Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:619

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
17/02231
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1278, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Beoordeling verzoek tot verstekverlening na invoering van digitaal procederen in vorderingszaken (KEI). Kantoorbetekening op de voet van art. 63 lid 1 Rv in de gevallen die worden genoemd in art. 115 Rv (Betekeningsverordening II, Haags Betekeningsverdrag). HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411 behoudt betekenis bij digitaal procederen. Art. 112 Rv. Verdedigingsbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 17/02231

mr. J. Wuisman

Rolzitting: 30 juni 2017

CONCLUSIE inzake verstekverlening in de zaak:

De naamloze vennootschap HRC N.V.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden;

tegen

[verweerster],

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

1 Voorgeschiedenis

1.1

Met een op 8 mei 2017 bij de Hoge Raad ingediende Procesinleiding heeft eiseres tot cassatie (hierna: HRC) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 7 februari 2017 tussen HRC als appellante en verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) als geïntimeerde heeft uitgesproken.

1.2

In de Procesinleiding wordt als plaats van vestiging van [verweerster] genoemd [plaats], België. Verder wordt daarin omtrent het verschijnen in cassatie door [verweerster] vermeld dat zij in cassatie ten laatste kan verschijnen op 19 juni 2017 vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.

1.3

De Procesinleiding en het door de Hoge Raad verstrekte Oproepingsbericht zijn op 22 mei 2017 bij deurwaardersexploot op de voet van artikel 63 Rv betekend ten kantore van de advocaat mr. S d’Hooghe, kantoorhoudende aan de Kousteensedijk nr. 3 te Middelburg. Op dit adres had [verweerster] voor de appelinstantie woonplaats gekozen. In de Procesinleiding wordt niet conform het in artikel 115 lid 2 WvBrv bepaalde vermeld dat de termijn voor verschijnen in cassatie minimaal vier weken en maximaal zes maanden is gerekend vanaf de dag van betekening of kennisgeving van het Oproepingsbericht.

1.4

De zaak heeft voor het eerst bij de Hoge Raad gediend ter rolzitting van vrijdag 23 juni 2017. Op dat moment had zich nog geen advocaat bij de Hoge Raad voor [verweerster] gesteld en dat is ook tot op de datum waarop deze conclusie wordt genomen niet gebeurd. Derhalve doet zich de vraag voor of tegen [verweerster] verstek kan worden verleend.

2 Vraagstelling

2.1

[verweerster] is gevestigd in België waar de Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken (hierna: EG-Betekeningsverordening) van toepassing is. In artikel 115 lid 1 WvBRv is voor een dergelijke situatie bepaald dat de termijn voor verschijnen minimaal vier weken en maximaal zes maanden bedraagt, maar verder ook:

“In afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c, vangt de termijn van verschijning aan op de dag na die waarop het oproepingsbericht aan de verweerder is betekend of aan hem is kennisgegeven op een wijze overeenkomstig de voormelde verordening en wordt de termijn van verschijning in de procesopleiding opgenomen in plaats van de dag van verschijning.”

2.2

In de door HRC ingediende Procesinleiding wordt niet vermeld dat voor het verschijnen door verweerder in cassatie een termijn geldt van minimaal vier weken en maximaal zes maanden te rekenen vanaf de betekening of kennisgeving van het Oproepingsbericht, terwijl er ook geen sprake is geweest van een betekening van die Procesinleiding conform de hiervoor genoemde verordening. Brengt een en ander mee dat tegen [verweerster] geen verstek kan worden verleend?

3 Antwoord

3.1

Er heeft, zoals hierboven al vermeld, betekening van de Procesinleiding en het Oproepingsexploot plaatsgevonden op de voet van artikel 63 WvBRV en bij de opstelling van de Procesinleiding is het in artikel 30 a lid 3 WvBRv bepaalde aangehouden. De vraag is of artikel 115 WvBRv ruimte laat voor een betekening op de voet van artikel 63 WvBRv en, zo ja, of dan onverkort van toepassing is hetgeen in artikel 30 a lid 3 WvBRv is bepaald. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, Stb 2016, nr. 290. Van die parlementaire geschiedenis maakt deel uit de Nota van wijziging TK 2015-2016, 34 212, nr 6. In die nota wordt omtrent het huidige artikel 115 WvBRv opgemerkt:

“Voor zowel het eerste als het tweede lid geldt vanzelfsprekend dat als de verweerder in Nederland (tijdelijk) verblijft of in Nederland zijn woonplaats/vestiging heeft gekozen (bijvoorbeeld bij zijn advocaat), dat hij in Nederland kan worden opgeroepen op grond van de regels die in Nederland gelden. Dit artikel ziet (net als het huidige artikel 115) alleen op die situatie waarin het oproepingsbericht niet in Nederland aan de verweerder in persoon of aan de door hem gekozen woonplaats is bezorgd of betekend.”

3.2

Uit dit citaat blijkt duidelijk van de bedoeling van de wetgever om ook in een geval, waarin een verweerder in cassatie niet alleen een bekende woon- of verblijfplaats heeft in een land waar de EG-Betekeningsverordering geldt maar hij in verband met de laatste feitelijke instantie ook woonplaats heeft gekozen bij een advocaat of deurwaarder in Nederland en bij die advocaat of deurwaarder de procesinleiding en het oproepingsbericht worden betekend, onverkort de artikelen 30a lid 3 en 63 WvBRv van toepassing te laten zijn. Hetzelfde kan worden aangenomen, zo volgt uit het bovenstaande citaat, voor het in artikel 115 lid 2 WvBRv genoemde geval dat de verweerder in cassatie naast een bekende woon- of verblijfplaats in een Staat, die partij is bij het op 15 november 1965 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), ook in verband met de laatste feitelijke instantie woonplaats heeft gekozen bij een advocaat of deurwaarder in Nederland.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verstekverlening tegen verweerster in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)