Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-06-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
15/04438
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1310, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijk aanwezig hebben van ca. 250 hennepplanten. Redengevende f&o in bewijsoverwegingen, bewijs medeplegen en opzettelijk aanwezig hebben en kwalificatie bewezen verklaarde. HR: art. 81.1 RO, met verbeterde lezing van kwalificatie in rov. 1. CAG: Verdachte heeft geen belang bij slagende klacht over medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04438

Zitting: 20 juni 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 1 september 2015 door het gerechtshof Amsterdam ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.A.M. Hendrix, advocaat te Sittard, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel richt zich met motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij tezamen en in vereniging met anderen op 9 juli 2014 te Nieuw-Vennep, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 250 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

3.3.

De bewezenverklaring steunt op de volgende door het hof in de aanvulling op het arrest gebezigde bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal met nummer 2014108499 van 9 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 11 met bijlagen).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 9 juli 2014, omstreeks 17.45 uur, constateerden wij het volgende:

Naar aanleiding van een anonieme melding die eerder deze dag omstreeks 17.10 uur gedaan is, zijn wij ter plaatse gegaan naar een bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Nieuw-Vennep. De anonieme melder gaf aan een huurder te zijn van een van de naastgelegen bedrijfspanden. Hij vermoedde sterk dat in voornoemd bedrijfspand een hennepkwekerij zou zitten. Het vermoeden bestond uit onderstaande:

Er is een extra ventilatiesysteem geïnstalleerd naast de normale afzuiger/ventilatie. Melder hoort een brommend geluid.

Overdag is er nauwelijks iemand, soms een vrouw (mogelijk knipper).

Na 23.00 uur zijn er aparte kerels aanwezig. Voelt in ieder geval verkeerd aan. Komen in dure auto’s. Ramen staan constant open, ook ’s nachts.

De melder wilde volledig anoniem blijven, en heeft zijn personalia niet gegeven. Op het moment dat de melder de politie belde, gaf hij door dat de persoon die afkomstig was uit genoemd pand in een witte Volkswagen bus stapte. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , telefonisch contact gelegd met de melder en hem gevraagd om het weggereden voertuig op afstand te volgen en de positie door te geven. Uiteindelijk is de bestuurder van de witte Volkswagen bus staande gehouden aan de Otellolaan te Nieuw-Vennep. De bestuurder is aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Hoofddorp. Voor verdere informatie omtrent de staandehouding en later de aanhouding, verwijs ik naar het opgemaakt proces-verbaal van aanhouding.

Ter plaatse omstreeks 17.42 uur zijn wij naar de [a-straat 1] te Nieuw-Vennep gegaan. Bij het betreffende pand roken wij een geur die wij ambtshalve herkenden als zijnde een hennepgeur. Toen ik, verbalisant [verbalisant 2] , de brievenbusklep opende, rook ik de geur heviger. Hierop is besloten om het pand te betreden, in afwezigheid van de eigenaar. De ruit van de toegangsdeur is hierbij door ons verbroken om het pand te kunnen betreden.

Via de voordeur kwamen wij in de centrale hal waar zich de meterkast bevond, een toiletruimte, een deur naar de loods en de trap naar de eerste etage.

In de loods bevond zich een deur naar een tweede ruimte waar wij wat hennepafval aantroffen en hier bevond zich ook een mobiele airco en een aantal schakelkasten.

Tevens zagen wij een aantal stroomdraden die door de muur naar een andere ruimte leidden. Wij voelden dat de temperatuur in deze ruimte al aanzienlijk hoger was.

Vervolgens openden wij de deur naar de volgende ruimte en kwamen zo in de in werking zijnde hennepkwekerij aan.

Op de begane grond troffen wij een inwerking zijnde hennepkwekerij aan. Wij schatten op dat moment dat er ongeveer 250 hennepplanten stonden.

Vervolgens zijn wij naar de eerste etage gegaan waar wij boven aan de trap een keukentje aantroffen en een deur naar rechts. Deze deur hebben wij ingeslagen om ons zo een weg naar de volgende ruimte te verschaffen. De ruimte achter de deur was nagenoeg leeg. Er werd nog een tweede ruimte aan de achterzijde aangetroffen waar links achterin het ventilatiesysteem werd aangetroffen. Wij hoorden dat dit ventilatiesysteem op volle toeren draaide.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2014108499-2 van 9 juli 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde verbalisanten (of één of meer van hen):

Op woensdag 9 juli 2014 omstreeks 17.41 uur, hielden wij op de locatie Otellolaan, Nieuw- Vennep, binnen de gemeente Haarlemmermeer, als verdachte aan:

Verdachte

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1967

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , deelde de verbalisant mee waarvan hij verdachte werd.

Grond aanhouding

Op heterdaad als verdachte van artikel 3/B/C/D jo artikel 11 lid 2 Opiumwet, Artikel 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Bevindingen

Verbalisanten kregen een melding van een mogelijke in werking zijnde hennepkwekerij waarbij mensen in het pand aanwezig zouden zijn. Dit betrof de [a-straat 1] Nieuw Vennep.

Bij het ter plaatse gaan had de verdachte reeds het pand verlaten en was weggereden in een Volkswagen transporterbus. De anoniem gebleven melder is achter het voertuig aangereden. Door ons verbalisanten is het voertuig staande gehouden. Door andere collega’s is in het pand een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat op 9 juli 2014 in een pand dat ik huur aan de [a-straat 1] in Nieuw- Vennep, hennepplanten aanwezig waren. Ik kwam in contact met iemand die mij geld aanbood om dit soort dingen te doen. Ik wilde het doen onder de voorwaarde dat er geen elektriciteit zou worden afgetapt.

Ik heb alleen het pand ter beschikking gesteld. Ik heb de hennepplantage zelf ingericht met geld van derden. Ik heb het hok gebouwd en het pand ter beschikking gesteld. Er konden tussen de 200 en 250 hennepplanten in. Toen de politie kwam stonden de planten er net een week of negen en wilden ze net de planten gaan knippen.”

3.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar het volgende verklaard:

“Ik had een schuld van € 7000,00 bij een jongen. Het was een schuld die ik in Groningen had opgelopen. Ik ben daarna naar Haarlemmermeer gegaan. De schuld bestond gewoon uit rekeningen van huur, water et cetera, achterstallige dingen. Ik had dat geld geleend. Ik ken de jongen via mijn broertje, het was een taxichauffeur. Mijn broertje vertelde dat hij veel geld had en dat ik dat kon lenen. Pas later wist ik dat het foute jongens waren, doordat ze vertelden waar ze mee bezig waren. Die jongen heeft het geld terug geëist. Hij heeft mij onder druk gezet om mijn pand ter beschikking te stellen.

Ik erken dat ik, door mijn pand ter beschikking te stellen, heb meegewerkt aan het tot stand brengen van de hennepkwekerij. Ik heb een pand in het pand gebouwd. Het pand heb ik ingericht met geld van die jongens, het materiaal werd door hun betaald. Ik heb alleen de stroomvoorziening geregeld. Ik heb niet met de meter geknoeid. De stroom heb ik netjes betaald en ik heb daar ook de afrekening van. Ik had verder geen toegang tot de hennepkwekerij. Ik heb gezegd dat ze het mochten gebruiken en er mee moesten doen wat ze wilden. Ik heb er nooit iets mee te maken gehad. Ik heb een aantal keren gezegd dat ze niet voor 17.00 uur moesten komen, omdat er dan te veel bedrijvigheid was. Ik wilde daar geen last van hebben. Ze hadden drie meter van het pand, de rest was mijn kantoor. Ik rook alleen de geur als ik op kantoor zat.

Het klopt dat ik in eerste instantie bij de politie heb verklaard dat ik de hennepkwekerij niet voor iemand anders had. Dat heb ik gezegd om represailles te voorkomen. Ik heb de schuld op mij genomen, want ik weet hoe die jongens zijn. Als je je mond open doet, schieten ze je overhoop. Zulke jongens waren het. Ik heb nadat de kwekerij was opgerold last gekregen van die jongen van wie ik het geld had geleend. Hij is meerdere keren in mijn straat geweest. Hij heeft via de telefoon contact gezocht. Ik wilde geen ellende en alles afbetalen. Ik ben toen niet naar de politie gegaan. De schuld van € 7000,00 is nu afgelost. Ik heb geen contact meer met die mensen en wil nooit meer iets met hun te maken hebben.

Op de dag van de aanhouding kwam ik bij het pand om materiaal op te halen voor een klant. Onze materialen, gereedschappen en dergelijke stonden in dat pand. Ik was bij het pand geweest en had de spullen in de auto gelegd. Daarna ben ik naar huis gereden en merkte ik dat er een auto achter mij aankwam. De politieauto ging voor mij staan en heeft mij klemgereden. Ik stond toen op de Otellolaan. De politie vroeg of ik mijn identiteitsbewijs bij me had. Dat wilde ik toen gaan halen, maar dat mocht niet. Ik heb een rijbewijs, maar dat is in 2010 in beslag genomen. Toen zeiden ze dat ik mee moest naar het politiebureau om vragen te beantwoorden. Ze vonden dat ik bibberig overkwam, maar dat was niet zo. Ik was niet nerveus, ik heb alle medewerking verleend. Ik ben toen meegenomen naar het bureau en aangehouden op verdenking van de wietplantage. In de stukken wordt anders vermeld.

De raadsvrouw acht het van belang dat de verdachte duidelijkheid geeft over het pand aan de hand van de foto’s in het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij van 9 juli 2014.

De verdachte verklaart daarop als volgt:

Er waren twee verdiepingen. De eerste foto is mijn werkbank. Op de tweede foto ligt materiaal, dat is het gedeelte dat ik als klusbedrijf gebruikte. Op de vierde foto aan de rechterkant staat de werkbank met een scooter, links in de hoek is de deur naar de afgesloten ruimte. Die deur was altijd op slot, daar hadden alleen zij de sleutel van. Op de vijfde foto is de deur naar die ruimte open. De foto’s na de vijfde foto hebben betrekking op de hennepkwekerij.

De politie had mij verteld dat ze alle apparatuur in beslag hadden genomen, maar dat was niet zo. Er lagen nog splinternieuwe transformators. Die heb ik zelf laten vernietigen. Ik moest het pand schoon opleveren voor de eigenaar. Dat heb ik gedaan. De eigenaar en ik zijn toen tot de conclusie gekomen dat ik een fout had gemaakt en dat ik het pand nog gewoon mag huren.”

3.5.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aldaar het woord gevoerd aan de hand van haar pleitnotities. Deze houden in, voor zover van belang:

“(…).

Client had E 7.000 geleend van een derde, om schulden die hij in Groningen had, af te dekken, hij kon dat niet terugbetalen, de zaken gingen moeizaam, een echtscheiding, problemen met kinderen, een nieuwe relatie die hij er niet bij wilde betrekken.

En omdat hij niet kon betalen, verlangden zij dat hij een deel van zijn werkplaats beschikbaar stelde.

Client heeft de electra aangelegd, en de sleutel van de benedenverdieping gegeven, met de afspraak dat er niet overdag iemand in het pand was.

Ook de anonieme melder bevestigt dat er ‘s avonds laat mensen kwamen. Toen was cliënt al lang weg.

Client had ook geen toegang tot het onderste gedeelte.

Client niet betrokken bij de hennepteelt. Geen planten gekocht, geen lampen e.d. aangelegd, deed niets met de teelt, kon ook niet in die ruimte komen.

(…)”.

3.6.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder het kopje ‘Medeplegen’ als volgt overwogen:

“Standpunt van de verdediging:

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat er niet van begin tot eind sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de anderen. De verdachte heeft verklaard dat hij een schuld had bij een collega van zijn broer en onder druk is gezet om zijn pand ter beschikking te stellen voor een hennepkwekerij om zo de schuld af te betalen. Hij heeft alleen een ruimte in het pand ingericht en de stroomvoorziening geregeld, maar hij is zelf verder niet betrokken geweest bij de hennepteelt, aldus de raadsvrouw.

Beoordeling:

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft ter zittingen in eerste aanleg alsmede in hoger beroep verklaard dat hij zijn pand voor de hennepkwekerij ter beschikking heeft gesteld aan anderen, de hennepplantage zelf heeft ingericht met geld van derden en de stroomvoorziening daar naartoe heeft geregeld. Daarmee heeft de verdachte uitvoeringshandelingen bij het strafbare feit verricht. Bovendien heeft de verdachte van de opbrengst van de hennepkwekerij geprofiteerd, omdat daarmee zijn schuld bij de collega van zijn broer werd vereffend. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat er sprake was een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de anderen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte als medepleger aan het strafbare feit heeft deelgenomen.”

3.7.

In de toelichting op het middel wordt gesteld, dat het hof in zijn bewijsoverwegingen een beroep doet op twee redengevende feiten dan wel omstandigheden die niet blijken uit de bewijsmiddelen en dat evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven aan welke bewijsmiddelen die feiten en omstandigheden zouden kunnen worden ontleend. In het bijzonder doelt het middel op de derde en vierde omstandigheid zoals genoemd in de overwegingen van het hof.

3.8.

Voor de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld:

“(…). Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. (…).

Indien de rechter aan de verwerping van een dergelijk verweer nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden ten grondslag legt waarop de bewezenverklaring steunt, moet immers worden gesproken van feiten en/of omstandigheden die door de rechter redengevend voor de bewezenverklaring worden geacht.

Overigens geldt in alle gevallen dat ingeval het feiten en/of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, die stukken ter terechtzitting dienen te zijn voorgelezen of daarvan aldaar de korte inhoud moet zijn medegedeeld (vgl. HR 24 juni 2003, LJN AF7985, NJ 2004, 165 en HR 5 december 2006, LJN AZ0662)”.1

3.9.

Het hof heeft met verwijzing naar de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep geoordeeld dat de verdachte ‘uitvoeringshandelingen’ heeft verricht en heeft daartoe kennelijk voor de bewezenverklaring redengevend geacht dat de verdachte i) zijn pand ter beschikking heeft gesteld aan derden voor de hennepkwekerij, dat hij ii) de hennepplantage zelf heeft ingericht met geld van derden en dat hij iii) de stroomvoorziening daarnaar toe heeft geregeld. De klacht inzake deze laatste vaststelling van het hof kan evident niet tot cassatie leiden, nu zonder meer duidelijk is dat het hof daarmee heeft gedoeld op de door verdachte ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring zoals hierboven weergegeven: ‘ik heb alleen de stroomvoorziening geregeld’. Dat daarbij geen sprake is geweest van de diefstal van elektriciteit, maar van een legale stroomvoorziening maakt deze overweging van het hof nog niet onbegrijpelijk.

3.10.

Het hof heeft uit de genoemde drie feiten en omstandigheden geconcludeerd, dat sprake is geweest van het medeplegen van het tenlastegelegde. Daarbij heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat iv) ‘de verdachte heeft geprofiteerd van de opbrengst van de hennepkwekerij, omdat daarmee zijn schuld bij de collega van zijn broer werd vereffend’. Deze overweging moet worden gezien in het licht van de hierboven aangehaalde verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep. Daaruit valt af te leiden, dat de verdachte een geldbedrag heeft geleend om schulden met betrekking tot onder meer vaste lasten te vereffenen. Toen hij door omstandigheden niet in staat was dit geleende bedrag terug te betalen, is hij door de geldschieter onder druk gezet om - ik begrijp bij wijze van betaling in natura - het door hem gehuurde bedrijfspand ter beschikking te stellen voor de inrichting van een hennepkwekerij. Nu de verdachte zodoende (een gedeelte van) het geleende geldbedrag niet meer in contanten terug hoefde te betalen - uitgaande van een werkende plantage die geld zou opbrengen - is de vaststelling van het hof, dat de verdachte (indirect) zou profiteren van de opbrengst van de hennepkwekerij, hoewel in dit verband wat ongelukkig geformuleerd, niet onbegrijpelijk.

Aldus heeft het hof, ter ondersteuning van zijn in de bewijsoverwegingen vervatte oordeel, gebruik gemaakt van en voldoende nauwkeurig gerefereerd aan het wettige bewijsmiddel waaraan de twee in het middel betwiste redengevende omstandigheden zijn ontleend. Daaraan doet niet af, dat de inhoud van de in de overwegingen genoemde verklaringen ter zitting van de verdachte niet is opgenomen onder de bewijsmiddelen. In zoverre faalt het middel.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd tot een bewezenverklaring is gekomen van het tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 250 hennepplanten, aangezien deze niet kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen noch uit de bewijsoverwegingen van het hof.

4.2.

De hierboven aangehaalde bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit - en uit het aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep - blijkt onder meer het volgende. De verdachte heeft op verzoek zijn gehuurde bedrijfspand ter beschikking gesteld aan derden, die daarin een hennepplantage hebben laten inrichten door de verdachte. De verdachte heeft met geld van die derden een ruimte verbouwd en de stroomvoorziening er naar toe geregeld. In het pand bevond zich het klusbedrijf van de verdachte, waar hij dagelijks aanwezig was. Hij wist dat in de door hem verbouwde ruimte een hoeveelheid van ongeveer 250 hennepplanten stond en hij wist ook, dat deze planten op het moment van ontdekking bijna oogstrijp waren en snel zouden worden geknipt.

4.3.

Vooropgesteld dient te worden dat voor de beantwoording van de vraag over het opzettelijk aanwezig hebben van drugs, zoals bedoeld in art. 3 onder C Opiumwet, niet doorslaggevend is aan wie die drugs toebehoren.2 Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.3 Voldoende is dat de middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden4 en dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs. Bij de vraag of een verdachte de (in de woning waar hij verblijft) aangetroffen verdovende middelen ‘aanwezig’ heeft, spelen de omstandigheden een rol.5 In geval van het in vereniging aanwezig hebben van de verdovende middelen, is een vorm van gezamenlijke machtsuitoefening wel vereist.6

4.4.

Met betrekking tot de kwalificatie en de bewijsvoering inzake medeplegen en medeplichtigheid is door de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).

3.2.2.

Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (…)".7

4.5.

In het licht van het vooropgestelde, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, dat de verdachte (als pleger) de hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad in zijn bedrijfspand zoals bedoeld in art. 3 onder C Opiumwet. Gelet op de specifieke kennis van de verdachte over de kwekerij zoals blijkt uit zijn verklaring, kan de omstandigheid dat hij - naar zijn zeggen - na de inrichting geen toegang meer had tot de betreffende ruimte, aan het voorgaande niet afdoen. Gelet ook op het door de raadsvrouw in hoger beroep aangevoerde - dat vooral betrekking heeft op het medeplegen van de hennepteelt - is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

Uit de bewijsmiddelen noch uit de hier boven aangehaalde nadere overwegingen van het hof, blijkt echter van een voor de bewezenverklaring van het medeplegen van het aanwezig hebben van de hennepplanten vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de derde(n) op wiens verzoek de verdachte - volgens zijn verklaring - de kwekerij heeft ingericht. De bewezenverklaring is daarom met betrekking tot het medeplegen onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt in zoverre. Tot cassatie hoeft dit mijns inziens echter niet te leiden, reeds omdat het medeplegen bij het onderhavige Opiumwetdelict geen strafverzwarende omstandigheid vormt, als gevolg waarvan de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij deze klacht.8

4.6.

Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel richt zich tegen de kwalificatie van het bewezenverklaarde.

5.2.

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

“hij tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 9 juli 2014 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 250, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

5.3.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

“hij tezamen en in vereniging met anderen op 9 juli 2014 te Nieuw-Vennep, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 250 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

5.4.

Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:

“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”

5.5.

Artikel 3 Opiumwet luidt, voor zover hier van belang:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. (…)

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. (…).

5.6.

Het hof heeft ten onrechte het bewezenverklaarde gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; immers, de kwalificatie had moeten luiden: ‘opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11 lid 2 van de Opiumwet.’

5.7.

In zoverre treft de klacht doel. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, nu de Hoge Raad de kwalificatie van het bewezenverklaarde, mijns inziens zonder nadeel voor de verdachte, verbeterd kan lezen.

5.8.

De steller van het middel stelt in dat verband echter zich niet ‘aan de indruk te kunnen onttrekken’ dat het hof bij de strafoplegging en de motivering daarvan is ‘uitgegaan van de onjuiste kwalificatie’, te weten het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. In het middel wordt in dat kader gewezen op de “LOVS-oriëntatiepunten”.

5.9.

Het hof heeft de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand opgelegd en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen. Het hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf ter hoogte van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf ter hoogte van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 9a Sr dan wel oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Daaraan ligt kort gezegd ten grondslag dat de raadsvrouw het hypocriet acht dat coffeeshops al jarenlang gedoogd zijn, dat coffeeshops forse hoeveelheden hennep in huis mogen hebben, maar de telers in strijd met de wet handelen. Daarnaast is de straf die de politierechter in de rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg aan de verdachte heeft opgelegd volgens de raadsvrouw niet conform andere uitspraken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. Gezien de hoeveelheid aangetroffen planten, ongeveer 250, kan het niet anders dan dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien leidt de teelt van hennep veelal tot negatieve maatschappelijke effecten en overlast voor buurtbewoners. Aan de stelling dat strafoplegging aan henneptelers niet conform andere recente rechterlijke uitspraken zou zijn gaat het hof voorbij, reeds omdat de omstandigheden in die zaken anders lagen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 augustus 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.”

5.10.

De overwegingen in algemene zin van het hof over de kwalijke gevolgen van de hennepteelt, waaraan de verdachte hoe dan ook heeft bijgedragen, geven naar ik meen geen grond voor de suggestie in het middel dat het hof bij de strafoplegging ‘art. 3 onder B Opiumwet voor ogen heeft gehad in plaats van art. 3 onder C’. Daarmee staat het gestelde niet in de weg aan verbetering van de kwalificatie door de Hoge Raad zelve.

5.11.

Het middel slaagt doch dient te leiden tot verbetering van de kwalificatie van het bewezenverklaarde in die zin dat voor ‘art. 3 onder B’ Opiumwet wordt gelezen ‘art. 3 onder C’.

6. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde, tot verbetering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008, 70, herhaald in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5498.

2 HR 28 mei 1985, NJ 1985, 822, r.o. 6.2.

3 HR 23 september 1980, NJ 1981, 15.

4 HR 15 september 1986, NJ 1987, 359 (verdovende middelen onder de kleding van de passagier in een door de verdachte bestuurde auto).

5 HR 14 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1437 (Drugs in een afgesloten doos onder de keukentafel in een woning waar de verdachte tijdelijk en met anderen verbleef had de verdachte niet ‘aanwezig’).

6 HR 23 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696, r.o.2.3.

7 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015, 390.

8 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2916 en mijn conclusie daarvóór ECLI:NL:PHR:2016:1285.