Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:839

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
15/04967
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2395, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Begunstiging van dader, art. 189 Sr. Hof heeft uit b.m. kunnen afleiden dat verdachte opzettelijk personen die verdachten waren van enig misdrijf, behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de aanhouding door de ambtenaren van politie. V.zv. de klacht berust op de opvatting dat voor bewezenverklaring van een op art. 189.1 sub 1 Sr toegesneden tll. is vereist dat uit de b.m. blijkt ten aanzien van welk concreet aan te duiden misdrijf t.t.v. die behulpzaamheid een verdenking bestond jegens de persoon die de verdachte behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie, steunt het op een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast kan in cassatie niet voor het eerst worden geklaagd over het ten onrechte geen toepassing geven aan de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 189.3 Sr. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/200 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04967

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 6 oktober 2015 door het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 15-81014414 primair wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak ”, en in de zaak met parketnummer 15-810333-14 meer subsidiair wegens “opzettelijk personen die verdachten zijn van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of de aanhouding door de ambtenaren van de politie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren subsidiair negentig dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Ten aanzien van verdachte is, voor zover van belang, in de zaak met parketnummer 15-810333-14 meer subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 05 september 2014 te Haarlem, opzettelijk onbekend gebleven personen die verdachten zijn van een woninginbraak in een woning gelegen aan de [a-straat 1] , behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de aanhouding door ambtenaren van politie, immers heeft verdachte, als bestuurder opgetreden van de auto waarin die onbekend gebleven personen zich bevonden en optische en geluidssignalen genegeerd en diverse verkeersovertredingen begaan, waardoor voornoemde onbekend gebleven personen konden vluchten.”

3.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep inzake voormeld parketnummer onder de nummers 1, 2, 3 en 5.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2014162788-28 van 7 september 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina 42).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten:

Op 6 september 2014 startten wij, verbalisanten, het eerste verhoor met verdachte [verdachte] . Wij hoorden dat de hulpofficier van justitie genaamd Martin Broek de volgende vraag stellen aan [verdachte] : ‘Wil jij tegenover mij iets verklaren?’. Wij hoorden, dat de verdachte [verdachte] het volgende antwoord gaf: ‘Ik bestuurde de vluchtauto’.”

3.3. De bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 5, zoals opgenomen in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep inzake parketnummer 15-810333-14, waarnaar het hof in de aanvulling op het verkort arrest verwijst, houden in:

1. Proces-verbaal
Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 8). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 5 september 2014 door getuige [getuige] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:
“Ik ben woonachtig aan de [a-straat 2] te Haarlem. (...) Op vrijdag 05 september 2014 omstreeks 19.30 uur zag ik een witte personenauto midden op de rijbaan voor mijn woning stoppen. (...) Ik zag dat de bestuurder uit de auto stapte en een grote schroevendraaier in zijn hand vast hield. (...) Ik zag dat de bestuurder naar de berm liep welke de [a-straat] en de N208 scheidt en de schroevendraaier verstopte achter een boom aldaar.”

2 Proces-verbaal
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2014 (dossierpagina’s 13-14). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] :
“(...) Op dit moment kwam er vanaf de meldkamer een melding van een verdachte situatie op de [a-straat] te Haarlem. Vervolgens zouden de personen zijn weggereden in een witte kleine auto. (...) Vlak nadat ik, verbalisant, bovengenoemde door had gegeven aan de meldkamer kruiste mij een kleine witte personenauto. (...) Ik ben vervolgens direct achter deze auto aangereden. (...) Ik kon zien dat er op dit moment 3 personen in het voertuig zaten. (...) Ik zag dat de portier aan de bestuurderszijde werd opengedaan en zag een persoon uit het voertuig stappen. Ik herkende deze persoon direct als [verdachte] . (...) Vlak voor de Antonides van der Goesstraat zag ik dat er goederen uit het raam aan de bestuurderszijde van de Peugeot werden gegooid. Ik zag een hoeveelheid papier door de lucht gaan. (...) Op de papieren en de passen zag ik de naam “ [...] ” staan. Op de papieren zag ik het adres [a-straat 1] vermeld staan.”

3 Proces-verbaal
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2014 (dossierpagina’s 19-21). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
“(...) wij verbalisanten zagen dat de Peugeot enkele meters voor ons politievoertuig stopte. Wij verbalisanten zagen dat het bestuurdersportier geopend werd en dat de ons ambtshalve bekende [verdachte] [geboortedatum] -1977 te [geboorteplaats] uit de Peugeot stapte. (...) Ik, verbalisant [verbalisant 4] , stapte uit het politievoertuig en ik vertelde [verdachte] dat hij zijn voertuig naast het trottoir moest parkeren en wees hem met mijn arm een vrije parkeerplek aan (...). Ik vertelde [verdachte] dat ik even met hem wilde praten. Wij verbalisanten zagen dat [verdachte] terug in zijn voertuig stapte en met zijn voertuig richting de aangewezen parkeerplek reed. (...) Wij verbalisanten zagen dat het voertuig de vrije parkeerplek voorbij reed en de snelheid verhoogde om vervolgens rechts af de Stalpaert van der Wielenstraat in te rijden. (...) ...wij hebben de achtervolging ingezet op de witte Peugeot 107 voorzien van het kenteken [AA-00-BB] waar [verdachte] als bestuurder in reed. (...) Even later zagen wij verbalisanten dat [verdachte] het voertuig linksaf de P.C. Hooftstraat inreed om even later te stoppen. Wij verbalisanten zagen dat het bijrijdersportier geopend werd en dat er twee personen uit het voertuig sprongen. (...) Wij verbalisanten zagen dat de twee personen rennend vluchtten.”

5 Proces-verbaal
Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina’s 58-60). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 8 september 2014 door aangever [betrokkene 1] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring:

“Ik doe aangifte van een inbraak in mijn woning op de [a-straat 1] , te Haarlem. (...) Op vrijdag 5 september 2014, omstreeks 09:30 uur ben ik samen met mijn man weggegaan. Wij gingen een weekendje weg. Wij hebben de woning volledig afgesloten achtergelaten. Op vrijdag 5 september, omstreeks 2014 11:30 uur is mijn dochter nog langsgeweest. Zij heeft niks bijzonders gezien. (...) Op vrijdag 5 september 2014, omstreeks 20:00 uur werd ik op onze mobiele telefoon gebeld door de buurman van de [a-straat 3] , te Haarlem. Hij vertelde dat er was ingebroken.”

4. Het middel

4.1.

Het middel, dat uiteen valt in twee deelklachten, komt op tegen de bewezenverklaring en het oordeel van het hof over de strafbaarheid van de verdachte in de zaak met parketnummer 15-810333-14. Uit de bewijsmiddelen kan ten eerste niet worden afgeleid dat ten aanzien van de onbekend gebleven personen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld aan het gepleegd hebben van een woninginbraak. Ten tweede heeft het hof de verdachte ten onrechte niet van alle rechtsvervolging ontslagen gelet op het bepaalde in artikel 189 lid 3 Sr.

4.2.

Ten aanzien van de eerste deelklacht betoogt de steller van het middel in de toelichting daarop dat (i) uit hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de onbekend gebleven personen op het moment waarop zij uit de auto zijn gestapt (reeds) verdachten zijn geweest van enig strafbaar feit, dan wel van een woninginbraak en voorts dat (ii) uit hetgeen door het hof in de bewijsmiddelen is vastgesteld ten hoogste kan volgen dat een bewoner van een straat in Haarlem heeft waargenomen dat een bestuurder uit een witte auto is gestapt en een grote schroevendraaier in zijn hand heeft vastgehouden en dat de betreffende bestuurder de schroevendraaier achter een boom heeft verstopt en dat verbalisanten poolshoogte hebben genomen in verband met een “verdachte situatie”, terwijl daaruit niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat op dat moment sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld aan het gepleegd hebben van een woninginbraak, indien al aangenomen zou kunnen worden dat het dezelfde witte auto zou betreffen, aldus de toelichting op het middel.

4.3.

De eerste deelklacht richt zich gelet op het voorgaande tegen het bestanddeel dat de persoon die door de verdachte wordt geholpen om te ontkomen aan de aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie ‘verdachte is van enig misdrijf’, zoals bedoeld in artikel 189 lid 1 onderdeel 1 Sr. Het onderdeel ‘verdachte is van’, is bij de Wet ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven van 20 november 2006,1 ter vervanging van het bestanddeel ‘vervolgd wordt ter zake van’ in voornoemde bepaling opgenomen.2 Laatstgenoemd bestanddeel sloot aan bij artikel 27 lid 2 Sv, dat bepaalt dat als verdachte wordt aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht. De vervanging van dit bestanddeel door de woorden ‘verdachte is van’, heeft tot doel gehad de reikwijdte van de strafbaarstelling uit te breiden tot het geval waarin van een verdachte sprake is uit hoofde van artikel 27 lid 1 Sv: degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.3 De feiten en omstandigheden moeten objectief bezien voldoende aanleiding geven voor een verdenking van het plegen van een strafbaar feit.4

4.4.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op 5 september 2014 een aan de [a-straat 2] te Haarlem woonachtige getuige ziet dat voor zijn woning een witte personenauto midden op de rijbaan stopt, waarna de bestuurder uit de auto stapt met een grote schroevendraaier in zijn hand, die hij vervolgens verstopt achter een boom. Daarna is de witte personenauto weer weggereden. Naar aanleiding van een melding van de meldkamer van deze ‘verdachte situatie’, ziet verbalisant [verbalisant 3] een kleine witte personenauto rijden met daarin drie inzittenden. De verbalisant rijdt achter de auto aan en ziet vervolgens dat, nadat de auto kennelijk tot stilstand is gebracht,5 het portier aan de bestuurderszijde wordt opengedaan, waarna de verdachte [verdachte] uitstapt. Wanneer de verdachte zijn auto tot stilstand heeft gebracht wordt hij door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], die inmiddels ook zijn gearriveerd, gesommeerd zijn auto op een vrije parkeerplaats neer te zetten. In plaats van zijn auto naar de aangewezen plaats te rijden, gaat de verdachte er vandoor. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] zetten daarop de achtervolging in. Kort daarna rijdt de auto de P.C. Hoofstraat in om vervolgens te stoppen. De verbalisanten zien dan dat het bijrijdersportier wordt geopend en dat er twee personen uit het voertuig springen, die vervolgens rennend op de vlucht slaan. Verbalisant [verbalisant 3] heeft voorts nog waargenomen dat er tijdens de achtervolging van de witte auto6 op enig moment een hoeveelheid papier uit het raam aan de bestuurderszijde van de auto wordt gegooid, waarop de naam “ [...] ” en het adres [a-straat 1] vermeld staat. Verdachte [verdachte] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij de vluchtauto bestuurde. Drie dagen na de hiervoor beschreven gebeurtenissen wordt aangifte gedaan van een woninginbraak aan de [a-straat 1] te Haarlem.

4.5.

Zoals hiervoor onder 4.2 is gebleken, stelt de steller van het middel zich in de toelichting op het middel – kort gezegd - op het standpunt dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet, of niet zonder meer, kan volgen dat ten aanzien van de onbekend gebleven personen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Het middel lijkt daarbij te hinken op twee gedachten, nu enerzijds wordt gewezen op het moment waarop de witte personenauto voor het eerst wordt gesignaleerd aan de [a-straat] te Haarlem, terwijl voorts, zo begrijp ik althans het middel, wordt gewezen op het moment waarop de auto in de P.C. Hooftstraat te Haarlem tot stilstand komt, het bijrijdersportier wordt geopend en de twee personen die uit het voertuig springen op de vlucht slaan. Daarmee verliest de steller van het middel uit het oog dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet alleen volgt dat een aan de [a-straat] woonachtige getuige heeft gezien dat de bestuurder van een witte personenauto een grote schroevendraaier achter een boom verbergt, en dat verbalisanten vervolgens poolshoogte nemen in verband met een verdachte situatie, maar ook dat, zoals hiervoor onder 4.4. reeds bleek, verdachte [verdachte] , nadat hij door twee verbalisanten is gesommeerd zijn auto op een vrije parkeerplaats neer te zetten, die aanwijzing negeert en er vandoor is gegaan, waarna onderweg een hoeveelheid papieren uit de auto wordt gegooid waarop het adres [a-straat 1] , de straat waarin de vluchtauto eerder door een getuige is gezien en het adres waar, zo blijkt later, een woninginbraak is gepleegd, staat vermeld. Die omstandigheden hebben zich voorgedaan na de waarnemingen van de getuige aan de [a-straat] en voordat de twee personen waar het middel het oog op heeft, uit de auto zijn gestapt en er als een haas vandoor zijn gegaan. In het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, zoals die uit de bewijsmiddelen voortvloeien, is het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel van het hof dat ten aanzien van de twee onbekend gebleven personen sprake is van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit, waardoor zij als verdachten van enig misdrijf kunnen worden aangemerkt, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

4.6.

De tweede deelklacht houdt in dat, nu artikel 189 lid 3 Sr zowel van toepassing is op de dader zelf, als ook op de medeplichtige, en het besturen van een vluchtauto doorgaans met medeplichtigheid in verband wordt gebracht, het hof de verdachte ten onrechte niet van alle rechtsvervolging heeft ontslagen.

4.7.

Artikel 189 Sr luidt, voor zover relevant:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;
2°. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt;
3°. hij die opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.
(…)
3. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.”

4.8.

De steller van het middel voert met juistheid aan dat de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr ook van toepassing is op de dader zelf, en op deelnemers aan het strafbare feit.7

4.9.

Het hof heeft in zijn arrest onder de kop “Strafbaarheid van de verdachte” (pagina 5) het volgende overwogen:

“Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-810144-14 primair en in de zaak met parketnummer 15-810333-14 meer subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.”

4.10.

Indien terzake geen verweren zijn gevoerd, zal de vereiste motivering van de beslissingen die zien op de derde hoofdvraag van artikel 350 Sv, in het algemeen bestaan uit de overweging dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Dit wordt alleen anders indien uit de stukken van het geding een rechtstreeks en ernstig vermoeden voortvloeit dat een strafuitsluitingsgrond aanwezig is, nu de strafrechter daarin een zelfstandige onderzoeksplicht heeft.8 Dit alles geldt ook voor de onderhavige (bijzondere) strafuitsluitingsgrond: in beginsel zal door of namens de verdachte daarop een beroep moeten worden gedaan. Terzijde valt op te merken dat een dergelijk beroep wel zekere implicaties kan hebben voor de strafbaarheid ter zake van het ‘hoofdfeit’ waar de hulpverlening op betrekking heeft gehad. Die komt dan ineens volop in beeld. Het valt niet uit te sluiten dat gelet op het mogelijke verschil in strafpositie sommige verdachten eieren voor hun geld kiezen en een beroep op ‘eigen schuld’ ter zake van het hoofdfeit achterwege zullen laten. De processuele werkelijkheid overheerst in dergelijke gevallen de ‘materiële’ waarheid, zou men kunnen beweren. Nadelig is dat echter niet. Men kan immers tegelijkertijd concluderen dat (ook) in die gevallen aan de bedoeling van de wetgever, dubbele aansprakelijkheid te voorkomen, volop tegemoet wordt gekomen.

4.11.

Nu weer ten aanzien van het middel. In de overweging van het hof dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte in de voorliggende zaak uitsluit, ligt als zijn oordeel besloten dat uit de stukken van het geding geen rechtstreeks en ernstig vermoeden voortvloeit dat een strafuitsluitingsgrond aanwezig is. Dat oordeel is, mede in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting van de behandeling van de zaak in hoger beroep niet blijkt dat door de verdediging een beroep is gedaan op de bijzondere strafuitsluitingsgrond die is opgenomen in artikel 189 lid 3 Sr en de door het hof gebruikte bewijsconstructie, niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat de beoordeling van de gegrondheid van het beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 189 lid 3 Sr een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, nu daarvoor door de rechter moet worden vastgesteld dat de verdachte de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht mede teneinde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan.9 Dat vraagt, lijkt mij, ten minste om vaststellingen die betrekking hebben op het strafbare feit waarvoor de verdachte een mogelijke vervolging wilde ontgaan. Omtrent die betrokkenheid heeft het hof echter niets vastgesteld, terwijl de verklaring van de verdachte dat hij de vluchtauto bestuurde nog niet maakt dat er sprake is van medeplichtigheid aan die woninginbraak.10 Nu de beoordeling van de gegrondheid van het beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 189 lid 3 Sr vraagt om een onderzoek van feitelijke aard kan een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat voor zo een onderzoek in cassatie geen plaats is.11

4.12.

Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 2006, 580. De wet is in werking getreden op 1 februari 2007.

2 De bepaling luidde voor 1 februari 2007 aldus: Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt ter zake van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van justitie of politie (…).

3 Kamerstukken II 2005/06, 30164, nr. 7, p. 58.

4 Zie G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 87-89, Spronken/Dieben, T&C Strafvordering, art. 27 Sv, aant. 5 en WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a, art. 27 Sv, aant. 8.1.

5 Zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2014 van verbalisant [verbalisant 3] zoals opgenomen in het procesdossier.

6 Zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2014 van verbalisant [verbalisant 3] zoals opgenomen in het procesdossier.

7 HR 17 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0248, NJ 1996/337; zie ook K. Lindenberg in T&C Strafrecht, aant. 11 ad art. 198.

8 G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 865. En zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 306.

9 Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1881, p. 187, en HR 17 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0248, NJ 1996, 337, m.nt. Schalken, rov. 7.6 en 7.7.

10 Anders dan bij medeplichtigheid gaat het bij artikel 189 Sr om hulp nadat het feit is begaan. Daarnaast zal het in de regel dienen te gaan om hulp die niet van tevoren is afgesproken, nu het maken en nakomen van een afspraak om na het begaan van een strafbaar feit de vluchtmogelijkheid te faciliteren medeplichtigheid oplevert, vgl. Lindenberg, T&C Strafrecht, art. 189 Sr, aant. 5. Zie ook bijvoorbeeld HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 en HR 15 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0099. Van bijvoorbeeld een dergelijke afspraak inhoudende dat verdachte de vluchtmogelijkheid van de onbekend gebleven verdachte heeft gefaciliteerd blijkt niet.

11 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 302-303.