Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:828

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
16/02768
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2228, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Laatste woord, art. 311.4 Sv. Uit het pv van de tz. in h.b. blijkt niet dat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in art. 311.4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02768

Zitting: 6 juni 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 11 april 2016 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat het hof ten onrechte niet het recht aan de verdachte heeft gelaten het laatst te spreken.

  4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft het hof in het arrest het volgende overwogen:

"(…)

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat de handtekening op de akte uitreiking voor de zitting van de politierechter op 21 augustus 2015 niet de handtekening is van de verdachte, zodat deze niet in persoon is uitgereikt. Zij heeft daartoe bij schriftuur een kopie van het paspoort van de verdachte met daarop zijn handtekening overgelegd. Deze handtekening wijkt evident af van de handtekening op de akte.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof dient, behoudens bijzondere omstandigheden, uit te gaan van de juistheid van de akte. Op deze akte heeft de chauffeur van IPKD aangekruist ("Ja" in de bovenste kolom) dat de akte in persoon is uitgereikt. Ook heeft hij verklaard dat hij de brief heeft uitgereikt en dat hij de akte naar waarheid heeft ingevuld.

De stelling van de raadsvrouw dat de handtekening op de akte uitreiking voor de zitting in eerste aanleg niet zijn handtekening is, heeft het hof gebracht tot een nader onderzoek. Het hof heeft deze handtekening vergeleken met zowel de handtekening in het paspoort handtekening op de akte uitreiking voor de zitting in hoger beroep. Het hof constateert dat alle drie handtekeningen van elkaar verschillen, maar dat er wel enige gelijkenis is. Alle drie handtekeningen worden namelijk gekenmerkt door een 'onbeholpen' hoekig schrift. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte kennelijk meerdere handtekeningen hanteert en dat de handtekening op de akte uitreiking voor de zitting in eerste aanleg door hem gezet is.

Het enkele feit dat de handtekening van de ontvanger op deze akte afwijkt van de handtekening op het paspoort van verdachte, geldt niet als (voldoende) bijzondere omstandigheid. Te minder nog nu verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de handtekening op de akte van uitreiking voor deze zitting in hoger beroep wèl door hem is gezet, terwijl deze evenzeer evident afwijkt van die op zijn paspoort. Met andere woorden: kennelijk hanteert verdachte meerdere handtekeningen. De aantekening van de uitreikende chauffeur is hier beslissend.

De dagvaarding van de verdachte om op 21 augustus 2015 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte aldus in persoon uitgereikt op 16 april 2015.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 21 augustus 2015 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 27 oktober 2015 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

(…)"

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 april 2016 houdt het volgende in:

"(...)

De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

(…)

De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter stelt, voordat de zaak eventueel inhoudelijk wordt behandeld, de ontvankelijkheid van de zaak aan de orde.

De raadsvrouw deelt mede dat de dagvaarding voor de zitting van de politierechter niet op de juiste manier is betekend. De handtekening die op de akte staat is niet de handtekening van haar cliënt. Ten bewijze hiervan heeft zij een kopie van het paspoort van haar cliënt overgelegd. De dagvaarding in eerste aanleg is nietig. Hij is pas op de hoogte geraakt van de zitting en de uitspraak van die zitting toen hij de brief van de reclassering d.d. 15 oktober 2015 ontving. Op het moment van de zitting liep er ook een klaagschriftprocedure bij de rechtbank Rotterdam. Het was bij de rechtbank Rotterdam bekend dat haar cliënt werd bijgestaan door een advocaat van het kantoor Manders. Ook deze raadsman is niet op de hoogte gebracht van de zitting en ook niet van de uitspraak.

Gelet op het voorgaande stelt de raadsvrouw dat het appel tijdig is ingesteld. Voorts wil de raadsvrouw dat de zaak terug verwezen wordt naar de rechtbank Rotterdam.

Op de vraag van de voorzitter of de handtekening op de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep in deze zaak de handtekening van de verdachte is, antwoordt de verdachte dat dit inderdaad zijn handtekening is. Hij heeft deze zelf gezet.

De advocaat-generaal concludeert dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is betekend. Er ligt een verstekvonnis. De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijkheid wordt verklaard in het hoger beroep. Dat de verdachte een beklagprocedure had lopen bij de rechtbank Rotterdam en hij in die zaak een raadsman had, doet hier niet aan af. Kennelijk heeft deze raadsman zich in eerste aanleg van deze zaak niet gesteld en dan kan hij ook niet op de hoogte worden gesteld van de zitting en het vonnis.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof - na kort onderling beraad - terstond uitspraak.

(…)"

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van art. 311 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.

7. Het middel klaagt daarover terecht. Ik heb mij afgevraagd waartoe dat in de onderhavige zaak zou moeten leiden. Heeft de verdachte belang bij vernietiging van de uitspraak en terugwijzing? Geeft terugwijzing hier uitzicht op een andere uitkomst dan niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep? Ik wijs er in dit verband op dat gezien art. 80a RO het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en dat voorts in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid mag worden verlangd dat de schriftuur een toelichting bevat met betrekking tot het concrete, op het geval toegespitste belang bij het ingestelde beroep en dus ook het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

8. Daar staat echter tegenover dat het laatste woord een zo wezenlijk recht in ons strafprocesrecht betreft dat die mogelijkheid aan de verdachte dient te worden geboden. Het laat zich immers op voorhand niet uitsluiten dat de verdachte in het laatste woord nog iets naar voren brengt dat voor de beoordeling van de zaak dienstig is.1 In een geval als het onderhavige valt daarbij in het bijzonder te denken aan de mogelijkheid voor de verdachte om (nog eens) te verklaren over de reden van de overschrijding van de termijn van het instellen van hoger beroep. Die mogelijkheid is hem nu onthouden en daarmee is tevens het belang bij cassatie gegeven. Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak de bestreden uitspraak zonder meer vernietigde en de zaak terugwees naar het gerechtshof, opdat de zaak op het toen nog bestaande hoger beroep opnieuw werd berecht en afgedaan (HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3078).2

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk 2014, p. 713.

2 Vgl. ook HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:972 (het te lichtvaardig ontnemen/inperken van het laatste woord).