Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:626

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-05-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/01462
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1302, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland? Art. 2.A Opiumwet. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering. Bewijsvoering biedt onvoldoende grond voor ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. T.a.v. verdachtes rol daarbij kan uit de bewijsvoering niet meer worden afgeleid dan dat verdachte medeverdachte X tegen een door ene Y in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol heeft opgewacht en verdachte wist dat zij een zending met een naar hij aannam niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben. ’s Hofs kennelijke oordeel dat die intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is, en niet slechts bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, is niet z.m. begrijpelijk, ook niet als daarbij in aanmerking wordt genomen dat het Hof het afhalen van X van de luchthaven als een 'uitvoeringshandeling' heeft aangemerkt. Middel is terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/165 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01462

Zitting: 30 mei 2017

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 maart 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C. Grijsen en mr. B.P. de Boer, advocaten respectievelijk te Almere en Amsterdam, hebben 2 middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde medeplegen, mede gelet op hetgeen hieromtrent namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, ontoereikend heeft gemotiveerd. In hoger beroep is aangevoerd dat sprake is geweest van een geringe rol bij de uitvoering van het delict, hetgeen in verband pleegt te worden gebracht met medeplichtigheid in plaats van medeplegen.

  4. Het middel heeft met name het oog op paragraaf 3.2.3. van de arresten van de Hoge Raad van 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713/716/718, waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:

‘3.2.3. In het hiervoor genoemde arrest (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis; JS) is voorts overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.’

5. De bewijsmiddelen behelzen kort gezegd het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij een persoon, [betrokkene 1], uit Paraguay van Schiphol zou ophalen en in zijn woning zou laten verblijven, terwijl hij wist dat zij met een zending zou komen waarbij hij dacht aan smokkelwaar. Hij heeft haar op 11 juli 2013 opgewacht op Schiphol (bewijsmiddel 1). Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij [betrokkene 1] naar op verzoek van eenpersoon die hij slechts kende onder de naam [betrokkene 2] op 29 juni 2013 naar Schiphol had gebracht. Hem was een niet gepreciseerde beloning in het vooruitzicht gesteld, waarbij hijzelf dacht aan circa duizend euro. [betrokkene 2] had hem gezegd dat ze met een zending kwam. Verdachte dacht dat het iets verbodens was (bewijsmiddel 2). Uit de bewijsmiddelen 3 en 4 komt naar voren dat een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen bij een douanecontrole van de bagage van [betrokkene 1] onmiddellijk na haar aankomst op Schiphol op 11 juli 2013.

6. Het verkorte arrest van het Hof houdt in dat verdachte naar Schiphol is gegaan om haar ([betrokkene 1]) op te halen en bevat de volgende nadere bewijsoverweging:

‘(…)Het hof verwerpt ook het verweer van de raadsman dat ten hoogste sprake kan zijn van medeplichtigheid en niet van medeplegen. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Uit hetgeen is bepaald in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet (OW) volgt dat onder binnen het grondgebied van Nederland brengen ook dient te worden gerekend elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling. De door de verdachte verrichte handeling - te weten het afhalen van die [betrokkene 1] op de luchthaven Schiphol - dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als een op het verdere vervoer van cocaïne gerichte handeling, en daarmee als uitvoeringshandeling van de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Het verweer van de raadsman, dat is gegrond op het uitgangspunt dat het handelen van de verdachte niet als een uitvoeringshandeling van de hem verweten gedraging kan worden aangemerkt, faalt dan ook.’

7. Terecht gaat het hof er vanuit dat het bestanddeel ‘binnen het grondgebied brengen van Nederland’ als bedoeld in art. 2 onder A van de Opiumwet een ruim bereik heeft nu ingevolge art. 1 lid 4 van de Opiumwet daaronder is begrepen elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht met betrekking tot de middelen gerichte handeling.1

8. Niettemin heb ik moeite om het hof te volgen in het kennelijke oordeel dat verdachte een meer dan geringe uitvoeringshandeling heeft verricht bij de (verlengde) invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Daarbij betrek ik dat ook niet blijkt van een grote intellectuele en/of materiële rol van de verdachte in de fase van de voorbereiding van de invoer van drugs. Er is niet meer bekend dan dat hij op verzoek van een persoon een koerierster naar de luchthaven heeft gebracht om naar Paraguay te reizen en dat hij haar zou afhalen als zij met een zending terug zou komen en dat zij bij hem zou verblijven. Hij zou voor zijn handelingen een beloning ontvangen. Verdachte is op 11 juli 2013 wel naar Schiphol gegaan en heeft [betrokkene 1] daar opgewacht, maar feitelijk is het afhalen niet gerealiseerd doordat zij werd aangehouden. In het licht van die vastgestelde feiten acht ik de motivering van het oordeel dat sprake is van medeplegen van (verlengde) invoer van cocaïne niet zonder meer begrijpelijk.

9. In HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad het volgende overwogen in paragraaf 3.3.2.:

‘Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.’

10. Ik merk op dat indien de Hoge Raad het arrest waartegen cassatie is ingesteld vernietigt en de zaak verwijst naar een hof teneinde de zaak op het bestaande hoge beroep te berechten, zoals naar aanleiding van het onderhavige middel door mij wordt voorgesteld, die procedurele achtergrond er vervolgens niet aan in de weg staat om een eventueel door het openbaar ministerie bij het hof te vorderen wijziging van de tenlastelegging toe te wijzen (HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3604, NJ2012/85).

11. Het middel slaagt

12. Het tweede middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

13. Namens de verdachte is op 15 maart 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 november 2016 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn is overschreden. De overschrijding van de inzendtermijn kan evenwel in cassatie nog worden gecompenseerd.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof te Amsterdam of verwijzing naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie HR 10 november 1992, NJ 1993, 225 en HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR: AY9575, NJ 2006, 647. Zie voorts de conclusie van AG-Hofstee ECLI:NL:PHR:2016:316, rov. 18. voorafgaand aan ECLI:NL:HR:2016:772 (81 RO) in de zaak [...].