Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:63

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
15/04847
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:234, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, art 15i Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04847

Zitting: 3 januari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 9 oktober 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden1, ter zake van 1 primair “diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”, 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3 meer subsidiair “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, 4 meer subsidiair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden” en 5 subsidiair “schuldheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegt voor de duur van vijf jaren en heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld. Ten slotte heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte dat als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 237 dagen, moet worden ondergaan.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3. Het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

3.2. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende.

i) Op 24 november 2011 is de verdachte in de zaak met parketnummer 10-720036-10 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Bij vonnis van 14 juni 2012 is de verdachte voorts veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De veroordelingen betroffen voornamelijk vermogensdelicten, in het bijzonder inbraken in bedrijfspanden. Deze straffen zijn aansluitend ten uitvoer gelegd.

ii) Met ingang van 5 februari 2013 is de verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld; een gedeelte van de straf, te weten 237 dagen, is niet ten uitvoer gelegd in het kader van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) ex art. 15 Sr.

iii) De aan de algemene voorwaarde verbonden proeftijd bedroeg 365 dagen, ving aan op 5 februari 2013 en eindigde op 13 mei 2014. De verdachte diende zich ook aan bijzondere voorwaarden te houden, voor een periode van 237 dagen.2

iv) Op 23 januari 2014 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld op grond van verdenking van de onderhavige ten laste gelegde en bewezenverklaarde op 22 januari 2014 gepleegde vijf feiten (zijnde drie vermogensdelicten en twee daarmee samenhangende geweldsdelicten). Over de bewezenverklaring daarvan wordt in cassatie niet geklaagd.

v) Op 5 februari 2014 heeft het openbaar ministerie gevorderd dat last zal worden gegeven tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de gehele periode van 237 dagen, op grond dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft geschonden, te weten het zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit.

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 25 september 2015 is aldaar met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) het volgende naar voren gebracht:

“De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven:

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ziet op een gevangenisstraf voor de duur van in totaal 237 dagen.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat ik een proeftijd had. Ik was al klaar met mijn voorwaardelijke invrijheidstelling.

De raadsvrouw deelt mede - zakelijk weergegeven:

Hij bedoelt dat er bijzondere voorwaarden waren opgelegd en dat hij daarmee klaar was. Ik denk dat hij daarom zegt dat zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling was afgelopen.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven:

Ik heb er niet bij stilgestaan. Ik ben 43 jaar. Ik moet nu gewoon gaan werken en wil mensen recht in de ogen kunnen kijken. Ik wil het anders gaan doen, zoals het hoort. Het klopt dat ik veel gedetineerd ben geweest. Ik heb gesprekken gehad met een psycholoog, ik wilde weten welke problemen ik had en heb daarom uiteindelijk meegewerkt.

De raadsvrouw deelt mede - zakelijk weergegeven:

In het kader van een penitentiair programma is er een rapportage opgemaakt door een psycholoog en daar heeft cliënt volledig aan meegewerkt.

De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven:

In het dossier bevindt zich een psychologisch rapport van 2 april 2014.

De raadsvrouw reageert - zakelijk weergegeven:

Dat is het rapport waarbij verdachte niet meewerkte.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven:

Het rapport is van september 2014, van na de veroordeling. Als het gaat om recidivegevaar; ik ben gestopt met het plegen van delicten. Op 20 april 2015 ben vrij gekomen met een enkelband en per 15 september 2015 is mijn detentie opgeheven.

Sindsdien heb ik gewerkt bij de voedselbank. Daarvoor heb ik gewerkt bij een autobedrijf. Zij hebben nu iemand anders aangenomen. Na mijn detentie heb ik een uitkering aangevraagd en nu werk ik als vrijwilliger. Ik leef van het inkomen van mijn vriendin. Zij werkt in de zorg. We wonen samen. Ik heb een kind met deze vriendin.

De raadsvrouw deelt mede - zakelijk weergegeven:

Ik wil nog opmerken dat verdachte met deze vriendin waarmee hij tien jaar samen is, een kind heeft, maar dat er in totaal vier kinderen zijn. Met al die kinderen heeft hij contact.”

3.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aldaar met betrekking tot genoemde vordering overeenkomstig de pleitnota het volgende aangevoerd:

“15. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling van cliënt herroepen wordt.

16. De verdediging verzoekt uw Hof de vordering van het Openbaar Ministerie af te wijzen. Artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt als eis dat een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling onverwijld moet worden ingediend. In casu is zulks niet het geval. De vordering van de officier van justitie is gedaan op 5 februari 2014, terwijl cliënt op 22 januari 2014 is aangehouden. Naar de mening is zulks niet onverwijld.

17. De verdediging wenst in dat kader nog te wijzen op een e-mailwisseling tussen de officier van justitie en een andere medewerker van het openbaar ministerie waarin zij zelf ook aangeven dat zij de vordering niet onverwijld hebben ingediend. In reactie daarop merkt de verdediging nog op dat reeds op 26 januari de echte naam van cliënt bekend was bij het onderzoeksteam, zodat daarin geen excuus gevonden kan worden.

18. Mocht uw Hof van oordeel zijn dat de vordering onverwijld is ingediend, althans het verzuim geen gevolgen dient te hebben en is uw Hof tevens van oordeel dat van herroeping sprake moet zijn, dan verzoekt de verdediging om de vordering slechts ten dele te herroepen.

19. Cliënt heeft zich gedurende de gehele proeftijd perfect gehouden aan de bijzondere voorwaarden, te weten meldingsgebod en heeft zich gehouden aan alle aanwijzingen van de reclassering. De Reclassering Nederland heeft dit aan het einde van deze proeftijd tevens schriftelijk aan cliënt bevestigd. Een herroeping en zeker een volledige herroeping dient naar de mening van de verdediging dan ook geen enkel doel. Daarnaast is het overtreden van de algemene voorwaarde geschied vlak voor het eindigen van de proeftijd van 365 dagen.

20. Inmiddels is cliënt op vrije voeten en heeft sinds april meegedaan aan het penitentiaire programma. Client heeft sinds voornoemde datum een enkelband gehad met een meldplicht. De casemanager heeft cliënt begeleid en was zeer positief. Dit is ook de reden dat aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling geen nadere voorwaarden zijn gesteld. De verdediging verzoekt uw Hof de vordering af te wijzen dan wel in duur te bekorten.”

3.5.

Het hof heeft als volgt overwogen:

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 24 november 2011 in de zaak met parketnummer 10-720036-10 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Bij vonnis van de politierechter Breda d.d. 14 juni 2012 (parketnummer 02- 800350-12) is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Deze beide vonnissen zijn betrokken bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte.

Als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is een gedeelte van de totale straf, groot 237 dagen, niet ten uitvoer gelegd.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering tot herroeping dient te worden afgewezen. De vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling is niet onverwijld ingediend, aldus de raadsvrouw. Mocht het hof deze zienswijze niet delen, dan heeft de raadsvrouw verzocht de herroeping af te wijzen dan wel in duur te bekorten.

Het hof oordeelt als volgt.

De vordering is op 5 februari 2014 binnengekomen bij de rechtbank. Mede in aanmerking genomen dat verdachte aanvankelijk een valse naam heeft opgegeven en pas op 26 januari 2014 bekend werd dat hiervan sprake was, is de indiening onverwijld geschied. Het hof oordeelt dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling derhalve tijdig is ingediend, zodat het primaire verweer van de raadsvrouw faalt.

Het hof is voorts van oordeel dat verdachte de 237 dagen gevangenisstraf alsnog moet ondergaan. Hiertoe wordt overwogen dat een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in beginsel moet worden toegewezen, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Een veroordeelde dient zich immers gedurende de proeftijd aan de gestelde voorwaarden te houden. Dergelijke omstandigheden doen zich in het onderhavige geval echter niet voor, zodat er geen aanleiding is de vordering af te wijzen. Voor een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ziet het hof gelet op de documentatie van verdachte evenmin aanleiding.”

3.6.

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste klacht betreft de overweging van het hof, inhoudende ‘dat een vordering tot herroeping (…) in beginsel moet worden toegewezen, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden’.

3.7.

Voor de beoordeling van het middel dient de parlementaire geschiedenis van art. 15 Sr vooropgesteld te worden:

“Het onderhavige wetsvoorstel strekt tot herziening van de vervroegde invrijheidstelling. De vervroegde invrijheidstelling wordt omgevormd tot een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Daarmee wordt een einde gemaakt aan de bestaande en sterk bekritiseerde situatie dat aan de vervroegde invrijheidstelling geen voorwaarden kunnen worden verbonden en dat de eenmaal toegekende vervroegde invrijheidstelling niet kan worden herroepen. Met het voorwaardelijk maken van de vervroegde invrijheidstelling wordt een bijdrage geleverd aan vergroting van de maatschappelijke veiligheid. De voorwaardelijke invrijheidstelling draagt bij aan de bescherming van de samenleving mede door het beperken van de kans op recidive doordat de veroordeelde onder toezicht van justitie staat. (…).

3i.De gevolgen van overtreding van de voorwaarden

Van het grootste belang voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is dat het overtreden van de voorwaarden niet zonder gevolgen blijft. Gebrek hieraan leidde immers tot de zo bekritiseerde regeling van vervroegde invrijheidstelling. Het uitgangspunt is derhalve dat steeds een reactie volgt op iedere overtreding van de voorwaarden. Afhankelijk van de ernst van de overtreding van de voorwaarden kunnen drie reacties volgen: herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, wijziging van de bijzondere voorwaarden of een waarschuwing indien er sprake is van een zeer geringe schending van de voorwaarden.

Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is aan de orde indien er sprake is van een ernstige schending van een aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarde. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal steeds bepaald moeten worden welke reactie op overtreding van de voorwaarden het meest passend is. In beleidsregels van het openbaar ministerie zullen kaders worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ingediend.

De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling brengt mee dat de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf wordt gelast. De veroordeelde wordt weer ingesloten in een penitentiaire inrichting.

De bevoegdheid te beslissen over het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling ligt bij de rechter.3

3.8.

De wettelijke bepalingen met betrekking tot de v.i. luiden als volgt:

-art. 15 Sr:

“1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan.

2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan. (…)”.

-art. 15a Sr:

“1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschied onder de algemene voorwaarde dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (…)”

- art. 15g Sr:

"Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan, opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld."

- art. 15i Sr:

"1. Indien Onze Minister van Justitie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en gehele of gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, verzoekt hij het openbaar ministerie om een daartoe strekkende vordering in te dienen.

2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Het openbaar ministerie ziet slechts af van de vordering, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan.

3. (...) Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.”

- art. 15j Sr:

"1. Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan. (…)."

3. De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. (…)”.

3.9.

Gelet op de (strenge) tekst van art. 15i lid 2 Sr en de wetsgeschiedenis is het uitgangspunt van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling dat, in het belang van de effectiviteit en geloofwaardigheid van de regeling, steeds een reactie volgt op iedere overtreding van de voorwaarden. Een ernstige schending van een aan de v.i. verbonden voorwaarde dient in de regel te leiden tot (gehele of gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.4 De overweging van het hof, inhoudende dat de vordering alleen in uitzonderlijke omstandigheden wordt afgewezen, moet mijns inziens in dit verband worden beschouwd en geeft - hoewel wat ongelukkig geformuleerd - gelet op de omstandigheid dat de verdachte de algemene voorwaarde op ernstige wijze heeft geschonden door het plegen van vijf strafbare feiten, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.10.

Het tweede gedeelte van het middel klaagt dat het hof bij zijn beslissing tot toewijzing van de vordering niet in het voordeel van de verdachte rekening heeft gehouden met de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat hij zich gedurende de proeftijd heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd en dat hij in inmiddels in vrijheid is en vrijwillig werk verricht. Het hof heeft ten nadele van de verdachte echter wel rekening gehouden met zijn Justitiële Documentatie, waarvan de inhoud eveneens is meegewogen bij de motivering van de strafoplegging.

3.11.

De beslissing tot toewijzing van de vordering tot herroeping van de v.i. maakt in dit geval deel uit van de strafzaak ter zake van de vervolging voor de nieuwe strafbare feiten, zoals bepaald in art. 15i lid 5 Sr. Bij de motivering van de straf die ter zake van die nieuwe feiten is opgelegd, was de feitenrechter vrij in de selectie en waardering van de factoren die hij daartoe van belang achtte.5 Diezelfde factoren, zoals in dit geval onder meer de omvang en inhoud van de Justitiële Documentatie, kan de rechter van belang achten bij de beslissing over de herroeping van de v.i., nu deze immers is verweven met de beslissing over de straf in de hoofdzaak. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, is de feitenrechter ook in die keuze vrij.

3.12.

De regeling van de herroeping van de v.i. vertoont op onderdelen gelijkenis met de regeling van de herroeping van de voorwaardelijke veroordeling (v.v.) in de zin van art. 14a e.v. Sr.6 Daarom kan, met betrekking tot de motivering van de rechterlijke beslissing over de v.i., naar ik meen worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de op grond van art. 14j lid 1 Sr vereiste motivering. Die hoeft niet verder te strekken dan de constatering dat de algemene voorwaarde niet is nageleefd.7 De toepassing van art. 15j lid 3 Sr behoeft uiteraard ook wel enige motivering, maar net als bij de v.v. is meer dan de feitelijke vaststelling dat de algemene voorwaarde niet is nageleefd, mijns inziens niet vereist.8

3.13.

De verdachte heeft door het binnen de proeftijd plegen van de onderhavige vijf strafbare feiten de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde geschonden. Dat is de grondslag voor de vordering tot herroeping van de v.i. en door deze te benoemen heeft het hof voldaan aan de motiveringsplicht zoals bedoeld in art. 15j lid 3 Sr. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

In de overwegingen van het hof ligt voorts als oordeel besloten, dat de omstandigheden van dit geval slechts aanleiding geven tot de (gehele) herroeping van de v.i. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, afgezet tegen de mate van relevante recidive, de aard en de ernst van de nieuwe feiten in relatie tot de delicten waarvoor eerder is veroordeeld9 - steeds inhoudende (gekwalificeerde) vermogensdelicten, in het bijzonder bedrijfsinbraken - is dat oordeel niet onbegrijpelijk. De wet geeft de rechter immers de ruimte om op basis van de omstandigheden van het geval een passende reactie te geven op overtreding van de voorwaarden.10 Evenmin onbegrijpelijk is overigens, dat het hof kennelijk bij zijn beslissing heeft betrokken dat de verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, in het bijzonder bedrijfsinbraken en dat hij, ondanks justitieel toezicht in het kader van de onderhavige regeling, daarin kennelijk heeft volhard.

3.14.

Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden verworpen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met niet-ontvankelijk verklaring in het hoger beroep van het onder 6 primair en 6 subsidiair ten laste gelegde en met vrijspraak van het onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 4 subsidiair en 5 primair ten laste gelegde.

2 Een uittreksel uit de Justitiële Documentatie de verdachte betreffende van 14 augustus 2015, het Besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 29 januari 2013 en het Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 4 februari 2013.

3 Kamerstukken II, 2005/06, 30 513, MvT, nr. 3, p. 1, 14 en 15.

4 E. Julsing-Nijenhuis, Voorwaardelijke invrijheidstelling, Kluwer 2009, onder meer p. 18 en p. 46.

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2015, achtste druk, p. 310.

6 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge bij HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647, ECLI:NL:PHR:2014:1523, nr. 5.13.

7 HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2956, NJ 2014/463, r.o. 2.3.

8 Vgl. mijn conclusie bij HR 12 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:212, nr. 5.2.

9 Zie over de factoren die een rol kunnen spelen bij de inhoud van de vordering de Aanwijzing v.i. van het openbaar ministerie, (2012A007), 27 februari 2012, Stcrt. 2012, 5379, par. III.3.

10 Kamerstukken II, 2005/06, 30 513, MvT, nr. 3, p. 24.