Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:613

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/00200
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1230, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) begaan door een rechtspersoon, art. 225.1 Sr, en (medeplegen van) het doen van onjuiste belastingaangifte (meermalen gepleegd) begaan door een rechtspersoon, art. 69 AWR, m.b.t. valse facturen die gebruikt zouden zijn om het systeem van heffing van omzetbelasting te misbruiken. 1. Bewijsklacht valsheid in geschrift over onjuistheid facturen. 2. Uos m.b.t. levering vrachtwagen. 3. Bewijsklacht over opzet valsheid in geschrift. 4. Bewijsklacht onjuiste belastingaangifte over onjuistheid facturen. 5. Bewijsklacht over opzet onjuiste belastingaangifte. HR: 81.1 RO. Samenhang met 16/00198 P; 16/00199 P en 16/00201.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00200

Zitting: 23 mei 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[A] B.V.

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 november 2014 de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde nietig verklaard en de verdachte wegens 1. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon”, 2: “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon”, en 3: “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon”1, veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 72.500,-.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/00198P, 16/00199P en 16/00201. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. A.M. Smetsers, advocaat te Nijmegen, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] staat geregistreerd als enig aandeelhouder en tevens bestuurder van [A] B.V. (de verdachte in deze zaak), een rechtspersoon die handelt in autosloopmateriaal en auto’s. In de administratie van deze onderneming zijn facturen aangetroffen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat zij vals zijn; goederen zijn in werkelijkheid niet geleverd en/of zijn de facturen voorzien van handtekeningen van personen die verklaard hebben die handtekeningen nooit te hebben gezet etc. Deze valse facturen zijn, aldus het hof, ten grondslag gelegd aan de aangiften omzetbelasting van de verdachte ten einde het systeem van de heffing van de omzetbelasting te misbruiken.

5. Aangaande het bewijs heeft het hof het volgende overwogen:

“Met betrekking tot feit 1 In de administratie van verdachte zijn meer facturen gevonden op naam van [B], [C], [D], [E], [F] B.V. en [G].

In het dossier bevinden zich verschillende getuigenverklaringen inhoudende dat de getuigen tegen betaling facturen hebben verstrekt aan de vertegenwoordiger van verdachte, [medeverdachte], zonder dat zij goederen afleverden. Zo heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij in 2007 vier tot vijf blanco facturen met zijn handtekening heeft verkocht aan [medeverdachte] voor € 500. Op zijn facturen stond de naam [B]. Ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte] facturen heeft gemaakt en dat hij daar per factuur € 500 voor heeft gekregen. Aan hem zijn ook facturen getoond, die in de administratie van verdachte zijn gevonden. De auto’s die op de facturen staan, heeft hij niet geleverd, aldus [betrokkene 2].

[betrokkene 3] van [E] heeft verklaard de in de administratie van verdachte aangetroffen facturen niet te hebben opgemaakt en de daarop vermelde goederen niet te hebben geleverd. Wel heeft hij verklaard dat hij op verzoek van ene [betrokkene 4] zijn bedrijf heeft opgericht en dat die [betrokkene 4] facturen heeft laten drukken en dat die [betrokkene 3] ongeveer 25 facturen blanco heeft getekend voor [betrokkene 4] en aan [betrokkene 4] heeft gegeven. De in de administratie van verdachte aangetroffen drie facturen zijn volgens [betrokkene 3] drie van de door hem getekende 25 blanco facturen.

[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij zich met [betrokkene 6] heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat dit een idee van [betrokkene 6] was. Hij kent het bedrijf [C] niet. Hij heeft de facturen van dit bedrijf nooit gezien. Hijzelf kan niet schrijven. Hij weet dat [betrokkene 6] facturen op zijn naam heeft besteld. In de tijd dat dit gebeurde, was hij vaak dronken en gebruikte hij heroïne. Uit de verklaring van [betrokkene 7] blijkt dat [F] B.V. van hem is geweest. Aan hem zijn facturen getoond, die in de administratie van verdachte zijn gevonden. Hij heeft verklaard dat hij deze facturen nooit heeft gemaakt en dat hij nooit onderdelen of een vrachtwagen aan [medeverdachte] heeft verkocht.

[medeverdachte] heeft verklaard dat alle bovengenoemde verklaringen onjuist zijn. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Alle hiervoor genoemde getuigen verklaren dat zij de goederen op de bewuste bij verdachte aangetroffen facturen niet hebben geleverd. De getuigen hebben verklaard over de handel in facturen, te weten het los verstrekken aan, dan wel het verkrijgen door [medeverdachte] of derden van (getekende) blanco facturen of op verzoek opgemaakte facturen. Dat al deze mensen verdachte een loer hebben willen draaien, acht het hof ongeloofwaardig. Nu de verklaringen van de getuigen op voornoemde onderdelen van al deze getuigen facturen in de administratie van verdachtes bedrijf zijn aangetroffen, acht het hof - met de rechtbank - de verklaringen van de getuigen betrouwbaar. Deze zullen voor het bewijs worden gebruikt.

In de administratie van verdachte zijn bovendien ook drie blanco facturen aangetroffen van andere bedrijven, waarvan vertegenwoordigers hebben verklaard de facturen niet te kennen of niet aan verdachte te hebben geleverd. De valsheid is ook hierin gelegen dat er sprake is van valse handtekeningen. [betrokkene 1] en [betrokkene 7] hebben verklaard dat zij niet hebben geleverd, maar hun facturen zijn wel - voorzien van een handtekening - in de administratie van verdachte opgenomen. Het hof is van oordeel dat de handtekeningen op deze facturen op grond daarvan als vals dienen te worden aangemerkt.

Hieruit volgt dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3

Het hof overweegt - grotendeels conform de rechtbank - als volgt. Uit de jurisprudentie volgt dat er geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, als de identiteit van de leverancier niet vaststaat of als de op de facturen vermelde leverancier een andere is dan degene die de op de facturen vermelde leveringen heeft verricht. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte daarom ten onrechte voorbelasting afgetrokken. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat er facturen in de administratie van verdachte zijn aangetroffen, waarvan de identiteit van de leverancier niet vaststaat dan wel dat de goederen zijn geleverd door een ander (bedrijf) dan op die facturen vermeld en dat verdachte daarvan wist. Voor zover deze facturen ten grondslag zijn gelegd aan aangiften omzetbelasting zijn deze aangiften opzettelijke onjuist gedaan. Uit het voorgaande volgt dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.”

6. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de valsheid in geschrift niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu er een discrepantie bestaat tussen de bewijsmiddelen – voor zover inhoudende dat de goederen niet daadwerkelijk aan de verdachte zijn geleverd – en hetgeen door het hof bewezen is verklaard, namelijk dat de op de facturen genoemde leveranciers onjuist zijn en/of de handtekeningen daarop vals zijn, en voorts de door de getuigen afgelegde belastende verklaringen, met name die van [betrokkene 1] en [betrokkene 7], onbetrouwbaar zijn.

7. Van de gestelde discrepantie is echter geen sprake. Het aanwezig hebben van facturen met een valse handtekening en/of facturen waarop staat vermeld dat er goederen geleverd zijn, is niet strijdig met de vaststellingen van het hof dat de goederen telkens in werkelijkheid niet zijn geleverd. Daaraan doet niet af dat zich in de administratie van de verdachte of de medeverdachte [medeverdachte] hier en daar ook facturen bevonden die aannemelijk maken dat er ook goederen daadwerkelijk zijn geleverd (en weer zijn doorverkocht). Voorts merk ik hier nog maar eens op dat de feitenrechter, binnen de door de wet getrokken grenzen, vrij is om van het beschikbare materieel datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt.2 Het hof heeft niet onbegrijpelijk de verklaringen van de getuigen, ook die van [betrokkene 1] en [betrokkene 7], betrouwbaar bevonden en kon deze derhalve tot het bewijs bezigen.

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel, dat op het eerste middel doorborduurt en klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ter zake, deelt het lot van het eerste middel. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijk vastgesteld dat de vrachtwagen in kwestie niet is geleverd. Dat er mogelijk ‘bewijsmiddelen’ zijn die anders willen doen vermoeden, maakt dat niet anders. Voor zover het middel inhoudt dat de verdediging ter zake een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen ten aanzien waarvan het hof in de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zou zijn tekortgeschoten, wordt over het hoofd gezien dat hetgeen de raadsman ten aanzien van dit punt op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd aan de hand van de pleitnota, niet kan gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

10. Ook het tweede middel faalt.

11. Het derde middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet bij feit 1, inhoudend valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), begaan door een rechtspersoon, waarbij wederom wordt betoogd dat de door de verschillende getuigen afgelegde verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve onbetrouwbaar zijn.

12. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat de medeverdachte [medeverdachte] andere personen heeft verzocht om facturen op te maken, of blanco facturen te fabriceren, dat deze personen daarvoor betaald kregen, dat die andere personen hebben verklaard dat dit op verzoek van de medeverdachte [medeverdachte] gebeurde en dat in werkelijkheid de goederen nooit zijn geleverd dan wel zij nooit een handtekening hebben gezet, is het oordeel van het hof dat de verdachte met opzet heeft gehandeld allerminst onbegrijpelijk. Voor zover het middel nog wil betogen dat het hof te dezen “op geen enkele wijze gereageerd heeft” op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, faalt het ook in zoverre, nu hetgeen door de verdediging in dit verband naar voren is gebracht niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert. Overigens, ook als daar anders over wordt gedacht treft de klacht geen doel, omdat dan kan worden gezegd dat de weerlegging van dat standpunt besloten ligt in ’s hofs bewijsvoering.

13. Het vierde middel houdt in dat geen sprake is van valse facturen en dat de belastingontduiking is gebaseerd op “louter aannames” dat de facturen vals zijn, waardoor de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 op losse schroeven komen te staan. Het vijfde middel klaagt met betrekking tot de feiten 2 en 3 erover dat het hof opzet heeft bewezenverklaard, althans dat het hof het desbetreffend bewijsverweer zonder enige redengevende motivering is gepasseerd.

14. Ook deze twee middelen falen gelet op de bewijsconstructie van het hof, meer in het bijzonder voor zover deze betrekking heeft op de valse facturen die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften omzetbelasting, en hetgeen ik in mijn bespreking van de eerste drie middelen heb opgemerkt.

15. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kennelijk is in de bewezenverklaring van feit 3 de zinsnede “tezamen en in vereniging met” etc. per abuis gestreept. Daarover wordt in cassatie echter niet geklaagd.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 278.