Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:598

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-05-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
17/01169
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1267, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging. Art. 2 Wet Bopz. Motiveringsklachten. Verzoek tot aanhouding. Bereidheid om vrijwillig in inrichting te verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01169

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 30 mei 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Noord-Nederland

1 Feiten en procesverloop

1.1

In een op 23 juni 2016 ingekomen verzoekschrift heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geboren in 1944; hierna: betrokkene). Betrokkene verbleef op dat moment in de verpleeginrichting Nieuw Toutenburg te Noardburgum op grond van art. 60 Wet Bopz1. De bij het verzoek overgelegde geneeskundige verklaring vermeldt als diagnose “dementieel beeld, bij een middelenafhankelijke man met persoonlijkheidsproblematiek”.

1.2

De rechtbank heeft ter zitting van 4 juli 2016 betrokkene, zijn advocaat en de behandelend arts (specialist ouderengeneeskunde) gehoord2. Op 5 juli 2016 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gegeven. De rechtbank overwoog daarin dat onvoldoende informatie voorhanden is om te kunnen concluderen of sprake is van een stoornis van de geestvermogens. De rechtbank heeft, overeenkomstig het verzoek van betrokkene, een contra-expertise bevolen en daartoe een onafhankelijk psychiater, [betrokkene 1], als deskundige benoemd.

1.3

De deskundige heeft het rapport van de contra-expertise op 21 november 2016 ter griffie ingediend. De rechtbank heeft ter zitting van 5 december 2016 betrokkene en zijn advocaat, de curator van betrokkene, de behandelend arts (specialist ouderengeneeskunde), de zorgcoördinator en de teamleider van de verpleeginrichting gehoord.

1.4

Bij eindbeschikking van 6 december 2016, verbeterd bij beschikking van 19 december 2016, heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 6 juni 2017. De rechtbank stelde over de toestand van betrokkene het volgende vast:

“Uit het rapport van [betrokkene 1] blijkt dat betrokkene op 22 juli 2016 een haemorragisch CVA heeft gehad. [betrokkene 1] heeft betrokkene op 7 november 2016, derhalve na het CVA, onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat de toestand van betrokkene sinds de datum van de tussenbeschikking sterk is veranderd. De psychiater heeft geen betrouwbaar zicht op de situatie vóór 22 juli 2017 [lees: 2016].

Over de huidige situatie van betrokkene rapporteert de psychiater dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestesvermogen in de zin van de Wet BOPZ, namelijk een dementie als gevolg van multipele oorzaken. De stoornis levert gevaar op voor zelfverwaarlozing en brandgevaar (indien betrokkene 's avonds over een aansteker beschikt).

De psychiater beschrijft betrokkene als een redelijk verzorgde man met ernstige geheugen- en overzichtsproblemen waarbij niet voor te stellen is dat hij zonder intensieve dagelijkse verzorging zou kunnen functioneren zonder gevaar voor zichzelf of voor de omgeving. De motoriek is onbesuisd en ongecontroleerd.”

De rechtbank overwoog verder:

“De rechtbank overweegt dat zij thans naar aanleiding van de verzochte voorlopige machtiging dient te beoordelen of er bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestesvermogens in de zin van de Wet Bopz die betrokkene gevaar doet veroorzaken. De deskundige heeft deze vragen bevestigend beantwoord en de rechtbank neemt dit over en maakt dit standpunt tot de hare. (…)

Gelet op hetgeen de psychiater in de rapportage heeft uiteenzet en de specialist ouderengeneeskunde heeft toegelicht, is gebleken dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Het huidige verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging is door de officier van justitie ingediend, nadat namens en door betrokkene is aangegeven dat betrokkene niet vrijwillig in de instelling wil verblijven. Ter zitting is namens betrokkene herhaald dat hij niet in Nieuw Toutenburg wil verblijven, maar wel bereid is elders te worden verpleegd. De curator heeft uiteengezet dat ondanks inspanningen van haar kant geen geschikte alternatieve instellingen in het Gooi voor betrokkene beschikbaar zijn. Betrokkene geeft derhalve geen blijk van de nodige bereidheid om verder in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven.”

1.5

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld3. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Middelonderdeel I klaagt dat de rechtbank zonder motivering voorbij is gegaan aan het verzoek om eventueel een voorwaardelijke machtiging te verlenen en daartoe art. 8a Wet Bopz toe te passen. Ter toelichting wijst het middelonderdeel erop dat de advocaat van betrokkene tijdens de zitting van 5 december 2016 heeft aangevoerd dat eerst de alternatieven onderzocht moeten worden, dat betrokkene aangeeft in zorgcentrum Nieuw Toutenburg te willen blijven totdat een andere plek voor hem is gevonden en dat een voorwaardelijke machtiging meer van toepassing is4.

2.2

De rechtbank heeft de door haar als deskundige benoemde psychiater gevolgd in zijn oordeel dat sprake is van een stoornis die betrokkene gevaar doet veroorzaken. Daarover is in de eindbeschikking vermeld dat de psychiater heeft gerapporteerd dat betrokkene lijdt aan dementie als gevolg van multipele oorzaken en dat deze stoornis gevaar oplevert voor zelfverwaarlozing alsmede brandgevaar. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat op grond van de rapportage van de psychiater en de ter zitting gegeven toelichting van de specialist ouderengeneeskunde, gebleken is dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid om verder in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. Daarbij heeft de rechtbank enerzijds in aanmerking genomen dat namens betrokkene ter zitting is herhaald dat hij niet in Nieuw Toutenburg wil verblijven maar wel bereid is elders te worden verpleegd, en anderzijds dat de curator heeft uiteengezet dat geen geschikte alternatieve instellingen in het Gooi beschikbaar zijn.

2.3

Uit deze beoordeling blijkt al dat de rechtbank niet van oordeel is dat een voorwaardelijke machtiging wellicht passender is dan de door de officier van justitie verzochte voorlopige machtiging (zie art. 8a Wet Bopz).5 Vooropgesteld: een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz is door de Hoge Raad niet mogelijk geacht ten aanzien van, kort gezegd, een psychogeriatrische patiënt in een verpleeginrichting6. Dat de rechtbank geen toepassing heeft gegeven aan art. 8a Wet Bopz en de officier van justitie niet in de gelegenheid heeft gesteld alsnog een voorwaardelijke machtiging (maar dan m.b.t. een algemeen psychiatrisch ziekenhuis) te verzoeken, is niet onbegrijpelijk, gezien de gegeven motivering voor de machtiging. Het is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de opmerking van de advocaat dat betrokkene in Nieuw Toutenburg wil verblijven totdat er een plek voor betrokkene in het Gooi is gevonden. Onderdeel I faalt.

2.4

Middelonderdeel II klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank in de eindbeschikking zich niet definitief heeft uitgesproken over het verzoek van de advocaat namens betrokkene om aanhouding van de behandeling totdat een beslissing is genomen over de klacht die betrokkene op grond van art. 41 Wet Bopz had ingediend, althans dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die beslissing niet kan worden afgewacht. Het middelonderdeel klaagt daarnaast dat de rechtbank in de tussenbeschikking niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen aanleiding voor aanhouding ziet. Ter toelichting op beide klachten is betoogd dat het oordeel van de klachtencommissie over de wijze waarop betrokkene in de inrichting is behandeld van betekenis kan zijn voor de beoordeling van de bereidheid van betrokkene om in deze verpleeginrichting te verblijven. De klachtencommissie heeft alle klachten van betrokkene gegrond verklaard en overwogen dat het handelen en nalaten door Nieuw Toutenburg onrechtmatig is te achten.

2.5

Ter zitting van 4 juli 2016 heeft de advocaat de rechtbank gevraagd uitspraak te doen nadat de klachtprocedure is afgewikkeld en daarbij medegedeeld dat de klachtencommissie over circa vier weken uitspraak zou doen.7 In haar tussenbeschikking heeft de rechtbank overwogen op voorhand geen aanleiding te zien om de zaak aan te houden totdat op de klacht is beslist. Deze discretionaire beslissing is niet onbegrijpelijk, zeker niet nu de rechtbank een contra-expertise heeft bevolen waarbij zij ervan is uitgegaan dat de deskundige niet eerder dan in september 2016 met het onderzoek kan beginnen. Blijkens de eindbeschikking van 5 december 2016 heeft de rechtbank op dat tijdstip evenmin reden gezien voor verdere aanhouding van de behandeling. Reeds gezien het tijdsverloop sinds de zitting van 4 juli 2016, is dat niet onbegrijpelijk. Met de inhoud van de uitspraak van de Bopz-klachtencommissie van 27 december 2016 kon de rechtbank op 5 december 2016 nog geen rekening houden. Overigens blijkt uit deze, in cassatie alsnog overgelegde uitspraak (blz. 1) dat de klachtencommissie juist aanleiding heeft gezien de beslissing van de rechtbank op het verzoek om een voorlopige machtiging af te wachten. De klachten treffen geen doel.

2.6

Het middelonderdeel klaagt in de derde plaats over de motivering van het oordeel in de eindbeschikking dat betrokkene geen blijk heeft gegeven van de nodige bereidheid om in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. Volgens de klacht kan de mededeling van de curator van betrokkene, dat geen geschikte alternatieve instellingen in het Gooi beschikbaar zijn, dit oordeel niet dragen. Verder wordt benadrukt dat betrokkene in Nieuw Toutenburg wil blijven totdat een andere plek voor hem is gevonden, ondanks de onrechtmatige behandeling die hij in deze verpleeginrichting heeft ondergaan.

2.7

Art. 61 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat indien een persoon op wie art. 60 Wet Bopz toepassing heeft gevonden, ervan blijk geeft het verblijf in de inrichting te willen beëindigen, art. 2 lid 4 van toepassing is. Ingevolge art. 2 lid 4 Wet Bopz is een voorlopige machtiging vereist indien een in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen persoon ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf aldaar te willen beëindigen, tenzij die persoon te kennen geeft de behandeling in een ander, door deze persoon aangewezen ziekenhuis te willen doen voortzetten en dat ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen. Bij de beoordeling of sprake is van ‘de nodige bereidheid’ beschikt de rechtbank over een beoordelingsmarge.8 In de parlementaire toelichting is daarover onder meer het volgende opgemerkt:

“Hierbij behoeft niet alleen gedacht te worden aan een beoordeling, of de patiënt aan zijn bereidheid beperkingen verbindt, b.v. voor wat betreft het ziekenhuis, waarin hij wel of niet opgenomen wenst te worden. Kan aan zijn wensen wat dat betreft niet (volledig) worden voldaan, dan is het mogelijk dat men zich op het standpunt moet stellen dat niet is gebleken van de nodige bereidheid.”9

2.8

Uit het proces-verbaal van 5 december 2016 blijkt dat de advocaat van betrokkene bij die gelegenheid heeft opgemerkt dat betrokkene liever naar het Gooi wil en dat hij in Nieuw Toutenburg wil verblijven totdat er een andere plek voor hem is gevonden.10 In reactie hierop heeft de curator toegelicht dat zij de mogelijkheid van een andere zorginstelling in het Gooi heeft onderzocht, maar tevergeefs. De rechtbank heeft een en ander klaarblijkelijk opgevat in die zin, dat geen door betrokkene aangewezen ziekenhuis bereid is gevonden betrokkene op vrijwillige basis op te nemen. Het is evenmin onbegrijpelijk dat – en waarom − de rechtbank heeft geconcludeerd dat betrokkene geen blijk geeft van ‘de nodige bereidheid’ ten aanzien van een voortzetting van zijn verblijf in Nieuw Toutenburg. De handelwijze van Nieuw Toutenburg, waarover betrokkene op de voet van art. 41 Wet Bopz klachten heeft ingediend, noopte de rechtbank niet dit oordeel nader te motiveren. Ter zijde: blijkens de in cassatie overgelegde beslissing van de Bopz-klachtencommissie van 27 december 2016 (onder het kopje ‘Het niet reageren door Nieuw Toutenburg op het verzet van klager tegen zijn opname’), heeft klager terecht geklaagd dat de inrichting te lang heeft gewacht met het verzoeken van een voorlopige machtiging. Overigens is niet gesteld, noch uit de gedingstukken gebleken dat betrokkene zich bij de rechtbank in het kader van de beoordeling van de nodige bereidheid heeft beroepen op de handelwijze van Nieuw Toutenburg. Een eventueel klachtwaardige handelwijze van het psychiatrisch ziekenhuis staat los van de beoordeling of betrokkene al dan niet blijk heeft gegeven van de nodige bereidheid tot verder verblijf in dit ziekenhuis. Indien geen ander ziekenhuis tot opname bereid is gevonden, dan is de beoordeling op dit punt digitaal: wel of geen blijk van de nodige bereidheid.11 Middel II faalt.

2.9

Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 Nieuw Toutenburg is aangemerkt als verpleeginrichting in de zin van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz.

2 In de aanhef van het proces-verbaal is kennelijk per abuis vermeld dat de zitting op 22 september 2015 is gehouden; uit de verdere inhoud blijkt de juiste datum.

3 Een faxkopie van het cassatierekest is op 6 maart 2017 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, op 8 maart 2017 gevolgd door het ondertekende origineel.

4 Zie het proces-verbaal, blz. 1, laatste alinea.

5 Tot het dossier behoort een e-mail van 21 juni 2016 van het parket Noord-Nederland aan de rechtbank. Uit deze e-mail blijkt dat het parket op 15 juni 2016 een verzoek voorwaardelijke machtiging bij de rechtbank had ingediend terwijl dit een verzoek voorlopige machtiging had moeten zijn; Nieuw Toutenburg had per abuis een verkeerd formulier aan het parket verstuurd. Het parket heeft verzocht de stukken terug te sturen en heeft op 23 juni 2016 alsnog het verzoek om een voorlopige machtiging ingediend. Ter zitting van 4 juli 2016 ging de advocaat van betrokkene ervan uit dat de rechtbank op twee verzoeken had te beslissen; zie de alinea’s 1 en 21 van de pleitnota.

6 HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2915, NJ 2015/464 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2015/39 m.nt. B.J.M. Frederiks en S.M. Steen.

7 Proces-verbaal, blz. 2. Zie ook de ter zitting van 4 juli 2016 overgelegde pleitnota, alinea 30.

8 Zie HR 7 april 1995, NJ 1995/616 m.nt. J. de Boer, rov. 3.3, onder verwijzing naar Kamerstukken I, 1992-1993, 21 2239, nr. 4a, blz. 3. Zie nader: SDU-commentaar Bopz, aant. C.5, i.h.b. C.5.3.1 en C.5.3.1; R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz (2012), art. 2, aant. 35-43

9 MvT, Kamerstukken II, 1970-1971, 11 270, nr. 3, blz. 12. In dezelfde zin: staatssecr. Simons, Hand. I 27 oktober 1992, blz. 4-154.

10 Tijdens de zitting van 4 juli 2016 heeft betrokkene gezegd eventueel in een instelling in Hilversum te willen verblijven, zie blz. 1 van het proces-verbaal en de op deze zitting overgelegde pleitnota van zijn advocaat, alinea 17.

11 Denkbaar is overigens dat een klachtwaardige behandeling voor de gedwongen opgenomen patiënt aanleiding is om op de voet van art. 43 Wet Bopz een verzoek tot overplaatsing aan de geneesheer-directeur te richten.