Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:66

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
16/04193
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:244, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage van veroordeling wegens verduistering bij vonnis Rb. Utrecht 10 maart 2010 wegens ne bis in idem. Aanvrager is bij vonnis van de Rb. Zutphen van 13 februari 2009 veroordeeld t.z.v. onder meer hetzelfde feit als t.z. waarvan aanvrager bij vonnis Rb. Utrecht is veroordeeld. HR verklaart de aanvrage gegrond en verklaart het OM om doelmatigheidsredenen niet-ontvankelijk in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04193 H

Zitting: 3 januari 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. De aanvrager van herziening is bij vonnis van 10 maart 2010 door de politierechter in de rechtbank Utrecht in de zaak met parketnummer 16/446290-09 wegens “verduistering” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis. Dit vonnis is op 25 maart 2010 onherroepelijk geworden.1

2. Namens de aanvrager heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van dit vonnis ingediend.

3. De aanvraag is gestoeld op de stelling dat de aanvrager in de zaak waarin herziening wordt verzocht voor de tweede maal is veroordeeld voor een feit, de verduistering van een personenauto, waarvoor hij bij vonnis van 13 februari 2009 door de rechtbank te Zutphen in de zaak met parketnummer 06/460526-08, reeds is veroordeeld. Ook dit laatste vonnis is onherroepelijk geworden.2

4. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv een door bescheiden gestaafd gegeven dienen, dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt, dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Eén van de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is de schending van het in art. 68 Sr neergelegde ‘ne bis in idem’-beginsel.

5. Ter onderbouwing van de aanvraag zijn onder meer de volgende stukken bij het herzieningsverzoek gevoegd:

a) Het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 13 februari 2009 in de zaak met parketnummer 06/460526-08, waarbij de rechtbank:

- ten laste van de verdachte onder 4 heeft bewezen verklaard dat:

“hij in de periode 15 augustus tot en met 23 oktober 2008 te Utrecht opzettelijk een personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [AA-00-BB], toebehorende aan [A], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gebruiker (tijdens een proefrit), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

- het volgende heeft overwogen (met inbegrip van drie voetnoten):

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten / aanleiding

4.1 (…) Verdachte is aangehouden op 23 oktober 2008. Hij heeft vervolgens bekend zich te hebben schuldig gemaakt aan verduistering van vijf auto’s.

(…)

Wat het onder 4 tenlastegelegde betreft

4.13 Door [betrokkene 1] is namens [A] te De Meern aangifte gedaan van verduistering van een zwarte Golf V, kenteken [AA-00-BB]. Verdachte heeft de auto op 15 augustus 2008 meegenomen voor een proefrit. Op 18 augustus 2008 is de auto gestript teruggevonden in Badhoevendorp.13

4.14 Uit een proefritformulier blijkt dat door [A] op 15 augustus een Golf, kenteken [AA-00-BB] is meegegeven aan [aanvrager].

4.15 Verdachte heeft verklaard dat hij in augustus 2008, twee weken na de eerste verduistering, bij een Volkswagenbedrijf in Utrecht een zwarte Volkswagen Golf heeft gestolen. Hij heeft met genoemde auto een proefrit gemaakt en de auto niet teruggebracht.14

[voetnoten rechtbank]

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0640/08-207215, Regiopolitie Noord-Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 17 november 2008

13 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1] p. 289-292

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 295-297”

b) De dagvaarding van de aanvrager om te verschijnen op 10 maart 2010 ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Utrecht in de zaak met parketnummer 16/446290-09, teneinde terecht te staan voor het ten laste gelegde feit, inhoudende dat:

“hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2008 tot en met 17 augustus 2008 te Utrecht en/of elders in Nederland, opzettelijk een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kenteken [AA-00-BB], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten voor een proefrit, aanvangend op 15 augustus 2008 om 17.30 uur en eindigend op 16 augustus 2008 om 16.00 uur, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

c) De aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 10 maart 2010 in de zaak met parketnummer 16/446290-09, waarbij de aanvrager bij verstek wegens “verduistering”, gepleegd in de periode van 15 augustus 2008 tot en met 17 augustus 2008, is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis.

6. Naar aanleiding van de aanvraag tot herziening heeft de strafgriffie van de Hoge Raad de dossiers opgevraagd die ten grondslag hebben gelegen aan de hiervoor genoemde veroordelingen door de rechtbank te Zutphen en de politierechter in de rechtbank te Utrecht. Uit deze dossiers kan het volgende worden opgemaakt.

7. Bij vonnis van de rechtbank Zutphen d.d. 13 februari 2009 is de aanvrager veroordeeld voor het plegen van een vijftal verduisteringen van auto’s in de periode van 28 juli 2008 tot en met 23 oktober 2008 (de dag waarop de aanvrager werd aangehouden). Daarbij werd steeds dezelfde modus operandi gebruikt. Nadat de aanvrager de auto’s had meegenomen voor het maken van een proefrit bracht hij deze vervolgens niet terug en werden de auto’s doorverkocht of geheel gestript en in onderdelen verkocht. De onder 4. van dit vonnis bewezenverklaarde verduistering heeft betrekking op de zwarte Volkswagen Golf V met kenteken [AA-00-BB]. Voor de bewezenverklaring heeft de rechtbank Zutphen, zoals hiervoor weergegeven (rov. 4.13-4.15), gebruik gemaakt van:

- Een proces-verbaal van een op 18 augustus 2008 door [betrokkene 1] namens [A] te De Meern gedane aangifte van verduistering van een zwarte Volkswagen Golf V met kenteken [AA-00-BB].3 De aangifte houdt in dat een man, die zich met zijn rijbewijs legitimeerde als de aanvrager, op vrijdag 15 augustus 2008 een proefritformulier heeft ingevuld en vervolgens met genoemde auto een proefrit ging maken. Op zaterdag 16 augustus 2008 omstreeks 16:00 uur, toen de auto niet was teruggebracht, belde [betrokkene 1] naar de man, waarbij hij niemand aan de lijn kreeg en de voicemail insprak met het verzoek terug te bellen. Op maandag 18 augustus 2008 werd [betrokkene 1] door de politie gebeld met het bericht dat de auto compleet gestript was teruggevonden in Badhoevedorp.

- Een proefritformulier van [A] dat de naam van de aanvrager vermeldt als bestuurder van een Golf met kenteken [AA-00-BB]. 4 Het formulier vermeldt onder “aanvang” als datum 15-8 en als tijdstip 17:30 uur.

- Een proces-verbaal van een op 24 oktober 2008 in het politiebureau te Doetinchem gehouden verhoor van de aanvrager.5 In dit verhoor verklaart de aanvrager dat hij bij een Volkswagenbedrijf in Utrecht een zwarte Volkswagen Golf heeft weggenomen.6

8. In het van de rechtbank te Utrecht ontvangen dossier bevindt zich een proces-verbaal van de Regiopolitie Utrecht, Utrecht Stadstaken, nr. PL0915/09-016655, op 19 oktober 2009 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal bevat onder meer de volgende bijlagen:

- Het hiervoor onder 7 genoemde proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1] van 18 augustus 2008.7

- Het hiervoor onder 7 genoemde proefritformulier.8

- Een proces-verbaal van verhoor van de aanvrager van 2 oktober 2009.9 In dit verhoor wordt aan hem gevraagd wat hij weet van een zwarte Volkswagen Golf van [A] die hij op 15 augustus 2008 heeft meegenomen voor een proefrit. De aanvrager verklaart dat hij door de politie in Doetinchem is gehoord over twee of drie autodiefstallen, dat hij toen uit zichzelf twee of drie andere autodiefstallen heeft bekend en dat volgens hem die bekentenis ook betrekking had op de auto uit Utrecht.

9. Bij de gedingstukken heb ik geen proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter te Utrecht van 10 maart 2010 aangetroffen. Het opmaken hiervan is kennelijk op de voet van art. 378a Sv achterwege gebleven. Hoewel er dus geen sprake is van een in het proces-verbaal aangetekend vonnis waaruit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, kan worden aangenomen dat de veroordeling door de politierechter te Utrecht – evenals de veroordeling door de rechtbank te Zutphen – (mede) is gebaseerd op de aangifte van [betrokkene 1] van 18 augustus 2008 en het proefritformulier van [A], die eveneens voor het bewijs zijn gebruikt in het Zutphense vonnis voor de bewezenverklaring van de verduistering van de Volkswagen Golf met kenteken [AA-00-BB].

10. Uit bovenstaande gegevens kan worden afgeleid dat de aanvrager door de rechtbank Utrecht op 10 maart 2010 voor de tweede keer is veroordeeld voor hetzelfde feit, namelijk de verduistering van de Volkswagen Golf met kenteken [AA-00-BB] toebehorend aan [A], gepleegd op of na 15 augustus 2008.

11. De inhoud van de gedingstukken geeft mij nog aanleiding tot de volgende opmerkingen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van de rechtbank Utrecht blijkt dat het CJIB op 10 juni 2010 aan de officier van justitie te Utrecht het voorstel heeft gedaan om de in de zaak met parketnummer 16/446290-09 door de politierechter te Utrecht opgelegde werkstraf van 70 uren, omdat deze niet is uitgevoerd, om te zetten in vervangende hechtenis. Bij dit voorstel is informatie gevoegd over de desbetreffende strafzaak. Onder het kopje “STRAFBARE FEITEN” staat een verduistering met pleegplaats Utrecht vermeld. Als pleegperiode staat (incompleet) vermeld: “in de periode van 15 augustus 2008 tot e”. Als pleegdatum staat – kennelijk onjuist – vermeld: “15-08-2009”.

Uit de eveneens bijgevoegde rapportage van de reclassering van 8 juni 2010 blijkt dat de aanvrager op 27 mei 2010 contact heeft opgenomen met de reclassering met het verzoek “de werkstraf te retourneren” omdat het parket Utrecht een fout heeft gemaakt en hij dat zal gaan bewijzen de aankomende dagen. De reclassering heeft hierna op 28 mei 2010 geconcludeerd dat tenuitvoerlegging van de werkstraf is mislukt.

De officier van justitie te Utrecht heeft op 21 juni 2010 aan het CJIB medegedeeld dat hij de tenuitvoerlegging beveelt van de vervangende hechtenis voor de duur van 35 dagen. Deze mededeling aan het CJIB vermeldt als pleegdatum “15-08-2009”. Op 23 juni 2010 heeft het CJIB aan de aanvrager kennis gegeven van de omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis. Ook deze mededeling aan de aanvrager vermeldt als pleegdatum “15-08-2009”.

De aanvrager heeft bij brief van 21 juli 2010 (met vermelding van nr. 16/446290-09) aan de rechtbank te Utrecht, ter attentie van de officier van justitie, onder verwijzing naar een bijgevoegde brief van gelijke datum aan de rechtbank te Zutphen, verzocht een eventueel arrestatiebevel tegen hem op te schorten. De bijgevoegde brief van de aanvrager aan de rechtbank te Zutphen (met vermelding van nr. 06/460526-08) houdt in dat de aanvrager bericht heeft gekregen dat hij voor één van de feiten waarvoor hij eerder door de rechtbank Zutphen is veroordeeld opnieuw is veroordeeld door de rechtbank in Utrecht. De aanvrager schrijft in deze brief ook, dat als hij op korte termijn niet kan aantonen dat hij voor het desbetreffende feit al was veroordeeld, hij de kans loopt opnieuw gearresteerd te worden en dan zijn baan zal verliezen.

Op 28 juli 2010 heeft [betrokkene 2], werkzaam bij de Afdeling Executie van het openbaar ministerie, aan de aanvrager medegedeeld dat de veroordeling door de rechtbank te Zutphen betrekking heeft op feiten gepleegd in 2008, dat de zaak onder parketnummer 16/446290-09 betrekking heeft op een feit uit 2009 en dat het vonnis gehandhaafd blijft.

Bij brief van 5 augustus 2010 heeft de aanvrager aan de rechtbank te Utrecht (met vermelding van nr. 16/446290-09) geschreven dat hij van [betrokkene 2] heeft begrepen dat hij is veroordeeld voor een feit dat hij zou hebben gepleegd tussen 15 augustus 2009 en 17 augustus 2009. De aanvrager schrijft dat dit onmogelijk is omdat hij in die periode gedetineerd zat in Grave en dat hij vanwege een tijdelijk zwervend bestaan de stukken niet in zijn bezit heeft en daarom zelf niets kan controleren. De aanvrager stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld en verzoekt de veroordeling ongedaan te maken, zodat hij zijn werk kan behouden. De aanvrager sluit af met het verzoek om, indien zijn brief niet voldoende is om de veroordeling ongedaan te maken, aan te geven welke stappen hij moet ondernemen, of dat hij een advocaat moet inschakelen. Bij deze brief van 5 augustus 2010 aan de rechtbank is een brief van gelijke datum van de aanvrager aan de officier van justitie gevoegd. Deze brief aan de officier van justitie heeft een soortgelijke inhoud en bevat tevens het verzoek een eventueel arrestatiebevel op te schorten, zodat de aanvrager zijn baan kan behouden en een advocaat kan inschakelen om één en ander te regelen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat is gereageerd op de brieven van de aanvrager van 5 augustus 2010. Een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 november 2013 vermeldt dat de door de politierechter te Utrecht opgelegde werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, is geëxecuteerd in de periode 22 september 2010 – 27 oktober 2010, met de vermelding “Directeur P.I. Hoogeveen, De Grittenborgh”.

12. Uit het voorgaande blijkt dat de aanvrager, die destijds kennelijk niet van rechtsbijstand was voorzien, aan het openbaar ministerie kenbaar heeft gemaakt dat de veroordeling in de zaak waarin thans herziening wordt gevraagd, betrekking heeft op een feit waarvoor hij reeds door de rechtbank te Zutphen was veroordeeld. In een aantal op de veroordeling door de politierechter te Utrecht betrekking hebbende stukken wordt ten onrechte als pleegdatum 15 augustus 2009 vermeld. Aan de aanvrager is ook ten onrechte door de Afdeling Executie van het openbaar ministerie bericht dat de veroordeling door de politierechter te Utrecht betrekking heeft op een feit uit 2009. De gedingstukken wijzen erop dat deze – onjuiste – informatie ertoe heeft geleid dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis van 35 dagen is doorgezet.

13. Ik keer terug naar de aanvraag tot herziening. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aanvrager twee keer is veroordeeld voor hetzelfde feit. Omdat de eerste veroordeling onherroepelijk was ten tijde van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht, is dit vonnis in strijd met het bepaalde in art. 68 Sr gewezen. Als de politierechter ermee bekend zou zijn geweest – hetgeen kennelijk niet het geval was – dat de aanvrager voor het ten laste gelegde feit reeds onherroepelijk was veroordeeld, zou hij de officier van justitie niet-ontvankelijk hebben verklaard vanwege strijd met het in art. 68 Sr neergelegde ‘ne bis in idem’-beginsel.

14. Het voorgaande brengt mee dat de aanvraag tot herziening gegrond zal moeten worden verklaard. Om doelmatigheidsredenen kan de Hoge Raad zelf de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging in de zaak waarin herziening wordt gevraagd, omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 10 maart 2010 zal worden vernietigd en de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vervolging.10

15. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag, vernietiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Utrecht van 10 maart 2010 en niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging in de zaak met parketnummer 16/446290-09.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2013. Bij de gedingstukken bevindt zich ook een verklaring van [betrokkene 3], griffier van de (voormalige) rechtbank te Utrecht, d.d. 29 augustus 2016, inhoudende dat in de desbetreffende zaak “geen hoger beroep (voorziening)” openstaat.

2 Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2013 is dit vonnis op 28 februari 2009 onherroepelijk geworden. Bij de gedingstukken bevindt zich ook een verklaring van [betrokkene 4], griffier van de (voormalige) rechtbank te Zutphen, d.d. 29 augustus 2016, inhoudende dat in de desbetreffende zaak geen hogere voorziening openstaat.

3 Pagina’s 160-163. Deze aangifte is ook gevoegd bij de aanvraag tot herziening, maar dan voorzien van paginanummering 289-292. Deze paginanummering komt overeen met de pagina’s genoemd in voetnoot 13 in het vonnis van de rechtbank te Zutphen.

4 Pagina 164.

5 Pagina’s 62-64.

6 Deze stukken bevinden zich in het van de rechtbank te Zutphen ontvangen dossier als bijlagen in het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e 2e lid Sr” van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Recherche, District Achterhoek, nr. PL0640/08-207215, op 17 november 2008 opgemaakt door [verbalisant 3].

7 Pagina’s 5-8.

8 Pagina 22.

9 Pagina’s 12-14.

10 Vgl. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2296 en HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9215.