Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:65

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
16/03431
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:243, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Executieverjaring WOTS. Verjaring recht tot tenuitvoerlegging i.c. beoordeeld naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging. HR: art. 81.1 RO. HR ambtshalve: op de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak is het Nederlandse recht, waaronder de Nederlandse verjaringsregels, van toepassing. Ingevolge die regels is het recht tot uitvoering van de door Rb. opgelegde straf niet door verjaring vervallen. Volgt verwerping van het beroep. CAG: Vervolg op HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8291, NJ 2013//204. Bulgarije verzocht op 4 september 2008 om de overdracht van de tenuitvoerlegging van een Bulgaars vonnis van 28 september 1992 waarbij X wegens (kortgezegd) moord was veroordeeld tot zeventien jaren en zes maanden gevangenisstraf. De Nederlandse Rb. verleent bij vonnis van 22 juni 2016 verlof tot tenuitvoerlegging en veroordeelt X tot een gevangenisstraf voor de duur van 826 dagen gevangenisstraf waarvan 720 voorwaardelijk. In de schriftuur wordt aangevoerd dat tijdens de cassatieprocedure het recht tot tenuitvoerlegging naar Bulgaars recht is verjaard. CAG: middel faalt omdat in Nederland de vrijheidsstraf die de Nederlandse exequaturrechter heeft uitgesproken ten uitvoer wordt gelegd en niet de Bulgaarse straf. Verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie naar het recht van de veroordelende staat is relevant tot het moment waarop die sanctie is omgezet naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging. Naar Nederlands recht is het recht tot tenuitvoerlegging niet verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03431 W

Zitting: 17 januari 2017

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

1. Na vernietiging en terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 17 april 2012,1 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, bij beslissing van 22 juni 2016 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Plovdiv (Bulgarije) van 28 september 1992 waarbij [veroordeelde] wegens “moord op een bijzonder smartelijke wijze voor het slachtoffer, dat zich in hulpbehoevende staat bevond”, was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren en zes maanden. De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 826 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van een jaar.

2. De veroordeelde heeft beroep in cassatie doen instellen. Namens de veroordeelde heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de wederwaardigheden van de zaak weer omdat deze ertoe nopen een blik te werpen op de beschikbare mogelijkheden tot internationale samenwerking alsmede op de complicaties die zich daarbij kunnen voordoen. Een schets van de achtergrond van deze zaak dient tevens de beoordeling van het – in mijn ogen – springende punt in deze slepende zaak: de vraag of de verjaring naar Bulgaars recht van het recht tot tenuitvoerlegging van de in Bulgarije opgelegde straf aan de tenuitvoerlegging ervan in Nederland in de weg staat.

4. Op basis van de stukken kan de achtergrond van de onderhavige zaak, als volgt worden geschetst. [veroordeelde] is op 28 september 1992 in Bulgarije veroordeeld wegens moord. Het vonnis is op 14 maart 1994 onherroepelijk geworden door de beslissing van de Bulgaarse Hoge Raad om het beroep niet in behandeling te nemen.

5. De feiten ter zake waarvan [veroordeelde] is veroordeeld, zijn in de Nederlandse vertaling van het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging, als volgt weergegeven (waarbij ik vooraf opmerk dat de naam van [veroordeelde] daar wordt geschreven als: [veroordeelde]):

Op 11.08.1991 vroeg in de morgen bezocht [betrokkene] voor de zoveelste keer het huis van [veroordeelde] na gebruik van een grote hoeveelheid alcohol en viel in slaap in het bed naast haar. De veroordeelde kon zijn aanwezigheid niet meer uithouden, ze besliste zich van hem te bevrijden, waarbij zij hem vermoordt. [veroordeelde], die farmaceut van beroep is, wat al gekend is, bracht het slachtoffer in een hulpeloze toestand – ze verdoofde hem met chloroform. Nadien maakte ze de handen, de voeten en de hals van het slachtoffer vast aan het bed met beschikbare middelen – telefoonkabel, touw en ceintuur van jurk. Daarna overgoot ze hem met extractiebenzine en stak hem in brand. Ze bleef voor een paar minuten in de kamer, ondertussen werd de brandende [betrokkene] wakker en probeerde op te staan, maar hij kon niet, omdat hij vastgemaakt was. Toen verliet [veroordeelde] haar woning, maakte de deur op slot en nadat ze wat tijd in de wijk wandelde, ging ze zelf naar de Politie om over het gebeurde mee te delen.

6. In verband met de lange tijd die is verstreken tussen het onherroepelijk worden van de veroordeling in Bulgarije en de behandeling van de zaak in Nederland, is het volgende van belang. Tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank te Plovdiv is de voorlopige hechtenis van [veroordeelde] opgeheven, onder voorwaarde van de betaling van een geldbedrag. Nadat haar advocaat tegen de veroordeling door de rechtbank beroep bij de Bulgaarse Hoge Raad had ingesteld, heeft [veroordeelde] Bulgarije verlaten en is zij naar Nederland gereisd. De Bulgaarse Hoge Raad heeft het beroep niet in behandeling genomen op de grond dat [veroordeelde] niet aanwezig was.

7. Nadat [veroordeelde] Bulgarije had verlaten, is zij op 26 oktober 1993 in Nederland aangekomen. Hier heeft zij op 1 november 1993 asiel aangevraagd. Bij gelegenheid van het verhoor door de IND, begin november 1993, heeft [veroordeelde] te kennen gegeven dat zij in Bulgarije is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en zes maanden. [veroordeelde] heeft daarbij, volgens het verslag van dat verhoor, meegedeeld te zijn veroordeeld omdat zij een man had gedood die haar huis was binnengedrongen en haar had verkracht. Ook de bestuursrechter maakt in zijn beslissing in haar zaak melding van de veroordeling van [veroordeelde] door een Bulgaars gerecht.2

8. Bij beschikking van de staatssecretaris van Justitie van 21 september 1995 is [veroordeelde] met ingang van 8 juni 1994 een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend en is het bezwaar tegen de afwijzing van het beroep op vluchtelingschap afgewezen.3 Begin 1999 heeft [veroordeelde] de Nederlandse nationaliteit verkregen.4

9. Nadat Bulgarije op 1 januari 2007 lid was geworden van de Europese Unie hebben de Bulgaarse justitiële autoriteiten op 14 november 2007 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd.5

10. Uit de stukken heb ik niet kunnen opmaken welke pogingen Bulgarije in de tussentijd heeft ondernomen om de verblijfplaats van [veroordeelde] te achterhalen. Zij was onder haar eigen naam in Nederland ingeschreven. Evenmin heb ik uit de stukken kunnen opmaken hoe Bulgarije haar verblijfplaats alsnog heeft weten te achterhalen. Wel weet ik dat de invoering van het Europees aanhoudingsbevel in verscheidene EU-lidstaten ertoe heeft geleid om oudere strafzaken tegen het licht te houden. Het Kaderbesluit bood daarvoor gelegenheid doordat de overgangsbepaling uitwijst dat een Europees aanhoudingsbevel ook betrekking kan hebben op feiten die zijn gepleegd vóór het inwerkingtreden van het Kaderbesluit. Een overgangsregeling waaruit hetzelfde zou kunnen worden opgemaakt voor uitleveringsverzoeken ontbreekt in het Europees Verdrag betreffende uitlevering. Toch had Bulgarije op basis van dat EUV 1957 de uitlevering van [veroordeelde] kunnen verzoeken omdat aan uitleveringsverdragen terugwerkende kracht toekomt, tenzij het verdrag uitdrukkelijk anders bepaalt.6 Het EUV 1957 bepaalt niet uitdrukkelijk anders en is voor Bulgarije op 15 september 1994 in werking getreden, dus zowel nadat de feiten waren begaan waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld als nadat de veroordeling onherroepelijk is geworden.7 Op dezelfde datum is voor Bulgarije in werking getreden het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.8 Mogelijk is bij gebrek aan een verdragsgrondslag, in het kader van of parallel aan de vreemdelingenprocedure, vóór het inwerkingtreden van deze rechtshulpverdragen geen rechtshulp verzocht aan Bulgarije in het kader waarvan het mogelijk zou zijn geweest nadere informatie te verkrijgen over de veroordeling of gegevens over de verblijfplaats van [veroordeelde].

11. Aan het EAB is geen gevolg gegeven op de grond dat Nederland geen onderdanen ter executie van een vrijheidsbenemende sanctie overlevert.9 Vervolgens heeft Bulgarije aan Nederland verzocht de in Bulgarije opgelegde straf in Nederland ten uitvoer te leggen.10 De eerste poging daartoe liep stuk omdat het verzoek – op voorstel van een Nederlandse officier van justitie11 – was gebaseerd op het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafrechtelijke vonnissen 1970. Dat verdrag is evenwel uitdrukkelijk alleen van toepassing op vonnissen die zijn gewezen nadat het verdrag voor de betreffende staten in werking is getreden.12 Het verdrag is voor Bulgarije met ingang van 1 juli 2004 in werking getreden.13

12. Een dergelijk beletsel doet zich niet voor bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen 1983 (VOGP 1983). Dit verdrag is uitdrukkelijk van toepassing op veroordelingen die hetzij vóór hetzij na de inwerkingtreding ervan zijn uitgesproken.14 Op basis van artikel 2, eerste lid, Aanvullend Protocol 1997 bij dit verdrag kan het ook worden toegepast op veroordeelden die zich onttrekken aan de verdere tenuitvoerlegging door te vluchten naar het grondgebied van de staat waarvan zij de nationaliteit bezitten.15 Net als het verdrag is ook dit aanvullend protocol uitdrukkelijk van toepassing op veroordelingen die hetzij vóór hetzij na de inwerkingtreding van het protocol zijn uitgesproken.16 Het verzoek tot tenuitvoerlegging dat is gedateerd 5 januari 2011 berust op artikel 2 Aanvullend Protocol, zoals aan de Bulgaarse autoriteiten was voorgesteld door het Nederlandse ministerie van Veiligheid & Justitie.

13. In zijn arrest in de onderhavige zaak van 17 april 2012 heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 2 Aanvullend Protocol ook van toepassing is indien de veroordeelde na de ontvluchting de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, zoals [veroordeelde], en dat daarmee een verdragsbasis voor de tenuitvoerlegging aanwezig is.17 Op deze kwestie kom ik hieronder terug.

14. Bij vonnis van 7 september 2011 heeft de rechtbank te Leeuwarden, zittingsplaats Groningen, verlof tot tenuitvoerlegging verleend en [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren. De Hoge Raad heeft het vonnis bij arrest van 17 april 2012 vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank te Groningen.18 Een grond voor cassatie was gelegen in het volgende. De rechtbank had aangenomen dat naar Bulgaars recht in de procedure die had geleid tot de veroordeling een beroep had kunnen worden gedaan op psychische overmacht (en dat het voor een dergelijk beroep in de exequaturprocedure dus te laat was). Dat oordeel van de rechtbank kon echter naar het oordeel van de Hoge Raad niet zonder meer volgen uit de door de rechtbank genoemde stukken. Om die reden, zo vat ik het arrest op dit punt kort samen, had de rechtbank in de exequaturprocedure wel degelijk de gegrondheid van het beroep op psychische overmacht moeten beoordelen.

15. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, waarnaar de zaak door de Hoge Raad was verwezen, heeft uitvoerig aandacht besteed aan het beroep op psychische overmacht. De eerste zitting, van 4 juni 2014, is voor onbepaalde tijd geschorst, opdat het strafdossier in Bulgarije kon worden opgevraagd en vertaald teneinde mede op basis daarvan te kunnen beoordelen of de veroordeelde in de onderhavige exequaturprocedure met vrucht een beroep op psychische overmacht kon doen. De daarop volgende zitting van 13 mei 2015 is eveneens voor onbepaalde tijd geschorst, nu onder meer met het oog op het verrichten van deskundigenonderzoek naar de persoonlijkheid van de veroordeelde. Vervolgens is de zitting van 13 januari 2016 geschorst, zodat de deskundigen in de gelegenheid waren om met kennisneming van het Bulgaarse strafdossier nader te rapporteren. Op de zitting van 8 juni 2016 is de zaak verder inhoudelijk behandeld.

16. De rechtbank heeft de gegrondheid van het beroep op psychische overmacht inhoudelijk gewogen, doch te licht bevonden. Het cassatieberoep is tegen dit vonnis gericht. De rechtbank heeft wel bij de strafmotivering betrokken dat het bewezenverklaarde aan de veroordeelde “in sterk verminderde mate kan worden toegerekend”.

17. Daarmee kom ik bij de middelen. Het eerste middel is gericht tegen de verwerping van het beroep op psychische overmacht.

18. Over de middelen zelf kan ik, gelet op de inhoud van de overwegingen van de rechtbank, betrekkelijk kort zijn. Het juridische ‘venijn’ zit hem in de staart van de schriftuur waarin een beroep wordt gedaan op (executie)verjaring. Ik bespreek de middelen voordat ik deze kwestie bespreek.

19. Het eerste middel behelst twee klachten die in elkaars verlengde liggen. De eerste klacht luidt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard “aangezien verzoekster een beroep op psychische overmacht toekomt en er om die reden geen sprake is van dubbele strafbaarheid”. De tweede klacht luidt dat de rechtbank de verwerping van het beroep op psychische overmacht onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

20. Artikel 3, eerste lid aanhef en onder d, WOTS houdt in dat een in een vreemde staat opgelegde sanctie in Nederland slechts ten uitvoer kan worden gelegd voor zover “in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest”. Aan de hier vereiste dubbele strafbaarheid in concreto zou niet zijn voldaan (eerste klacht) omdat de veroordeelde naar Nederlands recht een beroep op psychische overmacht zou toekomen, dat de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen (tweede klacht).

21. Het oordeel van de rechtbank zou onbegrijpelijk zijn, zo wordt in de toelichting aangevoerd, in het licht van “hetgeen door verzoeker ter terechtzitting is gesteld ter zake van het ontbreken van alternatieve manieren om te handelen, alsmede in het licht van hetgeen door de Pro Justitia rapporteurs over de persoonlijkheid van verzoekster is gesteld”.

22. De rechtbank heeft het beroep op psychische overmacht in haar vonnis als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

“De rechtbank overweegt ten aanzien van de dubbele strafbaarheid het navolgende. De rechtbank heeft nader onderzoek laten verrichten naar de vraag of het Bulgaarse recht een artikel kent gelijk aan artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht, dat een beroep op psychische overmacht regelt. Op basis van het rapport van 16 oktober 2013, opgesteld door mr. dr. J.M. ten Voorde, kan worden geconcludeerd dat het wetboek van strafrecht van Bulgarije, in tegenstelling tot het Nederlandse strafrecht, geen psychische overmacht kent als aparte strafuitsluitingsgrond. Evenmin kan in het Algemene deel van de in dat wetboek opgenomen strafuitsluitingsgronden, psychische overmacht worden ingelezen.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WOTS 19 blijkt dat bij een dergelijke ongelijkheid tussen het buitenlandse en het Nederlandse recht, door de exequaturrechter, indien daarop een beroep wordt gedaan of anderszins het vermoeden rijst dat van een dergelijke ongelijkheid sprake is, aanvullend feitelijk onderzoek dient te worden verricht. De exequaturrechter moet in een voorkomend geval de veroordeelde, nu deze door de overdracht van de buitenlandse executie onder de werking van de Nederlandse rechtssfeer wordt gebracht, van eventuele gunstiger Nederlandse rechtsregels laten profiteren. Het vijfde lid van artikel 28 van de WOTS is voor dergelijke situaties geschreven.

Nu er door de raadsman een beroep op psychische overmacht is gedaan, dient de rechtbank zich uit te laten over de vraag of veroordeelde door psychische overmacht is gedrongen tot het plegen van het ten laste gelegde feit.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet aannemelijk gemaakt zijn dat veroordeelde zich ten tijde van het ten laste gelegde feit in zodanig bedreigende omstandigheden bevond dat, gelet op de daardoor bij haar ontstane gemoedstoestand, van haar in redelijkheid niet gevergd kon worden dat zij anders handelde dan zij heeft gedaan. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Veroordeelde werd gedurende een langere periode geïntimideerd, bedreigd met de dood en geestelijk en lichamelijk, waaronder ook seksueel, mishandeld.

Het slachtoffer controleerde en beheerste het leven van veroordeelde op zodanige (gewelddadige) wijze dat zij geen reële mogelijkheid zag om de ‘relatie’ met het slachtoffer te beëindigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat er ten tijde van het bewezen verklaarde handelen door veroordeelde sprake was van druk vanuit het slachtoffer op veroordeelde en dat veroordeelde in meer of mindere mate bevreesd was voor hem.

De rechtbank is echter van oordeel dat een beroep op psychische overmacht niet slaagt. Bij het beoordelen van psychische overmacht dient immers ook de proportionaliteits- en subsidiariteitseis te worden gesteld en zijn de maatstaven van belang die gelden voor wat redelijkerwijs in het maatschappelijke verkeer - in casu de Nederlandse samenleving - van mensen kan worden gevergd. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde in de onderhavige zaak elk redelijk alternatief heeft gelaten voor wat het was. Zij heeft het slachtoffer op een gruwelijke wijze, te weten (kort gezegd) door hem aan bed vast te binden, het bed (deels) te overgieten met benzine en in brand te steken, om het leven gebracht. Gelet op de op handen zijnde inbreuk op het absolute recht op leven van het slachtoffer mocht van veroordeelde in redelijkheid worden gevergd dat zij, ook met inachtneming van hetgeen omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde is gebleken, mogelijkheden had gezocht en benut om de gezondheid en het leven van het slachtoffer te sparen. Dat achterwege gelaten hebbende heeft veroordeelde gehandeld in strijd met de voor haar geldende proportionaliteitseis. Nu het beroep op psychische overmacht niet wordt gehonoreerd, is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid voldaan.”

23. Nu een bespreking van de klachten. Het oordeel van de rechtbank wordt m.i. niet onbegrijpelijk doordat de rechtbank zich deels verenigt met hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, maar daaraan vervolgens een andere conclusie verbindt, namelijk dat het aangevoerde feitensubstraat onvoldoende is voor het aannemen van psychische overmacht. Het oordeel van de rechtbank, dat de veroordeelde “elk redelijk alternatief heeft gelaten voor wat het was”, is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de rapportages. De gedragsdeskundigen zijn namelijk van mening, zo overweegt de rechtbank in het kader van de straftoemeting, “dat op basis van de stoornis, de persoonlijkheid van veroordeelde, in combinatie met de situatie op dat moment, veroordeelde in ieder geval verminder – tot sterk verminderd –, tot bijna ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.” De rechtbank heeft zich met deze conclusies verenigd en deze conclusies overgenomen, en met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de veroordeelde geconcludeerd “dat het bewezen verklaarde aan veroordeelde in sterk verminderde mate kan worden toegerekend”. In het licht hiervan acht ik het oordeel van de rechtbank, “dat veroordeelde in de onderhavige zaak elk redelijk alternatief heeft gelaten voor wat het was” niet onbegrijpelijk. Het is niet onverenigbaar met het oordeel van de gedragsdeskundigen dat de veroordeelde “sterk verminderd” toerekeningsvatbaar was, maar dus niet ontoerekeningsvatbaar. Bovendien gaat het er bij de beoordeling van een beroep op psychische overmacht niet slechts om of de veroordeelde een redelijk alternatief kon kiezen maar ook of dit van haar juridisch, normatief mocht worden verlangd.20

24. De klacht dat de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk zou zijn gelet op “hetgeen door verzoeker ter terechtzitting is gesteld ter zake van het ontbreken van alternatieve manieren om te handelen” voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. In de schriftuur wordt uit de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie geciteerd, zonder vervolgens met de vereiste nauwkeurigheid aan te geven welke onderdelen daarvan de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk zouden maken. De klacht moet daarom verder onbesproken blijven.

25. Het middel faalt.

26. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank het beroep op overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

27. Met betrekking tot het beroep op schending van de redelijke termijn, heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende overwogen:

“Veroordeelde is op 28 september 1992 door het arrondissementsrechtbank Plovdiv veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 17 jaren en 6 maanden. Dit vonnis is bekrachtigd door de Hoge Raad van Bulgarije op 14 maart 1994. Veroordeelde is na haar veroordeling door de rechtbank gevlucht naar Nederland en heeft hier een nieuw leven opgebouwd.

Van belang bij de beoordeling of een termijn redelijk is te noemen, is onder meer het gedrag van de veroordeelde en de houding van de justitiële autoriteiten.

Door Bulgarije te ontvluchten heeft veroordeelde zich aan de tenuitvoerlegging van de aan haar opgelegde vrijheidsstraf onttrokken. Veroordeelde heeft nimmer haar verblijfplaats bekend gemaakt aan de Bulgaarse autoriteiten. De vertraging die dit heeft opgeleverd komt voor rekening van veroordeelde. De Bulgaarse autoriteiten hebben pogingen gedaan veroordeelde op te sporen, maar deze pogingen zijn lange tijd vruchteloos gebleven. Na een aantal jaren is veroordeelde in Nederland opgespoord. Niet kan derhalve worden gezegd dat de Bulgaarse autoriteiten geen activiteiten hebben ondernomen om veroordeelde op te sporen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop aan veroordeelde is te wijten en dat er derhalve geen sprake is van schending van de redelijke termijn.”

28. Het oordeel van de rechtbank is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk omdat [veroordeelde] bij binnenkomst in Nederland uitgebreid heeft verklaard over het feit dat zij in Bulgarije was veroordeeld, zodat het volgens de steller van het middel “niet aan haar te wijten [is] dat de Bulgaarse autoriteiten niet op hoogte zouden zijn van haar verblijfplaats.” Bovendien zou onbegrijpelijk zijn de vaststelling dat de Bulgaarse autoriteiten pogingen hebben gedaan om de veroordeelde op te sporen, en dit (volgens de steller van het middel) omdat het dossier op dit punt tegenstrijdige informatie bevat. De tegenstrijdigheid zou blijken uit enerzijds de vordering tot erkenning en uitvoering van het vonnis van Bulgaarse rechtbank en anderzijds “het ‘Voorstel’ van het Arrondissementsparket Plovdiv”, die beide als bijlage bij de schriftuur zouden zijn gehecht. Als bijlage heb ik wel de vordering aangetroffen maar niet het voorstel, zodat het beroep op tegenstrijdigheid reeds faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

29. De mededelingen van [veroordeelde] over haar veroordeling in Bulgarije bij het verhoor door de IND doen niet af aan de constatering van de rechtbank dat de veroordeelde nimmer haar verblijfplaats bekend heeft gemaakt “aan de Bulgaarse autoriteiten”. De Nederlandse IND is geen Bulgaarse autoriteit.

30. Het middel faalt in zoverre.

31. Dan kom ik thans toe aan een klacht die aan het eind van de schriftuur naar voren wordt gebracht. De klacht lijkt naar voren te worden gebracht als sluitstuk van het tweede middel, dat klaagt over de verwerping van het verweer dat de redelijke termijn is overschreden. In dat kader lijkt tot slot in de toelichting te worden geklaagd over verjaring van het feit. ‘Lijkt’, schreef ik twee keer, omdat de opmaak van de schriftuur21 en de bewoordingen van dit onderdeel, erop wijzen dat dit geen onderdeel vormt van het tweede middel, maar meer een opmerking ten overvloede betreft dan een afzonderlijke klacht.

32. De schriftuur houdt het volgende in:

Verjaring.

Verzoekster wil ook graag uw aandacht vragen voor het feit dat hangende de cassatieprocedure de executieverjaring naar Bulgaars recht intreedt.

Ingevolge artikel 82, vierde lid van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht7 verjaart het recht tot executie van de straf in de onderhavige zaak na 22 jaar en 6 maanden, derhalve op 15 september 2016.

Verzoekster verzoekt u ambtshalve te bepalen dat de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar is op grond van artikel 3, eerste lid sub a WOTS is omdat de rechterlijke beslissing in Bulgarije niet (meer) voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Vergelijk in dit verband HR:17 maart 2009:ECLI:NL:HR:2009:BH3181 inzake een verzoek tot uitlevering.

33. Mogelijk is het punt van de executieverjaring niet als een afzonderlijk middel naar voren gebracht op de grond dat ten tijde van het indienen van de schriftuur de executieverjaring nog niet was ingetreden en de Hoge Raad een enigszins vergelijkbare klacht, die vooruitloopt op een in cassatie te ontstane overschrijding van de redelijke termijn en aldus “slechts” klaagt “over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk”, niet als middel van cassatie heeft aanmerkt.22

34. Om cassatie-technische redenen versta ik het tweede middel aldus dat in het kader van de inbreuk op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, ook wordt geklaagd dat naar Bulgaars recht het recht tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is verjaard. Voor zover de Hoge Raad het middel anders zou willen uitleggen, merk ik het navolgende eveneens ambtshalve op.

35. Het beroep dat in de schriftuur op verjaring wordt gedaan, berust op informatie die is verstrekt door de Bulgaarse autoriteiten in de “Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank”, d.d. 4 september 2008. De vordering maakt deel uit van de stukken.

36. Met betrekking tot de (executie)verjaring vermeldt de vordering het volgende (ik citeer de door de Bulgaarse autoriteiten overgelegde Nederlandse vertaling):

Overeenkomstig verordening nr. 82, al. 1, p. 2 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht is de verjaring voor de uitvoering van de opgelegde op de veroordeelde [veroordeelde] straf 17 jaren en 6 maanden gevangenisstraf VIJFTIEN JAREN. Volgens art. 82, al. 2 en al. 3 van het Wetboek van strafrecht is deze verjaring te rekenen vanaf de inkrachttreding van het vonnis en wordt onderbroken met iedere handeling van de bevoegde organen, ondernomen tegenover de veroordeelde tenuitvoerlegging, na aflopen van de handeling begint een nieuwe verjaring te lopen. Zo’n geldige handeling voor onderbreking van de verjaring in de zin van art. 82, al. 3 van het Wetboek van Strafrecht en art. 8 van de Conventie, behelst de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel van [veroordeelde] op 16.11.2007 door het Arrondissementsparket stad Plovdiv, dat het bevoegde orgaan in de executie van de straffen is, aan Koninkrijk der Nederlanden voor de overlevering van de persoon. En omdat de relatieve 15-jarige verjaring onderbroken was, dan is de absolute verjaring voor uitvoering van de straf TWEEËNTWINTIG JAREN EN ZES MAANDEN (22 jaren en 6 maanden) volgens art. 82, al. 4 van het Wetboek van Strafrecht.

37. Op basis van deze informatie mag er in cassatie vooralsnog van worden uitgegaan dat de absolute executieverjaring naar Bulgaars recht is ingetreden op of omstreeks 14 september 2016. De vraag is echter of de executieverjaring naar het recht van de staat die verzoekt om tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie (hierna: de verzoekende staat) aan overname en tenuitvoerlegging door Nederland in de weg staat.

38. De toepasselijke Nederlandse regeling bepaalt in artikel 6, eerste lid, WOTS dat een in een vreemde staat opgelegde sanctie in Nederland niet ten uitvoer kan worden gelegd “indien het recht tot uitvoering van de straf naar Nederlands recht zou zijn verjaard”. A contrario zou hieruit (wellicht) kunnen worden opgemaakt dat verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de straf naar het recht van de verzoekende staat, niet aan tenuitvoerlegging in Nederland in de weg staat. Is het recht tot tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht verjaard?

39. Naar Nederlands recht zou het recht tot tenuitvoerlegging van de straf die op 14 maart 1994 onherroepelijk is geworden, niet zijn verjaard. Ten tijde van de veroordeling verjaarde het recht tot tenuitvoerlegging van een veroordeling ter zake van moord, na 24 jaren.23 Toen deze verjaringstermijn nog niet was verstreken, is op 1 januari 2006 de executieverjaring afgeschaft voor feiten waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, zoals moord.24 Naar Nederlands recht verjaart het recht tot tenuitvoerlegging van een veroordeling ter zake van moord dus sinds 1 januari 2006 niet meer.

40. De regeling van de verjaring is tijdens de parlementaire voorbereiding van de WOTS betrekkelijk summier toegelicht. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat zou leiden tot de WOTS werd hierover eerst opgemerkt dat deze ontwerpbepalingen goeddeels voor zichzelf zullen spreken. Ik citeer:

De andere uitgezonderde gevallen (verjaring van het executierecht naar Nederlands recht, de jeugdige leeftijd van de veroordeelden en een lopende vervolging ter zake van dezelfde feiten in Nederland of ne bis in idem overwegingen) zullen goeddeels voor zichzelf spreken.25

41. Vervolgens is het verband tussen het voorgestelde artikel 6 WOTS en de regeling inzake de verjaring die is opgenomen in het EVIGS, als volgt toegelicht:

Artikel 6 dient, in geval van toepassing van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen, te worden bezien in samenhang met artikel 8 van dat verdrag, bepalende dat door de autoriteiten van de staat van veroordeling rechtsgeldig verrichte handelingen, die de verjaring stuiten of schorsen, geacht worden dezelfde rechtskracht te hebben in de staat van tenuitvoerlegging voor de vaststelling van de verjaring volgens het recht van die staat. Opvallenderwijs bevat het Benelux-verdrag geen specifieke bepalingen met betrekking tot de verjaring. Aangenomen moet echter worden dat de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis, waartoe het recht in Nederland zou zijn verjaard, ook met inachtneming van schorsende handelingen, in strijd is met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde en uit dien hoofde krachtens artikel 5, eerste lid, onder g, van dat verdrag ontoelaatbaar is.26

42. Verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf naar het recht van de verzoekende staat, is in de WOTS niet als weigeringsgrond geformuleerd. Ook in de toepasselijke wetgeving van Duitsland en Zwitserland ontbreekt verjaring naar het recht van de veroordelende staat als weigeringsgrond en is alleen verjaring naar het recht van respectievelijk Duitsland en Zwitserland als weigeringsgrond opgenomen.27 In de toepasselijke Belgische wet is verjaring niet als zelfstandige weigeringsgrond opgenomen.28

43. In het toepasselijke verdrag ontbreekt verjaring naar het recht van de veroordelende staat als weigeringsgrond eveneens.

44. De eis dat het recht tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf naar het recht van de verzoekende staat niet is verjaard, lijkt zo vanzelfsprekend dat deze niet is opgenomen in het voor de praktijk belangrijkste multilaterale verdrag dat betrekking heeft op de overname en overdracht van vrijheidsbenemende sancties, het VOGP 1983, dat ook in de onderhavige zaak van toepassing is. Paridaens schrijft over het ontbreken van executieverjaring naar het recht van de veroordelende staat als weigeringsgrond, het volgende:

“Voor de overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis is het uiteraard van belang dat het recht tot uitvoering van de sanctie naar het recht van de staat van veroordeling niet is vervallen. Voor zover een staat zelf niet bevoegd is een strafvonnis (verder) ten uitvoer te leggen, kan hij de tenuitvoerlegging daarvan ook niet overdragen. Dit is zo vanzelfsprekend dat de meeste executieverdragen geen zelfstandige weigeringsgrond bevatten voor het geval het recht tot tenuitvoerlegging van het strafvonnis naar het recht van de staat van veroordeling is vervallen, bijvoorbeeld omdat de executieverjaring is ingetreden of omdat aan de veroordeelde gratie is verleend.” 29

45. Vervolgens wijst Paridaens op het toelichtend rapport bij het EVIGS 1970 – het ‘andere’ multilaterale overname- en overdrachtsverdrag – waarin het ontbreken van een verwijzing naar de executieverjaring naar het recht van de verzoekende staat als volgt wordt verklaard:

“No mention is made of the law of the requesting State on time limitation for sanction. This is because presentation of the request for enforcement presupposes that under that State's law the sanction was not precluded at the time the request was made, for otherwise it could not have made the request according to its own law. It therefore was unnecessary to provide for the requested State to make any subsequent inquiry into the question.” 30

46. Een uitzondering van de multilaterale verdragen die betrekking hebben op de overdracht van de tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis, vormt het Verdrag tussen de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen 1991, waarin wél is voorzien in een weigeringsgrond voor het geval waarin het recht tot tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van hetzij de staat van tenuitvoerlegging hetzij de staat van veroordeling.31 De regel is tijdens de parlementaire goedkeuring van dit verdrag niet nader toegelicht.32 Het verdrag, het EG-TUL 1991, is niet in werking getreden maar wordt door Nederland voorlopig toegepast. Doordat Bulgarije geen partij is bij het verdrag, is het echter niet van toepassing in de onderhavige zaak.33

47. Van de bilaterale overdracht en overnameverdragen waarbij Nederland partij is, voorziet alleen het verdrag met Marokko in een expliciete weigeringsgrond in geval het recht tot tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging.34 De bepaling is tijdens de Nederlandse goedkeuringsprocedure niet toegelicht.35

48. Voor een aanverwant geval van rechtshulp voorzien verdragen wél in een weigeringsgrond indien de ten uitvoer te leggen sanctie is verjaard naar het recht van de staat van veroordeling. Het betreft regelingen inzake uitlevering, welke vorm van rechtshulp immers ook kan worden verzocht ter zake van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie. Vanwege deze verwantschap met de overdracht van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie, ligt het voor de hand voor de uitleg van de regeling inzake de overdacht van de tenuitvoerlegging aan te sluiten bij het uitleveringsrecht. Een volledige gelijkstelling gaat echter niet op omdat uitlevering ter fine van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de sanctie die is opgelegd door een gerecht van de verzoekende staat zelf, zodat het om die reden voor de hand ligt dat de regels inzake de executieverjaring van de ten uitvoer leggende staat van toepassing zijn. Ik illustreer dat aan de hand van HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3181, RvdW 2009/457, waarop een beroep wordt gedaan in de schriftuur. Nadat de rechtbank de uitlevering aan Macedonië toelaatbaar had verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van een door een Macedonisch gerecht opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een jaar en zes maanden, kwam bij de advocaat-generaal bij de Hoge Raad informatie binnen van de Macedonische autoriteiten dat het recht tot tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf naar Macedonisch recht was verjaard. De Hoge Raad verklaarde de uitlevering vervolgens, gelet op het bepaalde in artikel 10 EUV 1957, ontoelaatbaar.

49. Artikel 10 EUV 1957 houdt in dat de uitlevering wordt geweigerd indien het recht tot bestraffing is verjaard krachtens het recht van hetzij de verzoekende hetzij de aangezochte staat.36 In het nadien tot stand gekomen Benelux uitleverings- en rechtshulpverdrag (BURV 1962) ontbreekt echter de executieverjaring naar het recht van de staat van veroordeling als uitdrukkelijke weigeringsgrond. Artikel 9 houdt in dat de uitlevering niet zal worden toegestaan indien de straf is verjaard naar het recht van de aangezochte staat.37 Uit het door de drie regeringen goedgekeurde gemeenschappelijk commentaar bij artikel 9 BURV 1962 blijkt dat het opnemen van executieverjaring naar het recht van de verzoekende staat niet nodig was omdat het ‘vanzelfsprekend’ werd geacht dat dit land de uitlevering dan niet zou verzoeken:

“De strekking van deze bepaling komt overeen met die van artikel 10 van de Europese overeenkomst. Gezien de tussen de Benelux- landen bestaande verhoudingen lijkt het overbodig uitdrukkelijk te vermelden, dat de uitlevering niet zal worden toegestaan, indien de verjaring volgens het recht van het aanvragende land heeft plaatsgehad. Het spreekt immers vanzelf, dat dat land in een dergelijk geval geen verzoek om uitlevering zal indienen.” 38

50. Executieverjaring naar het recht van de ten uitvoer leggende justitiële autoriteit is evenmin als weigeringsgrond opgenomen in het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.39 Glerum noemt dit een “logisch uitvloeisel” van de hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten.40 Daarmee is de lading echter niet helemaal gedekt, omdat vertrouwen zich er enerzijds tegen kan verzetten te eisen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit verklaart of aantoont dat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf ter zake van de feiten waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft niet is verjaard, maar anderzijds niet mag betekenen dat een EAB zou mogen worden uitgevaardigd om een straf ten uitvoer te leggen die inmiddels is verjaard naar het recht van de uitvaardigende lidstaat of dat geen navraag zou mogen worden gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit indien feiten en omstandigheden naar voren komen waaruit het “rechtstreeks en ernstige vermoeden” rijst dat het recht tot tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit.41 Iets vergelijkbaars doet zich namelijk voor bij het EUV 1957 dat in artikel 10 wel een uitdrukkelijke weigeringsgrond bevat ingeval het recht tot tenuitvoerlegging van de straf is verjaard naar het recht van de verzoekende lidstaat, maar waarbij in de toelichting is opgemerkt dat het niet aan de aangezochte staat is vast te stellen of de verjaring naar het recht van de verzoekende staat is ingetreden.42 Het één (vertrouwen) is niet onverenigbaar met het ander (weigeringsgrond) omdat in de uitleveringsprocedure feiten en omstandigheden naar voren kunnen komen die – niettegenstaande het bestaande vertrouwen – het rechtstreeks en ernstige vermoeden doen rijzen dat het recht tot tenuitvoerlegging naar het recht van de verzoekende (uitlevering) of uitvaardigende (overlevering) lidstaat is verjaard. Zonder dergelijke feiten en omstandigheden moet erop worden vertrouwd dat het recht tot tenuitvoerlegging of strafvervolging niet is verjaard.

51. Ook de regeling inzake de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties binnen de EU voorziet niet in een weigeringsgrond voor het geval de opgelegde sanctie niet meer ten uitvoer kan worden gelegd naar het recht van de veroordelende lidstaat.43 Ook hier is alleen voorzien in een weigeringsgrond indien de tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van de uitvoerende lidstaat. De weigeringsgrond is facultatief geformuleerd in het betreffende kaderbesluit en als een dwingende weigeringsgrond in de Nederlandse uitvoeringswet. Overigens kon deze regeling in de onderhavige zaak niet worden toegepast omdat ze alleen van toepassing is op veroordelingen die op of na 5 december 2011 zijn gegeven.44

52. Uit de hierboven weergegeven instrumenten inzake uitlevering en overlevering kan worden opgemaakt dat uitlevering of overlevering ter fine van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie ontoelaatbaar is indien het recht tot tenuitvoerlegging inmiddels is verjaard in de verzoekende staat. Uit HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3181, RvdW 2009/457 kan worden opgemaakt dat dit ook geldt indien pas tijdens de behandeling van het cassatieberoep blijkt dat de executieverjaring is ingetreden.

53. In het verlengde hiervan moet ook voor de overname van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis waarbij een vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd, worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging moet worden geweigerd indien het recht tot tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van de staat van veroordeling. In het EG-TUL 1991 is de executieverjaring naar het recht van de staat van veroordeling expliciet als weigeringsgrond opgenomen terwijl in andere overdracht- en overname-instrumenten – zoals het in de onderhavige zaak toepasselijke VOGP 1983 – het kennelijk als zo vanzelfsprekend is geacht dat een verzoek om tenuitvoerlegging in die situatie niet zou worden gedaan en tenuitvoerlegging niet zou plaatsvinden, dat niet in een uitdrukkelijke weigeringsgrond is voorzien.

54. Om deze redenen zou het Bulgaarse vonnis in Nederland niet meer ten uitvoer kunnen worden gelegd indien het recht tot tenuitvoerlegging naar Bulgaars recht is verjaard.

55. De vraag is echter of het Bulgaarse verzoek tot tenuitvoerlegging de executieverjaring niet heeft gestuit. Een aanknopingspunt daarvoor biedt zowel het Bulgaarse verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging als de Nederlandse strafwet.

56. De “Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank”, die ik hierboven citeerde, houdt met betrekking tot de stuiting van de verjaring, het volgende in:

“Zo’n geldige handeling voor onderbreking van de verjaring in de zin van art. 82, al. 3 van het Wetboek van Strafrecht en art. 8 van de Conventie, behelst de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel van [veroordeelde] op 16.11.2007 door het Arrondissementsparket stad Plovdiv, dat het bevoegde orgaan in de executie van de straffen is, aan Koninkrijk der Nederlanden voor de overlevering van de persoon.”

57. Een vergelijkbare bepaling is neergelegd in artikel 76a, vijfde en zes lid, Sr, waarbij is voorzien in een nadere regeling van de verjaring van de tenuitvoerlegging naar Nederlands recht die betrekking heeft op het geval waarin de tenuitvoerlegging van de straf is overgedragen. Oorspronkelijk was deze regeling, met het in werking treden van de WOTS, opgenomen in artikel 77 Sr. Sinds 1 september 1995 is deze vernummerd tot artikel 76a, vijfde en zesde lid, Sr.45

58. Voor de onderhavige zaak is de regeling van belang die thans is neergelegd in artikel 76a, vijfde lid, Sr waarin is bepaald dat de executieverjaringstermijn niet loopt “gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde Staat is overgedragen, zolang de Minister van Justitie van de autoriteiten van die Staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.”

59. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat resulteerde in de WOTS en het invoegen van een vijfde lid in artikel Sr, thans artikel 76a, vijfde lid, Sr, houdt het volgende in:

De aanvulling van artikel 77 van het Wetboek van Strafrecht regelt de gevolgen die een verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een Nederlandse rechterlijke beslissing heeft op het punt van de verjaring. Tussen het moment waarop de tenuitvoerlegging van de sanctie is overgedragen (dat wil zeggen het moment van verzending van het verzoek tot tenuitvoerlegging als de veroordeelde niet meer in Nederland is, althans hier geen straf ondergaat, dan wel het moment waarop een veroordeelde daadwerkelijk ter beschikking wordt gesteld van de buitenlandse autoriteiten ter verdere tenuitvoerlegging van zijn straf) en het moment waarop bericht van de aangezochte staat is ontvangen of deze de tenuitvoerlegging overneemt, is de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging geschorst. Zou de aangezochte staat eerst na lange tijd berichten niet bereid of in staat te zijn de tenuitvoerlegging over te nemen, dan heeft dat niet ten gevolge dat inmiddels het Nederlandse executierecht zou kunnen zijn verjaard.46

60. Indien deze regeling van de executieverjaring op de onderhavige zaak zou worden toegepast, dan zou het recht tot tenuitvoerlegging niet zijn verjaard op de grond dat het eerste verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging, gegrond op het EVIGS 1970, is gedaan op 4 september 2008, en het tweede verzoek, gegrond op het VOGP 1983 en het Aanvullend Protocol, is gedaan op 5 januari 2011, beide ruim voor het verstrijken van de verjaringstermijn. Artikel 76a Sr behelst echter de Nederlandse regeling van de executieverjaring die van toepassing is op zaken waarin Nederland als verzoekende staat optreedt en niet als ten uitvoer leggende staat zoals in de onderhavige zaak.

61. Het toepasselijke overdrachtsverdrag bevat geen nadere regeling van de stuiting van de verjaring. Het EVIGS 1970 bevat in artikel 8 wel zo een regeling, maar die komt erop neer dat door de autoriteiten van de staat van veroordeling rechtsgeldig verrichte handelingen die de verjaring stuiten, geacht worden dezelfde rechtskracht te hebben in de staat van tenuitvoerlegging voor de vaststelling van de verjaring naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging.47 Uit deze regeling kan daarom niet volgen dat de Nederlandse regeling van de executieverjaring mag worden toegepast op de verjaring naar het recht van de staat van veroordeling.

62. Zelfs als de verjaring was gestuit vanwege het verzoek om tenuitvoerlegging, dan zou dit de tenuitvoerlegging niet baten, omdat naar Bulgaars recht de verjaringstermijn in absolute zin is gemaximeerd tot 1,5 maal de ‘relatieve’ verjaringstermijn. Uit de “Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank” blijkt namelijk dat de “absolute verjaring voor uitvoering van de straf TWEEËNTWINTIG JAREN EN ZES MAANDEN (22 jaren en 6 maanden)” bedraagt.

63. Om deze redenen zou het Bulgaarse vonnis in Nederland niet meer ten uitvoer kunnen worden gelegd omdat het recht tot tenuitvoerlegging naar Bulgaars recht is verjaard. In zoverre acht ik de klacht gegrond. Daarmee zijn we er nog niet. Ik werp een nuance op die tot nog toe niet aan bod is gekomen.

64. Tot cassatie kan de executieverjaring (naar Bulgaars recht) naar mijn inzicht toch niet leiden omdat de onderhavige zaak uiteindelijk geen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van het Bulgaarse vonnis. Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 22 juni 2016 waarbij [veroordeelde] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 826 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van een jaar.

65. In de onderhavige zaak wordt de Bulgaarse veroordeling niet voortgezet tenuitvoergelegd zoals is voorzien in de artikelen 9, eerste lid aanhef en onder a i.c.m. 10 VOGP 1983, maar omgezet door middel van de exequaturprocedure zoals is voorzien in de artikelen 9, eerste lid aanhef en onder b i.c.m. 11 VOGP 1983.

66. De omzettingsprocedure houdt in, zoals dat in artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, VOGP 1983 is verwoord, dat de bevoegde autoriteiten van de staat van tenuitvoerlegging, door middel van een rechterlijke procedure “convert the sentence […] into a decision of that State, thereby substituting for the sanction imposed in the sentencing State a sanction prescribed by the law of the administering State for the same offence”.

67. Voor de omzettingsprocedure is ook artikel 31, eerste lid, WOTS van belang waarin het volgende is bepaald:

De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

68. De beslissing van de rechtbank, waartegen het cassatieberoep is gericht, bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van het Bulgaarse vonnis. Ten tijde van het verlenen van dit verlof was het recht tot tenuitvoerlegging van dit Bulgaarse vonnis naar Bulgaars recht niet verjaard, althans dat is in cassatie niet aangevoerd, terwijl op basis van de stukken moet worden aangenomen dat het recht tot tenuitvoerlegging naar Bulgaars recht in september 2016 is verjaard.

69. Het tweede onderdeel van de beslissing van de rechtbank betreft het opleggen van de straf of maatregel “welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld”. Daarmee is de door de rechtbank opgelegde straf in de plaats getreden van de straf die door de Bulgaarse rechter is opgelegd. De straf die het Nederlandse OM ten uitvoer legt betreft (dan ook) niet de oorspronkelijke door de Bulgaarse rechter opgelegde straf, maar de gevangenisstraf die door de Nederlandse rechtbank zelfstandig is vastgesteld, zulks naar Nederlands recht zoals dat gold op het moment van haar beslissing, en met gebondenheid aan de veroordeling die door de Bulgaarse rechter is uitgesproken.48

70. Met de beslissing van de Nederlandse rechtbank, waartegen het cassatieberoep is gericht, is de Bulgaarse straf omgezet in een Nederlandse straf en is de vraag naar het recht tot tenuitvoerlegging van de Bulgaarse straf niet langer relevant.

71. Voor deze uitleg vind ik niet alleen steun in HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9852, NJ 2012/129, maar ook in de tekst van het VOGP, de parlementaire voorbereiding van de WOTS, alsmede de Belgische en Duitse parlementaire voorbereiding van de goedkeuringswetten.

72. Met betrekking tot de, in de onderhavige zaak gevolgde, exequaturprocedure, houdt artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, VOGP 1983 in dat de bevoegde autoriteiten van de staat van tenuitvoerlegging, door middel van een rechterlijke procedure “convert the sentence […] into a decision of that State, thereby substituting for the sanction imposed in the sentencing State a sanction prescribed by the law of the administering State for the same offence”.

73. In de toelichtingen die van regeringswege op het VOGP zijn gegeven bij de Belgische en Duitse goedkeuringswet wordt ook te kennen gegeven dat de beslissing van de Belgische respectievelijk Duitse rechter geldt als grondslag voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling.49

74. Ook bij de parlementaire voorbereiding van de WOTS heeft de Nederlandse regering toegelicht dat de “eigen beslissing van de exequaturrechter […] in de plaats treedt van die van de buitenlandse rechter” en dat als gevolg daarvan de omzetting heeft plaatsgevonden “in een Nederlandse rechterlijke uitspraak”.50

75. Aan de zaak die leidde tot HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9852, NJ 2012/129 lag een Engelse veroordeling ten grondslag waarvan de tenuitvoerlegging door Nederland was overgenomen. In cassatie was de vraag aan de orde of de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter moest worden aangemerkt als de “veroordeling tot vrijheidsstraf”, omdat in dat geval, op grond van de toepasselijke overgangsbepaling, de – voor de veroordeelde minder gunstige – nieuwe Nederlandse regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing zou zijn op de grond dat die ná het Engelse vonnis in werking was getreden, doch vóór de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter. De Hoge Raad overwoog in r.o. 3.4.2 het volgende:

De (onherroepelijke) beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2009 komt neer op de verlening van verlof tot de tenuitvoerlegging van de door de Engelse rechter gegeven beslissing en de oplegging van een gevangenisstraf op de voet van art. 31 Wots in verbinding met art. 9 lid 1, onder b, en art. 11 lid 1 Vogp.

Daarmee is de door de rechtbank opgelegde straf in de plaats gesteld van de door de Engelse rechter opgelegde straf en is de straf die het Openbaar Ministerie in Nederland ten uitvoer legt niet de oorspronkelijke door de Engelse rechter opgelegde vrijheidsstraf, maar de door de rechtbank - met gebondenheid aan de door de Engelse rechter uitgesproken veroordeling - zelfstandig naar het op het moment van haar beslissing geldende Nederlands recht vastgestelde gevangenisstraf. Aan de in de Wots gebezigde terminologie, dat "verlof" wordt verleend tot de tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing, kan niet worden ontleend dat de straf niet door de Nederlandse rechter wordt opgelegd; het gaat hier immers niet om voortzetting van de tenuitvoerlegging van een veroordeling (waarop art. 43 Wots in verbinding met art. 9 lid 1, onder a, Vogp het oog heeft).

Het voorgaande brengt mee dat de op de voet van art. 31 Wots gegeven beslissing waarbij de gevangenisstraf wordt opgelegd, moet worden aangemerkt als een "veroordeling tot vrijheidsstraf" in de zin van art. VI lid 1. Deze uitleg van art. VI lid 1 is, anders dan het middel wil, niet in strijd met het in art. 1 Sr en, onder meer, in art. 7 EVRM neergelegde legaliteitsbeginsel; van een wijziging van de wet ten aanzien van de strafbaarstelling of van het op grond van een nieuwe wet opleggen van een andere straf dan wettelijk was bedreigd ten tijde van het plegen van het feit is hier geen sprake.

76. Anders gezegd: in Nederland wordt de vrijheidsstraf die de Nederlandse exequaturrechter heeft uitgesproken ten uitvoer gelegd en niet de straf die is opgelegd bij de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging is overgedragen.

77. Verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie naar het recht van de veroordelende staat is daarom alleen relevant tot het moment waarop die sanctie is omgezet naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging. Het beslissende moment is de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter. Indien het recht tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie naar het recht van de veroordelende staat is verjaard op het moment van de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter, kan die rechter geen verlof tot tenuitvoerlegging verlenen omdat er op dat moment geen ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie existeert.

78. Hierbij merk ik op dat de onderhavige zaak betrekking heeft op een beslissing van de exequaturrechter en dat mijn beschouwingen over de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging naar het recht van de staat van veroordeling zich daartoe beperken. Deze beschouwingen gaan niet op ingeval de vrijheidsbenemende sanctie rechtstreeks ten uitvoer wordt gelegd. In dat geval wordt de buitenlandse veroordeling immers niet ‘omgezet’.

79. Om bovenstaande reden ben ik van mening dat de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging naar Bulgaars recht (thans) niet van belang is voor de tenuitvoerlegging van de straf die in de onderhavige zaak door de Nederlandse rechtbank is opgelegd.

80. Het middel faalt.

81. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO worden afgedaan.

82. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

83. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2012:BV8291, NJ 2013/204 m.nt. A.H. Klip.

2 Rb. ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, 22 september 1994 r.o. 2.6.

3 De beslissing op het bezwaarschrift, gedateerd 21 september 1995, houdt hierover in: “Op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden bestaat aanleiding aan betrokkene verblijf in Nederland toe te staan.” In de beschikking wordt, voor wat betreft het vluchtelingschap, verwezen naar het vonnis van de Rb. ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, 22 september 1994. Met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule houdt dit vonnis onder meer het volgende in: “3.6. Het is niet uitgesloten dat het van onevenredige hardheid jegens verzoekster zou getuigen als zij thans wordt uitgezet naar Bulgarije. Dit houdt verband met de onweersproken ernstige psychische problematiek van verzoekster en haar slechte psychische conditie. Niet alleen is niet goed te overzien hoe daarmee in Bulgarije zal worden omgegaan, maar tevens blijkt uit de medische advisering die zich in het dossier bevindt dat het vooruitzicht van uitzetting op zichzelf al bijdraagt aan verergering van genoemde problematiek. […]

4 Koninklijk Besluit van 20 februari 1999.

5 Europees aanhoudingsbevel d.d. 14 november 2007.

6 HR 2 april 1985, NJ 1985/890 m.nt. A.H.J. Swart r.o. 5.2-5.3.

7 EUV 1957 is voor Bulgarije in werking getreden op 15 september 1994, voor Nederland op 15 mei 1969: Trb. 2013, 131, p. 2-3.

8 Straatsburg 20 april 1959, Trb. 2012, 116, p. XXX.

9 Brief van 25 februari 2008 van het IRC Amsterdam aan de aanklager te Plovdiv.

10 Verzoek gedateerd 4 september 2008, door het ministerie van Veiligheid & Justitie doorgestuurd aan de IRC bij brief van 13 augustus 2009.

11 Brief van 25 februari 2008 van het IRC Amsterdam aan de aanklager te Plovdiv.

12 Den Haag 28 mei 1970, Trb. 1971, 137. Zie art. 68, Trb. 1971, 137, p. 42 “This Convention and the declarations and notifications authorized thereunder shall apply only to the enforcement of decisions rendered after the entry into force of the Convention between the Contracting States concerned.” Rb. Leeuwarden, zittingsplaats Groningen 22 december 2010 in de onderhavige zaak.

13 Trb. 2012, 122, p. 8.

14 Straatsburg 21 maart 1983, Trb. 1983, 74. Art. 21 , Trb. 1983, 74, p. 20: “This Convention shall be applicable to the enforcement of sentences imposed either before or after its entry into force.” Het VOGP 1983 is in werking getreden op 1 juli 1985 (Trb. 1987, 163, p. 6), voor Nederland op 1 januari 1988 en voor Bulgarije op 1 oktober 1993, Trb. 2014, 165, p. 2 en 3.

15 Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg 18 december 1997, Trb. 1998, 64; i.w.tr. 1 juni 2000 (Trb. 2002, 127, p. 3), voor Nederland op 1 oktober 2002, voor Bulgarije op 1 juli 2004, Trb. 2014, 166, p. 1 en 2.

16 Art. 7, Trb. 1998, 64, p. 8 “This Protocol shall be applicable to the enforcement of sentences imposed either before or after its entry into force.

17 HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8291, NJ 2013/204 m.nt. A.H. Klip r.o. 2.4.

18 HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8291, NJ 2013/204 m.nt. A.H. Klip.

19 In voetnoot nummer 1 wordt hier in het vonnis verwezen naar Kamerstukken II 1983/84, 18129, 1-3. Een verwijzing naar pagina’s ontbreekt.

20 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 303: “Bovendien moet het gaat om een drang waaraan door de dader geen weerstand kon worden geboden én waaraan geen weerstand behoefde te worden geboden.

21 Beide middelen zijn, net als de nu te bespreken klacht, in vetgemaakte en onderstreepte letters aangekondigd als Middel I respectievelijk Middel II.

22 HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7385, NJ 2003/154 m.nt. Y. Buruma r.o. 3: “Het in de schriftuur aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu daarin niet wordt geklaagd over een jegens de verdachte gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM als gevolg van tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld doch slechts over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk.” Zie daarover R. van Elst, ‘Naar een instrumentele benadering van als middel gepresenteerde klachten en ambtshalve cassatie’, in: WB der Nederlanden. 25 jaar wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 205-218.

23 Art. 70, eerste lid aanhef en onder 5° (oud) Sr („Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring [...] 5° in achttien jaren voor de misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld.”) i.c.m. art. 76 (oud) Sr “1. Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring. 2. De termijn van deze verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. In geen geval is de termijn korter dan de duur van de opgelegde straf.”

24 Art. I Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten, Stb. 2005, 595; i.w.tr. 1 januari 2006, Stb. 2005, 596.

25 Kamerstukken II 1982/83, 18129, 3, p. 31.

26 Kamerstukken II 1982/83, 18129, 3, p. 42.

27 § 49 (1) aanhef en onder 5 Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen „Die Vollstreckung ist nur zulässig, wenn […] 5. die Vollstreckung nicht nach deutschem Recht verjährt ist oder bei sinngemäßer Umstellung des Sachverhalts verjährt wäre […]“. Art. 95 Rechtshilfegesetz „Die Vollstreckbarerklärung (Exequatur) ist unzulässig, wenn: […] b. die Sanktion nach schweizerischem Recht verjährt wäre, sofern eine schweizerische Behörde sie im gleichen Zeitpunkt ausgesprochen hätte […]“.

28 Vgl. art. 1 aanhef en onder 1 Wet inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen “De Regering kan, in uitvoering van met andere Staten op grond van wederkerigheid gesloten overeenkomsten en verdragen, de overbrenging toestaan van in België gevonniste en opgesloten personen naar een vreemde Staat waarvan die persoon onderdaan is, en instemmen met de overbrenging naar België van in het buitenland gevonniste en opgesloten personen Belgische onderdanen, voor zover: 1. het vonnis waarbij de veroordeling wordt uitgesproken onherroepelijk is”.

29 D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht (diss. Utrecht), z.p.: z.u. 1994, p. 344-345 nr. 451.

30 Explanatory Report to the European Convention on the International Validity of Criminal Judgments, <rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=09000016800c930f>.

31 Art. 5, tweede volzin aanhef en onder c, Trb. 1992, 39, p. 3-4: “De overdracht van de tenuitvoerlegging van een veroordeling is aan de volgende voorwaarden onderworpen: […] c. de sanctie is noch naar het recht van de Staat van veroordeling, noch naar dat van de Staat van tenuitvoerlegging verjaard”.

32 Bundestag Drucksache 13/5468, p. 13: “Buchstabe c setzt voraus, daß weder nach dem Recht des ersuchenden noch nach dem Recht des ersuchten Staates Vollstreckungsverjährung eingetreten sein darf.Kamerstukken I/II 1983/84, 23321 (R 1482), 375/1, p.4-5.

33 Art. 21, derde lid, EG-TUL 1991, Trb. 1992, 39, p. 10: “Hangende de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Lid-Staat, bij gelegenheid van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op enig tijdstip nadien het Verdrag toepasselijk verklaren in zijn verhoudingen tot andere Lid-Staten die een soortgelijke verklaring hebben afgelegd, negentig dagen na de datum van nederlegging van eerstbedoelde verklaring.

34 Art. 4 aanhef en onder b, Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen, Rabat 30 november 1999, Trb. 1999, 198, p. 4: “De overbrenging van een gevonniste persoon wordt geweigerd: […] indien de straf volgens de wet van de Staat van tenuitvoerlegging is verjaard”. Het verdrag is op 1 mei 2001 in werking getreden: Trb. 2001, 79, p. 1.

35 Kamerstukken I/II 2000/01, 27440, 27/1, p. 2: “Marokko hechtte […] aan specifieke bepalingen over weigeringsgronden. Het verdrag bevat derhalve in artikel 4 een vijftal verplichte weigeringsgronden, waarvan er drie betrekking hebben op het beginsel «ne bis in idem», één op de executieverjaring en er één verwijst naar redenen van nationale veiligheid, soevereiniteit en «ordre public».”

36 Trb. 1965, 9, p. 8 “Extradition shall not be granted when the person claimed has, according to the law of either the requesting or the requested Party, become immune by reason of lapse of time from prosecution or punishment.

37 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, Brussel 27 juni 1962, Trb. 1962, 97, p. 6 “De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het recht tot strafvervolging danwel de straf volgens de wet van de aangezochte Partij is verjaard op het tijdstip, waarop de overlevering plaats moet vinden.

38 Trb. 1964, 108, p. 6-7.

39 Art. 4 aanhef en onder 4, Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten 2002/584/JBZ, PbEU L 190/1 van 18 juli 2002, p. 4 “De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen: […] de strafvervolging of de straf is volgens de wet van de uitvoerende lidstaat verjaard en de feiten vallen naar het strafrecht van deze lidstaat onder zijn rechtsmacht”.

40 V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning, diss. Amsterdam (VU), Nijmegen: WLP 2013, p. 600.

41 Ontleend aan HR 17 mei 1989, NJ 1989/142 m.nt. G.J.M. Corstens. De Rb. Amsterdam hanteert deze maatstaf klaarblijkelijk ook in geval van verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat in overleveringszaken: V. Glerum & N. Rozemond, ‘Overlevering en uitlevering’, in: E. van Sliedregt, J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Handboek internationaal strafrecht. Schets van het Europese en internationale strafrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 139-244 op p. 219 voetnoot 230.

42 Most experts considered that it is not for the requested Party to determine whether immunity by reason of lapse of time had been acquired in the territory of the requesting Party, but it should request a decision on this question directly from the requesting Party itself.” Zie: </rm.coe.int/CoERMPublicCommonSearchServices/DisplayDCTMContent?documentId=09000016800c92bc>.

43 Art. 9, eerste lid aanhef en onder e, Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, Pb EU L 327/27 van 5 december 2008, p. 34: “De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen: […] de tenuitvoerlegging van de sanctie is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard”. Art. 2:13, eerste lid aanhef en onder g, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties: “De erkenning van de rechterlijke uitspraak wordt geweigerd indien: […]over het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht tot uitvoering van de vrijheidsbenemende sanctie naar Nederlands recht zou zijn verjaard”.

44 Art. 5:2, derde lid, WETS waarin wordt aangeknoopt bij het moment waarop het vonnis onherroepelijk is geworden, maar dit moet kaderbesluitconform worden uitgelegd als het moment waarop het vonnis is gegeven ongeacht wanneer het onherroepelijk is geworden, zie de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BY4289, sub 20-22 voor HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:BY4289, welke uitleg is gevolgd door Rb. Amsterdam 20 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:9907 sub 3.

45 Art. I onder C, Stb. 1994, 28; i.w.tr. Stb. 1995, 357.

46 Kamerstukken II 1983/84, 18129, 3, p. 52.

47 Trb. 1971, 137, p. 7 “For the purposes of Article 6, (I), and the reservation mentioned under (c) of Appendix I of the present Convention any act which interrupts or suspends a time limitation validly performed by the authorities of the sentencing State shall be considered as having the same effect for the purpose of reckoning time limitation in the requested State in accordance with the law of that State.

48 HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9852, NJ 2012/129 r.o. 3.4.2.

49 Kamer 1987/88, Gedr. St. 1046/001, p. 5 “Indien de Staat van tenuitvoerlegging de straf echter omzet, is die Staat slechts gebonden aan de vaststelling van de feiten door een buitenlandse rechter en kan voor de in het buitenland uitgesproken straf een sanctie in de plaats worden gesteld die is voorgeschreven in de eigen wetgeving. In laatstgenoemd geval geldt de beslissing tot uitvoerbaarverklaring als grondslag voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling (art. 11).” Bundestag Drucksache 9/1338, p. 71 “Bei der Rechtshilfe durch Vollstreckung hingegen besteht für sie insofern eine engere Beziehung zur Tat, als eine deutsche Vollstreckbarkeitsentscheidung ergeht, welche die innerstaatliche Grundlage für die Vollstreckung nach deutschem Strafvollstreckungsrecht bildet."

50 Kamerstukken II 1983/84, 18129, 3, p. 31 “Het eigen karakter van de strafrechtelijke exequaturprocedure komt tot uiting in: a. de eigen beslissing van de exequaturrechter – nadat hij het buitenlandse vonnis heeft erkend en verlof heeft verleend tot tenuitvoerlegging daarvan – tot oplegging van een in het Nederlandse rechtssysteem passende sanctie, welke beslissing in de plaats treedt van die van de buitenlandse rechter, en b. de, als gevolg daarvan, omzetting van het buitenlandse vonnis in een Nederlandse rechterlijke uitspraak, welke geheel en uitsluitend volgens de voorschriften van het Nederlandse recht uitvoering krijgt.