Infrastructuur en Milieu is vastgesteld, (hierna ook wel: het tracébesluit).9 De diverse beroepen tegen dit tracébesluit zijn, voor zover ontvankelijk, door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 maart 2012 verworpen.10 Het tracébesluit was op de peildatum ter plaatse van de percelen van [eiser] nog niet verwerkt in een bestemmingsplan en die percelen waren daarmee nog gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Steenbergen’, vastgesteld door de raad van de gemeente Steenbergen op 19 december 1996, goedgekeurd door het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant op 30 juli 1997 en onherroepelijk geworden op 18 mei 2000. De onteigende perceelsgedeelten hebben in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke waarde’ met de nadere aanduiding ‘openheid’.11

2.3

De gedeeltelijk onteigende percelen zijn in 1998 door [eiser] in eigendom verkregen en waren op de peildatum bij [eiser] zelf in gebruik voor de teelt van zaaiuien, pootaardappelen en wintertarwe. De percelen maakten op de peildatum onderdeel uit van het agrarisch bedrijf van [eiser] , dat hij samen met zijn echtgenote voert. Het betreft een gemengd akkerbouw- en tuinbedrijf, gevestigd aan de [a-straat 1] te Steenbergen, met een areaal van ruim 88 ha (waarvan ca 46 ha eigendom en 42 ha pacht). Beide percelen waren (in de oude situatie) gelegen op ca. 4,7 km afstand van de huiskavel.12

2.4

Bij de waardering van het onteigende heeft de rechtbank (rov. 2.12 en 2.13) in navolging van de deskundigen (en op de voet van art. 40c Ow) Ow geen rekening gehouden met de voor- en nadelen van het werk c.a. waarvoor onteigend is, te weten de aanleg/doortrekking van de A4 tussen Dinteloord en Bergen op Zoom en de daarmee samenhangende infrastructurele maatregelen, alsmede met de plannen voor dat werk, en is zij, eveneens in navolging van de deskundigen, uitgegaan van de agrarische bestemming van de betrokken gronden en van een geschatte ‘gewone’ agrarische waarde daarvan. De rechtbank heeft ook de schatting door de deskundigen van de agrarische waarde van het onteigende op € 7 per m2 gevolgd.

2.5

De rechtbank heeft voorts onderzocht (rov. 2.16-2.19) in hoeverre aan de onteigende gronden, met eliminatie van (de plannen voor) het werk waarvoor onteigend is op de peildatum boven de agrarische waarde een verwachtingswaarde toekwam. In dit kader heeft de rechtbank voorop gesteld dat reeds uit (rov. 2.19)

“de planvorming van vóór het moment waarop de plannen voor de aanleg van Rijksweg A4 westelijk langs Steenbergen vorm kregen, waarbij dus moet worden teruggegaan tot 2001/2002, volgt dat (de onteigening weggedacht) de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in westelijke en zuidelijke richting zou hebben plaatsgevonden, en derhalve in de richting van de percelen van [eiser] .”

Voorts ging de rechtbank, in navolging van de deskundigen, ervan uit dat deze verwachting op de peildatum nog steeds bestond, maar (laat ik maar zeggen:) enigszins werd getemperd door afspraken uit het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant van 20 juni 2012, op basis waarvan kon worden verwacht dat het bedrijventerrein tot 2020 met 5 ha en na 2020 met nog eens met 12 ha zou worden uitgebreid.13 In het voetspoor van de deskundigen kwam de rechtbank tot de conclusie dat alleen voor het ten zuiden van de Zeelandweg-Oost/N259 gelegen perceel van [eiser] (perceel [B 001] ), en pas voor de periode ná 2020, een reële verwachting bestond dat dit nodig zou kunnen zijn voor een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder, aan welk perceel de rechtbank daarom een waarde van € 10 per m² toekende. De rechtbank kende aan het onteigende perceelsgedeelte ten noorden van de Zeelandweg-Oost geen verwachtingswaarde toe en waardeerde dat op de agrarische waarde van € 7 per m².14

Het eerste cassatiemiddel betreft deze materie.

2.6

In de rov. 2.20-2.24 heeft de rechtbank zich beziggehouden met de stelling van [eiser] dat de hem toekomende vergoeding van de waarde van het onteigende moet worden vermeerderd met een vergoeding van € 221.700 in verband met de aanwezigheid van voor de Staat bruikbare bodembestanddelen (klei) in de onteigende perceelsgedeelten. De rechtbank heeft die stelling verworpen omdat de in het onteigende aanwezige bodembestanddelen, voor zover deze al in het werk zijn gebruikt, geen kostenvoordeel hebben opgeleverd voor de Staat. Bovendien sluit de rechtbank – zo begrijp ik de derde alinea van rov. 2.23 – zich aan bij de stelling van de deskundigen en de Staat dat de vrijgekomen bodembestanddelen geen marktwaarde hadden.

Hierover gaat het derde cassatiemiddel.

2.7

De rechtbank heeft, zie de rov. 2.25-2.31, geen vergoeding toegekend wegens waardevermindering van het overblijvende. Weliswaar hebben de overblijvende delen van beide percelen [A 001] en [B 001] een minder geschikte vorm gekregen voor efficiënte landbouwbewerking, echter het daardoor veroorzaakte waardeverminderende effect valt naar het oordeel van de rechtbank weg tegen het waardevermeerderende effect (€ 2 per m², totaal € 76.290) dat de komende aanleg van het werk heeft op de verwachtingswaarde van het resterende gedeelte van perceel [B 001] dat ten oosten (de rechtbank zegt in de rov. 2.27 minder duidelijk ‘ten zuiden’) van het tracé van de A4 ligt. De rechtbank komt per saldo uit (rov. 2.31) op een waardevermeerdering van het overblijvende van € 76.290.

Dit oordeel wordt bestreden in het tweede cassatiemiddel.

2.8

In de rov. 2.32-2.42 heeft de rechtbank onderzocht hoeveel overige schade [eiser] als gevolg van de onteigening lijdt. De rechtbank komt uit (rov. 2.42) op een totaal van € 152.150,87, bestaande uit € 68.100 aan kosten aankoop vervangende grond en € 84.050,87 aan inkomensschade. Een van de posten waaruit de inkomensschade is samengesteld is de inkomstenderving (€ 44.500,87) van [eiser] over 2012 doordat hij in dat jaar nog slechts een deel van de op het onteigende geteelde uien heeft kunnen oogsten.

Deze schadepost mag volgens het vierde cassatiemiddel niet worden verrekend met de uit de onteigening voortvloeiende voordelen maar zou integraal moeten worden vergoed.

2.9

In de rov. 2.43-2.46 heeft de rechtbank zich gebogen over de te verrekenen voordelen die voor [eiser] uit de onteigening voortvloeien. Als één van die voordelen beschouwt de rechtbank de rente-inkomsten die [eiser] kan genereren met het vrijkomend kapitaal (€ 235.932) dat resteert na aankoop door [eiser] van grond ter vervanging van de onteigende gronden. De rechtbank hanteert hiervoor15 het percentage van 4% per jaar.

Hiertegen komt het vijfde cassatiemiddel op.

2.10

In de rov. 2.50-2.57 behandelde de rechtbank de aanspraak van [eiser] op vergoeding van kosten van juridische en andere bijstand. De rechtbank achtte het door de advocaat van [eiser] in rekening gebrachte honorarium (€ 25.718,11 incl. btw) redelijk en vergoedbaar, maar oordeelde het door de partijdeskundige Staal in rekening gebrachte bedrag (€ 52.873,19 incl. btw) slechts voor € 10.000 vergoedbaar omdat de rechtbank het door deze deskundige in rekening gebrachte aantal van 321 uren onredelijk hoog achtte.16

Het zesde cassatiemiddel komt tegen dit laatste oordeel op.

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

Eerste middel : het toekennen van verwachtingswaarde aan het onteigende

3.1

Dit middel gaat kennelijk ervan uit dat de rechtbank in rov. 2.19 bij de waardebepaling van het onteigende alle plannen en voornemens van overheidswege waarin de A4 aan de westzijde van Steenbergen is geprojecteerd als plannen voor het werk in de zin van art. 40c ow beschouwt en daarom het onteigende waardeert als agrarische grond zonder verwachtingswaarde.

Dit uitgangspunt acht ik onjuist: uit rov. 2.19 kan men niet opmaken dat de rechtbank meer heeft geëlimineerd dan (de plannen voor) het werk waarvoor onteigend wordt, dat wil zeggen de plannen voor de aanleg van de A4 met bijkomende werken. De rechtbank oordeelde dat reeds uit de planvorming van vóór het moment waarop de plannen voor de aanleg van de A4 westelijk langs Steenbergen vorm kregen, volgt dat er uitzicht bestond op uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder in westelijke en zuidelijke richting en derhalve in de richting van de percelen van [eiser] .17 Echter dit heeft de rechtbank er niet van weerhouden om ook acht te slaan op ruimtelijke beleidsdocumenten van de overheid waarin rekening wordt gehouden met de aanleg van de A4 ten westen van Steenbergen. De deskundigen (en in hun voetspoor de rechtbank) hebben immers – anders dan mr. Duijsens in punt 21 van zijn schriftelijke toelichting veronderstelt – evident rekening gehouden met het provinciaal ‘Uitwerkingsplan Landelijke Regio Steenbergen en Halderberge’ uit december 2004, waarin reeds werd uitgegaan van de westelijke variant voor de A4.18

Het vermelde uitzicht op uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van de percelen van [eiser] bestond naar het kennelijke oordeel van de rechtbank ten tijde van de onteigening nog steeds, maar de laatste ontwikkeling wees er volgens de (door de rechtbank gevolgde) deskundigen op dat op de peildatum de verwachting bestond dat het bedrijventerrein tot 2020 met 5 ha en pas na 2020 met nog eens 12 ha zou worden uitgebreid.19 In verband daarmee meenden de (door de rechtbank gevolgde) deskundigen dat een uitbreiding van het bedrijventerrein over de percelen van [eiser] vóór 2020 niet te verwachten viel en na 2020 slechts te verwachten viel over het zuidelijke perceel (d.w.z. het perceel ten zuiden van de Zeelandweg-Oost/N259, te weten perceel [B 001] ). Het onteigende deel van dit perceel heeft de rechtbank dan ook, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, gewaardeerd als agrarische grond met verwachtingswaarde: € 10 per m² in plaats van de (aan het onteigende deel van perceel [A 001] toegekende) zuiver agrarische waarde van € 7 per m².20

3.2

Het voorgaande betekent dat het eerste middel zich keert tegen een eliminatie-oordeel dat in het vonnis niet valt te lezen. Het middel kan dan ook naar mijn mening bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Van de onjuiste onteigeningsrechtelijke gedachtegang die ik in mijn conclusie in de zaak [Van der P.] /Staat (zie mijn bespreking van het eerste middel in die zaak) heb gemeend te ontwaren heeft de rechtbank zich in de onderhavige zaak niet bediend. En dat is ook begrijpelijk nu de situatie in de onderhavige onteigening van die in de zaak [Van der P.] wezenlijk verschilt, en wel in die zin, dat het uitzicht op toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van de percelen van [eiser] los van de plannen om de Rijksweg A4 ten westen van Steenbergen aan te leggen al bestond, en steeds aanwezig is gebleven. Het perceel van [Van der P.] dat gedeeltelijk onteigend is ligt noordelijker, en in een gebied dat pas na (of in verband met) de principekeuze voor het westelijke traject van de A4 in beeld kwam als toekomstig bedrijventerrein.

3.3

Voor het geval dat Uw Raad dieper op de stellingen en klachten van het eerste middel wil ingaan ga ik hierna nog kort in op sommige onderdelen van het middel.

3.4

Naar aanleiding van de onderdelen 4 en 5 van het middel: het is evident dat de rechtbank bij de waardering van het onteigende de invloed van het tracébesluit elimineert. Zij volgde immers (zie rov. 2.15, slot) de deskundigen die, zoals de rechtbank in rov. 2.12 releveert, vaststelden dat bij de waardering van het onteigende de voor- en nadelen van het werk c.a. waarvoor onteigend is, te weten de aanleg/doortrekking van de A4 tussen Dinteloord en Bergen op Zoom en de daarmee samenhangende infrastructurele maatregelen, alsmede de plannen voor dat werk, moeten worden weggedacht (art. 40c Ow). Daarmee is uiteraard ook de invloed van het tracébesluit weggedacht.

3.5

In onderdeel 6 wordt betoogd dat er geen reden is om het bestemmingsplan ‘Buitengebied Steenbergen’, dat aan het onteigende een agrarische bestemming geeft, weg te denken. Ik zie in het vonnis geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat de rechtbank dit bestemmingsplan op grond van art. 40c Ow heeft weggedacht. Integendeel, de rechtbank heeft de deskundigen gevolgd, die zijn uitgegaan van de agrarische bestemming die volgens dit bestemmingsplan op de onteigende gronden rust.

3.6

Het in onderdeel 9 geciteerde arrest komt mij voor de onderhavige zaak irrelevant voor, omdat de rechtbank wel degelijk rekening heeft gehouden met de op de peildatum bestaande verwachting op uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van de percelen van [eiser] .

3.7

In onderdeel 13 wordt miskend dat de rechtbank de plannen om het bedrijventerrein uit te breiden in de richting van het westelijke tracé van de A4 niet heeft aangemerkt als een gevolg van de keuze voor het westelijke tracé, omdat die plannen al bestonden vóórdat gekozen werd voor het westelijke tracé.

3.8

Uw Raad zal opmerken dat onderdeel 14 een herhaling is van onderdeel 2 van het eerste cassatiemiddel in de zaak [Van der P.] /Staat. Echter daar lag, als gezegd, de situatie anders. De deskundigen zijn in de onderhavige zaak nu juist, op grond van de omstandigheid dat ook los van de ontwikkeling van de A4 de verwachting kon worden gekoesterd dat het gebied ten westen van Steenbergen op enige termijn in aanmerking zou zijn gekomen voor een functiewijziging ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijventerreinen Reinierpolder I en II, tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van de percelen van [eiser] op de peildatum wél een zekere verwachtingswaarde gold, zie het deskundigenrapport blz. 13.21

3.9

In onderdeel 21 wordt verwezen naar de oorspronkelijke visie die de deskundigen in het concept-rapport huldigden. Uiteindelijk hebben de deskundigen de overblijvende perceelsgedeelten, met inachtneming van het werk waarvoor onteigend is, niet gewaardeerd op € 15 per m² maar op resp. € 7, € 6 en € 12 per m².22

3.10

Onderdeel 23 van het middel bevat een klacht die de algemene klacht in de aanhef van het middel (cassatiedagvaarding blz. 3, bovenaan) niet onderbouwt of adstrueert. De klacht is gericht tegen de verwerping in rov. 2.19 van het betoog van [eiser]23 dat de afspraken uit het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant van 20 juni 2012 op de peildatum (31 juli 2012) niet openbaar waren gemaakt zodat redelijk handelende kopers daarmee geen rekening hebben kunnen houden. De rechtbank overwoog hierover

“dat het in dat kader van belang is of het kenbaar is/was voor potentiële kopers. De Staat heeft ter gelegenheid van het pleidooi aangevoerd dat het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant op de website van de Provincie vermeld stond tussen de plannen voor ruimtelijke ordening. De rechtbank gaat ervan uit dat op een eventueel verzoek van potentiële kopers deze informatie zou zijn verstrekt, zodat daarmee is voldaan aan het vereiste van openbaarheid.”

Het onderdeel acht deze motivering onbegrijpelijk omdat de enkele vermelding van een dergelijk overleg op een website en de mogelijkheid om daarover contact op te nemen, nog niet wil zeggen dat daarmee de informatie wereldkundig is.

Deze klacht kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden, omdat die een te zuinige interpretatie huldigt van hetgeen de rechtbank oordeelde. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat er een mogelijkheid bestond om over het op de website vermelde overleg contact op te nemen, maar is ervan uitgegaan “dat op een eventueel verzoek van potentiële kopers deze informatie zou zijn verstrekt.

3.11

Het onderdeel adstrueert de hiervoor bedoelde klacht nog met de observatie “Al was het maar omdat de Staat niet heeft gesteld dat derden de informatie op verzoek ook zou worden gegeven. De rechtbank vult dat ten onrechte zelf in.”

Voor het geval dat het onderdeel hier bedoelt te klagen dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, de feiten ambtshalve heeft aangevuld dan wel een verrassingsbeslissing heeft gegeven, het volgende.

De klacht lijkt mij niet gegrond. Zij miskent dat de onteigeningsrechter zelfstandig dient te onderzoeken welke schadevergoeding aan de onteigende partij of een derde-belanghebbende toekomt en daarbij niet gebonden is aan het advies van de deskundigen noch ook aan het standpunt van de partijen.24 Daarmee hebben de partijen rekening te houden, zodat een vonnis waarin de onteigeningsrechter de schadeloosstelling vaststelt niet snel, zo al ooit, als een ongeoorloofde verrassingsbeslissing zal kunnen worden aangemerkt.

Ook deze klacht acht ik dus ongegrond.

3.12

Ten overvloede voeg ik hieraan toe (a) dat mij het oordeel van de rechtbank dat op een eventueel verzoek van potentiële kopers deze informatie zou zijn verstrekt alles weg heeft van een feit van algemene bekendheid en (b) dat art. 40b lid 2 Ow ziet op de redelijk handelende koper en verkoper die bekend zijn met de op de peildatum bestaande omstandigheden die de waarde van het onteigende bepalen, waartoe mede omstandigheden kunnen behoren die pas na de peildatum aan het licht zijn gekomen.25

Tweede middel : de waardevermindering van het overblijvende

3.13

Het tweede middel is gericht tegen rov. 2.31, waarin de rechtbank een bezwaar van [eiser] tegen de begroting van de deskundigen van de waardevermeerdering van het overblijvende behandelt. De rechtbank heeft die waardevermeerdering in rov. 2.31 bepaald op € 76.290, zijnde het bedrag waarmee de som van de waarde van het overblijvende en de aan het onteigende toegekende werkelijke waarde, de waarde van het geheel (de beide percelen waarvan stukken zijn onteigend) vóór onteigening overtreft.26 De rechtbank heeft die waardevermeerdering (die overigens neerkomt op het saldo van een waardevermindering van het overblijvende deel van perceel [A 001] en een waardevermeerdering van het overblijvende deel van perceel [B 001] ) aangemerkt als een uit de onteigening voortvloeiend voordeel, dat verrekend moet worden met de uit de onteigening voortvloeiende nadelen (voor zover behorende tot de ‘overige schade’). Deze methodiek27 is in cassatie, voor zo ver mij duidelijk, niet bestreden.

3.14

Het middel voert drie bezwaren – a), b) en c) – aan.

Bezwaar a) (onderdeel 25) keert zich tegen de aanname dat er een waardevermeerdering ten gevolge van de onteigening is. Het middel betoogt dat [eiser] steeds het standpunt heeft ingenomen dat – de onteigening weggedacht – de percelen de door de deskundigen en de rechtbank vastgestelde waarde na de onteigening al voor de onteigening hadden, en dat de rechtbank op dat standpunt niet gemotiveerd heeft gereageerd en haar oordeel daarom onvoldoende begrijpelijk is.

3.15

Dit betoog is moeilijk te volgen. Als de waarde van de percelen bepaald wordt onder wegdenking van de onteigening, krijgt men de waarde vóór de onteigening, dat lijkt mij een waarheid als een koe, die de rechtbank niet uit het oog heeft verloren, terwijl haar oordeel niet onbegrijpelijk wordt doordat zij aan die waarheid geen aandacht heeft geschonken. Indien men de waardevermindering of waardevermeerdering van het overblijvende wil begroten, moet men echter, zoals de rechtbank in rov. 2.31 heeft gedaan, de waarde van het geheel voor onteigening vergelijken met de som van de waarde van het onteigende en de waarde van de na onteigening overblijvende perceelsgedeelten en met inachtneming van de invloed die (de plannen voor) het werk waarvoor onteigend is heeft op de waarde van die perceelsgedeelten. Zie daarvoor mijn hierna nog volgende bespreking van bezwaar b).

3.16

De pijn voor [eiser] zit hem, denk ik, in het oordeel van de rechtbank dat het overblijvende deel van perceel [B 001] meer waard is geworden door de onteigening (€ 12 per m², terwijl aan dat perceel, althans aan het onteigende deel daarvan, een werkelijke waarde – de onteigening weggedacht – van € 10 per m² werd toegekend). Het vonnis bevat daarvoor evenwel een begrijpelijke redengeving. De werkelijke waarde van het onteigende moet worden bepaald met inachtneming van art. 40c Ow, dus daarbij behoort geen rekening te worden gehouden met het werk waarvoor onteigend wordt en de plannen daarvoor. Dat betekent dat het onteigende gedeelte van perceel [B 001] niet nadelig wordt beïnvloed door het plan voor de aanleg van de A4 en de aansluiting daarop van de te verleggen N257, zodat de denkbeeldige koper rekening mocht houden met de kans dat de nabijgelegen bedrijventerreinen (Reinierpolder I en II) te eniger tijd over (het gehele) perceel [B 001] zouden kunnen worden uitgebreid. Die koper moest daarentegen, ook als men het tracébesluit voor de A4 etc. wegdenkt, nog steeds rekening houden met de mogelijkheid dat de A4 in het betreffende gebied zou worden aangelegd, nu immers verschillende varianten in studie waren, waaronder de (uiteindelijk in het tracébesluit van 18 februari 2011 gepreciseerde) westelijke variant. Die onzekerheid heeft een negatief effect op de verwachtingswaarde van perceel [B 001] , dat wegvalt bij de waardering van het resterende deel van dat perceel met inachtneming van het plan voor het werk. Daarbij moet immers ervan uit worden gegaan dat dat resterende deel van perceel [B 001] niet nodig zal zijn voor de aanleg van de A4 met bijkomende werken en dat de A4 als het ware een natuurlijke grens zal vormen voor eventuele uitbreiding van de bedrijventerreinen Reinierpolder, zodat de kans op ontwikkeling tot bedrijventerrein iets groter is geworden. De deskundigen hebben dit tot uitdrukking gebracht in punt 5 van hun rapport, waar zij (blz. 16, laatste alinea) hun uitgangspunt handhaven dat de verwachtingswaarde (van het overblijvende deel van perceel [B 001] ) “mét de aanleg van de A4 – en de daarmee gecreëerde begrenzing van de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijventerrein Reinierpolder – per peildatum licht zal zijn toegenomen.” De rechtbank heeft zich hierbij aangesloten.28 Naar mijn mening een alleszins begrijpelijke redenering, zodat onderdeel 25 mij niet gegrond lijkt.

3.17

Bezwaar b) (onderdelen 26-30) bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 2.31 dat het vaste jurisprudentie is dat bij de waardering van het onteigende de eventuele voor- en nadelen van het werk waarvoor onteigend wordt wel moeten worden geëlimineerd, maar bij de waardering van een eventueel overblijvend deel niet. De rechtbank herhaalt hier de visie van de deskundigen (deskundigenrapport blz. 16, midden), die op hun beurt verwezen naar HR 4 november 1970, NJ 1971/433.29

3.18

Als ik de toelichting van de klacht in de onderdelen 27 en 28 goed begrijp, wil [eiser] ingang doen vinden dat bij hantering van de vergelijkingsmethode teneinde de waardevermindering of waardevermeerdering van het overblijvende te bepalen30 steeds waarden behoren te worden genomen die bepaald zijn met inachtneming van de in art. 40c Ow geregelde eliminatie van het werk en de plannen daarvoor. Dus zowel (a) de waarde van het geheel voor onteigening (het complex) als (b) de waarde van het onteigende als (c) de waarde van het overblijvende.

3.19

Aanvaarding van die opvatting lijkt mij niet in overeenstemming met de vaste rechtspraak van Uw Raad, onder meer het door de deskundigen genoemde arrest van 4 november 1970 in de zaak Zuidwolde/Pol, waarin Uw Raad (o.m.) oordeelde dat, indien de hogere waarde van het overblijvende noordelijke overblijvende stuk te danken was aan het werk waarvoor onteigend werd, die waardevermeerdering in mindering zou moeten komen van de te vergoeden uit de onteigening voortvloeiende waardevermindering van de bedrijfsgebouwen. Naar mijn mening behoren bij de toepassing van de vergelijkingsmethode de elementen (a) (het complex) en (b) te worden gewaardeerd met eliminatie van het (plan voor het) werk waarvoor onteigend wordt en behoort bij de waardebepaling van element (c) rekening te worden gehouden met de nieuwe situatie. Zie ook de nrs. 3.18-3.22 van mijn conclusie voor Uw arrest van 15 januari 2016 in de zaak BBL/[D],31 waarin ik, onder verwijzing naar Uw arrest van 21 november 2008 in de zaak [E]/Rivierenland,32 hetzelfde heb betoogd. Uit rov. 3.6 van Uw arrest in de zaak BBL/[D] maak ik op dat Uw Raad het met mij eens was.

3.20

In onderdeel 29 van het cassatiemiddel wordt erop gewezen dat de in art. 40c geregelde eliminatie op alle elementen van de schadeloosstelling ziet en niet alleen op de vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende. Dat is juist, maar neemt niet weg dat het overblijvende bij de bepaling van de meer- of minderwaarde daarvan moet worden getaxeerd met inachtneming van de nieuwe situatie.

3.21

Bezwaar c) (onderdeel 31) herhaalt het bezwaar van onderdeel 23 van het eerste middel en deelt het lot daarvan.

3.22

Het tweede middel acht ik dan ook ongegrond.

Derde middel : vergoeding i.v.m. aanwezigheid bruikbare bodembestanddelen

3.23

Het derde middel is gericht tegen het door het middel in rov. 2.23 gelezen oordeel dat reeds omdat [eiser] niet heeft weersproken dat de vrijgekomen bodembestanddelen geen marktwaarde vertegenwoordigen, geen vergoeding voor de vrijgekomen bodembestanddelen kan worden toegekend.

3.24

Ik stel voorop dat de rechtbank in de bedoelde rov. niet heeft geoordeeld dat [eiser] het standpunt van de deskundigen en de Staat dat de vrijkomende bodembestanddelen geen marktwaarde vertegenwoordigden onweersproken heeft gelaten, maar dat [eiser] dat standpunt heeft betwist met de stelling dat de bodembestanddelen in het werk zijn gebruikt. Echter het louter gebruik van de bodembestanddelen in het werk achtte de rechtbank geen maatstaf voor de vraag of die bodembestanddelen marktwaarde hebben.

3.25

Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten van het middel analyseer ik rov. 2.23 even. [eiser] heeft gesteld (zie rov. 2.20) dat de het toe te kennen vergoeding voor de waarde van het onteigende moet worden vermeerderd met een hem toekomende vergoeding in verband met de aanwezigheid van voor de Staat bruikbare bodembestanddelen in het onteigende perceelsgedeelte. In de eerste alinea van rov. 2.23 zet de rechtbank de maatstaf voorop die zij zal aanleggen bij de beoordeling van die stelling. Uw Raad zal in die alinea de aanwijzing herkend hebben die hij in 2002 gaf in rov. 3.6 van zijn arrest in de zaak Noord-Holland/[F].33 Uw Raad oordeelde dat opmerking verdient

“dat de vergoeding ter zake van de bodembestanddelen dient te worden gesteld op de helft van het voordeel dat voor de Provincie voortvloeit uit de aanwezigheid ervan (tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven een andere verdeelsleutel toe te passen), doch niet op een hoger bedrag dan de marktwaarde van het gewonnen zand. Deze laatste beperking vindt haar rechtvaardiging hierin dat die marktwaarde het voordeel is dat de onteigende onder de meest gunstige omstandigheden (de onteigening weggedacht), dat wil zeggen met een ontgrondingsvergunning, ten hoogste had kunnen verkrijgen.”

Dat deze maatstaf ook in het onderhavige geval moet worden aangelegd is in cassatie geen punt van discussie. De maatstaf impliceert dat geen meerwaarde van het onteigende wegens vrijkomende bodembestanddelen kan worden aangenomen, indien die bodembestanddelen een marktwaarde van nihil (of een negatieve marktwaarde) hebben. En aldus oordeelde, naar het mij voorkomt, de rechtbank in de derde alinea van rov. 2.23.

3.26

Onderdeel 32 klaagt dat de rechtbank met haar oordeel heeft miskend dat zij is gehouden om zelfstandig de schadeloosstelling vast te stellen. Ter toelichting wordt aangevoerd dat, indien een onteigende geen verweer voert, dat nog niet betekent dat de rechtbank ongemotiveerd het advies van haar deskundigen zou moeten volgen. Zij zal zich zelf een oordeel moeten vormen, aldus het onderdeel.

3.27

De klacht gaat uit van de, juiste, opvatting dat de onteigeningsrechter zelfstandig de schadeloosstelling vaststelt en daarbij niet aan het advies van de deskundigen is gebonden en ook niet binnen de grenzen van de partijstandpunten behoeft te blijven.34 Dat betekent niet dat de rechter zich niets hoeft aan te trekken van hetgeen de partijen te berde brengen, maar wel dat, als de rechter een door geen van de partijen weersproken feitelijk punt in het advies van de deskundigen (in dit geval: de vrijgekomen bodembestanddelen vertegenwoordigen geen marktwaarde) volgt, hij geen denkbeeldige tegenwerpingen van partijen behoeft te bespreken en te weerleggen, en in zoverre dus het advies van de deskundigen ‘ongemotiveerd’ mag volgen. En dat is hetgeen de rechtbank in de derde alinea van rov. 2.23 heeft gedaan. Met de woorden ‘Reeds daarom’ in rov. 2.23 doelt de rechtbank, lijkt mij, niet op het door [eiser] niet weerspreken van het standpunt van de deskundigen en de Staat dat de vrijgekomen bodembestanddelen geen marktwaarde vertegenwoordigen, maar op de (door de rechtbank als juist aanvaarde) stelling van de deskundigen en de Staat dat de vrijkomende bodembestanddelen geen marktwaarde hebben omdat geen sprake is van onvermengde bodembestanddelen. Als de rechtbank tijd en moeite zou hebben besteed (of hebben kunnen besteden) om zich iets duidelijker uit te drukken, zou zij wellicht in plaats van de voorlaatste volzin van rov. 2.23 hebben geschreven: ‘De rechtbank acht deze door [eiser] niet weersproken stelling juist.’

Al met al acht ik de klacht dus ongegrond.

3.28

Onderdeel 33 voert aan dat [eiser] , anders dan de rechtbank overweegt, het advies van de deskundigen dat de vrijgekomen bodembestanddelen geen enkele marktwaarde vertegenwoordigen, wel degelijk heeft betwist. Onder verwijzing naar passages in de processtukken (de punten 23-33 van zijn pleitnota en zijn reactie op het deskundigenrapport) stelt het onderdeel dat [eiser] wel degelijk verweer heeft gevoerd tegen het advies van deskundigen om hem geen vergoeding te geven voor de bodembestanddelen en heeft betoogd dat sprake is van marktwaarde van de uitkomende bodembestanddelen en dat [eiser] ondersteund door producties heeft betoogd dat sprake is van een aanzienlijke waarde van de bodembestanddelen en navenante voordelen voor de Staat bij het benutten van deze bodembestanddelen bij de uitvoering van het werk.

3.29

De auteur van deze klacht heeft twee dingen over het hoofd gezien. Ten eerste dat de uitleg van processtukken door de feitenrechter in beginsel in cassatie onaantastbaar is.35 Ten tweede dat de rechtbank wel degelijk heeft geoordeeld dat [eiser] het betreffende standpunt van de deskundigen heeft betwist, zij het met de – naar het oordeel van de rechtbank irrelevante – stelling dat die bodembestanddelen in het werk zijn gebruikt. De klacht stuit hierop af.

3.30

Ten overvloede wijs ik erop dat uit de in de klacht aangewezen plaatsen van het dossier valt op te maken dat [eiser] wel betoogd heeft dat klei ten behoeve van de aanleg van dijken een marktwaarde heeft van € 9,50 per ton ofwel € 17,57 per m³, maar niet dat [eiser] zich heeft uitgelaten over de marktwaarde van de in het onteigende vrijkomende bodembestanddelen, die volgens de deskundigen vermengd waren en daarom geen marktwaarde hadden.36

3.31

Onderdeel 34 bevat geen klacht. Onderdeel 35 borduurt voort op het, gezien het voorgaande irrelevante, twistpunt of de Staat voordeel heeft gehad van het gebruik van de vrijkomende bodembestanddelen, een punt waarover de rechtbank ten overvloede heeft geoordeeld, zodat [eiser] bij de bestrijding van dat oordeel geen belang heeft. Het onderdeel kan naar mijn mening dan ook niet tot cassatie leiden.

3.32

Onderdeel 36 klaagt niet over enig in het onderdeel aangewezen oordeel van de rechtbank maar over de procestactiek van de Staat, die vergeleken wordt met die van de overheid in de casus van een arrest van Uw Raad van 17 juni 2014, en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden. Onderdeel 37 wil uit het in het vorige onderdeel bedoelde arrest van Uw Raad, waarop volgens het onderdeel bij pleidooi een beroep is gedaan, afleiden “dat moet worden aangenomen dat de stelling van [eiser] juist is, althans dat op de Staat de bewijslast rust het tegendeel te bewijzen”, en klaagt dat de rechtbank (ook) op dit punt het recht heeft geschonden althans haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

3.33

Ik neem aan dat de onderdelen 36 en 37 bedoelen te verwijzen naar het arrest van Uw Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 met noot T. Hartlief (Reaal Schadeverzekeringen/gemeente Deventer). In dit arrest staan in ieder geval de in onderdeel 36 geciteerde rov. 3.6.2 en 3.6.3.

3.34

De klacht lijkt mij ongegrond. Het arrest van 4 april 2014 is niet gewezen in een onteigeningszaak maar in een zaak over overheidsaansprakelijkheid in verband met een gebrekkige openbare weg. Uw Raad leerde dat het op de weg van de aansprakelijk gestelde overheid ligt haar verweer dat de financiële middelen te beperkt waren om de vereiste maatregelen te treffen voldoende te onderbouwen. Een daarmee vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor, reeds gezien de eigen (en op snelheid gerichte) aard van het onteigeningsgeding, waarin de rechter met behulp van deskundigen zelfstandig het bedrag van de schadeloosstelling vaststelt en dus in beginsel geen sprake kan zijn van stelplicht en bewijslast.37 Voorts verdient opmerking dat het uitgangspunt van de klacht dat de Staat zich ‘verweert met een blote stelling’ en (daardoor) aan [eiser] de mogelijkheid ontneemt om daarop inhoudelijk te reageren, geen grondslag vindt in de gedingstukken. Het op blz. 14-15 van het deskundigenrapport weergegeven standpunt van de Staat, waarbij de deskundigen en de rechtbank zich hebben aangesloten, bestaat beslist niet alleen maar uit ‘een blote stelling’ maar uit een uiteenzetting met betrekking tot de bruikbaarheid en de marktwaarde van de respectievelijke uit het onteigende vrijkomende bodembestanddelen.

3.35

Onderdeel 38 deelt het lot van de overige onderdelen van het derde middel.

Vierde middel : oogstinkomensderving 2012

3.36

De rechtbank heeft de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling begroot op basis van verplaatsing van de op het onteigende uitgeoefende agrarische activiteiten naar door [eiser] aan te kopen vervangende grond. Zij gaat, in het voetspoor van de deskundigen (zie rov. 2.32) ervan uit dat [eiser] redelijkerwijs in staat zal zijn om binnen circa 18 maanden na de peildatum, afgerond vóór 1 januari 2014, vergelijkbare agrarische grond te kopen en teeltklaar te maken. Bij dat uitgangspunt mist [eiser] in de periode tussen de peildatum en 1 januari 2014 de inkomsten van twee oogsten, zij het dat hij van de oogst van 2012 nog een deel heeft kunnen redden. De rechtbank heeft de hiermee samenhangende inkomstenderving – conform het standpunt van [eiser] – vastgesteld op € 44.500,87 voor 2012 en € 32.000 (inclusief zwaarder drukkende lasten) voor 2013.38 Inclusief een post omrijschade van € 7.550 begroot de rechtbank de totale inkomensschade op € 84.051. Deze schade valt naar het oordeel van de rechtbank weg tegen de rente over het vrijkomende kapitaal (t.w. het deel van de schadeloosstelling voor de werkelijke waarde van het onteigende dat niet behoeft te worden aangewend voor de aankoop van 9,03 hectare grond ter vervanging van het onteigende).39 Die rente begroot de rechtbank op, contant gemaakt naar de peildatum, € 88.994.40

3.37

De onderdelen 41 en 42 van het vierde middel betogen dat de door de rechtbank toegepaste voordeelsverrekening onjuist is voor zover het gaat om de inkomstenderving over 2012, omdat die schadepost zou zijn aan te merken als een éénmalige (bijkomende) schadepost, die naar zijn aard niet zou mogen worden verrekend met het gekapitaliseerde inkomensvoordeel wegens rente vrijkomend kapitaal.

3.38

Dit betoog, waarvoor de onderdelen steun zoeken in Uw arrest van 30 september 2005 inzake Van der Horst/Staat41, snijdt naar mijn mening geen hout. Het ging in dat arrest om de onteigening van een onbebouwd deel van een perceel waarop een door de onteigende bewoond landhuis stond. De onteigening leidde niet tot inkomensschade voor de onteigende, maar noopte hem wel tot aanpassing van zijn resterende tuin. De waarde van landhuis en tuin beliep voor onteigening ƒ 1.700.000 en na onteigening en aanpassing van het overblijvende ƒ 1.300.000. Het vermogensverlies van de onteigende bedroeg dus ƒ 400.000 (welk bedrag de rechtbank als vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende plus de waardevermindering van het overblijvende had toegewezen) vermeerderd met de aanpassingskosten. Uw Raad oordeelde dat die eenmalige aanpassingskosten integraal moesten worden vergoed teneinde de onteigende na de onteigening in een financiële toestand te brengen die gelijkwaardig is aan die waarin hij zich zou hebben bevonden indien de onteigening niet zou hebben plaatsgehad.

3.39

In het onderhavige middel gaat het niet om aanpassingskosten maar om inkomensschade. Weliswaar kan het als eenmalige inkomensschade worden aangemerkt omdat het gaat om schade die voor het jaar van de onteigening kon worden begroot met inachtneming van de inkomsten die [eiser] in 2012 nog heeft kunnen genereren door de oogst van een deel van de op het onteigende geteelde uien, maar dat neemt naar mijn mening niet weg dat het gaat om inkomensschade waarop de rente van het vrijkomende kapitaal als uit de onteigening voortvloeiend voordeel kan worden verrekend. Ik zie hierin geen afwijking van het beginsel dat de onteigende in een financieel gelijkwaardige toestand behoort te blijven.

3.40

Hierbij verdient opmerking dat de (agrarische) waarde van een perceel landbouwgrond in het algemeen wel zal worden beïnvloed door de daarin staande voor de oogst bestemde landbouwgewassen, die immers als “met de grond verenigde beplantingen” (art. 3:3 lid 1 BW) onroerend zijn en dus daarvan deel uitmaken.42 De te vergoeden werkelijke waarde van het onteigende omvat dus de eventuele meerwaarde wegens daarin op de peildatum staande landbouwgewassen. Wordt aan de onteigende daarnaast nog een vergoeding toegekend wegens het niet kunnen oogsten van die gewassen, lijkt mij die vergoeding evident een vergoeding van inkomensschade die als alle inkomensschade vatbaar is voor verrekening met inkomensvoordelen uit de onteigening.

3.41

Hetgeen in onderdeel 44 wordt aangevoerd doet naar mijn mening aan het bovenstaande niet af. Ik acht het vierde middel dan ook ongegrond.

Vijfde middel : rentepercentage vrijkomend kapitaal

3.42

Het vijfde middel keert zich tegen het door de rechtbank in de vierde alinea van rov. 2.46 aangenomen voordeel wegens rente vrijkomend kapitaal. Ik stel voorop dat er in dit geval vrijkomend kapitaal is, omdat de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende als gevolg van de omstandigheid dat de rechtbank aan een (het grootste) deel van het onteigende (nl. de onteigende 7.86.44 ha van perceel [B 001] met een zekere verwachtingswaarde) een hogere waarde dan de agrarische heeft toegekend, terwijl (bij de begroting van de schadeloosstelling ervan is uitgegaan dat) [eiser] ter vervanging van het onteigende landbouwgrond zonder verwachtingswaarde zal kopen. Hij houdt dus, kortgezegd, geld over als hij evenveel vervangende grond koopt als van hem is onteigend.

3.43

De rechtbank heeft (in navolging van de deskundigen, zie rov. 2.43.2) conform ‘bestendige praktijk’ een rente over het vrijkomende kapitaal van 4% gehanteerd. Zij overwoog daartoe dat “moet worden gekeken naar een belegging die qua risico en liquiditeit de investering in de zaak die door onteigening verloren gaat zo dicht mogelijk benadert.” Daarmee sloot de rechtbank zich aan bij de vaste rechtspraak op dit punt van Uw Raad.43 In het arrest van 12 november 1975, NJO 1976/11 (Assen/Seubring) oordeelde Uw Raad, in een zaak waarin de rechtbank eveneens een rente over het vrijkomende kapitaal van 4% hanteerde, dat dat oordeel een feitelijke beslissing was die niet nader gemotiveerd behoeft te worden.44

3.44

Onderdeel 46 grijpt terug op het betoog van [eiser] i.f.i. dat het percentage van 4% geen recht doet aan de huidige situatie op de financiële markten en klaagt erover dat de rechtbank haar motiveringsplicht heeft geschonden door op dit betoog niet in te gaan.

3.45

Deze klacht lijkt mij niet gegrond. Zoals de rechtbank (terecht, zie hierboven onder nr. 3.42) als uitgangspunt heeft genomen, moet gekeken worden naar een belegging die qua risico en liquiditeit de investering in het onteigende zo dicht mogelijk benadert. Dat brengt mee dat de rentepercentages die men op de financiële markten kan bedingen op uitstaand geld niet maatgevend zijn. Voor een belegging die qua risico en liquiditeit lijkt op de zaak die door de onteigening verloren is gegaan, komt investering in landbouwgrond (dus vergroting van het – in rov. 2.10, en hierboven in 2.3, bedoelde – areaal van het agrarische bedrijf van de onteigende) uiteraard het eerst in de gedachte. Kan iemand in de omstandigheden als die van [eiser] daarmee een opbrengst van 4% van het geïnvesteerde bedrag behalen? Een bevestigend antwoord op deze vraag lijkt, ook als men afgaat op de in de onderhavige zaak door de rechtbank gehanteerde bedragen, bepaald niet losgezongen van iedere realiteit.45

3.46

Onderdeel 47 lijkt mij, gezien het voorgaande en het oordeel van Uw Raad in de zaak Assen/Seubring, eveneens ongegrond. Hetzelfde geldt voor onderdeel 48.

Zesde middel : Kostenvergoeding partijdeskundige

3.47

Het zesde middel keert zich tegen het oordeel in rov. 2.56 dat aan [eiser] als vergoeding voor de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige [betrokkene] ex aequo et bono een bedrag van € 10.000 (incl. btw) toekomt. Onderdeel 49 klaagt dat de rechtbank met haar oordeel geen recht doet aan het werk dat de deskundige heeft verricht. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de deskundige als gevolg van de weigering van de Staat om openheid van zaken te geven over het aanwenden van de uit de bodem komende bestanddelen veel werk heeft moeten verrichten om de feiten dienaangaande goed vast te leggen, opdat verweer tegen de stellingen van de Staat kon worden gevoerd. Daargelaten dat de rechtbank die bewijzen heeft gepasseerd blijft volgens het onderdeel staan dat het uitvoeren van deze werkzaamheden als zodanig redelijk is geweest, zowel naar aard als hoogte. Volgens het onderdeel brengen de aan het onderzoek bestede uren al met zich dat tot een bedrag (ver) boven de € 10.000 (incl. btw) terecht aan uren is gemaakt. Het onderdeel wijst erop dat daarnaast nog uren zijn gemaakt voor het opstellen van de taxatie, het voeren van besprekingen en het aanwezig zijn bij descente en pleidooien.

3.48

Als hoofdregel geldt dat de kosten van het proces ten laste van de onteigenende partij komen (art. 50 lid 1 Ow). Art. 50 lid 4 Ow bepaalt dat onder de kosten van het geding mede zijn begrepen kosten van rechtsbijstand of andere deskundige bijstand, die naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs door verweerders of derde belanghebbenden zijn gemaakt. In het arrest van 6 maart 1991 (Person/Am-sterdam)46, rov. 3.2-3.4, heeft Uw Raad de wetsgeschiedenis van art. 50 lid 4 onderzocht en daaruit het volgende opgemaakt:

“3.3 Uit deze wetsgeschiedenis blijkt dat kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen, voor vergoeding in aanmerking komen ongeacht of die kosten voor of tijdens het onteigeningsgeding zijn gemaakt en dat aan de vergoeding van deze kosten geen nadere eis is gesteld dan dat zij naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs zijn gemaakt.

3.4

Bij de vorming van dit oordeel moet de rechter zich afvragen niet alleen of en in hoeverre het redelijk was die kosten te maken maar ook of en in hoeverre de kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Voor het vinden van een antwoord op deze vraag geeft de wet aan de rechter een grote mate van vrijheid, terwijl het vierde lid van art. 50 hem door de gebezigde bewoordingen bovendien in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht.”

Vaste rechtspraak is sindsdien dat de onteigeningsrechter een grote mate van vrijheid geniet bij de zogeheten ‘dubbele redelijkheidstoets’ (t.w.: was het redelijk de betreffende kosten te maken en: zijn die kosten binnen een redelijke omvang gebleven?) en ter zake in belangrijke mate is ontheven van zijn motiveringsplicht.47

3.49

In rov. 2.56 zet de rechtbank in den brede uiteen waarom zij het door [betrokkene] gedeclareerde aantal van 321 uren onredelijk hoog vindt. Zij verwijst in dat verband naar de ingewikkeldheid van de zaak en het aantal uren dat de advocaat van [eiser] reeds heeft gedeclareerd, een en ander afgezet tegen het aantal uren dat door de taxateurs van de rechtbankcommissie aan de zaak is besteed. De rechtbank gaat in op de gestelde werkzaamheden die [betrokkene] heeft verricht en oordeelt dat een aantal van die werkzaamheden normaal gesproken door mr. Linssen geacht worden te worden uitgevoerd. De rechtbank overweegt vervolgens dat een aantal van 47,5 uur aan besprekingen haar onredelijk voorkomt en dat hetzelfde geldt voor het aantal van 35 uur dat in rekening is gebracht in verband met het vraagstuk ‘delfstoffenwinning’. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij het aantal door [betrokkene] afgelegde locatiebezoeken en de daarmee gepaard gaande gedeclareerde uren (achttien locatiebezoeken van in totaal 40 uur) buitenproportioneel hoog acht. Naar mijn mening heeft de rechtbank zonder schending van enige rechtsregel tot het bestreden oordeel kunnen komen en is zij met dat oordeel niet tekortgeschoten in de nakoming van haar, op dit gebied zeer beperkte, motiveringsplicht.

3.50

In onderdeel 50 wordt betoogd dat de vergelijking van het aantal door [betrokkene] gedeclareerde uren met de uren die de taxateurs van de rechtbankcommissie in rekening hebben gebracht mank gaat omdat deze taxateurs pas in de laatste fase van de onteigeningsprocedure aan het werk zijn gegaan en bovendien het taxatiewerk konden verdelen, terwijl [betrokkene] reeds sedert 2010 bij deze onteigeningszaak is betrokken en al het werk zelf moest doen. Dit betoog kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden, omdat niet valt in te zien waarom de rechtbank bij haar beoordeling van de redelijkheid van de door [betrokkene] in rekening gebrachte uren niet mede acht kon slaan op de uren die de taxateurs van de rechtbankcommissie in totaal aan de zaak hebben besteed. Dat zij de werkzaamheden konden verdelen brengt, naar mij voorkomt, niet zonder meer mee dat zij in totaal minder uren behoefden te besteden.

Ook dit onderdeel acht ik dan ook ongegrond.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 2.3 van het in cassatie bestreden eindvonnis van 16 december 2015.

2 ECLI:NL:RBZWB:2015:8669.

3 Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo. art. 54t lid 1 Ow.

4 Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 Ow.

5 Ook in het hierna nog te vermelden Koninklijk Besluit van 7 december 2011 is als eigenaar aangewezen Arnoldus Wilhelmus Johannes [eiser] .

6 Wellicht kan mr. Van der Klei Uw Raad nog even laten weten hoe dit zit.

7 ECLI:NL:HR:2016:531, NJ 2016/246 met noot W.J. Zwemmer.

8 Deskundigenrapport, blz. 3.

9 Bekendgemaakt in de Staatscourant 2011 nr. 3781 d.d. 3 maart 2011.

10 ECLI:NL:RVS:2012:BV8820.

11 Rov. 2.9.

12 Rov. 2.10.

13 Rov. 2.19, vijfde alinea.

14 Rov. 2.19, vijfde, zevende en achtste alinea.

15 Rov. 2.46, vijfde alinea.

16 Rov. 2.55.

17 Rov. 2.19, derde alinea.

18 Zie de tweede en de vierde alinea alsmede de slotzin van rov. 2.19.

19 Zie de vijfde alinea van en de slotzin van rov. 2.19. Zie voorts in het door de Staat overgelegde procesdossier blz. 53 van bijlage 3 bij de brief van mr. Bijkerk aan de deskundigen van 2 juli 2013, waar men in het ‘Overzicht Programma-afspraken subregio Westhoek 20-06-2013’ achter de aanduiding ‘Steenbergen Reinierpolder III’ deze 5 en 12 ha terugvindt.

20 Zie de zevende alinea van rov. 2.19.

21 Dat was de visie van de deskundigen in het concept-rapport. Uit hetgeen op blz. 13 en 14 van het rapport in kleinere letters volgt blijkt dat de deskundigen bij nader inzien (zie de uitleg op blz. 3 van het rapport) op basis van de slechte marktomstandigheden voor bedrijventerreinontwikkeling op de peildatum en afspraken die op 20 juni 2012 zijn gemaakt tussen de regio West-Brabant en de provincie, tot het inzicht zijn gekomen dat er geen verwachtingswaarde meer kan worden aangenomen voor perceel [A 001] en een geringe verwachtingswaarde voor perceel [B 001] , waarvan, de A4 weggedacht, slechts voor de periode ná 2020 een reële verwachting bestond dat dit perceel benodigd zou zijn voor een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder. Zie ook de vijfde alinea van rov. 2.19, waarbij de rechtbank zich blijkens de laatste volzin van rov. 2.19 heeft aangesloten.

22 Zie de tweede helft (in kleiner lettertype) van blz. 17 van het deskundigenrapport.

23 Pleitnotities mr. Linssen d.d. 26 februari 2015, nr. 7.

24 Vaste rechtspraak, zie b.v. rov. 4.4 van HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:AC2383, NJ 1998/29 (Aydin/’s-Gravenhage) en (in deze eeuw) HR 27 sept. 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8524, NJ 2002/555 (‘s-Gravenhage/Rewti), HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5074, NJ 2005/315 ([G]/Hardenberg), HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK1601, NJ 2010/349 met noot P.C.E. van Wijmen (Staat/[H]), Sluysmans en Van der Gouw, Onteigeningsrecht (2015), blz. 84-85 en Sluysmans, De vitaliteit van het schadeloosstellingsrecht in onteigeningszaken (diss. 2011), blz. 38-40.

25 Zie de rechtspraak over ten tijde van de peildatum nog onbekende bodemverontreiniging: HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5106, NJ 2005/456 met noot PCEvW ([I]/Zuid-Holland), HR 3 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5703, NJ 2006/175 (Staat/[J]), HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9438, NJ 2007/216 met noot P.C.E. van Wijmen (Bergschenhoek/[K]).

26 Dit komt dus neer op de in Uw arrest van 21 december 1960, NJ 1961/115 (Van der Hoek/Ridderkerk) en latere arresten beschreven vergelijkingsmethode voor berekening van de ingevolge art 41 Ow. te vergoeden waardevermindering van het overblijvende, maar dan met negatieve uitkomst (negatieve waardevermindering, dus waardevermeerdering).

27 Zie daarvoor reeds het arrest van Uw Raad van 16 april 1928, NJ 1928 blz. 1146 met noot E.M.M. (Kley/Staat).

28 Rov. 2.31, derde en vierde alinea.

29 ECLI:NL:HR:1970:AB3757 (Zuidwolde/Pol).

30 Zie HR 21 december 1960, NJ 1961/115 (Van der Hoek/Ridderkerk).

31 ECLI:NL:HR:2016:68, NJ 2016/399 met noot E.W.J. de Groot.

32 ECLI:NL:HR:2008:BF0415, NJ 2009/303 met noot P.C.E. van Wijmen.

33 HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4378, NJ 2003/150 met noot PCEvW.

34 Zie noot 24.

35 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/nr. 283.

36 Zie het deskundigenrapport blz. 14-15 en rov. 2.23, slot.

37 Vgl. in dit verband HR 27 sept. 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8524, NJ 2002/555 (’s-Graven-hage/Rewti), waarin Uw Raad oordeelde:“De klacht van onderdeel I dat de Rechtbank miskend heeft dat een onteigende ingevolge het bepaalde bij artikel 177 (thans artikel 150) van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering de bewijslast draagt van zijn stelling dat hij het onteigende zelf bewoonde, faalt eveneens. In het onteigeningsgeding is, in aanmerking genomen de aard van dat geding, waarin de rechter met behulp van deskundigen zelfstandig het bedrag van de schadeloosstelling vaststelt, artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet onverkort van toepassing.”

38 Rov. 2.37 en 2.38.

39 Zie over de verrekening van het voordeel rente over vrijkomend kapitaal in algemene zin: Sluysmans en Van der Gouw, Onteigeningsrecht (2015) blz. 144-146 en Van der Schans en Van Heesbeen, Onteigening, het spel en de knikkers (2011), blz. 229-232.

40 Zie rov. 2.46.

41 ECLI:NL:HR:2005:AT4540, NJ 2006/255 met noot P.C.E. van Wijmen.

42 Ook voor de oogst bestemde planten die zich nog in de grond bevinden zijn onroerend, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013 nr. 89 met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van Boek 3 BW.

43 HR 21 december 1960, NJ 1961/115 (van den Hoek/Ridderkerk), HR 22 november 1961, NJ 1962/47 (Lelieveld/’s-Gravenhage), HR 7 december 1966, NJ 1967/50 met noot N.J.P. (Rotterdam/van der Vorm), HR 25 januari 1967, NJ 1967/71 met noot N.J.P. (Brouwer/gemeente Utrecht), HR 6 januari 1982, NJO 1982/5 met noot MB (Staat/van den Biggelaar) en HR 6 januari 1982, NJO 1982/6 met noot MB (Noord-Brabant/van Grinsven).

44 Zie over de rentevoet van vrijkomend kapitaal in algemene zin: Van der Schans en Van Heesbeen, Onteigening, het spel en de knikkers (2011), blz. 232-235.

45 Vervangende grond kan volgens rov. 2.33 worden gekocht voor € 7 per m², ofwel € 70.000 per hectare. De aankoopkosten voor 9.02.82 ha bedragen volgens rov. 2.35 (inclusief premie uit handen breken) € 68.100, dit is € 7.543 per hectare. Hiervan uitgaande zou met de investering van het vrijkomende kapitaal in aankoop van grond € 77.543 per hectare gemoeid zijn. [eiser] derft volgens rov. 2.36 wegens het niet kunnen exploiteren van de onteigende grond in 2013 een inkomen van (netto, contant per peildatum) € 3.500 per hectare. Ervan uitgaande dat een vergelijkbare opbrengst, maar verminderd met € 90 per jaar per hectare aan omrijkosten (zie rov. 2.39), zal kunnen worden gerealiseerd op de met aanwending van het vrijkomende kapitaal te kopen landbouwgrond, zal daarmee dus een jaarlijks inkomen per hectare kunnen worden behaald van circa € 3.410 ofwel (afgerond) 4,44% van het geïnvesteerde bedrag. Met deze berekening pleit ik overigens niet ervoor dat de bestendige praktijk om de rente over het vrijkomende kapitaal bestaande uit de waarde van onbebouwde grond op 4% te stellen, wordt losgelaten en vervangen door een meer individuele aanpak.

46 ECLI:NL:HR:1991:AB9358, NJ 1991/818 met noot MB.

47 Zie recent HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0547, NJ 2013/303 met noot P.C.E. van Wijmen ([L]/Staat) en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:250, NJ 2015/253 met noot P.C.E. van Wijmen ([M]/Weert).