Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:842

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
15/05390
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2405, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. Is het in de appelakte opgegeven adres van verdachte achterhaald door het nadien door hem opgegeven adres zoals dat blijkt uit de ID-staat SKDB? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163 m.b.t. art. 588.1 onder b.3 Sv. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. In aanmerking genomen dat in de ID-staat SKDB het adres X is vermeld als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat verdachte – die noch ten tijde van het instellen van h.b. noch ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding in de BRP was ingeschreven – bij het instellen van het h.b. opgegeven adres Y achterhaald was door een latere opgave, die door het Hof kennelijk is opgevat als door verdachte zelf gedaan, hetgeen mede gelet op ECLI:NL:HR:2017:27 niet onbegrijpelijk is. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05390

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 4 augustus 2015 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 september 2014, waarbij de verdachte wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

  3. Het middel

3.1. Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, keert zich tegen het in het arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

3.2. De stukken van het geding houden het volgende in: (i) De verdachte is op 24 september 2014 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam verschenen en aldaar heeft hij ten overstaan van de politierechter als zijn adres opgegeven: “ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres, [a-straat] 157 B, [postcode], te Rotterdam.” De politierechter heeft terstond mondeling vonnis gewezen en de verdachte veroordeeld;

(ii) Op 24 september 2014 heeft de verdachte zelf hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter, waarbij op de akte instellen rechtsmiddel als adres van de verdachte, [a-straat] 157 B, [postcode] Rotterdam, is vermeld. Blijkens de uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) van o.m. 2 juli 2015 stond de verdachte op 24 september 2014 niet ingeschreven in de BRP (vanaf 4 maart 2014 tot 6 oktober 2014 ‘adres: onbekend’ en ‘land: land onbekend’);

(iii) De akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de appeldagvaarding, houdt in dat de appeldagvaarding op 29 juni 2015 tevergeefs is aangeboden op verdachtes laatst opgegeven BRP-adres [a-straat] 157 A te Rotterdam (zijn oude BRP-adres). Op dat adres kon de dagvaarding echter niet worden uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op het adres bevond de verdachte daar niet woonde noch verbleef. Op 2 juli 2015 is de appeldagvaarding aan de griffier van de rechtbank Den Haag uitgereikt omdat “van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”, waarbij is voldaan aan de zogenoemde VIP-controle. Immers, de uitdraai uit de SKDB van 2 juli 2015 houdt in dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd en dat hij met ingang van 23 januari 2015 is ‘Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)’. Voorts is een afschrift van de appeldagvaarding op 2 juli 2015 verstuurd naar het oude BRP-adres [a-straat] 157 A in Rotterdam;

(iv) Blijkens de aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte uitdraai uit de SKDB van 2 juli 2015 stond de verdachte vanaf 4 maart 2014 tot 6 oktober 2014 niet ingeschreven in de BRP en heeft de verdachte vanaf 6 oktober 2014 tot 23 januari 2015 ingeschreven gestaan op het adres [a-straat] 157 A in Rotterdam. Voorts is vermeld dat de verdachte met ingang van 23 januari 2015 geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft (VOW);

(v) Op een op 21 juli 2015 opgemaakt afschrift van de appeldagvaarding is aangetekend ‘Dagvaarding op 21 juli 2015 verzonden als gewone brief’ met daaronder een paraaf, terwijl niet is vermeld van wie die paraaf afkomstig is. Als adres is vermeld: [a-straat] 157 B, [postcode] te Rotterdam. Een bijbehorende akte van uitreiking is niet aangehecht en ontbreekt in het dossier;

(vi) Op de terechtzitting van het hof van 4 augustus 2015 is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Tegen de verdachte is verstek verleend. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft;

(vii) Het hof heeft op 4 augustus 2015 de verdachte op de voet van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.3. Ingevolge art. 588 lid 1 aanhef, onder b sub 3, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen.1

3.4. Uit de hiervoor onder 3.2. weergegeven inhoud van de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet stond ingeschreven in de BRP en dat hij bij het instellen van appel heeft aangegeven woonachtig te zijn op de '[a-straat] 157 B te Rotterdam’. Gelet op het hiervoor onder 3.3 vooropgestelde dient dit in de appelakte vermelde adres te worden aangemerkt als een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit kan volgen dat is getracht de dagvaarding in hoger beroep op het door de verdachte in de appelakte van 24 september 2014 opgegeven adres '[a-straat] 157 B te Rotterdam' uit te reiken2 en niet blijkt dat dit adres in Rotterdam ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding als achterhaald zou moeten worden beschouwd3, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de appeldagvaarding overeenkomstig art. 588 lid 1 aanhef, onder b sub 3, Sv, rechtsgeldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.4 Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad de appeldagvaarding zelf nietig verklaren.

3.5. Het middel slaagt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 sub b.

2 Ik teken hierbij aan dat op 21 juli 2015 enkel een afschrift van de appeldagvaarding naar het adres '[a-straat] 157 B te Rotterdam' is verstuurd (zie onder 3.2 sub (v)). Dit kan bij het ontbreken van de akte van uitreiking, niet als een betekeningspoging gelden.

3 Vgl. o.m. HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320, HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5022, HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL9069 en de conclusie van AG Hofstee (ECLI:NL:PHR:2011:BP2336, onder 5 e.v.) vóór HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2336.

4 Andere situaties: HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:304 (Ten tijde van het instellen van appel stond de verdachte ingeschreven op het in de appelakte opgegeven adres en vervolgens heeft de verdachte zich op een ander adres in de BRP ingeschreven. De Hoge Raad oordeelde dat het door de verdachte in de appelakte opgegeven adres was achterhaald door het later opgegeven adres); HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216 en HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:919.