Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:58

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-01-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
14/06168
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:226, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan het telen van hennep. Slagende bewijsklacht. Dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan het telen van hennep kan niet zonder meer uit ’s hofs bewijsvoering worden afgeleid. Voor de bewezenverklaring is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van gelegenheid of het behulpzaam zijn als bedoeld in art. 48 Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06168

Zitting: 3 januari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 november 2014 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch - met vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde - ter zake van 1 subsidiair “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.1 Mr. B.A.M. Hendrix, advocaat te Sittard, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Uit doelmatigheidsoverwegingen zal ik eerst het tweede middel bespreken.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 19 juli 2011 tot 30 oktober 2011 in de gemeente Stein met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld in een pand aan de [a-straat] een hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 juli 2011 tot 30 oktober 2011 in de gemeente Stein opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.”

4.3.

De bewezenverklaring steunt op de volgende door het hof in de aanvulling op het arrest gebezigde bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2011 opgemaakt en ondertekend door verbalisanten, [verbalisant 1] (surveillant van politie) en [verbalisant 2] (brigadier) (pagina’s 8-10 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen:

Op 30 oktober 2011 ontvingen wij een melding van de meldkamer om te gaan naar de kruising [a-straat] met de [b-straat] te Stein. Aldaar zou in een hoekwoning zijn ingebroken.

Wij liepen naar de woning aan de [a-straat] . Wij zagen dat de slotplaat van de voorste tuindeur was gebogen. De deur was echter gesloten. Wij zagen dat de slotplaat van de tweede tuindeur ook was gebogen. Deze deur stond open. Wij zagen dat van beide sloten het cilinderslot was afgebroken.

Wij betraden de woning [a-straat] te Stein. Er was niemand aanwezig. Gelijk bij binnenkomst roken wij een sterke geur welke er op duidde dat er hennepplanten in de woning aanwezig waren. Ik, [verbalisant 1] , liep vervolgens door de keuken naar een halletje toe waarin een trap stond die zowel naar boven als naar onder leidde. Ik, [verbalisant 1] , liep de trap naar beneden af naar de kelderruimte. Ik, [verbalisant 1] , zag dat deze kelder in 3 ruimtes was opgedeeld. Ik zag dat twee van de drie ruimtes waren afgesloten middels een deur.

Ik, [verbalisant 1] , opende de deur naar de eerste ruimte en zag dat zich in dezer ruimte een ingerichte en in werking zijnde hennepplantage bevond. Ik, [verbalisant 1] , zag dat de planten, welke in de potten horen te staan, grotendeels geknipt en verwijderd waren.

Ik liep naar de tweede ruimte en opende de deur. Ik, [verbalisant 1] , trof in deze ruimte dezelfde situatie aan als in de eerste ruimte. Wederom zag ik dat de planten grotendeels geknipt en verwijderd waren.

Wij maakten een telling van de aanwezige goederen. Ik, [verbalisant 1] , goederen: 726 potten.

Wij zagen dat op de tafel in de woonkamer een aantal poststukken lagen welke allen geadresseerd waren aan [verdachte] , [c-straat 1] te Geleen. Ook zagen wij dat er een poststuk in de woonkamer lag gericht aan [verdachte] , [a-straat] Stein. Ook zagen wij een huis werkstuk van [betrokkene 1] .

Door mij, [verbalisant 1] , werden uit elke ruimte een aantal henneptoppen meegenomen. Door mij, [verbalisant 1] , werd met deze toppen op het politiebureau te Stein een MMC cannabistest

uitgevoerd teneinde vast te stellen of het daadwerkelijk hennep betrof. Ik zag dat zowel de henneptoppen van ruimte één alswel de henneptoppen uit ruimte twee positief op deze test reageerden.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2011 opgemaakt en ondertekend door verbalisant, [verbalisant 1] (surveillant van politie) (pagina’s 14-15 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik ben eigenaar van de woning gelegen aan de [a-straat] in Stein. Ik verhuur deze woning sinds 1 juli 2011 aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1066 (1966; AEH). Hiervan is een huurovereenkomst opgesteld op 1 juli 2011. Ik heb deze [verdachte] twee keer ontmoet. Een keer met de overdacht en daarvoor bij een bezichtiging.

Voorafgaande aan dé huurperiode heeft een bezichtiging plaats gevonden. Hij bracht toen een elektricien mee. Ik vertrouwde dit toen al niet. Ik herkende deze elektricien, ik kon hem. Dit verwachte hij volgens mij niet. Hierdoor was hij helemaal van slag en zei hij niets meer. Deze man heette [verdachte] .

3. Een geschrift inhoudende een “Huurovereenkomst woonruimte”, (p. 63-66 van het politiedossier) onder andere inhoudende:

Ondergetekenden: [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] ,

verhuurder,

en

Deen [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , huurder

zijn overeen gekomen

Het gehuurde:

Woonhuis aan de [a-straat] , Stein.

4.4

Per betaalperiode van één maand bedraagt

- de kale huurprijs (excl. gas en elektriciteit) €1.100,-

Bij ondertekening van deze overeenkomst is huurder een bedrag van € 2.200,- overeengekomen als waarborgsom.

Aldus opgemaakt en ondertekend in drievoud, Stein, 30-6-2011, Was getekend .

4. Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, d.d. 7 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik bij dat pand aan de [a-straat] betrokken ben geweest. Ik ben in juni dat jaar benaderd door een persoon genaamd [verdachte] . [verdachte] is een man die ik daarvoor helemaal niet kende. Het is een Surinaamse/Indische man. Hij woont in het zuiden van Limburg. Verder heb ik geen informatie over [verdachte] . Hij sprak me aan bij de voedselbank, daar kwam ik destijds wekelijks. Hij vroeg of ik wellicht interesse had in een bepaald iets. Hij vroeg of ik een huis op mijn naam wilde nemen en daar zou ik dan per halfjaar een twee- tot drieduizend euro voor krijgen. Ik mocht er gaan wonen of er niet gaan wonen. Ik heb erover nagedacht en na een week besloten om het te doen. Die man belde mij op, daarop hebben wij een datum en tijd afgesproken voor een afspraak bij de voedselbank. We zouden die woning-gaan bekijken. Hij is mee geweest naar de woning. Hij kende de eigenaar van de woning. We hebben de woning bekeken en de huurovereenkomst is gereed gemaakt. Die heb ik toen getekend.

Na ondertekening van het huurcontract hebben ze het verder rondgemaakt en er zijn spullen in de woning gezet. Er stond huisraad in de kamer, daar kwam die [verdachte] mee. Als ik dat wilde, mocht ik de rest van de woning gebruiken, de begane grond en de ruimte naar boven mocht ik gebruiken. Ik heb totaal niet iets geroken in de woning.

Ik ben vijf of zes keer in de woning geweest. De huur bedroeg €1.100,- en er is een borg van €2.200,- betaald.

Op het moment van het voorstel zou het een voordeel opleveren van € 60,- per week.

Ik moest er zo nu en dan komen of er gewoon gaan wonen. Ik moest dan een halve avond televisie gaan kijken, zodat men het idee had dat het bewoond werd. Ik bleef er dan een paar uurtjes zitten en ik heb twee keer de kinderen meegenomen. Er lag ook post in dat huis. Dat nam ik ook mee.”

4.4.

Onder het kopje “bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe is - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte strafrechtelijk betrokken is geweest bij de teelt van de in een op zijn naam gehuurde pand aangetroffen hennepkwekerij.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat op 30 oktober 2011 een in werking zijde hennepkwekerij is aangetroffen in het pand gelegen te ( [...] ) Stein, aan de [a-straat] . In deze woning hebben de verbalisanten in de woonkamer een aantal poststukken aangetroffen, die waren geadresseerd aan verdachte op het adres te ( [...] ) Geleen, aan de [c-straat 1] . Tevens hebben de verbalisanten een poststuk aangetroffen dat was geadresseerd aan verdachte op het adres waar het pand zich bevindt. Ten slotte is in de woonkamer huiswerk van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: de dochter van verdachte) aangetroffen. Verdachte heeft het pand vanaf 1 juli 2011 gehuurd van [betrokkene 2] . Deze heeft tevens verklaard dat voorafgaand aan de huurperiode een bezichtiging heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte een elektricien had meegenomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat degene met wie hij samen de bezichtiging heeft gedaan, [verdachte] is genaamd. Deze “ [verdachte] ” heeft verdachte bij de Voedselbank aangesproken en gevraagd of verdachte een huis op zijn naam wilde zetten in ruil waarvoor hij, verdachte, een bedrag tussen de twee- en drieduizend euro zou ontvangen per halfjaar. Verdachte heeft vervolgens een huurcontract ondertekend. Verdere informatie over “ [verdachte] ”, zoals achternaam en adres, kon verdachte ter zitting niet verstrekken. Voorts heeft verdachte verklaard dat er huisraad in de woning is geplaatst, dat de huur van de woning inderdaad EUR 1.100,- per maand bedroeg en dat “ [verdachte] ” hem had gevraagd in de woning langs te komen en te doen “alsof” de woning werd bewoond. Verdachte verklaarde dat hij een keer of zes in de woning is geweest. Hij mocht de kelder van de woning niet betreden.

Naar het oordeel van het hof had de verdachte zich onder de hiervoor vermelde omstandigheden, in het bijzonder het verzoek om een huurcontract met een huurprijs van EUR 1.100,- per maand op zijn naam te zetten, de opdracht daarbij om te doen alsof het pand werd bewoond en het vooruitzicht op een vergoeding van twee- tot drieduizend euro per halfjaar, ervan moeten vergewissen dat er in het betreffende pand (bijvoorbeeld in de kelder) geen strafbare feiten zouden worden gepleegd.

Nu verdachte dat heeft nagelaten, heeft hij naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegekomen dat er in (de kelder van) het pand sprake zou kunnen zijn van het plegen van een misdrijf, zoals de teelt van hennep.

Gelet hierop en de overige aan de voorliggende overwegingen ten grondslag gelegde bewijsmiddelen is het hof dan ook, anders dan de verdediging, van oordeel dat het opzet van verdachte zowel gericht was op de samenwerking met de onbekende gebleven personen, als ook, zij het in voorwaardelijke zin, op de teelt van hennep door anderen dan verdachte.

Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt mitsdien verworpen.”

4.5.

Het middel bevat de klacht dat het hof op grond van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend gemotiveerd tot een bewezenverklaring is gekomen van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan hennepteelt, nu het daarvoor vereiste dubbel opzet niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de nadere bewijsoverwegingen.

4.6.

Het volgende dient te worden vooropgesteld. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het opzettelijk plegen van een misdrijf, hennepteelt, door als huurder van een pand aan een derde dat pand ter beschikking te stellen. Daartoe is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat verdachtes opzet gericht was op het bevorderen dan wel vergemakkelijken van dat misdrijf in de zin van art. 48 Sr, maar ook dat zijn opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - gericht was op het door die derde gepleegde misdrijf, i.c. hennepteelt.2 In dit verband wordt ook wel gesproken van ‘dubbel opzet’.

4.7.

Dat iemand die een ruimte (onder)(ver)huurt niet zomaar strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het faciliteren van een in die ruimte of een deel daarvan ingerichte hennepkwekerij, blijkt uit de in het middel aangehaalde en meer recente jurisprudentie over dat onderwerp. Een vereiste is, dat de verhuurder voldoende wetenschap heeft of had moeten hebben van hetgeen zich in de beschikbaar gestelde ruimte afspeelt.3 Soms kan die wetenschap uit de omstandigheden worden afgeleid. 4 De enkele omstandigheid dat de verhuur in meer of mindere mate onder dubieuze omstandigheden heeft plaatsgevonden, volstaat niet voor het vaststellen van het vereiste opzet.5

4.8.

Het oordeel van het hof - dat kennelijk heeft onderkend dat uit de bewijsmiddelen niet rechtstreeks voortvloeit dat de verdachte wist wat zich in de kelder van de woning afspeelde - komt er kort gezegd op neer dat de verdachte, door op verzoek van een onbekende een woning op zijn naam te huren voor € 1100 per maand in ruil voor een vergoeding van twee of drieduizend euro per half jaar en door op diens verzoek af en toe te doen alsof deze woning (met uitzondering van de kelder, die verdachte niet mocht betreden) werd bewoond, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard medeplichtig te worden aan de hennepteelt in de kelder van die betrokken woning. Met de steller van het middel ben ik de mening toegedaan dat de wetenschap van de verdachte van het betreffende misdrijf, de hennepteelt, in dit geval niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverwegingen kan worden afgeleid. Wat die nadere bewijsoverweging betreft: waar het hof overweegt dat verdachte zich “ervan [had] moeten vergewissen dat er in het betreffende pand (bijvoorbeeld in de kelder) geen strafbare feiten zouden worden gepleegd” duidt dat ook niet op opzet maar eerder op schuld. Het betreft immers een tekortschieten in vereiste zorgvuldigheid. Wetenschap over het daadwerkelijk gepleegd worden van enig strafbaar feit in de kelder komt daaruit niet naar voren. Het lijkt mij dat zich hier precies het geval voordoet waar De Hullu, in de laatste (zesde) druk van zijn handboek Materieel Strafrecht als het ware tegen waarschuwt. Op p. 244/5 bespreekt hij het opzetbegrip in Opiumwetzaken. Enerzijds zijn er de gevallen waarin door de Hoge Raad - in ieder geval schijnbaar - gemakkelijk opzet wordt aangenomen, zoals bij reizigers op de bekende ‘risico’vluchten, die onvoldoende op hun bagage letten.6 Als daarin drugs blijken te zitten dan zal al snel aangenomen worden dat de ‘vervoerder’ daarop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. Algemene ervaringsregels spelen daarbij een rol. Tegenover die - niet onbekritiseerde7 - ‘soepele’ benadering plaatst De Hullu de scherpere toetsing bij deelneming aan hennepteelt: “In die zaken is nogal wat rechtspraak aanwijsbaar waarbij juist geen genoegen wordt genomen met te globale redeneringen en naar risicoaansprakelijkheid of schuld tenderende redeneringen.” In de feitenrechtspraak bestaat over die scherpere toetsing door de Hoge Raad wel eens verwondering, zo kan ik uit eigen ervaringen wel melden. Er zijn dossiers waaruit de hennepgeur je als het ware tegemoet komt, zo wordt ook wel gezegd, en dan nog casseert de Hoge Raad. Daartegen kan ingebracht worden dat ingeval die geur van hennep zogezegd evident uit het dossier naar voren komt het nu juist aan de feitenrechter is om de koppeling van de verdachte met die hennep te expliciteren in de bewijsvoering. Het achterwege laten daarvan kan dus, zo blijkt mijn inziens ook in de onderhavige zaak, ‘fataal’ zijn. Een kelder kan immers ook voor vele (andere, niet per se illegale) activiteiten worden gebruikt en de omstandigheden van het onderhavige geval zijn, hoewel dubieus, niet zodanig dat de verdachte wel geweten moet hebben (en dat is iets anders dan: had moeten weten) dat deze ruimte met het oog op het hier tenlastegelegde grondfeit, te weten de teelt van hennep, in gebruik was genomen.8 Met andere woorden: op een algemene ervaringsregel die wel zou leiden tot het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op hennepteelt kan de rechter zich niet beroepen.

4.9.

Nu het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring van medeplichtigheid ontoereikend gemotiveerd.

5. Het middel slaagt.

6 Het eerste middel

6.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.

6.2.

Het cassatieberoep is ingesteld op 8 december 2014. Op 17 juni 2016 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich mee, dat de in dit geval toepasselijke inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in cassatie, nu meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Het middel is terecht voorgesteld.

6.3.

Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om een andere reden niet in stand kan blijven.9

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De raadsman heeft in zijn schriftelijke volmacht tot het instellen van cassatieberoep van 5 december 2014 te kennen gegeven het cassatieberoep te willen beperken tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde waarvoor het hof de verdachte heeft veroordeeld.

2 T&C Strafrecht, Deventer 2016, elfde druk, aant. 4b bij art. 48 Sr, HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002, 245, r.o. 3.4.

3 Vgl. HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX4845, HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, NJ 2011, 319, HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8363, NJ2010,639, HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6931, NJ 2010, 335 m.nt. Borgers, HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3490 (schoonmaakwerkzaamheden).

4 Vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:681 (waarbij de wetenschap van de verdachte wel kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen).

5 Noot Borgers onder 2 bij NJ 2010, 335 (en 336, 337).

6 Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140, over een vlucht uit Suriname naar Nederland, waar de verdachte zijn koffer voor enkele uren had afgestaan aan een man die hij slechts oppervlakkig kende. HR: wel voorwaardelijk opzet.

7 Zie bijv. de noot van D.H. de Jong onder HR 2 oktober 2007, NJ 2007, 645.

8 Anders bijv. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:681 (kwekerij in voormalige skibaan).

9 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, r.o. 3.5.3.