Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
15/05372
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1318, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen door uit misdrijf afkomstig groot geldbedrag voorhanden te hebben in hotel in Amsterdam, art. 420bis.1.b Sr. Verzuim te beslissen op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek en schending van art. 350 Sv en 301.4 Sv door ter verwerping van verweer m.b.t. bewijsuitsluiting van tapgesprek buiten het geding op internet een zoekslag te maken. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05372

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 november 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “witwassen”, veroordeeld tot een geldboete van zevenduizend vijfhonderd euro subsidiair tweeënzeventig dagen hechtenis en met verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van twee getuigen.

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2015 hebben de verdachte en diens raadsman het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, in:

“Voorwaardelijk: het horen van getuigen

9. Mocht uw Edelachtbaar College ondanks het voorgaande de lezing van cliënt ongeloofwaardig achten en cliënt niet vrijspreken dan verzoekt de verdediging (voorwaardelijk) de volgende personen als getuige te horen:

a) De directeur van de Fransabank te Kalamoun
Ezzedine Almir Building, Main street, Kalamoun, Beirout, Libanon
De directeur kan bevestigen dat het geld dat cliënt bij zich droeg van de bank afkomstig was en door cliënt in dollars is opgenomen.

b) [betrokkene 12]
Tax Controller, adres volgt
Uit de meegezonden bijlage blijkt dat cliënt ruim voldoende inkomsten heeft om een bedrag van €50.000 op te nemen. De Tax controller kan dat bevestigen.”

3.3.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 13 oktober 2012, te Amsterdam, geld, te weten 49.900 (zegge negenveertig duizend en negenhonderd) EURO, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten aanzien van dat geld wist, dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”

3.4.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 17 oktober 2012, met nr. 30-167205, van de Nationale Recherche Unit Midden Nederland. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 0075 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zaterdag, 13 oktober 2012, hield ik, in de voor het publiek toegankelijke ruimte van het Orange Tulip Hotel, gevestigd Damrak 32 te Amsterdam, als verdachte aan:

Verdachte:
Voornamen: [...]
Achternaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1964
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Geboorteland: Libanon

Bevindingen
Nadat ik de verdachte medegedeeld had dat hij niet tot antwoorden verplicht was, gaf deze in de Engelse taal aan dat hij een groot geldbedrag met zich voerde.
De voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voerde en de waarheid aan de dag zouden kunnen brengen zijn vervolgens en aldaar inbeslaggenomen onder de verdachte.

2. Een kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 13-10-2012 van de Nationale Recherche, Unit Midden-Nederland. Deze kennisgeving houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 0041):

Beslagene
Voornamen: [verdachte]
Achternaam: [verdachte]
Omschrijving van de in beslag genomen goederen:
Categorie Geld
Aantal Totaalbedrag 49.900 EURO

3. Een bewijs van ontvangst van Nationale Recherche, Unit Midden-Nederland. Dit bewijs van ontvangst houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz 0043):

Gelet op artikel 96 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, heb ik op zaterdag 13 oktober 2012 te Amsterdam de navolgende voorwerpen inbeslaggenomen uit handen en met vrijwillige medewerking van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964.

80

500 euro

40.000 euro

14

500 euro

7.000 euro

1

200 euro

200 euro

9

100 euro

900 euro

36

50 euro

1800 euro

49.900 euro

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2012 met nr. 30-194492, van de Nationale Recherche, Unit Midden-Nederland. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 0167 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Na de aanhouding van [verdachte] zijn verschillende goederen bij hem in beslag genomen waaronder een zwarte tas met administratie en andere bescheiden. Dit gedeelte van het beslag is bekeken en vertaald door een beëdigd tolk Arabisch.

5. Een geschrift zijnde een overzicht van vertaalde administratie en bescheiden, vertaald door een beëdigd tolk Arabisch met tolknummer T-004, als bijlage gevoegd bij het onder 3. genoemde proces-verbaal.
Dit geschrift houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — (blz. 0170 e.v.):

Paspoort van [verdachte]

Blad 002
Inreis Libanon 20.01.2011
Inreis Libanon 04.07.2011
Inreis Libanon 06.12.2011
Inreis Libanon 16.12.2011

Uitreis Libanon 25.06.2011
Uitreis Libanon 30.11.2011
Uitreis Libanon 12.12.2011
Uitreis Libanon 19.02.2012


Blad 003
Inreis Libanon 20.02.2012
Inreis Libanon 29.03.2012

Uitreis Libanon 27.03.2012
Uitreis Libanon 03.04.2012

Blad 004
Inreis Libanon 05.04.2012
Inreis Libanon 17.04.2012
Inreis Libanon 30.04.2012

Uitreis Libanon 14.04.2012
Uitreis Libanon 28.04.2012
Uitreis Libanon 10.05.2012

Blad 005
Inreis Libanon 12.05.2012
Inreis Libanon 17.06.2012

Uitreis Libanon 15.06.2012
Uitreis Libanon 13.10.2012

Tevens heeft [verdachte] in- en uitreisstempels van Schiphol, Brussel en Parijs.

Er is echter geen enkele stempel van Australië

Een cheque-boekje [het hof vult aan: van Fransabank, dossierpagina 171 en 172]


Een ander cheque-boek van [verdachte] van de First National Bank, dossierpagina 173 e.v.,

Blad 46 Cheque van 20,000 dollar t.g.v. [betrokkene 13]
Blad 47 cheque van 250,000 dollar t.g.v. [betrokkene 8]
Blad 48 cheque van 16,800 dollar t.g.v. [betrokkene 14]
Blad 50 cheque van 89,280 dollar t.g.v. [betrokkene 2]
(…)
Blad 62 cheque van 39,450 dollar t.g.v. [betrokkene 15]
Blad 64 cheque van 100,000 dollar t.g.v. [betrokkene 4]
Blad 65 cheque van 190,000 dollar t.g.v. [betrokkene 8]
Blad 67 cheque van 100,000 dollar (?) t.g.v. [betrokkene 8]

(?- kan eventueel 8,100,000 dollar zijn)
Blad 68 cheque van 130,000 dollar (?) t.g.v. [betrokkene 8]

Blad 107 t/m 130
Diverse geld opnames bij de Bank Audi, in de haven van Tripoli, Libanon op naam van [verdachte] , met verschillende bedragen variërend van 10,000 t/m 266,000 dollar

187 t/m 227
Bladen uit een agenda van Jan, Feb 2012 met bedragen, overschrijvingen en cheques van kleinere bedragen

Op blad 228 en 299 plotseling grotere bedragen tot 200,000$ (dollars)

Op blad 239 staat: ik wil van [betrokkene 1] een bedrag van 10,000 dollar

Blad 245
Voorraad 75,000 dollar,
Betaling 125,000 dollar,
Contant 46,500 dollar,
Voor 35k bureau 35,000 dollar (K=1000 ?)
Contant nu 10,700
Voor [...] 100 K

Blad 252 een Australisch telefoonnummer 0061- [...] en het bedrag 53,379 dollar

Blad 255 worden onder andere kosten van reizen vermeld:
Nederland 2,000
Belgie 1,800
Ticket Australie 1,700
Hotel 3 dagen 350
Omwisselen deviezen 4,000

Blad 256
[verdachte] 9.5.2012
212,000-135,240 = 76, 760
Uitgaven 3,000
Rente 2,000
Totaal: 81,760

Blad 257
Terugkeer 70,710
Ik wil van [verdachte] 37,000 + 350

Blad 260
122,612 dollar
1,783,000 LL

Blad 262
615 x 2206 = 1,356,690 dollar!! (1,3 miljoen dollar)
Commissie 1% 13,669 dollar!!

Hieronder in het Engels bedragen en totaal waarvan 100,000 deposit en [...]

Blad 263 boven de bedragen staat voor [verdachte] en voor [verdachte]
Grond 100,000
Commissie 13,669

Ook op blad 256 staan boven de bedragen [verdachte] 154,531 en [verdachte] 191,696

Op blad 266
Bedragen in dollars 154,530
[verdachte] nieuw voorraad 103,425
Uiteindelijk overgebleven 50,000
Betaling 50,000

Blad 278
Berekening in dollars waarvan de laatste drie op naam staan van [betrokkene 10] 47,500, [betrokkene 1] 46,200 en [verdachte] 53,500
Het totaal is 191,610 dollar en 0 cent

Blad 308 komt de naam [betrokkene 8] meerdere malen voor met bedragen


Blad 332
[verdachte]
212,000 dollar
135,240 dollar
76,760 dollar over

Blad 370
Visite-kaart van een geldwisselaar in Libanon

Blad 371
160,000 euro
210,800 dollar
60,800 min
150,000
70,000 min
80,000
16,000 min
64,000 over

Blad 396
Cheques (Audi bank) uit het chequeboek van [verdachte] aan:
[betrokkene 8] ter waarde van 200,000 dollar
[betrokkene 4] 40,256 dollar
[betrokkene 16] 80,000 dollar
[betrokkene 4] 108,000 dollar
[betrokkene 2] 64,000 dollar
Advocaat [betrokkene 17] 10,000 dollar
[verdachte] 47,000 dollar

Blad 478
222,000 Euro tegen een koers van 1,24= 272,800 dollar
Min 249,300
Over 23,500

Blad 606
Een cheque van [verdachte] aan [betrokkene 8] ter waarde van 108,000 dollar op 25.10.2012
Op dezelfde datum 25.10.2012 nog een cheque aan [betrokkene 8] ter waarde van 79,000 dollar
Opmerking hof:
De bladnummers zoals die in dit geschrift zijn genoemd corresponderen met de fotokopieën van de documenten zoals die zijn weergegeven op de dossierpagina’s 204 tot en met 844.

6. Een geschrift, zijnde een weergave van een getapt telefoongesprek op 15 oktober 2012, met gespreksnummer [...] . Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 0199 en 0200):

Datum/tijdstip gesprek : 15-10-2012 16:33:28
Gespreksnummer : [...]
Getapt telefoonnr. : [...]

Getapte : [verdachte] (het hof: de verdachte)
Met/door : Belt met
Beller : [betrokkene 18] IN CANADA (Libanees nummer)

A= [betrokkene 18] G = [verdachte]
G: oke, ik heb een probleem!
A: Laat eens horen
G: Toen ik hier naartoe kwam - hebben ze bij me 50,000 aangetroffen
A: oke.
G: Ze hebben het van me afgepakt en al mijn papieren. Ze hebben me 6 uur bij hen gehouden en toen weer vrijgelaten maar ze hebben al mijn papieren bij zich gehouden
A: ja
G: ik zit al 2 dagen in dit verhaal
A: Ja
G: Vandaag geven ze me al mijn papieren terug en zeggen:
"als je wilt - mag je naar Libanon terug"
Maar het geld hebben ze me niet terug gegeven.
Wat is het probleem met dat geld?
Ik zei dat ik een bewijs had voor alles
Dat ik een zakenman ben
Dat ik veel geld heb dat in en uit de bank gaat
Maar wat is nou het probleem??
Ik heb geen bewijs dat ik dit geld bij de bank had gekocht, ik heb dat geld cash gekocht!!!

7. Een geschrift—zijnde een weergave van een getapt telefoongesprek op 15 oktober 2012, met gespreksnummer [...] . Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 201 en de daaropvolgende ongenummerde pagina):

Datum/tijdstip gesprek : 15-10-2012 17:34:47
Gespreksnummer : [...]
Getapte telefoon nr. : [...]

Getapte : [verdachte] (het hof: de verdachte)
Met/door : Belt met
Beller : [verdachte]

(G) belt met zijn vrouw [betrokkene 19] (K) (Libanees nummer)

[betrokkene 19] vraagt of er wat nieuws is.
[verdachte] zegt dat hij zijn papieren terug heeft gekregen, maar niet het geld.
"wanneer gaan ze je het geld teruggeven?" - vraagt [betrokkene 19]
"Ze zeggen van niet, omdat ze denken dat ik een geldkoerier ben" - antwoordt [verdachte] . [verdachte] kan hier eventueel blijven totdat hij uitsluitsel krijgt, maar dat kan nog lang duren, vandaar dat hij terug naar Libanon wil.
(...)
[betrokkene 19] slikt, een paar keer geschrokken haar adem en zegt: "Blijf daar niet [verdachte] , blijf daar niet, alsjeblieft, fuck the money, who cares? Fuck the money, fuck the money, who cares, stap morgen in het vliegtuig en kom terug !!! who gives a shit? - zegt [betrokkene 19] verder en voegt eraan toe - "het is niet jouw probleem, you hold the risk, but it is not that much"

"precies wat ik ook zeg" - is [verdachte] met haar eens - "Allah zij dank dat het zo is gelopen en niet erger".

8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2012 met nr. 30165687 van de Nationale Recherche, Unit Midden-Nederland. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 0025 e.v.):
als de op 13 oktober 2012 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] :

Ik weet dat bedragen boven de USD 10.000 aangegeven moeten worden bij de douane van het land van binnenkomst.
Ik was eerder dit jaar op Schiphol met 45.000 € daarmee ben ik naar de douane gegaan en ik ben toen weggestuurd nadat er geen verdenkingen tegen mij waren.
Vandaag ben ik om 08:05 uur vertrokken uit Beiroet naar Parijs en van Parijs naar Schiphol. Op Schiphol ben ik zo langs de douane gelopen zonder melding te doen van de 50.000 € die ik bij me had.”

3.5.

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in (pag. 2):

Afkomstig uit enig misdrijf

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - conform de in eerste aanleg ter terechtzitting overgelegde en in hoger beroep, voor zover het de daarin opgenomen argumenten betreft, als herhaald en ingelast beschouwde pleitnotitie - het verweer gevoerd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf" niet bewezen kan worden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het getapte telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 18] niet voor het bewijs gebruikt kan worden, aangezien [betrokkene 18] de advocaat van de verdachte is. Het proces-verbaal van dit gesprek had op grond van artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moeten worden vernietigd.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nader aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet een rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen, worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Ten aanzien van het getapte gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 18] op 15 oktober 2012 overweegt het hof dat noch uit het procesdossier, noch uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde stukken, blijkt dat [betrokkene 18] daadwerkelijk advocaat is en de advocaat van de verdachte was. Ten aanzien van bijlage I bij de pleitnotitie in eerste aanleg overweegt het hof voorts nog dat hieruit niet meer blijkt dan dat een ander dan [betrokkene 18] , namelijk [betrokkene 20] , naar eigen zeggen op een andere datum, namelijk op 13 oktober 2012, telefonisch contact met de verdachte heeft gehad.
Het hof voegt hieraan toe dat een zoekslag op internet naar [betrokkene 18] niet meer heeft opgeleverd dan dat ene [betrokkene 18] zich op Linked-in presenteert als "legal consultant". Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 18] in enig land de status van advocaat heeft en dat aan hem of haar op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering een verschoningsrecht toekomt en met hem of haar gevoerde gesprekken als geheimhoudersgesprekken moeten worden aangemerkt.
Het hof ziet derhalve dan ook geen reden om dit gesprek uit te sluiten van het bewijs.

Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

De verdachte is op 13 oktober 2012 in een hotel in Amsterdam aangehouden. De verdachte was op diezelfde dag aangekomen in Nederland en had (onder andere) een geldbedrag van € 49.900,— bij zich. Dit geldbedrag bestond (onder andere) uit 94 biljetten van 500 euro.

Gelet op het feit dat de verdachte een groot geldbedrag in contanten bij zich draagt en in het bijzonder de omstandigheid dat dit bedrag grotendeels uit biljetten van 500 euro bestaat in ogenschouw nemend - zulks in samenhang met de andere zich voordoende omstandigheden - is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
De verdachte heeft, kort gezegd, verklaard dat het geld zijn eigendom is en dat hij ondernemer is in Libanon. Het geld is afkomstig uit zijn ondernemingen. Hij heeft verklaard twee generatoren te bezitten en de elektriciteit die hiermee opgewekt wordt te verkopen. Verder heeft de verdachte een winkel en is hij werkzaam in het onroerend goed. Hiermee verdient hij per maand ongeveer 5000 US dollar. Aan de pleitnotities van de raadsman van de verdachte is (vertaalde) correspondentie van (naar het hof begrijpt) de Libanese Belastingdienst gehecht. Hieruit zou blijken dat de verdachte voldoende inkomsten heeft uit de elektrische generatoren om over het bij hem aangetroffen geldbedrag te beschikken.
Voorts bevindt zich in het dossier een rekeningoverzicht van de Fransabank toebehorend aan " [verdachte] " (het hof begrijpt: de verdachte). Hierop is te zien dat de verdachte in de periode voorafgaand aan zijn aanhouding op 13 oktober 2012 in totaal geldbedragen van meer dan 50.000,- US dollar heeft opgenomen.
Het hof is echter van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet kan worden aangemerkt als een verklaring over de herkomst van het geldbedrag en dat dat deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden gelegd.
Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Uit de door de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde stukken van de Libanese Belastingdienst blijkt naar het oordeel van het hof niet meer dan dat de verdachte over de jaren 2008 tot en met 2011 onjuist en/of onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan en dat de Libanese Belastingdienst voornemens is de verdachte op basis van geschatte bedragen te beboeten. Anders dan de raadsman van de verdachte volgt naar het oordeel van het hof uit het schrijven van de Libanese Belastingdienst niet zonder meer dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit de Libanese ondernemingen van de verdachte.
Bij zijn aanhouding is (kennelijk) onder de verdachte in beslag genomen:

- Zijn paspoort, waaruit blijkt dat hij regelmatig in en uit reist tussen Libanon en andere landen zoals Nederland, Belgie en Frankrijk . (p. 204 e.v.)

- Een cheque boekje van de Fransabank (p. 214 e.v.).
met ingevulde strookjes

- Een chequeboekje van de First National Bank (p. 248 e.v.) met ingevulde strookjes

- Een chequeboekje van de Fransabank (p. 279 e.v.)

- Stukken van de Blom Bank (p. 307 en 308)

- Diverse bewijzen van geldopnames dan wel geldstortingen bij de Bank Audi (p. 310 e.v.) in de haven van Tripoli

- Diverse stukken

- Diverse handgeschreven berekeningen/cijfermatige opstellingen (p. 366 e.v.)

- De agenda 2012 van de verdachte (p.389 e.v.) met daarin handgeschreven talrijke cijfermatige opstellingen.


Dit is door toedoen van de echtgenote van de verdachte 30 november 2012 aangevuld (p. 15) met een rekeningoverzicht van de Fransabank (kennelijk p. 336 e.v.).

Met betrekking tot de '"administratie" die de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich draagt overweegt het hof dat hieruit niet meer blijkt dan dat de verdachte met enige regelmaat cheques uitschrijft ten gunste van natuurlijke personen. Voorts zijn veel bewijsstukken van contante geldopnames en stortingen aanwezig, en zijn, met name in de agenda, veel handgeschreven berekeningen/cijfermatige opstellingen aanwezig.
Van daaraan ten grondslag liggende zakelijke transacties blijkt op basis van de in beslag genomen en vertaalde stukken weinig tot niets.

Het hof acht — enkele stukken en specifieke transacties/betalingen daargelaten - niet aannemelijk dat deze administratie betrekking heeft op normale handelstransacties, althans bij een normale onderneming passende transacties. Het hof acht deze administratie daarentegen zeer wel, en wel bij uitstek, passend bij grootschalige witwasactiviteiten. Deze administratie op zichzelf rechtvaardigt, naar het oordeel van het hof, al het ernstige vermoeden dat sprake is van witwassen.

Voorts zijn bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte een aantal telefoongesprekken van belang.
De verdachte belt op 15 oktober 2012 op 16:33 uur met iemand die hij [betrokkene 18] noemt. Daar zegt hij tegen dat ze 50.000 euro bij hem aangetroffen hebben toen hij naar Amsterdam toe kwam. De verdachte verklaart voorts dat hij heeft aangegeven dat hij een zakenman is en dat hij veel geld heeft dat de bank in en uit gaat. De verdachte geeft aan dat hij heeft verklaard dat hij een bewijs had voor alles terwijl hij eigenlijk geen bewijs heeft dat hij het geld bij de bank heeft gekocht. Hij heeft het geld cash gekocht.
Op 15 oktober 2012 om 17:34 uur belt de verdachte met zijn vrouw [betrokkene 19] . Als de verdachte heeft uitgelegd dat hij in het hotel is aangehouden zegt zij dat hij daar niet moet blijven, ze zegt meerdere malen "fuck the money" en "who cares". Vervolgens zegt ze "Who gives a shit?” en zegt dat het niet het probleem van de verdachte is.

Het hof overweegt dat uit de inhoud van deze gesprekken het tegengestelde van wat de verdachte heeft verklaard naar voren komt. Het eerste gesprek laat geen andere conclusie toe dan dat de verdachte het geld niet bij de bank heeft opgenomen en in het tweede gesprek zegt de vrouw van de verdachte dat de ontstane situatie niet zijn probleem is en dat het geld er niet toe doet. Haar reactie past op geen enkele manier bij een bonafide geldstroom. Ook deze reactie biedt steun aan de stelling dat sprake is van crimineel geld.

Voorts acht het hof het in dit kader van belang dat de verdachte, die naar eigen zeggen afkomstig was uit Beiroet, het geld niet heeft opgegeven bij binnenkomst in de Europese Unie. De omstandigheid dat de verdachte, naar eigen zeggen, bij een eerder inreizen in Europa door de Douane weggestuurd zou zijn, maakt dit in de ogen van het hof niet anders.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, en daarbij voorts in aanmerking nemende dat de verdachte tot en met de terechtzitting in hoger beroep heeft verzuimd om enige bedrijfsadministratie van zijn ondernemingen in Libanon te overleggen, brengen het hof tot het oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en voorts dat de verdachte dat wist.”

3.6.

Uit het voorgaande blijkt dat een verzoek is gedaan tot het horen van een tweetal getuigen als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt zo een uitdrukkelijke beslissing van het hof in over het door de raadsman gedane verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv in beginsel nietigheid tot gevolg.1

3.7.

Ik heb mij echter afgevraagd of dit vormverzuim in de onderliggende zaak ook tot cassatie dient te leiden. Ik meen van niet. Mijns inziens ligt namelijk in de hiervoor onder 3.5 weergegeven overwegingen als beslissing van het hof besloten dat het verzoek om de beide getuigen te horen moet worden afgewezen.2 Dat kennelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Het gaat in deze zaak om het witwassen van een groot geldbedrag. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het voorwaardelijke verzoek de directeur van de Fransabank te Kalamoun en Tax Controller [betrokkene 12] als getuige te horen, concentreert zich op de punten dat verdachte voldoende inkomsten heeft om een bedrag van 50.000 euro op te nemen en dat het geld dat hij bij zich had, van de bank afkomstig was. Dat standpunt heeft het hof - niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd – niet aannemelijk bevonden, aangezien het hof – kortgezegd - de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van het bewezenverklaarde geldbedrag, inhoudende dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit de Libanese ondernemingen van de verdachte, als ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven en in het verlengde daarvan heeft overwogen dat de reactie van de vrouw van de verdachte in het getapte telefoongesprek3 niet past bij een bonafide geldstroom. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het telefoongesprek dat de verdachte op 15 oktober 2012 met [betrokkene 18] heeft gevoerd,4 geen andere conclusie toelaat dan dat de verdachte het geld niet bij de bank heeft opgenomen maar ‘cash’ heeft gekocht. Daarvan uitgaande, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beantwoording van vragen die de verdediging aan de beide getuigen zou willen stellen over de inkomsten van de verdachte en de herkomst van het aangetroffen geld, niet noodzakelijk geacht voor zijn te nemen beslissingen.

3.8.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer dat het getapte telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 18] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien laatstgenoemde de advocaat van de verdachte is en het proces-verbaal van dit gesprek op grond van art. 126aa, tweede lid, Sv vernietigd had moeten worden, heeft verworpen op grond van een zoekslag op internet die buiten het geding ter kennis van het hof is gekomen, waardoor de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld daarop te kunnen reageren.

4.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2015 hebben de verdachte en diens raadsman het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, in:

“Geheimhoudersgesprek
De verdediging meent dat ook het tapgesprek tussen cliënt en “ [betrokkene 18] ” moet worden uitgesloten, omdat “ [betrokkene 18] ” de advocaat van cliënt is (bijlage I). Het proces-verbaal van dit gesprek had derhalve op grond van 126aa Sv moeten worden vernietigd. Dat art. 218 Sv, waarnaar art. 126aa Sv verwijst, ook voor buitenlandse geheimhouders geldt blijkt – ook - uit de jurisprudentie (Hoge Raad 15 maart 2005, JIN 2005/206). Dat voor dit vormverzuim niet anders gereageerd kan worden dan door bewijsuitsluiting werd vorige maand nog eens bevestigd door de Hoge Raad (Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2479).”

4.3.

Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang (pag. 3), het volgende in:

“Ten aanzien van het getapte gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 18] op 15 oktober 2012 overweegt het hof dat noch uit het procesdossier, noch uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde stukken, blijkt dat [betrokkene 18] daadwerkelijk advocaat is en de advocaat van de verdachte was. Ten aanzien van bijlage I bij de pleitnotitie in eerste aanleg overweegt het hof voorts nog dat hieruit niet meer blijkt dan dat een ander dan [betrokkene 18] , namelijk [betrokkene 20] , naar eigen zeggen op een andere datum, namelijk op 13 oktober 2012, telefonisch contact met de verdachte heeft gehad.
Het hof voegt hieraan toe dat een zoekslag op internet naar [betrokkene 18] niet meer heeft opgeleverd dan dat ene [betrokkene 18] zich op Linked-in presenteert als "legal consultant". Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 18] in enig land de status van advocaat heeft en dat aan hem of haar op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering een verschoningsrecht toekomt en met hem of haar gevoerde gesprekken als geheimhoudersgesprekken moeten worden aangemerkt. Het hof ziet derhalve dan ook geen reden om dit gesprek uit te sluiten van het bewijs”.

4.4.

Art. 350 Sv heeft als uitgangspunt dat de rechter beraadslaagt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. In het verlengde daarvan bepaalt art. 301 lid 4 Sv dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken, die niet ter terechtzitting zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig art. 301 lid 3 Sv is meegedeeld.5 Het voorschrift garandeert dat de verdachte in de uitspraak niet wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn.6 Verzuim van de regel van artikel 301 lid 4 Sv leidt in het algemeen tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Doorslaggevend is in hoeverre door de niet-inachtneming het belang van de verdachte is geschaad.7

4.5.

Nu uit het proces-verbaal ter terechtzitting niet volgt dat het hof de zoekslag op het internet naar [betrokkene 18] ter sprake heeft gebracht, kan met de steller van het middel worden gezegd dat de verdediging daardoor niet in de gelegenheid is gesteld om op de resultaten van die zoekslag te reageren. Dat zou anders kunnen zijn als het resultaat daarvan als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt, maar dat gaat hier dunkt mij gelet op de aard van het onderzoek niet op.8 Tot cassatie dient dit echter niet te leiden, aangezien het hof de verwerping van het verweer ook heeft doen steunen op de overwegingen dat noch uit het procesdossier, noch uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde stukken blijkt dat [betrokkene 18] advocaat is en de advocaat van de verdachte was en dat uit de aan de pleitnotitie gehechte bijlage I niet meer blijkt dan dat een ander dan [betrokkene 18] , namelijk [betrokkene 20] , naar eigen zeggen telefonisch contact met verdachte heeft gehad op 13 oktober 2012, hetgeen een andere datum betreft dan de datum waarop het tapgesprek tussen verdachte en [betrokkene 18] heeft plaatsgevonden. Dat oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, en kan de verwerping van het verweer zelfstandig dragen. De verdachte is door de niet-inachtneming van art. 350 en/of art. 301 lid 4 Sv derhalve niet in zijn verdediging geschaad.

4.6.

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1177, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:902, HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:663, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075.

2 Vgl. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:409, r.o. 2.5.

3 Bewijsmiddel 7.

4 Zie bewijsmiddel 6.

5 Onder stukken op grond van deze bepaling worden verstaan stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de strafoplegging, zie HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011, 607 m.nt. M.J. Borgers.

6 G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 705.

7 G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 706. Zie ook Wöretshofer, T&C Strafvordering, artikel 301, aant. 3.

8 De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is, vgl. HR 2 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522.