Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:583

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
15/03584
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1221, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplichting verzekeraar door valse aangifte diefstal, art. 326 Sr. Bewezenverklaarde pleegperiode. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2016:2892. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte in de periode van 21 augustus 2011 tot en met 26 september 2011 de verzekeringsmaatschappij heeft bewogen tot de afgifte van 999 euro, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Niet de toegebrachte schade noch het enkele in dwaling brengen met het doel van benadeling is voldoende voor voltooiing van oplichting. Daarvoor is daadwerkelijke afgifte nodig. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03584

Zitting: 23 mei 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 juli 2015 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “oplichting” veroordeeld tot een taakstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Het cassatieberoep1 is ingesteld namens de verdachte en mr. R. van Leusden2, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel voert met drie klachten (die ik hieronder in een wat andere volgorde zal bespreken) aan dat de bewezenverklaring niet uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat deze niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 21 augustus 2011 tot en met 26 september 2011 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen, de verzekeringsmaatschappij [A] heeft bewogen tot de afgifte van 999 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk opgegeven een Apple MacBook als zijnde gestolen bij woninginbraak en vervolgens die MacBook als schade gedeclareerd, waardoor voornoemde [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 22 augustus 2011, inhoudende (dossierpagina’s 1 en 2):

Op zondag 21 augustus 2011 kwam ik ter plaatse van het misdrijf te [a-straat 1], Amsterdam, bij een persoon die mij opgaf te zijn:

Achternaam : [achternaam betrokkene 1]

Voornamen : [voornamen betrokkene 1]

Hij deed aangifte terzake poging tot inbraak namens de benadeelde:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

2. Een op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal van aangifte van 21 september 2011, inhoudende (dossierpagina’s 8 en 9):

Aangever

Naam : [achternaam betrokkene 1]

Voornamen : [voornamen betrokkene 1]

Hij deed aanvullend aangifte middels per post ingestuurde goederenlijst terzake inbraak woning namens zichzelf en de benadeelde:

Naam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

En verklaarde het volgende

Soort: Laptop Merk: Apple Type: Macbook Kleur: wit Serienummer:

Bijzonderheden: Intel core duo 2.4 GHZ

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een aangifte van [A] van 16 maart 2012 (dossierpagina’s 16, 17, 18 en 19), inhoudende:

Polisnummer: [001]

Schadenummer: [002]

Verzekeringnemer: [verdachte]

Geboren: in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966

Adres: [a-straat 1]

Woonplaats: [woonplaats]

Onder voornoemd polisnummer staat te name van verzekeringnemer [verdachte] met ingang van 27 maart 1991 een inboedelverzekering geregistreerd bij [A].

Op 26 september 2011 ontving [A], via tussenpersoon [betrokkene 2], een schademelding van verzekeringnemer [verdachte] inhoudende een diefstal schadeclaim ten gevolge van een inbraak in perceel [a-straat 1], [woonplaats].

Bij onderdeel 4 "gegevens beschadigde en/of vermiste voorwerpen" op dit schadeaangifte formulier wordt verwezen naar bijgevoegd politierapport.

De inbraak zou hebben plaatsgevonden in de periode 21 augustus 2011 tussen 00.01 en 02.00 uur.

Middels de aanvullende aangifte d.d. 21 september 2011 blijkt dat middels de eerder bedoelde inbraak van 21 augustus 2011 een groot aantal goederen meer ontvreemd werden uit de woning van [verdachte].

Ter vaststelling van het juiste schadebedrag werd door [A] op 12 oktober 2011 aan het expertisebureau CED BrandVaria BV uit Capelle aan den IJssel de opdracht gegeven onderzoek te doen en de schade vast te stellen.

Tijdens het expertise-onderzoek sprak de expert onder meer op 13 oktober 2011 met verzekeringnemer [verdachte]. Zij stelde aan de expert kopieën van aankoopnota's ter hand, waarmee zij het voormalig bezit van de ontvreemde goederen aantoonde.

Uit het expertise-rapport blijkt verder dat verzekerde, [verdachte] mondeling akkoord ging met het door de expert vastgestelde schadebedrag.

Een kopie van het expertiserapport, alsmede de door [verdachte] overgelegde kopieën van de aankoopnota ’s zijn als bijlage 3, 4.1 t/m 4.16 hierbij gevoegd.

Op basis van de schadevaststelling door de expert en overeenkomstig de polisvoorwaarden (de maximeringen van de schadevergoeding en het eigen risico) werd op 31 januari 2012 aan verzekerde [verdachte] een bedrag van € 5.513,00 overgemaakt als schadevergoeding voor de geleden diefstalschade.

Op basis van de in dit dossier bevindende aankoopnota's, waarvan kopieën door [verdachte] aan de expert ter beschikking waren gesteld werd nader onderzoek gedaan. Het onderzoek richtte zich op de aankoopnota van iCentre met betrekking tot de geclaimde Apple MacBook Intel Core 2 Duo 2,4 GHZ computer.

Aankoopnota van iCentre (bijlage 4.6)

Op 29 februari 2012 werd door een medewerker van de afdeling Speciale Zaken van [A] telefonisch navraag gedaan bij iCentre te Amstelveen. Op basis van het factuurnummer en de datum werd bekend, dat op 8 januari 2011 de door verzekeringnemer [verdachte] geclaimde Apple MacBook was gekocht door:

- [betrokkene 3].

Door iCentre Amstelveen werd ten behoeve van ons onderzoek een kopie van de originele nota ter beschikking gesteld. Deze nota is als bijlage 7 hierbij gevoegd.

Op woensdag 7 maart 2012, omstreeks 16.10 uur, spraken wij, aangevers, met [betrokkene 3] in Duivendrecht. Wij toonden haar een kopie van de aankoopnota van iCentre met haar naam er op.

[betrokkene 3] herkende de nota en deelde ons- mede, dat zij inderdaad de MacBook in januari 2011 had gekocht als verjaardagscadeau voor hun dochter. Hun dochter zou deze MacBook nog steeds gebruiken en regelmatig mee nemen naar school.

Op woensdag 7 maart 2012 omstreeks 16.30 uur deelde [betrokkene 3] telefonisch aan een medewerker van de afdeling Speciale Zaken van [A] mede, dat de Apple MacBook, waarover wij met haar 20 minuten daarvoor hadden gesproken, nog gewoon in het bezit is van, haar dochter en dat er niets met deze MacBook aan de hand is.

4. Een schriftelijk bescheid, zijnde een expertiserapport van 2 december 2011 (dossierpagina’s 36, 38, 40), inhoudende:

Verzekeringnemer : [verdachte]

SCHADEVASTSTELLING

Na overleg met verzekerde hebben wij de schade als volgt vastgesteld:

Audio, video en computer

Apple Macbook wit - 999,00

AKKOORD

Verzekerde is mondeling met het vastgestelde schadebedrag akkoord gegaan.

AANTOONBAARHEID

Verzekerde heeft het bezit van de ontvreemde eigendommen aangetoond met aankoopnota’s, gebruiksaanwijzingen en contracten.

5. Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2012 (dossierpagina 70), inhoudende:

Op 5 april 2012 stelde ik een onderzoek in naar getuige [betrokkene 3] welke wordt genoemd in de aangifte welke is gedaan door verzekeringsmaatschappij [A].

Uit de Gemeentelijk Basisadministratie blijkt het te gaan om de volgende persoon:

[betrokkene 4].

6. Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 4] van 15 april 2012 (dossierpagina’s 70, 71 en 75), inhoudende:

V: Ik heb u uitgenodigd om een verklaring af te leggen over de Macbook die u op 8 januari 2011 heeft aangeschaft. Door verzekeringmaatschappij [A] is er contact met u opgenomen. Wat is er in dit gesprek besproken?

A: Ja dat klopt. Er is eigenlijk niet zoveel besproken. Ze wilden kijken of de laptop nog in ons bezit was. Het was eigenlijk een heel kort gesprek.

V: Heeft u de Macbook nog in uw bezit?

A: Ja.

V: Heeft u de aankoopbon hier nog van?

A: Ja.

V: Waar heeft u de Macbook gekocht?

A: In de Apple winkel in Amstelveen.

V: Was dit op 8 januari 2011?

A: Ja.

V: Ik toon u nu de aankoopbon van de Macbook. Herkent u deze?

A: Ja, maar ik zie dat de naam van mijn dochter niet op de aankoopbon staat. Het gaat allemaal op naam.

7. Een op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 12 mei 2012 (dossierpagina 90), inhoudende:

V: Volgens de aangifte zijn er twee laptops en twee computers weggenomen.

A: Ja, vier computers in totaal waarvan twee laptops.

8. Een schriftelijk bescheid, zijnde een niet op naam gestelde factuur van iCentre van 8 januari 2011 (bijlage 4.6 bij de aangifte van [A]) (dossierpagina 46):

(…)

9. Een schriftelijk bescheid, zijnde een op naam van de getuige [betrokkene 3] gestelde factuur van iCentre van 8 januari 2011 (bijlage 7 bij de aangifte van [A]) (dossierpagina 61):

(…)”

6. Voorts heeft het hof ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hetgeen haar wordt verweten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe - verkort samengevat - het volgende aangevoerd.

De verdachte verzamelde haar aankoopbonnen in een schoenendoos. De neef, die de verdachte hielp met het invullen van de lijst met gestolen goederen, noemde de onderscheidenlijke aankoopbonnen stuk voor stuk op, aangezien de schrijf- en leesvaardigheid van de verdachte onvoldoende is. De verdachte gaf vervolgens aan of het goed gerelateerd aan de door hem genoemde aankoopbon al dan niet was gestolen. De neef vroeg bij het zien van de aankoopbon van het betreffende Apple Macbook of de verdachte een “Apple” had die mogelijk was gestolen. De verdachte had verscheidene Apple apparaten (en computers) en bevestigde dat er een Apple-product van haar gestolen was, niet bedoelende het betreffende Apple Macbook. Bij het invullen van de lijst met gestolen goederen was er dus reeds sprake van een misverstand.

Toen een medewerker van [A] langskwam om de schade vast te stellen, heeft de verdachte hem de hele schoenendoos met aankoopbonnen overhandigd. Voornoemde medewerker heeft de verdachte uitdrukkelijk meegedeeld dat kopiebonnen niet in behandeling zouden worden genomen. De verdachte ging er daarom vanuit dat de kopiebonnen in de schoenendoos niet gebruikt zouden worden en heeft daar verder niet te lang bij stilgestaan, omdat zij wist dat er reeds genoeg originele bonnen in de schoenendoos zaten om tot het maximaal uit te keren bedrag te komen. De verdachte had derhalve geen opzet de verzekeraar te bewegen of uit te lokken tot afgifte van enig goed met de (kopie) aankoopbon van het Apple Macbook, nog daargelaten dat de verzekeraar met een kopiebon (formeel) nergens toe kon worden bewogen. Voorts zou de “beweging” tot uitkeren hoe dan ook hebben plaatsgevonden, aangezien de verdachte genoeg originele bonnen had overhandigd om tot uitkering van het maximaal te vergoeden bedrag te komen. Het was voor de verdachte derhalve volstrekt onnodig om te sjoemelen met aankoopbonnen.

Achteraf is duidelijk geworden hoe de aankoopbon van de Macbook bij de verdachte in de schoenendoos terecht is gekomen. [betrokkene 5], een vriend van de zoon van de verdachte, was bevriend met [betrokkene 3]: de eigenaresse van het Apple Macbook. Het Apple Macbook van [betrokkene 3] is door [betrokkene 5] getaxeerd bij de ex-man van de verdachte. Zodoende is er een kopie van de betreffende aankoopbon terecht gekomen bij de familie. Waarschijnlijk heeft de verdachte de aankoopbon in de schoenendoos gelegd en is zij er niet bewust van geworden wat voor bon het was, dan wel nam zij aan dat deze bon hoorde bij een van de computers van haar kinderen. Aldus steeds de raadsman.

Beoordeling

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De aanvullende aangifte van 21 september 2011, waarbij een goederenlijst van gestolen goederen is meegestuurd, is in samenspraak met de verdachte opgemaakt door haar neef. Op deze goederenlijst staat genoemd een Apple Macbook (laptop) met witte kleur en als bijzonderheid dat het een Intel core duo 2.4Ghz betreft.

De verdachte heeft vervolgens op 26 september 2011 bij de verzekeraar een schade-aangifte formulier ingediend met een verwijzing naar het politierapport in verband met de gegevens van de beschadigde en/of vermiste voorwerpen. Naar aanleiding hiervan is op 13 oktober 2011 een schade-expert bij de verdachte langsgekomen om de schade vast te stellen. De verzekeraar heeft in de aangifte verklaard dat tijdens het expertise-onderzoek de expert heeft gesproken met de verdachte. De verdachte heeft blijkens het rapport van de schade-expert het bezit van ontvreemde eigendommen aangetoond met aankoopnota’s, gebruiksaanwijzingen en contracten (aangifte verzekeraar, dossierpagina 17 en rapport van expertise dossierpagina 40). Tevens heeft de verzekeraar in de aangifte verklaard dat de verdachte aan de expert kopieën ter hand stelde, waarmee zij het voormalig bezit van de ontvreemde goederen aantoonde (dossierpagina 17). In overleg met de verdachte is vervolgens de schade ten aanzien van het Apple Macbook (wit) vastgesteld op € 999,00 (expertiserapport, dossierpagina 38). Dat de verdachte een schoenendoos met aankoopnota’s aan de schade-expert zou hebben overhandigd, dan wel dat slechts originele aankoopfacturen konden worden overgelegd, volgt uit voorgaande geenszins.

Uit onderzoek is komen vast te staan dat de door de verdachte aan de schade-expert overgelegde aankoopbon van het Apple Macbook (bijlage 4.6 bij de aangifte van de verzekeraar, dossierpagina 46) was vervalst. Op basis van het factuurnummer en de datum werd bekend dat op 8 januari 2011 het betreffende Apple MacBook was gekocht door de getuige [betrokkene 3] (aangifte verzekeraar, dossierpagina 19). Op de originele aankoopbon stonden ook de n.a.w.-gegevens van de getuige [betrokkene 3], die op de door de verdachte overgelegde aankoopnota waren weggeretoucheerd (bijlage 7, aangifte verzekeraar, dossierpagina. 61). De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard de aankoopnota te herkennen en verder heeft zij het betreffende Apple MacBook nog in haar bezit (verklaring getuige [betrokkene 3], dossierpagina’s 70 en 71). Het hof volgt niet de lezing van de raadsman over de gang van zaken betreffende de route die de aankoopnota zou hebben gevolgd. Die lezing geeft hooguit antwoord op de vraag hoe de aankoopnota in het bezit van de verdachte is gekomen, maar verklaart in het geheel niet hoe het kan dat er een aankoopnota door de verdachte aan de schade-expert is overhandigd ter zake een door haar aangegeven gestolen voorwerp, waarbij de originele n.a.w.-gegevens zijn weggeretoucheerd en waarbij in overleg met de verdachte op grond van deze overgelegde nota de schade is vastgesteld.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat de verdachte, met het oogmerk om zich of een andere wederrechtelijk te bevoordelen, met een valse aangifte, een valse schadeclaim en een vervalste kopiefactuur de verzekeraar heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van tenminste € 999, terwijl zij daar in het geheel geen recht op had. Van enig misverstand ter zake een ander gestolen Apple product is overigens niet gebleken. De verdachte heeft immers, op de opmerking van de verbalisanten dat volgens de aangifte twee laptops en twee computers zijn weggenomen, geantwoord: “ja vier computers in totaal, waarvan twee laptops.” (verklaring verdachte, dossierpagina 90).”

7. Het middel klaagt allereerst dat uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die (met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door één of meer listige kunstgrepen) valselijk en bedrieglijk een Apple MacBook als zijnde gestolen bij een woninginbraak heeft opgegeven en die vervolgens die MacBook als schade heeft gedeclareerd (waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van € 999,-). De steller van het middel voert daartoe aan dat het blijkens de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen niet de verdachte maar [betrokkene 1] was die aangifte en aanvullende aangifte heeft gedaan van de woninginbraak waarbij onder meer de Macbook zou zijn gestolen, en dat het niet de verdachte maar een tussenpersoon, genaamd [betrokkene 2], was die de schadeclaim van die diefstal bij [A] heeft ingediend.

8. Deze eerste klacht faalt. Wat betreft het doen van (aanvullende) aangifte, blijkt uit bewijsmiddelen 1 en 2, zoals het hof in zijn bewijsoverweging met betrekking tot de aanvullende aangifte (bewijsmiddel 2) ook heeft overwogen, dat de valse aangifte en de aanvullende aangifte in samenspraak met de verdachte zijn opgemaakt door [betrokkene 1], nu deze laatste op 22 augustus respectievelijk 21 september 2011 “namens” (zichzelf en) “de benadeelde” – namelijk: [verdachte], te weten: de verdachte – aangifte deed ter zake van de woninginbraak. Voorts blijkt uit bewijsmiddel 3 dat de valse schadeclaim kennelijk in overleg met de verdachte is ingediend door de tussenpersoon [betrokkene 2], nu deze “schademelding van verzekeringnemer [verdachte]” ter zake van de woninginbraak door [A] op 26 september 2011 is ontvangen “via tussenpersoon [betrokkene 2]”. De valse (aanvullende) aangifte en de valse schadeclaim zijn dus wel degelijk uit haar naam opgemaakt respectievelijk door bemiddeling van een andere persoon ingediend.

9. Het middel klaagt voorts dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat [A] is bewogen tot afgifte van € 999,00 ontoereikend is gemotiveerd, aangezien uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet is af te leiden dat het bewezenverklaarde bedrag (het vastgestelde schadebedrag van de Apple Macbook) door [A] ook daadwerkelijk is uitgekeerd aan de verdachte. Hiertoe wordt door de steller van het middel aangevoerd dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen weliswaar blijkt dat de schade ten aanzien van de Macbook is vastgesteld op € 999,00 en dat [A] aan de verdachte € 5.513,00 heeft uitgekeerd, maar dat daaruit niet blijkt dat van dat laatstgenoemde bedrag het bedrag van € 999,00 deel uitmaakt en dat dus niet vaststaat dat uiteindelijk een bedrag is uitgekeerd ter zake van de Macbook.

10. Ook deze tweede klacht mist doel. Zoals het hof in zijn bewijsoverweging heeft aangegeven, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte met haar bewezenverklaarde handelen [A] heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van ten minste € 999,00. Het in deze bewijsoverweging besloten liggende oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde bedrag van € 999,- deel uitmaakt van het feitelijk uitgekeerde bedrag van € 5.513,- is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu in bewijsmiddel 3 staat vermeld dat “[o]p basis van de schadevaststelling door de expert”, waartoe dus ook het in bewijsmiddel 4 door de expert vastgestelde schadebedrag van de Macbook behoort, op 31 januari 2012 aan de verdachte “een bedrag van € 5.513,- [is] overgemaakt als schadevergoeding voor de geleden diefstalschade”. Bovendien heeft het hof nog overwogen dat van enig misverstand ter zake van een ander gestolen Apple product niet is gebleken, waaruit kan worden afgeleid dat het tijdens het expertise-onderzoek ter vaststelling van het juiste schadebedrag voor zowel de verdachte als de expert duidelijk was om welk gestolen Apple-product het ging (zie bewijsmiddel 7).

11. Het middel klaagt in de derde plaats dat één van de drie bedrieglijke handelingen die het hof voor het bewijs redengevend heeft geacht – te weten de overhandiging van de vervalste kopiefactuur (dit is de vervalste aankoopnota van de Apple Macbook) aan de schade-expert op 13 oktober 2011 – zich ruim na de bewezenverklaarde periode van 21 augustus 2011 tot en met 26 september 2011 heeft voorgedaan, zodat het arrest van het hof ook om die reden niet in stand kan blijven.

12. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof overwogen “dat de verdachte, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, met een valse aangifte, een valse schadeclaim en een vervalste kopiefactuur de verzekeraar heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van tenminste € 999, terwijl zij daar in het geheel geen recht op had”.

13. Inderdaad heeft de overhandiging van de vervalste kopiefactuur op 13 oktober 2011 en dus buiten de bewezenverklaarde periode plaatsgevonden. In zoverre is het bewijsoordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk en is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De vraag is wat daarvan in de onderhavige zaak het gevolg moet zijn.3

14. Vooreerst merk ik op dat voor oplichting in de zin van art. 326 Sr één enkele kunstgreep volstaat.4 Het punt is evenwel dat in het onderhavige geval de overhandiging van de vervalste kopiefactuur materieel de zwaarwegendste bedrieglijke handeling van de verdachte is en kennelijk voor de verzekeraar doorslaggevend was om tot uitkering van het bedrag over te gaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het hof in zijn bewijsoverweging juist aan die bedrieglijke handeling veel gewicht heeft toegekend. Ik meen daarom dat deze redengevende omstandigheid niet in de bewijsvoering kan worden weggedacht zonder dat dit afbreuk zou doen aan de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaring.5

15. Ik heb mij afgevraagd of de verdachte belang bij cassatie heeft nu ook het “omstreeks” in de uitgeschreven periode is tenlastegelegd en deze tijdsaanduiding de maand oktober bestrijkt.6 Het lijkt mij dat de verdachte dit belang heeft, nu zich ook nog een andere complicatie in de bewijsvoering van het hof voordoet die niet door het “omstreeks” wordt gedekt. Ik doel op de afgifte van het bewezenverklaarde geldbedrag door [A] op 31 januari 2012, welke afgifte eveneens en (vanzelfsprekend) verder dan de overhandiging van de vervalste kopiefactuur buiten de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode is te situeren. In de toelichting op het middel wordt dit punt aangestipt en vormt het, welwillend gelezen, een onderdeel van de klacht.

16. Voor de voltooiing van het misdrijf van oplichting als bedoeld in art. 326 Sr is ook een handeling van een ander dan de oplichter nodig en dat is de afgifte van enig goed.7 Deze afgifte is een constitutief (hoofd) bestanddeel van de delictsomschrijving van oplichting.8 “Niet de toegebrachte schade noch het enkele in dwaling brengen met het doel van benadeling is voldoende voor voltooiing van de oplichting. Daarvoor is daadwerkelijke afgifte nodig”, aldus Sinnige in haar recent verschenen proefschrift.9 Het aanwenden van één of meer oplichtingsmiddelen is samen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen weliswaar voldoende voor een poging tot oplichting10, maar niet voor het delict in voltooide vorm.

17. Ofschoon ook bij de materiële delicten veelal voor de vaststelling van de tempus delicti het tijdstip van de gedraging een belangrijke rol speelt11, in het onderhavige geval kan met de bewezenverklaarde tijdsperiode niet worden volstaan om tot het bewijs van het tenlastegelegde (voltooide) feit te kunnen komen, aangezien niet alleen de belangrijkste van de drie bedrieglijke gedragingen van de verdachte na die periode heeft plaatsgevonden, maar zo ook en zelfs ruim daarna – als gezegd niet meer “omstreeks” – het intreden van het gevolg in de vorm van de afgifte van het bewezenverklaarde bedrag.

18. Tegen deze achtergrond is zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorts niet begrijpelijk 's hofs oordeel dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling [A] heeft bewogen tot de daadwerkelijke afgifte van ten minste € 999,-. Uit de inhoud van het daartoe gebezigde bewijsmiddel 3 kan immers niet worden afgeleid dat de – voor de voltooiing van het delict van oplichting vereiste – afgifte van het bewezenverklaarde bedrag in de periode van 21 augustus 2011 tot en met 26 september 2011 heeft plaatsgevonden. Ook in zoverre is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed en is het middel terecht voorgesteld.

19. Het middel slaagt gedeeltelijk.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 29 juli 2015 heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Amsterdam, die verklaarde daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gemachtigd, onbeperkt beroep in cassatie ingesteld tegen het bestreden arrest. Op 18 maart 2016 heeft mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam – blijkens de daarvan opgemaakte akte (intrekking) rechtsmiddel – het cassatieberoep partieel ingetrokken “voor zover dat is gericht tegen de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [A]”. Nu laatstgenoemde akte echter niet de verklaring bevat dat de advocaat door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot gedeeltelijke intrekking van het cassatieberoep, blijft derhalve sprake van een onbeperkt ingesteld beroep.

2 Op 28 april 2016 heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Bij schrijven van 16 februari 2017 heeft mr. B.P. de Boer echter laten weten dat de onderhavige zaak wordt overgenomen door zijn kantoorgenoot mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam.

3 Vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391 (rov. 3.2).

4 Vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, aant. 10 bij art. 326 Sr (bewerkt door prof. mr. J.W. Fokkens) .

5 Vgl. het tweede overzichtsarrest over 80a RO van HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen.

6 Zie HR 14 december 1942, NJ 1943/208. J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, 2011, p. 96, schrijft: “De tenlastelegging ‘op of omstreeks 10 mei’ sluit in elk geval 9 en 11 mei in (NJ 1976, 416), en ‘omstreeks maart’ omvat zowel februari als april (af te leiden uit NJ 1943, 208 en NJ 1948, 171). Met andere woorden: de naastliggende tijdseenheid is inbegrepen.”

7 Art. 326 Sr luidt: “Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

8 Zie: HR 10 december 1928, NJ 1929, p. 525; NLR, a.w., aant. 3 bij art. 326 Sr; P.J. van den Hout, Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog (diss. Tilburg), 1993, p. 64 en 105; en I.A.H.M. Stijns-Schepers, ‘Oplichting’, in: H.J.B. Sackers en P.A.M. Mevis, Fraudedelicten, 2000, p. 57. Vgl. voorts H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, tweede druk, 1891, p. 546 en 548.

9 V.M.A. Sinnige, De systematiek van de vermogensdelicten (diss. Groningen), 2017, p. 85 (zie ook p. 80 en 92).

10 HR 27 maart 1939, NJ 1939/980. Zie voorts Tekst & Commentaar Strafrecht, 2016, aant. 6 bij art. 326 Sr (bewerkt door A.J. van der Velden) en Sdu Commentaar Strafrecht, 2015, aant. C.5 bij art. 326 Sr (bewerkt door R.E. van Zijl).

11 Aldus Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlands Strafrecht, 1996, p. 262-263.