Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:586

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
15/04944
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1224, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Grafschennis, art. 149 Sr. Begrip “graf”. Opzet. Levert het afknippen van (onder meer) kunstbloemen grafschennis op? Het oordeel van het hof dat onder graf mede moet worden verstaan de bij een graf behorende, al dan niet onlosmakelijke daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Mede gelet op de wet en de wetgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bepaling in het bijzonder strekt tot bescherming van de jegens een graf verschuldigde eerbied. Het oordeel van het hof dat verdachte door zijn gedragingen op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken en daardoor (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het graf heeft geschonden is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04944

Zitting: 23 mei 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4161 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “opzettelijk een graf schenden” veroordeeld tot vijftig uren taakstraf, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof zijn bewijsbeslissing met betrekking tot het voorwaardelijk opzet onvoldoende met redenen heeft omkleed.

  4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

”hij in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden, althans enig op een begraafplaats, aan de Molenpoort, opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield of beschadigd door daarvan voorwerpen weg te nemen.”1

5. Daarvan is bewezenverklaard dat:

“hij op 30 juni 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-1, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 3-4 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 1] :

Pleegdatum/tijd: tussen 1 maart 2013 en 12 juli 2014.

Ik doe aangifte van vernielingen aan het graf van mijn man. Mijn man is op 1 maart 2013 begraven op het kerkhof aan de Molenpoort in Weert. De vernielingen zijn ongeveer een maand na de begrafenis begonnen. Er zijn onder meer kunstbloemen afgeknipt. Op een gegeven moment waren wij het zat en is er een camera geplaatst. Op de beelden is te zien dat een mannelijk persoon van rond de 60 jaar naar het graf van mijn man loopt en dit vernielt. Ik herken deze man niet, mijn dochter [betrokkene 2] mogelijk wel.

2. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-2, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 5 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik heb de camerabeelden naar aanleiding van de vernielingen aan en op het graf van mijn vader bekeken. Ik herken de man mogelijk als zijnde [verdachte] . Ik herken hem aan zijn gezicht, bril, haardracht en uitdrukking. [verdachte] is werkzaam voor de belastingdienst in Roermond en Maastricht. Mijn vader heeft een conflict met hem gehad over een belastingschuld.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-201406i745-3, d.d. 18 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 8-10 van het proces-verbaal met registratienr. PL23 00-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de verdachte:

Ik ben hier naar aanleiding van een vernieling. Ik ben erop geattendeerd dat er een filmpje op internet circuleerde waarop ik te zien ben.

Ik ben werkzaam bij de Belastingdienst. Ik ben enkele jaren geleden betrokken geweest bij de belastingheffingen van de familie [van betrokkenen] .

Op 30 juni 2014 ben ik naar het kerkhof, gelegen aan de Molenpoort in Weert, gegaan.

Ik liep langs het graf waar [betrokkene 3] begraven ligt. Ik las de teksten op het graf en bekeek de versiering. De kunstbloemen op het graf stonden in vazen.

Ik trok aan een stengel van één van de bloemen. Ik heb vervolgens de bloem van de stengel afgetrokken. Ik heb dit nogmaals herhaald bij een andere bloem.”

7. Voorts houdt de bestreden uitspraak in:

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals in de pleitnota verwoord, bepleit dat de verdachte van het overige deel (te weten: het deel ten aanzien waarvan geen nietigheid is bepleit) van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van een graf c.q. aan vernieling of beschadiging van een op een begraafplaats opgericht gedenkteken, in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014. Behoudens de aangifte van [betrokkene 1] bevat het procesdossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernielingen en/of beschadigingen van het onderhavige graf/gedenkteken anders dan het feit dat hij op 30 juni 2014 twee kunstbloemen die zich op het graf bevonden van hun steel heeft afgeknipt of daarvan heeft afgetrokken. De verdachte zal daarom voor het overige deel van het ten laste gelegde, voor zover dit ziet op andere feiten, worden vrijgesproken. |

Met betrekking tot het gebeuren op 30 juni 2014 heeft het volgende te gelden. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 18 juli 2014, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij op de ten laste gelegde dag twee kunstbloemen, die deel uitmaakten van een grote bos die zich op het onderhavige graf bevond, van hun steel heeft afgetrokken. Op een ter terechtzitting in hoger beroep getoond filmfragment, afkomstig van de website ‘Youtube’, is te zien (…), dat de verdachte om zich heen kijkt, zich vervolgens bukt, zijn armen tussen een bos bloemen steekt en vervolgens een op het oog knippende beweging maakt.

Uit de inhoud van het procesdossier kan worden opgemaakt dat het hier gaat om kunstbloemen die zich bevonden in aan het grafmonument vastgelijmde granieten vazen. Thans ligt de vraag voor of vorenomschreven handelen kan worden bestempeld als het opzettelijk schenden van een graf, althans als het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken.

Blijkens de wetsgeschiedenis moet het delict ‘grafschennis’ als bedoeld in artikel 149 Wetboek van Strafrecht in het bijzonder worden gezien als een delict ter bescherming van de piëteit.

Onder het woord ‘graf’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht zal dan ook moeten worden verstaan: ‘een plaats waar een lijk begraven ligt’, waaronder mede dienen te worden begrepen al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht. Het ligt daarom voor de hand om onder het woord ‘graf’ in voormelde betekenis mede te verstaan de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich, de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen. Met betrekking tot dat laatste begrip is van geen enkel belang de vraag of het gaat om natuurlijke bloemen of kunstbloemen. Op het graf aangebrachte rouwbloemen zijn per definitie een uiting van liefde en respect voor de overledene en zijn ook tekens van medeleven en deelneming.

Onder ‘schenden’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht moet blijkens de bestaande jurisprudentie worden verstaan: het schenden van de integriteit van het graf. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis lijkt bij de beoordeling of daarvan sprake is, in het bijzonder van belang te zijn de beantwoording van de vraag of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen.

De verdachte heeft zowel bij zijn verhoor in het kader van het opsporingsonderzoek als ter terechtzitting met betrekking tot de reden waarom hij voormelde kunstbloemen van het onderhavige graf heeft verwijderd, verklaard -zakelijk weergegeven- (onder meer) dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen.

In redelijkheid kan aan deze verklaring van de verdachte geen enkel geloof worden gehecht. Op geen enkele wijze valt immers in te zien hoe aan de hand van de prijs van een -gelet op de inhoud van de vordering van de benadeelde partij dienaangaande niet erg kostbaar- boeket kunstbloemen als de onderhavige een idee kan worden verkregen van de hoogte van het inkomen van één of meer bij de overledene betrokken personen, noch daargelaten de vraag of bij de verdachte enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was. Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken. Op grond van het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het onderhavige graf heeft geschonden.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.”

8. De pleitnota waarop het hof doelt, houdt voor zover hier van belang in:

“Voorts moet worden vastgesteld dat het element "opzettelijk" in artikel 149 Sr voorafgaand aan het element "schenden" en dat betekent volgens vaste jurisprudentie dat de opzet dan ook gericht moet zijn op dat schenden derhalve op de baldadigheid en op het krenken van de nagedachtenis van de overledene of het krenken van de piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.

In de onderhavige zaak van [verdachte] kan van een opzettelijk schenden in die zin geen sprake zijn.

[verdachte] heeft al eerder verklaard dat de enige reden waarom hij twee bloemknoppen heeft afgetrokken en meegenomen, is geweest dat hij thuis, onder andere ter vergelijking op internet, de kosten daarvan wilde achterhalen of daar inzicht in krijgen. Men kan dit te verregaand noemen. Men kan het beroepsdeformatie noemen. Maar men kan het in ieder geval niet noemen het opzettelijk schenden of krenken van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel van de nabestaanden.

Er is dus geen sprake van schenden in de zin van de wet.

Evenmin is er sprake van opzet op schenden in de zin van de wet.

Reden voor zijn handelen heeft [verdachte] reeds aangegeven.

Bij dit alles komt ook dat ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.

In dat verband is significant dat eerst geruime tijd later, aan de hand van - kennelijke - camerabeelden ontdekt is dat er iets gebeurde met betrekking tot de bloemen die op het graf stonden.

Dat betekent ook dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren.

Ook uit dit gegeven kan en moet worden afgeleid en geconcludeerd dat het verwijderen van twee bloemknoppen, dat geruime tijd niet is opgevallen, niet de bedoeling heeft gehad om nagedachtenis of het piëteitsgevoel te krenken.

Het ligt immers voor de hand dat iemand die de nagedachtenis of het piëteitsgevoel zou willen krenken, dat heel zichtbaar zou doen.”

9. Alvorens het middel te bespreken, komt het mij dienstig voor de strekking ervan in cassatie te omlijnen, hoewel ik er meteen aan toevoeg dat ik mij hieronder de vrijheid veroorloof ook daarbuiten op enige andere aspecten van grafschennis in te gaan.

10. In de eerste plaats verdient vooraf opmerking dat hier niet aan de orde is het tenlastegelegde opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken door daarvan voorwerpen weg te nemen. De vraag wat in dit verband onder “gedenkteken” dient te worden verstaan, behoeft strikt genomen thans geen beantwoording. Niettemin zal ik er straks nog iets over zeggen.

11. In de tweede plaats wordt in cassatie niet bestreden het oordeel van het hof dat onder graf in de zin van art. 149 Sr dienen te worden begrepen “al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht”, waaronder het hof mede verstaat “de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen”. Dat neemt niet weg dat ik hieronder toch even zal stilstaan bij de rechtsbetekenis die aan het begrip graf wordt toegekend.

12. Wat wordt dan wel in cassatie bestreden? Eigenlijk alleen de mate van motivering van het oordeel van het hof dat in casu sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.

13. Art. 149 Sr, waarin grafschennis als een misdrijf tegen de openbare orde strafbaar is gesteld, luidt:

“Hij die opzettelijk een graf schendt of enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

14. Deze strafbepaling is ontleend aan art. 43 sub 5° van de Begrafeniswet van 10 april 1869 (oud, Stb. 65), dat zijn oorsprong vond in art. 360 van de toenmalige Code Pénal.2 Overigens kende vóór de invoering van de Begrafeniswet van 1869 het Ontwerp van een wetboek op het strafregt voor het Koningrijk der Nederlanden van 23 april 1827 een art. 155 dat als volgt luidde: “Op gelijke wijze zullen worden gestraft, die zich aan het schenden van begraafplaatsen of grafsteden, of aan het wegnemen of vervoeren van lijken uit dezelve, schuldig maken”.3 Het valt op dat in dit ontwerp al wordt gesproken van “schenden” (violation), een term die tot op de dag van vandaag is gehandhaafd. Dat geldt niet voor “begraafplaatsen” en “grafsteden”, hoewel de aanduiding begraafplaats nog wel voorkwam in art. 43 sub 5° van de Begrafeniswet van 1869. In deze bijzondere wet was (in bedoeld sub 5°) strafbaar gesteld: “Het schenden van graven en begraafplaatsen.” Had eertijds onder vigeur van het Franse recht nog een juridisch dispuut plaatsgevonden over de vraag of de strafbepaling van art. 160 Code Pénal ook betrekking had op de lijkkist alvorens deze in het graf is neergelaten4 en op honende, lasterende of beledigende woorden tegen de overledene geuit, in het proefschrift van H.C.M. van Westerloo uit 1871, getiteld “De strafbepalingen in de Nederlandsche Begrafeniswet, Amsterdam” valt te lezen dat toen inmiddels algemene erkenning had gevonden dat: “Alleen door daden kan men plegen eene schending van graven of begraafplaatsen” (p. 69). In de tekst van art. 163 van de “Ontwerpen van een wetboek van strafregt en daartoe behoorende wetten met toelichting” van de Staatscommissie- De Wal was de begraafplaats verdwenen: "Hij die graven schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van hoogstens negen maanden”. In dit ontwerp hadden de strafbare feiten uit de Begrafeniswet van 1869 hun (nieuwe) plaats gevonden. Voorts blijkt uit de onderlinge gedachtewisseling dat de leden van de Staatscommissie-De Wal de schending van graven voornamelijk als een delict tegen de piëteit aanmerkten.5 In de toelichting op het ontwerp-art. 163 (art. 161 ORO) rept de Staatcommissie-De Wal voorts van de kwalificatie grafschennis en laat zij weten dat niet meer van “begraafplaatsen” gewaagd wordt omdat: “Zoo scherp begrensd en sluitend het begrip van grafschennis is, even onbepaald en onbeteekend is het schenden ener begraafplaats, eig. eene elliptische uitdrukking voor het schenden of beschadigen van voorwerpen die zich op eene begraafplaats bevinden. De algemeene bepaling tegen vernieling of beschadiging van goederen (art. 385)6, met verzwaring voorzoover eenig gedenkteeken mogt geschonden zijn (art. 386 n°. 3), is daarvoor genoegzaam”.7 Deze opvatting werd door minister Modderman van Justitie in de memorie van toelichting bij art. 161 ORO – uiteindelijk art. 149 Sr – overgenomen. Niettemin ondervond de door de Staatscommissie-De Wal ontworpen redactie een aantal wijzigingen. Zo werd de zaakvernieling met betrekking tot “gedenkteekenen op (…) begraafplaatsen opgerigt” (art. 386 n° 3; art. 380 n°. 3 ORO) overgebracht naar art. 149 Sr en werd graven enkelvoudig graf. En voorts werd op aanraden van de Commissie van Rapporteurs het woord opzettelijk bijgevoegd. Dat was blijkens de memorie van toelichting nodig, want: “Een graf kan ook bij ongeluk geschonden worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid”.8 Wat wel bleef staan – van begin tot eind – is, als gezegd, “schenden” of een vervoeging daarvan. Ik kom daarop aanstonds terug.

15. Eerst kort iets over de vraag wat thans naar Nederlands recht onder graf pleegt te worden verstaan. Noyon/Langemeijer/Remmelink omschrijven dit delictsbestanddeel van art. 149 Sr als de “ruimte die de lijkkist met haar inhoud bergt, alsmede wat tot dekking of als kenteken van het graf dient, de daarop geworpen aarde en de grafsteen of het monument; ook een grafkelder in zijn geheel”.9 Een grafkuil of een grafkelder is op zichzelf nog geen graf. Dat wordt hij pas wanneer er in begraven of bijgezet is. “Er bestaat geen graf, zolang er niet begraven is”, aldus Noyon/Langemeijer/Remmelink. Het woord begraven impliceert dat het graf gesloten is. Ik haal in dit verband de woorden aan van Keijzer in zijn noot onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29: “Pas door het sluiten van het graf (‘zand erover’) wordt een overledene aan de aarde en daarmee aan het verleden toevertrouwd”.10 De Hoge Raad heeft in voormeld arrest echter een zekere uitbreiding gegeven aan die omschrijving van het begrip graf door het volgende te overwegen:

“Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het nog geopende graf van zijn partner is ingegaan, het deksel van de kist heeft gehaald, zijn overleden partner heeft aangeraakt en vastgehouden. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte aldus de integriteit van het graf heeft geschonden en dat deze handelingen kunnen worden gekwalificeerd als grafschennis in de zin van art. 149 Sr. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.”

16. Grafschennis vereist het schenden van het graf. Het werkwoord of de term schenden is in het onderhavige verband goed gekozen. Daarin liggen immers twee belangrijke strafrechtelijke begrippen besloten: zowel het opzet als de wederrechtelijkheid.11 Met Noyon/Langemeijer/Remmelink kan dan ook worden opgemerkt dat de toevoeging “opzettelijk” in de delictsomschrijving eigenlijk overbodig is. Ik citeer:

“Schenden van een graf ligt niet in elke daad die de integriteit van het graf aanrandt. Vgl. in dit verband met name art. 29, 30, 31 resp. art. 63, 64 en 65 Wet op de lijkbezorging. Zo bepaalt art. 31 dat op last van de houder van een begraafplaats tien jaar, nadat in het graf laatstelijk een lijk is geplaatst graven geruimd kunnen worden. Art. 150 van ons wetboek stelt het opgraven van lijken dan ook alleen strafbaar indien het wederrechtelijk gedaan wordt. Geen van deze handelingen kan zonder het verstoren van het graf verricht worden.

Schenden onderstelt dus hetzij baldadigheid, hetzij opzettelijk krenken van de nagedachtenis des overledenen of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen. Daarom had de minister niet behoeven te voldoen aan de wens der Commissie van Rapporteurs 'opzettelijk' toe te voegen, omdat een graf bij ongeluk geschonden kan worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid. Ook tot uitdrukking van de bedoeling om een graf te raken was die bijvoeging niet nodig, aangezien dit ook in het woord schenden reeds ligt opgesloten. De schending kan dan ook gedaan worden door de eigenaar van het graf, en het is juist van de wetgever gezien, hier niet het vereiste van wederrechtelijkheid te stellen. Grafschennis is steeds wederrechtelijk.”12

17. In deze passage wordt voorts aannemelijk gemaakt dat grafschending een daad is van hetzij baldadigheid13, hetzij het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen. Van baldadigheid is in de onderhavige zaak geen sprake, dus deze vorm van schenderij laat ik verder onbesproken.14 Dat grafschennis vooral een delict tegen de piëteit is en dat art. 149 Sr vooral bedoeld is ter bescherming van het piëteitsgevoel voor de rustplaats, is een uitleg die, zoals uit het voorgaande blijkt, steun vindt in de wetsgeschiedenis. De schending kan volgens Noyon/Langemeijer/Remmelink op velerlei wijzen worden begaan: zowel door ondergraving waardoor het graf instort, als door uitgraving van bovenaf, of verplaatsing, omwenteling van de grafsteen en omverwerpen van het monument, voor zover dit laatste niet valt onder beschadigen of vernielen.15

18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft allereerst “graf” in de zin van art. 149 Sr gedefinieerd als “een plaats waar een lijk begraven ligt”. Het hof voegt daaraan toe dat daaronder mede worden begrepen “al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht”, zoals “de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich (ik begrijp: nadat zij in het graf is neergelaten, AG)16, de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen”. Op grond van het voorgaande lijkt mij dit – als gezegd in cassatie niet bestreden – oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Ik merk overigens op dat in de onderhavige zaak van een op een begraafplaats opgericht gedenkteken geen sprake is, en derhalve ook niet van het (opzettelijk) vernielen of beschadigen daarvan.17

19. Voorts heeft het hof overwogen dat schenden ziet op de integriteit van het graf en is het bij de beoordeling daarvan in het bijzonder van belang of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen. Daarmee heeft het hof het juiste beoordelingskader weergegeven.

20. In zijn noot onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29 merkt Keijzer op dat het hof in die zaak aan de term schendt in art. 149 Sr goed beschouwd een onjuiste betekenis had gegeven, door op de enkele grond van schending van de integriteit van het graf reeds grafschennis aan te nemen, nu het gedrag van de verdachte daar, zij het onbehouwen, juist van piëteit jegens de overledene getuigde. Die verdachte had kennelijk dronken in het nog open graf van zijn partner gestaan, kennelijk zelf het deksel van de kist opengerukt, op het gezicht van zijn partner geaaid, haar vastgehouden en gezegd “V., wordt wakker”. De Hoge Raad toonde zich minder kritisch en zag ’s hofs kwalificatie door de vingers, aldus Keijzer, die daaraan toevoegt dat de Hoge Raad mogelijk tot een ander oordeel was gekomen indien het desbetreffende cassatiemiddel scherper was geformuleerd en duidelijker was toegelicht.18

21. Welnu, dat is in de onderhavige zaak wel het geval, in die zin dat het middel aanvoert dat, nu niet elke schending van de integriteit van een graf ook zonder meer een schending van een graf in de zin van art. 149 Sr oplevert, het hof nader had dienen te motiveren waarom in deze zaak sprake is van voorwaardelijk opzet op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.

22. Vaststaat dat de verdachte willens en wetens tweemaal een kunstbloem van de steel heeft afgetrokken dan wel afgeknipt. Die handelingen heeft hij opzettelijk verricht. In zoverre onderscheidt grafschennis zich niet van een eenvoudige vernieling en/of beschadiging van een goed als bedoeld in art. 350 Sr. Het verschil zit in het beschermde belang. Dat is bij, kort gezegd, zaakvernieling de bescherming van het ongestoorde genot of gebruik van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort. Daarom gaan de overwegingen van het hof verder: “Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken”. In het verlengde van het opzettelijk verwijderen van de kunstbloemen, kon het hof, gelijk het heeft gedaan, in het verband van de bedoelde schending tenminste voorwaardelijk opzet op de krenking van de nagedachtenis of het piëteitsgevoel aannemen. Daarbij heeft het hof niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat aan de verklaring van de verdachte – dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen – in redelijkheid geen enkel geloof kan worden gehecht.19

23. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het bestreden oordeel van het hof toereikend is gemotiveerd en dat de bewezenverklaring voldoende met redenen is omkleed.

24. Het middel faalt.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de tenlastelegging staat eigenlijk: “en/of spullen heeft weggenomen”. Het hof heeft dit verbeterd gelezen in: “door daarvan voorwerpen weg te nemen”, nu, aldus het hof, de verdachte door deze verbeterde lezing niet in zijn verdediging is geschaad.

2 Luidende: “Quiconque se sera rendu coupable de violation de tombeaux ou de sépultures”.

3 Kamerstuk II 1826/27, nr. XXIII, ondernummer 2, blad 606. In de Franse versie: “Seront punis des mêmes peines ceux, qui se seront rendus coupables de violation de sépultures on de mausolées, ou d’enlèvement de cadavres.”

4 Vgl. NLR, a.w., aant. 3 bij art. 149 Sr: “Er bestaat geen graf, zolang er niet begraven is. De mening dat ook de lijkkist, alvorens zij in het graf nedergelaten en bedekt is, als graf beschouwd moet worden omdat niet juist het graf, maar het lijk beschermd wordt, kan dus evenmin juist geacht worden voor onze wet als voor art. 360 CP (oud). De premisse is trouwens onjuist. Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd. Lijkschennis is bij ons als misdrijf niet bekend.”

5 N. Keijzer wijst daarop in zijn annotatie onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29. Zie nader A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt (kort aangeduid als de Staatscommissie-De Wal, AG), Deel II, p. 273. In dezelfde zin NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr: “Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd”.

6 Zaakvernieling (art. 379 ORO), ons huidige art. 350 Sr.

7 ’s-Gravenhage: gebr. Belinfante’s, 1875, Memorie van Toelichting, p. 139.

8 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: Tjeenk Willink, tweede deel, 1881, p. 99.

9 NLR, a.w., aant. 3 bij art. 149 Sr.

10 Zie ook de rechtsvergelijkende beschouwingen van Keijzer in de bedoelde noot.

11 Zie over de wederrechtelijkheid de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter vóór HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29.

12 Aant. 2 bij art. 149 Sr.

13 Zie ook de memorie van toelichting bij de Begrafeniswet van 1869, Bijlagen TK 1867/68, p. 106.

14 Overigens is baldadigheid in de vorm van straatschenderij afzonderlijk strafbaar gesteld in art. 424 Sr.

15 NLR, a.w., aant. 3 bij art. 349 Sr.

16 NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr voegt daar nog aan toe: “en bedekt is”. Maar dat is thans niet meer juist, volgt althans niet uit HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2012/29 m.nt. Keizer.

17 Vgl. NLR, aant. 5 bij art. 349 Sr: “Een gedenkteken is een voorwerp, gemaakt tot herdenking van iemand of iets. Daaronder vallen in de eerste plaats monumenten opgericht ter herinnering aan iemand die ter plaatse is begraven. Het behoeft niet een zichtbare voorstelling van de begravene te zijn. Een grafsteen, zijn naam vermeldende, strekt evenzeer tot herdenking als een meer pompeus monument. Een kruis op een graf, ook al wordt er bij gebreke van opschrift bij het publiek niet de herinnering aan een bijzondere persoon door opgewekt, valt onder het begrip. Daar[en]tegen niet de op het graf geplante bloemstruik, die meer tot versiering strekt”.

18 Ik wijs er nog op dat de vraag waarop het opzet gericht moet zijn, in dat arrest niet aan de orde is gekomen en dat de Hoge Raad zich daarover niet heeft uitgelaten.

19 Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt overigens dat de verdachte in het verleden een conflict heeft gehad met de overledene.