Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:624

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/03209
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1301, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verkrachting, art. 242 Sr en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting, art. 285.1 Sr. HR: art. 81.1 RO. CAG: Oorzakelijk verband mishandeling en bewezenverklaarde dwang tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van vriendin van verdachte? Hof heeft de bewezenverklaarde - al dan niet psychische - ‘dwang’ a.b.i. art. 242 Sr kunnen afleiden uit het uit het deskundigenrapport van de patholoog blijkende letsel bij vriendin van verdachte en uit de vastgestelde ruzie tussen verdachte en zijn vriendin in de nacht waarin het feit is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03209

Zitting: 13 juni 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 1 juni 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens, onder 2, “verkrachting” en, onder 3, “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden. Het bestreden arrest bevat voorts enige bijkomende beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in onderhavige zaak om het volgende feitencomplex. Op 17 januari 2010 is het slachtoffer [slachtoffer] door haar vriend, de verdachte, in hun woning dood aangetroffen hangend aan een stoffen koord aan een haak in het plafond. In eerste instantie is tegen de verdachte geen vervolging ingesteld. Op 27 maart 2013 heeft de beklagkamer van het hof Amsterdam in het kader van een art. 12 Sv-procedure de officier van justitie bevolen de verdachte te vervolgen. Na een door het OM uitgevoerd onderzoek is de verdachte in eerste aanleg vervolgd voor drie feiten. In de eerste plaats wegens moord, subsidiair stelselmatige mishandeling en meer subsidiair mishandeling (onder andere in de nacht van 16 op 17 januari 2010), in de tweede plaats wegens (anale) verkrachting in de nacht van 16 op 17 januari 2010 en in de derde plaats wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven en brandstichting in de periode van 1 november 2009 tot en met 31 december 2009. De rechtbank Amsterdam heeft op 26 februari 2015 de verdachte vrijgesproken van moord en veroordeeld wegens (i) de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling (waaronder de mishandeling in de nacht van 16 op 17 januari 2010), (ii) de ten laste gelegde verkrachting in diezelfde nacht en (iii) de bedreiging met een misdrijf tegen het leven en de brandstichting.

Tegen het vonnis van de rechtbank is de verdachte in hoger beroep gekomen, echter slechts met betrekking tot de veroordeling wegens de verkrachting en wegens de bedreiging met een misdrijf tegen het leven. Het hof heeft zoals hiervoor onder 1. weergegeven bewezen geacht dat de verdachte de verkrachting en de bedreiging heeft begaan.

4. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde verkrachting. Volgens de steller van het middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer door geweld en andere feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, althans is de bewezenverklaring van het hof op dit punt niet toereikend gemotiveerd. Daarbij staat in het middel centraal dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat er een oorzakelijk verband is tussen de mishandeling door de verdachte in de bewuste nacht van 16 op 17 januari 2010 en de tenlastegelegde dwang tot het ondergaan van het seksueel binnendringen in het lichaam van het slachtoffer.

4.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 16 tot 17 januari 2010 te Alkmaar door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] ,

hebbende verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] gebracht en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat

- verdachte [slachtoffer] stevig bij de armen heeft vastgehouden en

- verdachte eerder die avond/nacht [slachtoffer] meermalen had geslagen en/of gestompt en/of geduwd en er tussen verdachte en [slachtoffer] die avond/nacht meermalen ruzie was geweest, waardoor hij, verdachte, een bedreigende situatie voor [slachtoffer] heeft gecreëerd en aldus psychisch overwicht op [slachtoffer] heeft gehad.”

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het hof neemt over en acht hier herhaald en ingelast de aan de inhoud van in de voetnoten genoemde wettige bewijsmiddelen ontleende redengevende feiten en omstandigheden die de rechtbank in haar vonnis van 26 februari 2015 - waarvan de betreffende pagina’s aan deze aanvulling zijn gehecht - in paragraaf 5.1.3. heeft weergegeven.

[De door het hof genoemde paragraaf 5.1.3. van het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2015 luidt – met weglating van voetnoten – als volgt:

5.1.3. 16/17 januari 2010

[slachtoffer] woonde volgens GBA gegevens vanaf 11 februari 2009 te Alkmaar.

Ruzie

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij begreep dat toen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij verdachte en [slachtoffer] thuis waren op 16 januari 2010, [slachtoffer] en verdachte een beetje ruzie hadden, wat woorden.

Diverse omwonenden van de flat waar verdachte en [slachtoffer] woonden hebben verklaard het één en ander te hebben gehoord in de nacht van 16 op 17 januari 2010.

Getuige [getuige 1] , wiens woning zich schuin tegenover de woning van verdachte en [slachtoffer] bevond heeft verklaard dat haar vriend ’s nachts rond een uur of drie thuis kwam. Toen zij en haar vriend die nacht in bed lagen, hoorden ze dat ze ruzie hadden. Haar vriend is er nog uitgegaan om te gaan luisteren op de gang. Het was een ruzie tussen twee mensen, een man en een vrouw. Het kwam vanuit hun flat, aldus getuige [getuige 1] . Dat weet ze omdat na de woning van verdachte en [slachtoffer] er klapdeuren zijn en pas daarna is er weer een andere woning. Getuige en haar vriend konden niet horen wat er gezegd werd, maar ze weet dat het ruzie was want het klonk niet echt blij. Het klonk boos.

Getuige [getuige 2] , wonende op de [a-straat 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 03:30 uur naar bed ging en dat hij op dat moment het slaan met deuren hoorde. Hij en zijn vrouw dachten dat het geluid van boven hen kwam. Zijn vrouw zou gezegd hebben: “er krijgt iemand harde klappen”. Opeens hield het geluid op. Zijn vrouw [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij zich kan herinneren dat zij die nacht wakker werden van een hoop lawaai. Het klonk alsof er met stoelen en tafels geschoven werd. Het klonk dichtbij. Zij hoorde vlak daarna een vrouw schreeuwen. Zij had het idee dat het een uur of vier of vijf was, maar weet dat niet zeker. Ook heeft zij nog gegil gehoord. Het was van een vrouw.

Het was een paar keer achter elkaar, zij denkt twee of drie minuten, niet langer. Het waren binnen die twee of drie minuten een aantal gillen met daarbij tussenruimte.

Wanneer verdachte bij de rechter-commissaris wordt voorgehouden dat buren hebben verklaard over ruzie die nacht, verklaart verdachte dat er inderdaad ruzie was die avond. Het was, aldus verdachte, “een vervelende avond”. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard verdachte dat het een vervelende nacht was. Verdachte heeft verklaard dat hij ruzie met [slachtoffer] heeft gehad alvorens zij die nacht naar buiten is gegaan.

Gedragingen

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] die nacht bij hem gekomen zou zijn op bed. Er zou een worsteling zijn ontstaan. Er zou geduw en getrek zijn geweest.

Verdachte heeft het over “vastpakken en wegduwen”. Verdachte heeft [slachtoffer] weggeduwd. Verdachte zou [slachtoffer] op enig moment hebben vastgepakt aan haar riem. Hij heeft hard aan die riem getrokken. Verdachte is voor [slachtoffer] gaan staan. Toen is er een worsteling ontstaan en hebben zij elkaar ook geslagen, aldus verdachte. Verdachte heeft [slachtoffer] een klap gegeven. Hij raakte haar hierbij op haar buik. Toen is er weer een worsteling ontstaan waarbij zij elkaar vastpakten en duwden. Verdachte heeft haar een harde duw gegeven, tot ze op de grond is gevallen. Dit speelde zich allemaal af in de slaapkamer, aldus verdachte.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte over deze nacht verklaard dat toen hij en [slachtoffer] ruzie kregen, verdachte haar zou hebben vastgepakt bij haar bovenarmen. Hij heeft haar ook nog aan haar broekriem vastgepakt. Die broekriem is toen gesprongen.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte nogmaals bekend [slachtoffer] die nacht te hebben geduwd en geslagen.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte hem over die nacht (de rechtbank begrijpt: de nacht van 16 op 17 januari 2010) verteld heeft dat hij [slachtoffer] een paar stompen had verkocht.

Letsel

Nadat het levenloze lichaam van [slachtoffer] op 17 januari 2010 te Alkmaar is aangetroffen, vindt er een schouw plaats. Op het lichaam van [slachtoffer] waren tijdens de eerste schouw op 17 januari 2010 verspreid over haar gehele lichaam diverse kleine blauwe plekken zichtbaar. Op de linker bovenarm werden aan de binnenzijde en aan de buitenzijde bloeduitstortingen aangetroffen.

Bij de sectie door patholoog Van de Goot is (onder meer) het navolgende gebleken.

Er waren over de beide armen, handen, benen en in mindere mate ook de rug vele in ouderdom wisselende oppervlakkige huidkrassen en geringe verkleuringen. Er waren aan zowel de binnen- als de buitenzijde van de linker bovenarm onderhuidse bloeduitstortingen. Onderzocht werd bij letseldateringsonderzoek door het VUMC een letsel aan de bovenarm links buiten alsmede bovenarm links binnen. Tevens letsel van de borsthuid. Bij het letsel aan de armen en de borst werd vorderende vitale wondreactie gezien met een beeld dat past bij meerdere uren voor het intreden voor de dood opgelopen letsel. Het beeld past eerder bij letsel van circa vier tot zes uur dan bijvoorbeeld tien tot twaalf uur.

Van de Voorde dateert, onder verwijzing naar het onderzoek van Van de Goot en het letseldateringsonderzoek van het VUMC, het letsel aan de linker bovenarm van recente datum waarbij het letseldateringsonderzoek melding maakt van een vitale wondreactie met een beeld dat past bij een ouderdom van meerdere uren voor het intreden van de dood (eerder bij circa vier tot zes uur dan bijvoorbeeld tien tot twaalf uur).

Prof. dr. H.W.M. Niessen, verbonden aan het VUMC, constateert in het meest recente rapport, gedateerd 21 januari 2015, daar waar het letsel aan de bovenarm links en borst betreft, eveneens een vorderende vitale wondreactie, meerdere uren oud. Dit wijst eerder in de richting van vier tot zes uren dan bijvoorbeeld tien tot twaalf uren oud.]

2. Een proces-verbaal met nummer 2010006354-10 van 15 juli 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s A01-A03.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven , als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 17 januari 2010 hebben wij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw. Aangetroffen op de [a-straat 2] te Alkmaar op zondag 17 januari 2010.

Identiteit van het slachtoffer:

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] -1985 te [geboorteplaats]

Gewoond hebbende [a-straat 2] te Alkmaar

Bevindingen van de arts/lijkschouwer:

Op zondag 17 januari 2010 werd samen met de GG&GD arts B. Kruyver de schouw ter plaatse verricht.

3. Een lijkschouwrapport, van de Forensische geneeskundige Eenheid Noord-Holland Noord van 17 januari 2010, opgemaakt door B. Kruyver, arts GGD Hollands Noorden Forensisch Geneeskundige Eenheid.

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina’s A13-A14):

Lijkschouwrapport

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , overleden op 17 januari 2010 op het adres [a-straat 2] te Alkmaar.

Op 17 januari 2010 om 14.30 uur heeft ondergetekende de uitwendige lijkschouw verricht om de doodsoorzaak en hetgeen verder van belang mocht zijn vast te stellen.

Vermoedelijk datum en tijdstip van overlijden: 14.30 uur lijkschouw: schatting tussen de 6-10 uur hiervoor.

4. Een deskundigenrapport, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, overledene [slachtoffer] , zaaknummer 2010.01.15.080, sectienummer 2010-016/FG005 van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2010, opgemaakt door F.R.W van de Goot arts en patholoog.

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina’s A49-A59):

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985, is het navolgende gebleken:

Er waren aan zowel de binnen- als de buitenzijde van de linker bovenarm onderhuidse bloeduitstortingen. Er waren aan de rechterelleboog meerdere in elkaar overgaande huidbeschadigingen.

Er waren meerdere slijmvliesscheurtjes aan de binnenzijde van de anus. Er was geringe bloeduitstorting rondom deze beschadigingen.

Bij letseldateringsonderzoek VUMC TFI-65012 conclusie:

Onderzocht werd een letsel aan de bovenarm links buiten alsmede bovenarm links binnen. Tevens letsel van de rechterelleboog, de borsthuid, (...) en de scheur aan de anus. Bij het letsel aan de armen en de borst werd vorderende vitale wondreactie gezien met een beeld dat past bij meerdere uren voor het

intreden voor de dood opgelopen letsel. Het beeld past eerder bij een letsel van circa 4 tot 6 uren dan bijvoorbeeld 10 tot 12 uren.

Het letsel aan de anus toont duidelijke vitale beschadiging van vorderende aard waarbij de ouderdom van deze beschadiging in de orde van grootte van meerdere uren dient te worden gezien. De ouderdom van dit letsel komt overeen met de ouderdom van letsels aan de bovenarmen en de borsthuid.

5. Een verslag met nummer FG 002582 EX 1 van UZ Leuven, forensische geneeskunde van 8 februari 2011, opgemaakt door prof. dr. med. W. van de Voorde.

Dit verslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina’s A74-80).

Betreft volgend onderzoek: [slachtoffer] , [geboortedatum] /1985

Het staat wel vast dat in de uren voorafgaand aan het overlijden er een traumatische (gewelddadige) anale penetratie heeft plaatsgevonden, mogelijk vergezeld van stomp kneuzend (grijpend of knijpend) geweld tegen de linker bovenarm.

6. Een rapport, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Alkmaar op 18 januari 2010 [het hof leest verbeterd: 17 januari 2010] zaaknummer 2010.01.15.080, van het Nederlands Forensisch Instituut

van 27 april 2011, opgemaakt door drs. ing. T.J.P. de Blaeij, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA.

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina’s A85-A96):

Betrokkene [verdachte]

Overledene [slachtoffer]

1 Te onderzoeken materiaal

AABF8657NL een bemonstering van de buitenzijde van de anus

AABF8658NL een bemonstering van de binnenzijde van de anus

2 Eerder onderzocht materiaal

AACB6253NL een referentiemonster bloed van de overledene [slachtoffer]

RGL3 53 een referentiemonster wangslijmvlies van de betrokkene [verdachte]

8 Conclusie

Uit de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en vergelijkend DNA-onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

Het DNA-profiel van [slachtoffer] AACB6253NL matcht met alle DNA (meng)profielen van het celmateriaal in de onderzochte bemonsteringen. Aangezien het bemonsteringen van het lichaam van de overledene betreft wordt aangenomen dat alle bemonsteringen celmateriaal bevatten van [slachtoffer] zelf.

In een aantal bemonsteringen is bij het onderzoek naar biologische sporen sperma aangetroffen en/of is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een (geringe hoeveelheid) spermavloeistof.

Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met de DNA-profielen van het DNA in de stringente lysis fracties van de bemonsteringen van de anus AABF8657NL#01 en AABF8658NL#01.

Dit betekent dat het sperma in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van [verdachte] . De berekende frequentie van de DNA profielen van het sperma in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

De verkregen DNA-(meng)profielen van het onderzochte sporenmateriaal geven geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van DNA van een derde persoon.

7. Onderzoek van letsels bevonden bij [slachtoffer] , zaaknummer 2010.01.15.080, sectienummer 2010-016/ [slachtoffer] van het Nederlands Forensisch Instituut van 8 april 2014 opgemaakt door D. Botter, forensisch arts KNMG.

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina’s 171-175, map Z02, onderzoek l0Deccan):

Voor het ontstaan van scheurtjes in de huid rond de anus en een scheurtje in het endeldarmslijmvlies is uitwendige inwerking van mechanisch geweld vereist.”

4.3. Het bestreden arrest bevat daarnaast de volgende nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde verkrachting:

“Het hof stelt het volgende vast.

Op 17 januari 2010 wordt in haar woning in Alkmaar [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) dood aangetroffen. De schouwarts stelt het tijdstip van overlijden vast op zes tot tien uur voor de lijkschouw die om 14.30 uur plaatsvindt. Bij nader onderzoek worden scheurtjes in de huid rond de anus en een scheurtje in het endeldarmslijmvlies aangetroffen, passend bij anale penetratie. Na bemonstering worden aan de binnen- en de buitenzijde van de anus spermacellen aangetroffen. Het DNA in deze spermacellen is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig van de verdachte. Aan zowel de binnen- als de buitenzijde van de linkerbovenarm worden onderhuidse bloeduitstortingen waargenomen, naast meerdere in elkaar overgaande huidbeschadigingen aan de rechterelleboog.

Zowel de ouderdom van het letsel aan de anus als de ouderdom van het aangetroffen letsel aan de armen en de borsthuid passen bij meerdere uren voor de dood opgelopen letsel. Waarbij het beeld eerder past bij letsel dat circa vier tot zes uur voor het intreden van de dood is ontstaan, dan bij letsel dat circa tien tot twaalf uur voor het intreden van de dood is ontstaan.

De rechtbank heeft de verdachte inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor (voor zover hier van belang) de mishandeling van [slachtoffer] in de periode van 16 tot 17 januari 2010, doordat hij haar heeft gestompt en haar heeft geslagen tegen haar buik en tegen haar borst en haar hardhandig heeft vastgepakt en geknepen aan/in de armen en haar hard heeft geduwd en aan haar heeft getrokken, waardoor zij op de grond viel, waardoor zij telkens letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De vraag ligt voor of de verdachte [slachtoffer] in de periode van 16 tot en met 17 januari 2010 - kort samengevat - anaal heeft verkracht. Daartoe dient allereerst te kunnen worden vastgesteld dat de verdachte die nacht anale gemeenschap met [slachtoffer] heeft gehad.

De verdachte heeft bij herhaling ontkend dat hij in de periode van 16 tot en met 17 januari 2010 seksueel contact met [slachtoffer] heeft gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging gesteld dat het sperma ook eerder in de anus kan zijn gekomen dan in de periode van 16 tot en met 17 januari 2010. Dat zulks het geval is, acht het hof gezien de datering van het letsel aan de anus, niet aannemelijk geworden.

Voor het ontstaan van het letsel aan de anus heeft de verdediging voorts een aantal alternatieve scenario’s geschetst. Hoewel deze niet door steekhoudende argumenten zijn geschraagd, noch zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie, wil het hof toch kort ingaan op die scenario’s.

Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat het letsel zou kunnen zijn veroorzaakt door harde ontlasting dan wel door [slachtoffer] zelf zou kunnen zijn toegebracht. Voor beide opties bevat het dossier geen aanwijzingen. Het hof acht deze scenario’s reeds daarom niet aannemelijk geworden.

Voorts heeft de verdediging de mogelijkheid geopperd dat [slachtoffer] die nacht seks heeft gehad met iemand anders dan de verdachte, mogelijk in ruil voor drugs. Ook hiervoor bevat het dossier geen aanwijzingen. Zo ontbreken DNA- dan wel andere sporen die hierop duiden. Gesteld noch anderszins gebleken is dat [slachtoffer] ooit eerder seksuele diensten verleende in ruil voor drugs. Dat dit die nacht wel zou zijn gebeurd en wel in de korte periodes van enkele minuten waarin geen telefoonverkeer plaatsvond terwijl zij op pad was om drugs te halen, is niet aannemelijk geworden. Ook de mogelijkheid dat een onbekende derde die nacht in de woning van [slachtoffer] - waarin ook de verdachte zich bevond - met haar seksueel contact zou hebben gehad, is bij gebreke van aanwijzingen daarvoor niet aannemelijk geworden.

Tenslotte is geopperd dat het zo zou kunnen zijn dat de verdachte die nacht wel met wederzijdse instemming anale seks met [slachtoffer] heeft gehad, maar dit is vergeten omdat hij in een bedwelmde dan wel half slaperige toestand verkeerde. Ook zou het volgens de verdediging kunnen dat de verdachte de vrijwillige seks in paniek heeft ontkend en daarop niet heeft durven terugkomen. Allereerst merkt het hof op dat de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep, bijgestaan door zijn raadsman, heeft volgehouden en met stelligheid heeft verklaard zeker te weten dat hij die nacht geen seksuele gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer] . De stelling dat de verdachte het misschien is vergeten, is niet aannemelijk geworden. Dat sprake is van een leugen ter verhulling van vrijwillige anale seks, waarop de verdachte niet zou durven terugkomen, is evenmin aannemelijk geworden. De verdachte heeft zijn ontkennende verklaring ondanks herhaalde kritische ondervraging immers niet gewijzigd, terwijl hem die ruimte en gelegenheid bij die ondervraging wel is geboden.

De door de verdediging geschetste alternatieve scenarios acht het hof derhalve niet aannemelijk geworden. Het hof acht op grond van het DNA van het op en in de anus aangetroffen sperma, de match van dat DNA met het DNA van de verdachte, het geconstateerde letsel aan en in de anus en de letseldatering, bewezen dat de verdachte meergenoemde nacht anale gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer] .

De tweede vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet, is of deze seksuele gemeenschap op de ten laste gelegde wijze is afgedwongen. In dat verband is van belang dat de datering van het (onder meer) aan de armen van [slachtoffer] geconstateerde letsel in dezelfde periode is geplaatst als het letsel aan en in de anus, op grond waarvan aannemelijk is geworden dat dat letsel aan de armen gelijktijdig is ontstaan met het letsel aan en in de anus. Voorts is relevant dat de verdachte [slachtoffer] die nacht op de door de rechtbank onherroepelijk bewezenverklaarde wijze heeft mishandeld. Ook hebben zij die nacht ruzie gehad. Daarmee heeft de verdachte voor [slachtoffer] een bedreigende sfeer doen ontstaan. In het licht van die feiten en omstandigheden dient de daaropvolgende seksuele anale gemeenschap als niet vrijwillig, maar afgedwongen te worden beschouwd, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de verdediging verworpen.”

4.4. Voor een bewezenverklaring van verkrachting is volgens art. 242 Sr vereist dat een verdachte een ander door (i) geweld of een andere feitelijkheid of (ii) bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Van dwang in de zin van art. 242 Sr kan worden gesproken, wanneer de geweldshandelingen of andere feitelijkheden die van de verdachte uitgaan (bijv. psychische druk) zijn gericht op het bewerkstelligen van seksueel contact en dat deze van een zodanig kaliber zijn dat de ander zich daartegen redelijkerwijs niet heeft kunnen verzetten.1 Dat de ander zich tegen de dwang van de verdachte daadwerkelijk heeft verzet, hoeft niet te blijken.2 De kern van dwang is dat degene die eraan blootstaat iets toelaat wat hij of zij zonder die dwang niet zou laten gebeuren.3

4.5. Het hof heeft het bestaan van een op het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer gerichte dwang, uitgeoefend door de verdachte, in casu aangenomen op grond van twee uit de bewijsmiddelen volgende omstandigheden.

4.6. De eerste omstandigheid is ontleend aan het als bewijsmiddel 4 gebruikte deskundigenrapport van patholoog F.R.W. Van de Groot. Dit rapport houdt in, dat bij sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat zich bij het slachtoffer zowel letsel aan de anus als letsel aan de bovenarm en de borsthuid heeft voorgedaan en dat de ouderdom van het aan de bovenarm en de borsthuid en het letsel aan de anus overeenkomen. Anders dan de steller van het middel ben ik van mening dat het hof deze bevindingen van belang heeft kunnen achten voor de aannemelijkheid van het gelijktijdige ontstaan van de geconstateerde letsels. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gewezen op de omstandigheid dat de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd dat het letsel aan de anus van het slachtoffer volgens de zich tevens in het dossier bevindende onderzoeksbevindingen van forensisch arts Botter ook het gevolg kan zijn geweest van consensueel seksueel contact, geldt dat het hof voor zijn bewijsbeslissing kennelijk meer waarde heeft toegekend aan de bewijsmiddelen 4, 5 en 7, die alle inhouden dat bij de penetratie van het slachtoffer gebruikgemaakt is van een mate van geweld die in de richting wijst van toegepaste dwang. Gelet op de aan de feitenrechter toekomende vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voor een verdere toetsing van het oordeel van het hof in cassatie geen plaats .

4.7. In de tweede plaats volgt uit het door het hof overgenomen gedeelte van de Promis-bewijsvoering van de rechtbank dat tussen de verdachte en het slachtoffer in de nacht van het tenlastegelegde feit sprake is geweest van een heftige ruzie, waarbij door omwonenden onder meer het geschreeuw en het gegil van een vrouw is gehoord. Hoewel de steller van het middel er op zichzelf genomen terecht op wijst dat de enkele omstandigheid dat op enig moment ruzie heeft plaatsgevonden tussen twee partners, die een seksuele relatie onderhielden, nog niet maakt dat een op de betreffende ruzie gevolgd seksueel contact in strafbare zin als afgedwongen moet worden beschouwd, is het mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de onderhavige zaak wel van de ruzie tussen hemzelf en het slachtoffer heeft gebruikgemaakt om seksueel contact af te dwingen. Aangezien het hof bij zijn oordeel tevens heeft betrokken dat de verdachte in de nacht van het tenlastegelegde feit eerder geweld jegens de verdachte had toegepast, komt uit de bewijsmotivering van het hof voldoende duidelijk naar voren dat en waarom de verdachte naar het oordeel van het hof bij zijn seksuele benadering van het slachtoffer beschikte over een voor het slachtoffer direct bedreigend psychisch overwicht. Nu het middel ook wat betreft het tweede door het hof bewezenverklaarde vorm van dwang in de kern alleen opkomt tegen feitelijke vaststellingen van het hof, kan het middel niet slagen.

5. Het middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 23 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1375, HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8880 en HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188. Zie in verband met het belang van de omstandigheden van het geval in het bijzonder HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:AE3365 en HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0862 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379.

2 Vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491.

3 Zie NLR Strafrecht, art. 242 Sr, aant. 1.