Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:69

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/03703
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:489, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Vervolg van HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3713. Omvang geschil na verwijzing; art. 424 Rv. Terugbetalingsverplichting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/03703

mr. J. Wuisman

Zitting: 03 februari 2017

CONCLUSIE inzake:

[de man],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen

[de vrouw],

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

Verzoeker tot cassatie en verweerster in cassatie zullen hierna worden aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De man en de vrouw zijn in 1991 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is in 1999 een zoon geboren. Het huwelijk is op 21 april 2004 geëindigd als gevolg van de inschrijving van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 23 maart 2004, waarin de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken.

1.2

De man werkte tot medio 2003 in loondienst. Daarna genoot hij alleen nog inkomsten uit een eenmanszaak. De activiteiten van deze eenmanszaak bestonden voornamelijk uit import en export van autobanden. In 2004 verrichtte hij in het verband van de eenmanszaak activiteiten in Thailand. Op 23 september 2005 is hij opnieuw gehuwd met een vrouw, met wie hij sedert 19 februari 2005 samenwoonde.

1.3

In de beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank tevens de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 755,- per maand.(1)

1.4

Na een verzoek van de man tot vermindering van de alimentatie ten behoeve van de vrouw heeft de rechtbank Amsterdam deze bij beschikking d.d. 29 maart 2006 met ingang van 29 maart 2006 bepaald op € 694,- per maand. In hoger beroep is het hof Amsterdam bij beschikking van 28 september 2006 weer tot een andere beslissing gekomen: de partneralimentatie is voor de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2007 op € 530,- per maand vastgesteld en vanaf 1 januari 2007 op € 450,- per maand. Maar hieraan heeft het hof toegevoegd dat, voor zover de man over de periode vanaf 21 april 2004 tot aan de datum van de beschikking van het hof meer heeft betaald en/of op hem meer is verhaald, de alimentatie over die periode gelijk is aan hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

1.5

De man is tegen de beschikking van het hof in cassatie opgekomen. De klacht dat het hof ten onrechte niet een post van € 1.557,- aan ziektekosten bij de bepaling van de draagkracht van de man in aanmerking heeft genomen, is door de Hoge Raad bij beschikking van 5 september 2008(2) gegrond bevonden. De andere aangevoerde klachten, waaronder een klacht tegen de hiervoor in 1.4 genoemde toevoeging van het hof, heeft de Hoge Raad onder toepassing van artikel 81 RO ongegrond verklaard. De zaak is voor verdere behandeling en beslissing naar het hof te ’s-Gravenhage verwezen.

1.6

Tijdens de hiervoor 1.5 vermelde cassatieprocedure heeft de man in verband met de partneralimentatie ook een procedure bij de rechtbank Amsterdam gevoerd, die er toe geleid heeft dat de alimentatie door de rechtbank bij beschikking d.d. 21 november 2007 met ingang van 1 januari 2006 op nihil werd gesteld. Maar tevens werd bepaald dat de vrouw niet aan de man hoefde terug te betalen hetgeen zij vanaf 1 januari 2006 aan alimentatie van hem had ontvangen. Tegen de beschikking van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld.

1.7

De hervatting van de onderhavige zaak na verwijzing naar het hof Den Haag heeft enige tijd op zich laten wachten. De man heeft op 14 juli 2015 een beroepschrift na cassatie bij het hof Den Haag ingediend. Daarin stelt hij voorop dat vanwege de onbestreden gebleven beschikking d.d. 21 november 2007 van de rechtbank Amsterdam ervan is uit te gaan dat de partneralimentatie vanaf 1 januari 2006 nihil bedraagt, zodat het alleen nog gaat om de partneralimentatie over de periode 21 april 2004 tot 1 januari 2006. Verder stelt hij, voor zover de beschikking d.d. 28 september 2006 van het hof Amsterdam op die periode betrekking heeft, de volgende punten aan de orde:

a. het hof heeft bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte een bedrag van € 1.557,- aan premie ziektekosten niet in aanmerking genomen (sub 19 t/m 21);

b. het hof is bij de bepaling van zijn draagkracht van een te hoog inkomen uitgegaan; in genoemde periode had hij geen inkomsten meer uit loondienst maar alleen inkomsten uit zijn onderneming (sub 22);

c. ten onrechte is bij de bepaling van zijn draagkracht geen acht geslagen op door hem verschuldigde bronbelasting, die zijn inkomsten negatief beïnvloedde (sub 23);

d. de behoefte van de vrouw is onjuist bepaald (24);

e. over de periode van 21 april 2004 tot en met 28 mei 2005 zijn de woonlasten van de man ten onrechte gehalveerd in verband met het huwelijk met zijn nieuwe echtgenote; zij kon pas vanaf 28 mei 2005 inkomsten uit arbeid verkrijgen (sub 25);

f. ten onrechte heeft het hof bepaald dat de vrouw niet gehouden is teveel ontvangen alimentatie terug te betalen (sub 26).

De vrouw heeft op 17 augustus 2015 een verweerschrift na cassatie ingediend.

1.8

Na de hoorzitting op 26 februari 2016 heeft het hof Den Haag op 20 april 2016 zijn beschikking uitgesproken. Het stelt daarin ook voorop dat nog slechts in geschil is de partneralimentatie over de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2006.

Het hof is met een beroep op artikel 424 Rv van oordeel, kort gezegd, dat het gebonden is aan de beschikking van de Hoge Raad en dat deze gebondenheid meebrengt dat er geen ruimte is voor eisverandering of eiswijziging en voor beoordeling alleen nog het punt betreffende de ziektekosten ten bedrage van € 1.557,- in aanmerking komt (rov. 4 jo. 7). Met die kosten had, zo concludeert het hof verder, bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening moeten zijn gehouden. Dat doet het hof alsnog; het stelt de partneralimentatie voor de periode 21 april 2004 tot 1 januari 2006 vast op een bedrag van € 420,74.

Ter zake van het geschilpunt inzake de terugbetaling door de vrouw van aan haar teveel betaalde alimentatie overweegt het hof:

9. Het hof volgt de man in zijn stelling dat de vrouw in beginsel de teveel van hem ontvangen alimentatie over de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2006 aan hem moet terugbetalen, nu er sprake is van een situatie waar niet eerder rekening mee is gehouden. Nog in het midden gelaten of het, gelet op het tijdsverloop tussen de beschikking van de Hoge Raad en de indiening van het verzoek na de uitspraak van de Hoge Raad, redelijk is om alsnog terugbetaling van de vrouw te verlangen, acht het hof de vrouw echter niet tot terugbetalen in staat. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw in 2005 een vermogen had van € 6.000,- en indien de man zulks wel aannemelijk had gemaakt doet dat niet ter zake, aangezien dient te worden bekeken of de vrouw thans voldoende draagkracht heeft om de destijds teveel ontvangen alimentatie aan de man terug te kunnen betalen en niet of zij daar in 2005 toe in staat was. Uit de huidige financiële gegevens die de vrouw bij haar verweerschrift heeft overgelegd blijkt dat zij een inkomen ter hoogte van het minimum loon heeft (circa € 740,- netto per vier weken). De vrouw leeft derhalve rond bijstandsniveau. Het hof zal het verzoek van de man tot terugbetaling van door hem teveel betaalde alimentatie derhalve afwijzen.”

1.9

Van de beschikking van het hof Den Haag is de man bij verzoekschrift tot cassatie van 19 juli 2016 – aldus tijdig – in cassatie gekomen. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel van de man bestaat uit een inleidend gedeelte en een gedeelte met klachten verdeeld over de onderdelen 2.1, 2.2. en 2.3.

Onderdeel 2.1

2.2

In onderdeel 2.1 wordt als onjuist bestreden het op artikel 424 Rv rustende oordeel van het hof dat het hof als verwijzingsrechter gebonden is aan de uitspraak van de Hoge Raad, dat er bijgevolg in de onderhavige (verwijzings)procedure geen ruimte is voor verandering/vermeerdering van eis en dat dit meebrengt dat ter beoordeling nog uitsluitend de vraag voorligt of de ziektekosten van de man ten bedrage van € 1.557,- al dan niet terecht als zakelijk kosten zijn aangemerkt. Betoogd wordt, kort weergegeven, dat de verwijzingsprocedure een voortzetting vormt van de oorspronkelijke hoger beroepprocedure bij het hof (Amsterdam) en dat, nu het in de onderhavige zaak om een alimentatiezaak gaat, het hof (Den Haag) opnieuw op alle argumenten, grieven en weren betreffende de alimentatie had moeten ingaan. Met dit laatste wordt, blijkens hetgeen in onderdeel 2.1 sub 2.1.2 wordt opgemerkt, gedoeld op de geschilpunten die hierboven in 1.7 onder b., c., d. en e. zijn genoemd.

2.3

Indien de Hoge Raad een zaak na vernietiging van een hem ter beoordeling voorgelegde uitspraak in appel verwijst voor verdere behandeling naar een andere appelrechter dan, zo bepaalt artikel 424 Rv, zet die appelrechter, naar wie het geding is verwezen, de behandeling van de zaak voort en beslist deze met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Uit artikel 424 Rv zijn de volgende hoofdregels afgeleid. De appelrechter na verwijzing zet het appelgeding voort in de stand waarin dat geding zich bevond toen het cassatieberoep werd ingesteld. In beginsel is er geen ruimte voor aanvulling van feiten en ook niet voor eiswijziging of eisverandering. Verder heeft de rechter na verwijzing zich te houden aan de beslissingen, die in de procedures voorafgaande aan de cassatieprocedure zijn genomen en niet of tevergeefs in cassatie zijn bestreden. Kortom, de rechter na verwijzing beoordeelt het geschil tussen partijen, voor zover het geschil nog als onbeslecht is te beschouwen ingevolge de beslissing in cassatie, op basis van de eerder gestelde feiten en eerder ingestelde vorderingen en gevoerde verweren.(3) Op deze hoofdregels zijn echter gaandeweg verfijningen en uitzonderingen aangebracht. Zo is het in geval van gedingen, waarbij de aard ervan meebrengt dat het geschil dient te worden beoordeeld op basis van de ter zake doende feiten en omstandigheden zoals zij ten tijde van de beslissing zijn, mogelijk dat in de verwijzingsprocedure nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd en vorderingen en verweren worden aangepast c.q. aangevuld. Een procedure van een dergelijke aard is de alimentatieprocedure. In een alimentatieprocedure na verwijzing door de Hoge Raad voor verdere behandeling is derhalve ruimte voor aanvulling van voor de bepaling van de alimentatie relevante feiten en aanpassing van de vordering c.q van het verweer. Hierbij speelt ook artikel 1:401 BW een rol, dat de bevoegdheid biedt om op drie gronden, waaronder wijziging van omstandigheden, aanpassing van het eerder bepaalde alimentatiebedrag te verlangen. Uit overweging van proceseconomie is het gewenst dat van die bevoegdheid reeds tijdens de verwijzingsprocedure gebruik kan worden gemaakt en niet pas in een nieuwe procedure na de beslissing in de verwijzingsprocedure. (4)

2.4

De voorliggende zaak betreft ook een alimentatiezaak, maar een met bijzondere kenmerken. Allereerst gaat het om de bepaling van de partneralimentatie die verschuldigd is over de periode 21 april 2004 tot 1 januari 2006, dus over een al lang verstreken periode. Voor de bepaling van de partneralimentatie in die periode zijn niet van belang de feiten en omstandigheden ten tijde van de verwijzingsperiode, maar de feiten en omstandigheden zoals die waren in de al lang verstreken periode. Verder zijn de feiten en omstandigheden die, naar in onderdeel 2.1, sub 2.1.2, van het cassatiemiddel wordt betoogd, het hof ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken, feiten en omstandigheden die in de appelprocedure bij het hof Amsterdam al naar voren zijn gebracht. De beoordeling door het hof Amsterdam van die feiten en omstandigheden is in de eerste cassatieprocedure al eens ter toetsing aan de Hoge Raad voorgelegd. Afgezien van de klacht inzake de ziektekosten ten bedrage van € 1.557,-, heeft de Hoge Raad de aangevoerde klachten ongegrond bevonden.

2.5

Het komt voor dat in de voorliggende zaak vanwege de zojuist genoemde bijzondere kenmerken ervan de aard van de alimentatiezaak niet een voldoende grond oplevert om ruimte aanwezig te achten voor een nieuwe beoordeling in de verwijzingsprocedure bij het hof Den Haag van de door het hof Amsterdam gewogen feiten en omstandigheden, voor zover de Hoge Raad de bestrijding in cassatie van die weging ongegrond heeft verklaard. Er heeft al een toets van die weging door de hoogste rechter plaatsgevonden, terwijl het in de verwijzingsprocedure nog te beoordelen punt van de ziektekosten niet van zodanige aard is dat bij of naar aanleiding van die beoordeling ook de andere bij het hof aangevoerde feiten en omstandigheden weer onder ogen moeten worden gezien. Er valt bij deze stand van zaken meer gewicht toe te kennen aan het belang van de vrouw als alimentatiegerechtigde dat er op een zeker moment voor haar zekerheid ontstaat omtrent de alimentatie waarop zij in de periode 21 april 2004 tot 1 januari 2006 aanspraak kan maken.(5) Dat belang brengt mee dat in de verwijzingsprocedure niet meer een nieuwe beoordeling van de draagkracht van de man en behoefte van de vrouw plaatsvindt op basis van die feiten en omstandigheden die al door het hof Amsterdam zijn beoordeeld, terwijl die beoordeling in cassatie tevergeefs is bestreden.

2.6

Het voorgaande voert tot de volgende slotsom. Ook al stelt artikel 424 Rv in geval van een alimentatiegeschil in beginsel geen strikte grenzen aan het bijstellen van de rechtsstrijd in de verwijzingsprocedure, niettemin heeft het hof in het onderhavige geval kunnen besluiten om in de verwijzingsprocedure alleen nog te beoordelen of de ziektekosten van € 1.557,-aanleiding gaven om de partneralimentatie voor de periode 21 april 2004 tot 1 januari 2006 aan te passen. Onderdeel 2.1 treft dan ook geen doel.

Onderdeel 2.2

2.7

In onderdeel 2.2. wordt met meer klachten de beslissing van het hof bestreden dat de vrouw niet gehouden is om aan de man terug te betalen hetgeen zij in de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2006 teveel aan alimentatie heeft ontvangen. Blijkens de hierboven in 1.8 geciteerde rechtsoverweging stoelt het hof zijn beslissing uiteindelijk hierop dat de vrouw naar het oordeel van het hof ‘thans’, d.w.z. ten tijde van het uitspreken van beschikking van het hof (20 april 2016) , financieel niet in staat is om de – in de periode van 21 april 2004 tot 1 januari 2006 – te veel ontvangen alimentatie terug te betalen. Uit de door haar overgelegde gegevens omtrent haar huidige financiële situatie blijkt, aldus het hof, dat de vrouw financieel gezien rond het bijstandsniveau leeft.

2.8

Bij de beoordeling van de aangevoerde klachten is het volgende in aanmerking te nemen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, wanneer de rechter met terugwerkende kracht de alimentatie verlaagt, vervolgens afzonderlijk moet worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn of haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven?(6) Bij de beoordeling of de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting kan worden aanvaard, is de rechter niet afhankelijk van een daartoe gevoerd verweer.(7) In dit laatste ligt besloten dat aan de rechter ten aanzien van de gerechtvaardigdheid in het concrete geval van de terugbetalingsverplichting een ruime beoordelingsmarge toekomt.

2.9

Als tijdstip waarop beoordeeld dient te worden of het redelijk is dat de vrouw de in de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 te veel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen, houdt het hof de datum van zijn beschikking (20 april 2016) aan. Het aanhouden van dat tijdstip wordt als zodanig in cassatie – terecht – niet bestreden. Het hof leidt uit de financiële gegevens, die de vrouw met haar in het verwijzingsgeding op 31 augustus 2015 ingediende verweerschrift verstrekte, af dat de vrouw een inkomen ter hoogte van het minimumloon had en zij daarmee rond het bijstandsniveau leefde. Dit oordeel wordt in (het eerste) subonderdeel 2.2.2 als onjuist althans onbegrijpelijk bestreden. De vrouw legt, zo wordt aangevoerd, op geen enkele wijze over een totaaloverzicht van haar inkomen en geeft evenmin inzage in haar vermogen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat, zeker waar het betreft lager betaalde baantjes, mensen soms meerdere banen tegelijk hebben. Juist daarom kan er alleen maar iets zinnigs worden gezegd op basis van fiscale aangiftes inkomstenbelasting.

2.9.1

In haar verweerschrift heeft de vrouw haar stelling dat haar draagkracht nog steeds gering is gebleven onderbouwd met loonstroken betreffende de maanden juni en juli 2015 en verder met stukken met betrekking tot de verschuldigde huurprijs van de woning, de ziekte-kosten en de toeslagen, die voor het jaar 2015 door de belastingdienst op basis van een schatting van het inkomen van dat jaar zijn berekend. Deze informatie heeft het hof voldoende gevonden voor zijn conclusie dat de vrouw een inkomen ter hoogte van het minimumloon heeft. Dit is een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel dat niet onbegrijpelijk voorkomt, ook niet in het licht van het als feit van algemene bekendheid gepresenteerde feit dat mensen, zeker bij lager betaalde baantjes, soms meerdere banen tegelijk hebben. Zelfs als dit een feit van algemene bekendheid zou zijn – wat overigens, naar het voorkomt, niet het geval is –, vormt het een onvoldoende basis voor een vermoeden dat die situatie zich in 2015 of 2016 ook daadwerkelijk bij de vrouw voordeed. Verder is niet gebleken of aannemelijk gemaakt dat de vrouw vóór of op de hoorzitting van 26 februari 2016 bij het hof al een aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2015 aan het hof had kunnen verstrekken.

2.10

In het eerste subonderdeel 2.2.2 en in subonderdeel 2.2.3 wordt ook nog er over geklaagd dat het hof niet reeds op basis van de inkomsten van de vrouw in 2015/2016 en de daaraan verbonden conclusie, dat de vrouw toen rond het bijstandsniveau leefde, tot het oordeel heeft kunnen komen dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van de door de man voor de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 betaalde alimentatie. Het hof had in zijn beoordeling van die gehoudenheid ook de stellingen van de man dienen te betrekken die, zoals omschreven in het eerste subonderdeel 2.2.2, inhielden dat: a. de vrouw nooit inzicht heeft gegeven in haar vermogenspositie; b. de vrouw volgens de man een eigen vermogen van € 6.000,- had; c. de vrouw gewoon geld heeft gekregen waarop zij geen recht had en dus moet terugbetalen; en d. de man extreem is gedupeerd wegens schade die hij heeft geleden, doordat hij vanwege een door de vrouw in verband met betalingsachterstand op zijn woning gelegd executoriaal beslag deze woning voor een te lage prijs heeft moeten verkopen ten einde executoriale verkoop te voorkomen.(8) Doordat deze stellingen niet in de beoordeling worden betrokken, schiet, zo wordt gesteld, de motivering van het oordeel dat de vrouw niet tot terugbetaling is gehouden tekort.

2.10.1

Voor wat betreft de stellingen omtrent de vermogenspositie van de vrouw, aan die vermogenspositie heeft het hof in rov. 9 aandacht geschonken, voor zover dat nodig was. Daar overweegt het hof onder meer dat, zo de man aannemelijk zou hebben gemaakt dat de vrouw in 2005 een vermogen van € 6.000,- had, dat niet ter zake doet aangezien bekeken dient te worden of de vrouw thans (april 2016) voldoende draagkracht heeft voor het terugbetalen van destijds te veel ontvangen alimentatie. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof de eventuele aanwezigheid bij de vrouw van een vermogen van € 6.000,- in 2005 niet van belang acht bij de beoordeling in 2016 of de vrouw gehouden is teveel ontvangen alimentatie terug te betalen. Pas in 2016 kwam vast te staan dat er in de periode van 24 april 2014 tot 1 januari 2006 aan de vrouw voor een bedrag van € 109,26 per maand te veel alimentatie is betaald. Bovendien is er van uit te gaan dat het te veel ontvangen zijn van alimentatie niet hiermee samenhangt dat de vrouw in die periode geen behoefte aan alimentatie had, maar dat de draagkracht van de man geringer is gebleken dan eerder door het hof Amsterdam was vastgesteld. Er zijn van de kant van de man verder niet zodanige stellingen omtrent de mogelijke aanwezigheid van vermogen bij de vrouw naar voren gebracht dat het hof daarin aanleiding had moeten vinden om stil te staan bij het mogelijk aanwezig zijn bij de vrouw van vermogen in 2015 of 2016.

2.10.2

Het oordeel dat de vrouw niet gehouden is tot het terugbetalen van wat zij in de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 te veel aan alimentatie heeft ontvangen, komt neer op een verwerping van de juistheid van de stelling dat de vrouw gewoon geld heeft gekregen waarop zij geen recht had en dus moet terugbetalen. Van een voorbijgaan aan die stelling is derhalve geen sprake.

2.10.3

Bij de stellingen van de man dat hij zich vanwege het door de vrouw op zijn woning gelegde executoriaal beslag genoodzaakt heeft gezien om de woning onderhands te verkopen en hij daardoor ernstig gedupeerd is, staat het hof niet nadrukkelijk stil. Maar in het niet gehouden achten van de vrouw om de alimentatie aan de man terug te betalen die zij in de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 heeft ontvangen vanwege haar financiële positie in 2015/2016, ligt ook een verwerping van deze stellingen besloten. De stellingen gaven verder ook niet direct aanleiding om er nog apart bij stil te staan. Het beslag is, naar de eigen stelling van de man, gelegd wegens achterstand in de betaling door de man van alimentatie aan de vrouw. Het hof heeft de door de man in de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 nog verschuldigde alimentatie vastgesteld op een bedrag van € 420,74 per maand. Niet gesteld of gebleken is dat er in genoemde periode bij dat bedrag geen achterstand en dus ook geen grond voor het leggen van executoriaal beslag zou zijn geweest. Bij die stand van zaken was het beroep op het beslag niet op te vatten als een beroep op een omstandigheid, waarin het hof aanleiding had moeten vinden om de financiële situatie van de vrouw in april 2016 – het leven op bijstandsniveau – niet voldoende te achten om te kunnen oordelen dat de vrouw niet gehouden is om de in de periode van 24 april 2004 tot 1 januari 2006 teveel ontvangen teveel ontvangen alimentatie terug te betalen. Een en ander voert tot de slotsom dat ook het beroep op de stellingen van de man inzake het executoriaal beslag hem niet kunnen baten.

2.11

Ook onderdeel 2.2, zo is de slotsom, treft geen doel.

Onderdeel 2.3

2.12

Aan onderdeel 2.3 ligt de veronderstelling ten grondslag dat één of meer klachten in de onderdelen 2.1 en 2.2 doel treffen. Nu dat niet het geval is, is ook onderdeel 2.3 gedoemd te falen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . In de beschikking is ook een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen vastgesteld. De vaststelling van deze bijdrage speelt in de onderhavige zaak verder geen rol.

2 . HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3713, JPF 2008/141, m.nt. P. Vlaardingerbroek.

3 . Zie in dit verband rov. 3.4.1 uit HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7843, NJ 2009, 291. Over de procedure na cassatie en verwijzing meer bij onder andere: Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, 7, nrs. 328 e.v.; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent, 4, nrs. 253 – 258; N.T. Dempsey, De Procedure na cassatie en verwijzing, TCR 2012, nr. 1, blz. 1 e.v.

4 . Zie HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720, NJ 2006, 93 en JBPR 2006/82, m.nt. E.J. Schaafsma-Beversluis, met name rov. 3.3.3 en verder nog Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, 7, nr. 333 en N.T. Dempsey, De Procedure na cassatie en verwijzing, TCR 2012, nr. 1, blz. 6, par. 3.5, en 7.

5 . Zie in dit verband Asser/De Boer, 1*, 2010, nr. 1047, tweede alinea.

6 . Vgl. HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92, rov. 5.3; HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, rov. 3.5.2.

7 . Vgl. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304, rov. 4.2.3; HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, rov. 3.5.2.

8 . Deze laatste stelling wordt in subonderdeel 2.2.3 nog nader uitgewerkt.