Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:840

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
15/05003
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2394, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Uitleg bestanddeel “ter zake van” a.b.i. art. 267 aanhef sub 2 Sr. Art. 267 houdt in dat de in art. 266.1 Sr - een klachtmisdrijf - op eenvoudige belediging gestelde gevangenisstraf van 3 mnd met een derde kan worden verhoogd indien de belediging wordt aangedaan aan "een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening". Aldus heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat die strafverhoging uitsluitend in aanmerking komt indien tussen de belediging en de uitoefening van de bediening een temporeel verband bestaat dan wel de belediging m.b.t. de uitoefening van de bediening is gedaan. Voormelde relatie moet betrekking hebben niet op de enkele hoedanigheid van de ambtenaar maar op de uitoefening van zijn bediening. 's Hofs kennelijke oordeel dat sprake is van een belediging van een ambtenaar "ter zake van" de rechtmatige uitoefening van de bediening op de enkele grond dat de ambtenaar wordt beledigd "in zijn hoedanigheid van politieambtenaar" - dus ook indien bedoelde relatie ontbreekt - geeft derhalve blijk van een onjuiste uitleg van art. 267 Sr. Nu het Hof niet heeft bewezenverklaard dat de belediging is aangedaan gedurende de uitoefening van de bediening, kan onbesproken blijven of de in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte vaststellingen - naar de kern bezien hierop neerkomend dat de beledigde politieagenten als toehoorders aanwezig waren bij de behandeling van een strafzaak tegen verdachte waarin door een van hen aangifte was gedaan - daartoe toereikend zijn. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05003

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 oktober 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is gekomen tot een bewezenverklaring van een belediging van een ambtenaar in functie.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 26 november 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid meerdere malen zijn middelvinger in de richting, van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft opgestoken en met de hand en de mond op en neer gaande pijpbewegingen heeft gemaakt in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3].”

3.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Gevoerd verweer

Zowel de advocaat-generaal als raadsvrouw heeft aangevoerd dat, nu niet bewezen kan worden verklaard dat de aangevers werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zal moeten worden vrijgesproken van dat onderdeel van het tenlastegelegde feit.

Anders dan de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de politieagenten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten tijde van het ten laste gelegde ook 'terzake van de rechtmatige uitoefening' van hun bediening waren. Daarvan is immers ook sprake wanneer een verbalisant gedurende zijn vrije tijd beledigd wordt in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Daarvan is in casu sprake. De verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij de mensen die bij het uitroepen van de zaak ook opstonden herkende als politieagenten. De zaak waarvoor hij op dat moment terechtstond betrof een strafbaar feit tegen één van die agenten gepleegd.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.”

3.4. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de artikelen 266 en 267 Sr. Art. 266 lid 1 Sr luidt:

“Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Art. 267 Sr houdt, voor zover van belang, in:

“De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:

(…)

2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

(…)”

3.5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “het zo moge zijn dat, zoals het hof overweegt, er sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening wanneer een politieagent in zijn vrije tijd wordt beledigd, maar dat dit onverlet laat dat de belediging moet zien op “de uitoefening van zijn functie” en dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke wijze de belediging de rechtmatige uitoefening van de bediening in deze kwestie betreft”.

3.6. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat ontoereikend is gemotiveerd dat de verdachte [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft beledigd “ter zake van” de rechtmatige uitoefening van hun bediening stel ik voorop dat de woorden “ter zake van (etc.)” in art. 267 Sr slechts aanwijzen wat tot de belediging aanleiding heeft gegeven.1 Anders dan uit een conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga zou kunnen worden afgeleid betekent dit mijns inziens niet dat uit de bewijsvoering moet blijken dat de aanleiding voor de belediging de specifieke - rechtmatige - uitoefening van de bediening van de ambtenaar zelf is,2 maar slechts dat (de aanleiding tot) die belediging een situatie betreft waarin de ambtenaar zijn bediening rechtmatig uitoefent. Als de wetgever wel een verdergaand verband tussen de aanleiding van de belediging en de (rechtmatige) uitoefening van de bediening van de ambtenaar zou eisen, zou i) dit tenlastegelegde bestanddeel zelden bewezen kunnen worden en ii) het verschil in betekenis tussen de beide in art. 267 sub 2 Sr neergelegde omstandigheden “gedurende” respectievelijk “ter zake van” wel erg groot zijn, nu het woord “gedurende” immers slechts op een temporeel aspect wijst.3 De belediging “ter zake van” moet kortom zien op de uitoefening van de functie van ambtenaar.4 Het is dus ook, anders dan de politierechter in de onderhavige zaak meende, bij het bestanddeel “ter zake van (etc.)” niet van belang of de ambtenaar op het moment van belediging wettelijke taken uitvoerde.5

3.7. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te overwegen a) dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde personen voorafgaande aan het plegen van het feit had herkend als politieagenten en b) dat de bewezenverklaarde beledigingen plaatshadden tijdens een terechtzitting in een strafzaak waarin de verdachte terechtstond wegens het plegen van een strafbaar feit tegen één van die agenten6, toereikend gemotiveerd dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde politieagenten heeft beledigd “ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening”.

3.8. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.M. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 267 Sr, bijgewerkt tot 1 augustus 2005 (online versie).

2 Vgl. zijn conclusie van 4 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BT7085.

3 Zie ook mijn oud-ambtgenoot Jörg in zijn conclusie van 18 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD9754, par. 7, waar hij overweegt dat het woord “gedurende” meer op het temporeel aspect en de woorden “ter zake van” meer op het onderwerpelijk aspect van de ambtsbediening wijzen.

4 Zie ook A.L.J. Janssens, Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 7 bij art. 267 Sr, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1546.

5 De politierechter overwoog “dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onderdeel “gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening” nu de ambtenaren van politie op dat moment geen wettelijke taken uitvoerden”. De politierechter veroordeelde de verdachte vervolgens voor “eenvoudige belediging” ex art. 266 Sr.

6 Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat die agent [verbalisant 3] betreft.