Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:640

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
15/05660
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1320, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot gekwalificeerde diefstal en vernieling door te proberen een hoeveelheid koper te stelen en daarbij een koelinstallatie en koelbatterijen te vernielen. Verwerping verweer strekkende tot n-o verklaring OM, aangezien in e.a. opgelegde gevangenisstraf van 1 week reeds door OM was geëxecuteerd vóór behandeling in h.b., en afwijzing verzoek tot benoeming van gedragsdeskundige voor onderzoek naar toerekeningsvatbaarheid verdachte. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05660

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 december 2015 de verdachte - met vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde - ter zake van 1 subsidiair. “Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2. “Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Daarbij heeft het hof verstaan dat de opgelegde straf reeds geheel ten uitvoer is gelegd.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt over ’s hofs verwerping van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

3.2.

Het hof heeft het ter terechtzitting gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie de straf zoals opgelegd bij vonnis van de politierechter van 21 mei 2015 heeft geëxecuteerd, terwijl het vonnis niet in kracht van gewijsde was gegaan en dat verdachte ten gevolge hiervan zonder titel gedurende een week heeft vastgezeten. Deze handelwijze is zo zeer in strijd met de beginselen van een goede procesorde, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman.

Voor de beoordeling van dit verweer is van belang of er sprake is geweest van een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, dat dit tot niet- ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie dient te leiden (HR 19 december 1995, NJ 1996/249, “Zwolsman”). Een dergelijke sanctie is aan de orde indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dat zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

In deze zaak is van een zodanige ernstige schending niet gebleken. De curator van verdachte heeft bij brief van 2 juni 2015, ingekomen ter griffie op 3 juni 2015, als wettelijk vertegenwoordiger de griffie van de rechtbank verzocht om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter van 21 mei 2015. Bij de rechtbank is dit verzoek ten onrechte niet als zodanig herkend, waardoor op 13 augustus 2015 de aan verdachte bij vonnis van de politierechter opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd. Deze gang van zaken is te betreuren, doch maakt niet dat sprake is van met opsporing of vervolging belaste ambtenaren die een ernstige inbreuk maken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.”

3.3.

Het hof heeft - kort gezegd - geoordeeld dat de gang van zaken niet bepaald de schoonheidsprijs verdient, maar anders dan de verdediging heeft bepleit heeft het hof hieraan niet de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Volgens vaste jurisprudentie komt de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg immers slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats als het openbaar ministerie met zijn handelwijze ernstig inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.1 In de bestreden overwegingen van het hof is tot uitdrukking gebracht dat daarvan geen sprake is geweest. Aldus geeft ’s hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is voorts niet onbegrijpelijk, mede gelet op hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd. Bovendien zie ik niet in op welke wijze dit ‘ongelukkige optreden van het openbaar ministerie’ tekort heeft gedaan aan verdachtes recht op een eerlijk proces, nu de verdachte wel degelijk gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op hoger beroep. De mening van de steller van het middel dat dit hoger beroep wat de straftoemeting betreft illusoir zou zijn geworden deel ik niet. De omstandigheid dat het hof in zijn strafmotivering heeft opgenomen dat het oplegging van een taakstraf zonder meer zou hebben overwogen als de opgelegde gevangenisstraf van één week niet reeds was geëxecuteerd, doet aan de volle omvang van het hoger beroep niet af. Miskend wordt dunkt mij ook dat door een gevangenisstraf van genoemde duur op te leggen het hof expliciet het belang van de verdachte voor ogen heeft gehad.

3.4.

Het middel is duidelijk kansloos.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt dat het hof het verzoek van de verdediging tot het benoemen van een gedragsdeskundige, die een onderzoek zal verrichten naar de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

4.2.

Het hof heeft in zijn arrest onder de kop ‘Strafbaarheid van de verdachte’ het bedoelde verzoek als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens dat verdachte over onvoldoende capaciteiten beschikte om de betekenis van zijn gedrag in voldoende mate te beseffen en zijn wil te bepalen en de feiten hem deswege niet kunnen worden toegerekend. De raadsman heeft het hof verzocht om verdachte ontoerekeningsvatbaar te verklaren, hiermee te bepalen dat verdachte niet strafbaar is en hem dienaangaande te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport dat is opgemaakt door Reclassering Nederland, gedateerd 20 mei 2015, waarin - onder meer - wordt beschreven, zakelijk weergegeven:

‘Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie. Hij is om die reden niet in staat tot reflectie of om inzicht te verkrijgen. Mogelijk is er bij betrokkene sprake van een probleem met druggebruik. Wij denken echter niet dat dit delict gerelateerd is. [verdachte] is goed ingebed in zorg. Hij heeft een curator, wordt begeleidt door het Fact Team van Altrecht en is ingesteld op (psychofarmaca)medicatie. ’

Tegenover de politie heeft verdachte ook zelf verklaard dat hij medicatie gebruikte voor stemmen. Voorts heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij de spullen zag als oude zooi en dat hij het koper eruit wilde halen, omdat dat het gemakkelijkst te vervoeren is.

Het hof is van oordeel dat uit voorgaande overweging van de reclassering, de verklaring van verdachte zoals afgelegd tegenover de politie en de overige informatie in het dossier niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

De raadsman van verdachte heeft voorwaardelijk, indien het hof niet zou komen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en verdachte de feiten zou toerekenen, verzocht een gedragsdeskundige te benoemen die zich in verband met de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid een oordeel dient te vormen omtrent verdachtes geestestoestand ten tijde van de tenlastegelegde feiten.

Het hof wijst dit verzoek af, nu het zich op basis van de thans aanwezige stukken, waaronder de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies en voornoemde verklaring van verdachte zoals afgelegd tegenover de politie, voldoende voorgelicht acht om antwoord te geven op de vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht de benoeming van een gedragsdeskundige niet noodzakelijk.”

4.3.

Het gedane verzoek tot het benoemen van een deskundige voor nader gedragsdeskundig onderzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv jo. art. 330 Sv om gebruik te maken van een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Het hof heeft bij zijn beslissing tot afwijzing van dit verzoek de juiste maatstaf, te weten het noodzakelijkheidcriterium, toegepast. De toepasselijkheid van deze maatstaf wordt in cassatie - terecht - niet bestreden. Wel wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek ontoereikend is gemotiveerd.

4.4.

Het oordeel van het hof, zoals hiervoor weergegeven onder 4.2, komt erop neer dat er onvoldoende belang is bij het gevraagde onderzoek. Het hof heeft zich immers met name door het reeds aanwezige reclasseringsrapport van 20 mei 2015 en hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard, voldoende voorgelicht geacht omtrent verdachtes geestestoestand en geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het vorenstaande brengt mee dat het hof het bedoelde verzoek toereikend gemotiveerd heeft afgewezen, ook in het licht van hetgeen omtrent verdachtes geestestoestand naar voren is gebracht. De in de toelichting op het middel aangevoerde argumenten noopten het hof niet tot een nadere motivering.

4.5.

Het middel faalt evident.

5. Beide middelen falen duidelijk en rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, m.nt. YB en HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249 (Zwolsman).