Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:579

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
11/02065
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek inzake Baybasin. Strekt tot afwijzing.

Link persbericht: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Hoge-Raad-der-Nederlanden/Nieuws/Paginas/Geen-gronden-voor-herziening-in-de-zaak-Baybasin.aspx

(Deze kopiëren en plakken in de adresbalk)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Onderdeel 20. Conclusie

Volledige inhoudsopgave onderdeel 20:

20.1. Aanleiding en overzicht

Het arrest en het herzieningsverzoek

Het bestreden arrest

Het herzieningsverzoek met zes aanvullingen

Het herzieningsonderzoek

De inrichting van het onderzoek

De onderzoeksopzet

Het onderzoeksmateriaal

Het verloop van het technisch onderzoek

Het verifiërend onderzoek

Overzicht van de bevindingen

Onderzoekspijler 1: de tapkamers en scenario’s van manipulatie

Onderzoekspijler 2: audiofenomenen en signaalanomalieën

De conclusies van het technisch onderzoek

‘Gespreksinhoudelijke aanwijzingen’ van manipulatie

Getuigen over manipulatie van tapgesprekken

‘Vertalingsbedrog’

Resterende kwesties van bewijs

De heimelijke samenspanning tegen Baybaşin

Conclusie

20.2. Het advies aan de Hoge Raad

De aanpak

Het nieuwe begrip ‘novum’

De aangevoerde nova

Slotsom

20.1. Aanleiding en overzicht

Het arrest en het herzieningsverzoek

Het bestreden arrest

Bij arrest van het gerechtshof Den Bosch d.d. 30 juli 2002 is Baybaşin schuldig verklaard aan de bewezenverklaarde misdrijven en veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het arrest brengt tot uitdrukking dat het hof Baybaşin houdt voor de leider van een misdaadsyndicaat dat op grote schaal handelde in verdovende middelen. Daarbij werden liquidaties en gijzelingen niet geschuwd.

Het bestreden arrest, aangevuld met bewijsmiddelen, is uitvoerig gemotiveerd. De bewijsvoering tegen Baybaşin blijkt voor een belangrijk deel gefundeerd op de resultaten van telefoontaps. In het rechercheonderzoek naar Baybaşin, verricht door het kernteam Noord- en Oost-Nederland (KNON), zijn over de periode van september 1997 tot en met het moment van zijn aanhouding op 27 maart 1998 verscheidene telefoonlijnen van Baybaşin getapt. Een schriftelijke weergave (ook genoemd: transcripties) van de vertolking van de Koerdische, Turkse en Engelse telefoongesprekken die zijn onderschept, vormt de hoofdmoot van de bewijsmiddelen waarmee het arrest van 30 juli 2002 is aangevuld.

Het hof heeft de strafzaak tegen Baybaşin consciëntieus behandeld. Uit de nauwkeurige doorhalingen waarvan de transcripties die voor de bewijsvoering zijn gebruikt her en der blijk geven, valt op te maken dat het gerechtshof méér kwesties onder ogen heeft gezien dan in de bewijsoverwegingen reeds zijn geëxpliciteerd. De verweren die ten overstaan van het gerechtshof zijn gevoerd omtrent (onder meer) de authenticiteit en integriteit van het geluidsmateriaal van de tapgesprekken, alsmede de vertolkingen van tapgesprekken, hebben het hof gebracht tot het doen verrichten van nader onderzoek, onder meer door NFI-deskundige Broeders. Daarvan zijn de resultaten uitdrukkelijk in ’s hofs overwegingen betrokken.

Het herzieningsverzoek met zes aanvullingen

De raadsvrouw heeft in het herzieningsverzoek betoogd dat Baybaşin onschuldig is. Bovendien stelt de raadsvrouw dat Baybaşin is veroordeeld doordat de Nederlandse politie in samenwerking met de Turkse autoriteiten bewijsmateriaal heeft vervalst, met name “gemanipuleerd” geluidsmateriaal van telefoontaps.

Voor een belangrijk deel is deze stelling van de raadsvrouw gefundeerd op de resultaten van technisch onderzoek aan het geluidsmateriaal van tapgesprekken. In onderdeel 2 van deze conclusie heb ik een overzicht gegeven van de resultaten van het technisch onderzoek waarop de raadsvrouw zich in het inleidende herzieningsverzoek van 18 april 2011 beroept. Dat betreft onderzoeksrapporten van Van de Ven, Kuylman, Dickey (Audio Evidence Lab), en Beerends (TNO), alsmede van de deskundigen in het onderzoek van de toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (tCEAS) uit 2009: Peller (uit Israël), Fransen & Rijnders (TNO/KPN) en in mindere mate ook Bek Tek (uit de VS). De één meer omzichtig dan de ander maken deze deskundigen in hun rapporten melding van aanwijzingen voor ‘alterations’ en ‘manipulaties’ (vervalsingen), verwijzen zij in deze rapporten naar ‘anomalieën’, en laten zij in elk geval de mogelijkheid van manipulatie open.

Ofschoon deze rapporten niet in alle gevallen zijn gebaseerd op onderzoek aan kwalitatief toereikend onderzoeksmateriaal, heb ik in een tussenconclusie van 4 september 2012 geoordeeld dat deze rapportages niet mogen worden genegeerd. Ook consciëntieuze rechters kunnen immers een onjuist oordeel blijken te hebben geveld.

Het herzieningsverzoek was niet uitsluitend geënt op aanwijzingen voor de manipulatie van het geluidsmateriaal van tapgesprekken. De raadsvrouw heeft in een aanzienlijke hoeveelheid nova ook betoogd dat er sterke aanwijzingen zijn voor het bestaan van een langdurige en heimelijke samenwerking c.q. samenspanning tussen het KNON en de Turkse autoriteiten tegen Baybaşin. Die samenspanning en het feit dat daarover onder ede is gelogen, moeten volgens de raadsvrouw (na herziening) alsnog leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het herzieningsonderzoek

De inrichting van het onderzoek

Zoals toegelicht in onderdeel 3 van deze conclusie heb ik eind 2012 een aanvang gemaakt met (de voorbereidingen van) een onderzoek naar het bestaan van gronden voor een herziening van de veroordeling van Baybaşin. Dat onderzoek zou bestaan uit (1) het horen van getuigen, en (2) het verrichten van technisch onderzoek.

De rechter-commissaris heeft vervolgens in de periode van 13 januari 2013 tot en met 25 april 2014 in totaal twaalf getuigen gehoord, verspreid over zestien verhoordagen. De raadsvrouw, de landelijke forensisch officier van justitie en ik waren daarbij telkens aanwezig en waren in de gelegenheid om vragen te stellen. Ten slotte is op 28 oktober 2015 Baybaşin gehoord.

In samenspraak met de raadsvrouw heb ik de rechter-commissaris verzocht een tweetal deskundigen aan te stellen voor het verrichten van technisch onderzoek. Dat waren (op verzoek van de raadsvrouw) de reeds genoemde Van de Ven, en (met instemming van de raadsvrouw) Van den Heuvel. De eerste had volgens zijn cv ruime ervaring op het terrein van signaalanalyse en modemtechnologie, onder andere in zijn werk voor overheidsinstanties, en de tweede had volgens zijn cv ervaring met telefonietechnologie en -infrastructuur en de bijbehorende gespreksregistratie, alsmede met het om forensische redenen ontsluiten van complexe audio/video-data in beveiligde c.q. gecodeerde systemen.

Het technische onderzoek werd nauwlettend begeleid en met onderzoeksvragen gestuurd door een commissie (de begeleidingscommissie) waaraan de raadsvrouw, de rechter-commissaris, de landelijke forensisch officier van justitie, de griffier, een technicus van de zijde van de politie en ikzelf deelnamen, en die geregeld bijeenkwam.

De onderzoeksopzet

Ik heb in paragraaf 3.2 toegelicht dat en op welke gronden het in mijn opdracht uitgevoerde technische onderzoek de volgende twee onderzoekspijlers omvatte:

(1). een onderzoek naar de configuratie en de werking van de telefonie-infrastructuur, waarvan in het bijzonder de mobiele-telecommunicatietechnologie van gsm (2G), en de in de strafzaak toegepaste interceptietechnologie (zowel analoog als digitaal) in de periode van vóór april 1998;

(2). een interpretatie van ‘audiofenomenen’ c.q. ‘anomalieën’ die in het geluidsmateriaal werden waargenomen en waarbij de vraag was of die moeten worden aangemerkt als teken van manipulatie.

Onderzoekspijler 1 vormde in het verband van de Baybaşin-zaak nieuw onderzoek. In mijn onderzoeksopzet was kennis omtrent de mobiele-telecommunicatie-technologie van gsm (2G), en de in de strafzaak toegepaste interceptietechnologie vereist, en wel om (1) de (on)mogelijkheden en waarschijnlijkheden van manipulatie te evalueren aan de hand van nauwgezet uitgewerkte ‘scenario’s van manipulatie’, en (2) de interpretatie van de waargenomen audiofenomenen te faciliteren. Alleen met kennis van zaken kan immers in onderzoekspijler 2 naar een oorzakelijke verklaring voor ‘audiofenomenen’ c.q. ‘signaalanomalieën’ worden gezocht.

Het onderzoek in pijler 1 werd enigszins gecompliceerd doordat in het rechercheonderzoek naar Baybaşin gebruik is gemaakt van twee verschillende tapkamers, te weten:

(1). van 23 september 1997 tot de middag van 13 november 1997: een ‘analoge tapkamer’ in Arnhem, waarbij de audio van tapgesprekken door taperecorders werd geregistreerd op magnetische tapes. Hiervan zijn enkele (maar niet alle) moederbanden bewaard gebleven;

(2). van de middag van 13 november 1997 tot 27 maart 1998: een ‘digitale tapkamer’ in Apeldoorn, waarbij de audio van tapgesprekken in een geheime ‘proprietary codec’ (genaamd AVQSBC) werd geregistreerd op harde schijven van het zogeheten Kislev 2-tapkamersysteem (van producent Comverse/Verint), en in diezelfde codec gearchiveerd op magnetisch-optische schijven (MO-schijven). Alle MO-schijven zijn beschikbaar.

Het onderzoeksmateriaal

Ten behoeve van het technische onderzoek werd in 2014 allereerst het (analoge) geluidsmateriaal op de moederbanden omgezet in digitale geluidsbestanden (‘gedigitaliseerd’), en dit met gebruik van een taperecorder van hetzelfde merk en type als waarmee de moederbanden zijn beschreven (nl. een Uher 6000) en met toepassing van dezelfde nominale bandsnelheid, te weten 1,2 cm/s. Daarbij werd de taperecorder gevoed door een accu, om te voorkomen dat de frequentie van het elektriciteitsnet (nieuwe) sporen zou achterlaten in het gedigitaliseerde geluidsmateriaal.

In overeenstemming met een aanbeveling van prof. Jacobs, de voorzitter van de technische commissie van het tCEAS-onderzoek uit 2009, is het (digitale) geluidsmateriaal dat gecodeerd op de MO-schijven was opgeslagen thans rechtstreeks ontsloten, dat wil zeggen: buiten de apparatuur van Comverse om. Hiermee werd beoogd het geluidsmateriaal zo weinig mogelijk bewerkingen te laten ondergaan, als gevolg waarvan de onderzoekers de beschikking zouden krijgen over het meest authentieke onderzoeksmateriaal. Van den Heuvel is geslaagd in de hem toebedeelde opdracht om de op MO-schijven gecodeerde audio om te zetten in beluisterbaar digitaal geluidsmateriaal.

Het geluidsmateriaal van een door de raadsvrouw en mij geselecteerd aantal tapgesprekken, zowel betwist als onbetwist, is vervolgens aan de twee deskundigen ter hand gesteld. Daarmee kon het technisch onderzoek daadwerkelijk aanvangen.

Het verloop van het technisch onderzoek

Zoals toegelicht in paragraaf 3.3 heeft het technisch onderzoek uiteindelijk aanzienlijk langer geduurd dan verwacht. Bovendien namen de uitkomsten een andere gedaante aan dan gehoopt. Waar ik uitkeek naar gezamenlijke rapportages van twee deskundigen, waarin de overeenkomsten en verschillen tussen de bevindingen en conclusies van beide deskundigen helder voor het voetlicht zouden komen, resulteerde het technische onderzoek in twee separate deskundigenrapportages die op vrijwel alle doorslaggevende kwesties haaks op elkaar stonden. De deskundigen waren er na een hoopvol begin niet in geslaagd om zelfs maar gezamenlijk meetresultaten te rapporteren.

In september/oktober 2015 beschikte ik zodoende over een omvangrijke hoeveelheid technische rapportages die geen blijk gaven van enige eensgezindheid. Steevast rapporteerde Van de Ven dat de onderzochte audiofenomenen een aanwijzing vormden voor de manipulatie van het geluidsmateriaal van tapgesprekken, terwijl Van den Heuvel in alle gevallen aan het onderzochte audiofenomeen een technische, onverdachte oorzaak toeschreef.

Daar kwam bij dat de raadsvrouw gedurende de loop van het technische onderzoek de bijstand had gezocht (en gevonden) van onder meer prof. T. Derksen. Hij heeft de begeleidingscommissie op verzoek van de raadsvrouw voorzien van een grote hoeveelheid analyses en documenten getiteld ‘stand van zaken’ van zijn hand, waarin zijn oordeel over de resultaten van het technische onderzoek was neergelegd. In alle gevallen schaarde hij zich zonder voorbehoud achter de bevindingen en conclusies van Van de Ven. Bovendien voerde hij Van de Ven op als anonieme informant X4, die de mededelingen van Van de Ven kon bevestigen.

Hij leverde daarnaast kritiek op het werk en de persoon van Van den Heuvel. Of die kritiek gegrond is kwam aan de orde in paragraaf 12.3.

Derksen liet ook zijn licht schijnen over de gehele bewijsvoering in de zaak Baybaşin met inbegrip van de getuigenverklaringen, alsmede de vertolkingen en de uitleg van de inhoud van tapgesprekken. Daarnaast heeft hij over de Baybaşin-zaak een tweetal boeken geschreven. Dit vergrootte de input van informatie.

Complicerend was dat ik tijdens het herzieningsonderzoek werd geconfronteerd met aanwijzingen dat niet zonder meer kon worden vertrouwd op de juistheid van mededelingen van één van de twee benoemde deskundigen (Van de Ven) over hetgeen hij in gesprekken zou hebben vernomen van deskundige derden: Rohde & Schwarz (de producent van de eerste IMSI-catcher), Group 2000 (de producent van een apparaat dat fungeert als ‘doorgeefluik’ van tapmateriaal vanaf de centrale van de netwerkoperator naar de tapkamer) en de heer Eygendaal (een security-consultant). Informatie die door de rechter-commissaris en mij rechtstreeks van die derden werd verkregen, stond op gespannen voet met mededelingen die door Van de Ven aan de desbetreffende derden werden toegeschreven in zijn rapport van 23 december 2014.

Bovendien rees ernstige twijfel over het waarheidsgehalte van mededelingen van deze zelfde deskundige omtrent onderzoek dat hij in 2002 zou hebben verricht in een digitale tapkamer te Nijmegen, gelijksoortig aan de in deze strafzaak gebruikte digitale tapkamer te Apeldoorn. Aan dat (vermeende) onderzoek zou hij zijn kennis omtrent de architectuur en technologie van die digitale tapkamer hebben ontleend.

Deze kwestie is uitgebreid toegelicht in paragraaf 12.2.

Het verifiërend onderzoek

Mede om die reden heb ik ervoor gekozen om na de afronding van het technisch onderzoek door de deskundigen in september/oktober 2015 zelfstandig voort te gaan met een verifiërend onderzoek, teneinde zelf te kunnen beoordelen welke van de twee aangestelde deskundigen de juiste conclusies had getrokken en op welke (juiste) gronden, zonder dat ik daarbij moest afgaan op zoiets oncontroleerbaars als vertrouwen in of voorkeur voor een deskundige. Ik beoogde de Hoge Raad op – een zoveel mogelijk – objectieve wijze voor te lichten over de (on)juistheid en (on)gegrondheid van de door de deskundige(n) getrokken conclusies. Bovendien heb ik mij voorgenomen om alle argumenten die ertoe doen inhoudelijk te bespreken. Deze voornemens verklaren de omvang van deze schriftelijke conclusie en de duur die met de voorbereiding ervan was gemoeid.

Overzicht van de bevindingen

Na een verantwoording van de opzet van het onderzoek (in onderdeel 3 van deze conclusie) heb ik in de onderdelen 4 tot en met 11 verslag gedaan van de bevindingen van de onderscheidene deskundigen, van de resultaten van mijn verifiërend onderzoek en van de resultaten van mijn evaluatie van alle kwesties waarover tussen de deskundigen debat was ontstaan. Onderdeel 4 behelst een bespreking van de regelgeving en van het analyserapport van PricewaterhouseCoopers (PwC) uit 2003. De onderdelen 5 tot en met 7 vormen het verslag en mijn evaluatie van de resultaten uit onderzoekspijler 1. De onderdelen 8 tot en met 11 vormen het verslag en mijn evaluatie van de resultaten van onderzoekspijler 2. Een synopsis van deze resultaten en conclusies is te vinden in paragraaf 12.1 van deze conclusie.

In alle gevallen heb ik op door mij uiteengezette gronden geconcludeerd dat de bevindingen van Van den Heuvel steun vonden in een solide fundament van bronnen, gevoed door de bevraging van deskundige derden als KPN en Vodafone, Rohde & Schwarz, Group 2000, Verint, prof. Künzel, Jaspers, en Van Dreunen, bovendien door het naslaan van (veel) vakliteratuur en door (betrekkelijk eenvoudig) eigen onderzoek aan geluidsmateriaal, met inbegrip van referentiemateriaal. Ik heb dus (ook) in alle gevallen uiteengezet waarom de conclusies van Van de Ven moeten worden gepasseerd; in de meeste gevallen omdat de conclusies van Van de Ven bij individuele beschouwing niet-valide en ongefundeerd zijn gebleken.

Onderzoekspijler 1: de tapkamers en scenario’s van manipulatie

Ik begin met een verwijzing (onderdeel 6) naar het uitvoerige debat tussen Van den Heuvel en Van de Ven over de architectuur en technologie van de digitale tapkamer in Apeldoorn. Volgens Van den Heuvel was het audiomanagementsysteem van die tapkamer werkzaam op besturingssoftware genaamd ‘iRMX’ en werd het geluidsmateriaal op commando ‘streamend’ aangeboden aan de werkstations (Windows-pc’s) waarachter de uitluisteraars (rechercheurs en taptolken) zich konden positioneren. Volgens Van de Ven daarentegen bestond die apparatuur van de tapkamer geheel uit Windows-pc’s en kon het geluidsmateriaal (althans de verkeersgegevens ervan) eenvoudig worden gemanipuleerd met op Windows/DOS toegesneden reparatie-applicaties als PC Tools en Dr. Watson. Ofschoon Van de Ven in dit herzieningsonderzoek daartoe verscheidene gelegenheden zijn geboden, heeft hij in géén geval zijn gelijk proefondervindelijk kunnen aantonen. Ook overigens staat m.i. nu vast dat de digitale tapkamer voldeed aan de door Van den Heuvel gegeven beschrijving ervan.

Die conclusie heeft gevolgen voor de vraag in hoeverre manipulatie van geluidsmateriaal van tapgesprekken dat eenmaal in de ‘proprietary codec’ AVQSBC is opgeslagen in het archiveringssysteem van de digitale tapkamer, te weten op MO-schijven, mogelijk en waarschijnlijk is. Op de gronden als vermeld in onderdeel 6 acht ik dat zeer onwaarschijnlijk. Het manipuleren van de bijbehorende verkeersgegevens is bovendien uiterst problematisch en ook dat acht ik (ver) buiten het bereik van de mogelijkheden van de recherche te hebben gelegen.

Hoewel dat nog bepaald niet eenvoudig is uit te voeren, is de manipulatie van audio en verkeersgegevens van tapgesprekken die zijn opgeslagen door de analoge tapkamer op zichzelf mogelijk. Met de overgang, op 13 november 1997, van een analoge naar een digitale tapkamer zou een (verondersteld) frauderend politieteam het zichzelf echter buitengewoon lastig hebben gemaakt. Dit doet de vraag rijzen of het vervalsen van geluidsmateriaal en de registratie van vervalst materiaal op de geluidsdragers die afkomstig zijn van de tapkamers niet op een andere wijze kan hebben plaatsgehad, namelijk door de tapkamers via het telecommunicatienetwerk vervalst geluidsmateriaal aan te bieden, waarna het op reguliere wijze wordt geregistreerd. Over dergelijke, ‘externe’ scenario’s van manipulatie gaat onderdeel 7.

In onderdeel 7 sta ik meer uitvoerig stil bij de beveiliging van gsm-netwerken en de door Van de Ven gepresenteerde scenario’s van manipulatie waarin met behulp van sim-klonen, “twee gekoppelde” IMSI-catchers en/of een modem vervalst geluidsmateriaal wordt aangeboden aan de Nederlandse tapkamer als zou het tapgesprekken betreffen die afkomstig waren van het gsm-toestel van Baybaşin, terwijl de echte bron daarvan (de politie zelf) verhuld zou blijven. Op de gronden als uiteengezet in onderdeel 7 concludeer ik echter dat de door Van de Ven gepresenteerde scenario’s van manipulatie ongefundeerd en zeer onwaarschijnlijk zijn.

Onderzoekspijler 2: audiofenomenen en signaalanomalieën

De uitkomsten van de tweede onderzoekspijler betroffen onderzoek naar ‘audiofenomenen’ c.q. ‘signaalanomalieën’.

Allereerst het probleem van de ‘aanzienlijke versnelling’ van het analoge geluidsmateriaal (beschreven in paragraaf 9.1). Het geluidsmateriaal op moederbanden (in gebruik in de analoge tapkamer) dat in 2014 werd gedigitaliseerd, bleek in de WAV-bestanden die daarvan waren vervaardigd aanzienlijk (soms meer dan 10%) sneller te worden weergegeven dan waarmee het van origine was opgenomen. Deze ‘aanzienlijke versnelling’ werd door Van de Ven en door Derksen aangemerkt als een “aperte aanwijzing voor manipulatie”. Van de Ven tekende daarbij aan dat deze aanzienlijke versnelling kon worden verklaard doordat de Turkse politie bij het manipuleren van geluidsmateriaal gebruik had gemaakt van een instabiele taperecorder. Bij hun oordeelsvorming lieten Van de Ven en Derksen echter buiten beschouwing dat hetzelfde geluidsmateriaal doch gedigitaliseerd in 2002 en hetzelfde geluidsmateriaal doch gedigitaliseerd door de tCEAS in 2009 géén aanzienlijke versnelling vertoonde, terwijl ook het rechtstreeks ontsloten geluidsmateriaal uit de digitale tapkamer niet versneld werd weergegeven. Dat alles valt in de hypothese van Van de Ven en Derksen niet goed te verklaren. Zou de manipulatie met een instabiele taperecorder in Turkije dan abrupt zijn geëindigd zodra in Nederland werd overgegaan van een analoge naar een digitale tapkamer? Dat komt mij uiterst onwaarschijnlijk voor.

Mijn onderzoeksresultaten wijzen daarnaast uit dat de aanzienlijke versnelling van het analoge geluidsmateriaal in werkelijkheid is ontstaan doordat in 2014 bij de digitalisering ten behoeve van het herzieningsonderzoek gebruik werd gemaakt van een exemplaar van de Uher 6000 waarvan (zeer waarschijnlijk) de potmeter (een variabele weerstand waarmee de snelheid van de taperecorder wordt ingesteld) niet goed functioneerde. Hoe het ook zij, het is in elk geval geen teken van de frauduleuze manipulatie van het bewijsmateriaal.

Ik geef een ander voorbeeld (uit paragraaf 10.4). In het geluidsmateriaal van tapgesprek A-1-4 is halverwege het telefoongesprek een geluidje waarneembaar (in dit onderzoek ‘de puls-trein’ genoemd) dat door Van de Ven naar eigen zeggen is herkend als het geluid van een hefboomschakelaar. Met hefboomschakelaars werden in het verre verleden in een telefooncentrale automatisch telefoonverbindingen tot stand gebracht. Dat geluidje zou (volgens Van de Ven) een teken zijn van de aanvang van een nieuw telefoongesprek, opgenomen vóórdat hefboomschakelaars (in de jaren tachtig) werden vervangen. Tapgesprek A-1-4 zou daarmee aantoonbaar een frauduleuze samenvoeging van twee verschillende (stokoude) telefoongesprekken betreffen. Van de Ven heeft zijn standpunt onderbouwd door als bijlage bij zijn rapport een opname te voegen van het geluid van een ‘Strowger switch’ in werking, oftewel een hefboomschakelaar, dat volgens hem overeenkomt met het geluid van de besproken ‘puls-trein’.

Volgens Van den Heuvel is dit geluidje (de puls-trein) echter niets anders dan het onschuldige resultaat van het aankoppelen van een mobiel toestel op bijvoorbeeld een bureaulader.

Bij beluistering (en vertolking) van tapgesprek A-1-4 blijkt dat de gesprekspartner van Baybaşin op enig moment een opmerking maakt over de batterij van ‘dat ding’, enkele seconden later ‘momentje’ zegt, waarna de besproken ‘puls-trein’ volgt, en daarna een ‘hallo?’ van diezelfde spreker. Deze toedracht vormt reeds een aanwijzing dat Van den Heuvel het gelijk aan zijn zijde heeft.

Ik heb bovendien het door Van de Ven aangeleverde geluid van een hefboomschakelaar vergeleken met het geluid van een drietal andere hefboomschakelaars dat vanaf YouTube is te downloaden. Bij beluistering en analyse met een ‘signal analyzer’ bleek het geluid van de in totaal vier hefboomschakelaars onderling zeer goed overeen te komen. Het geluid van hefboomschakelaars bezit kennelijk een aantal karakteristieke eigenschappen. Die eigenschappen zijn echter geheel niet terug te vinden in de ‘puls-trein’. De puls-trein klinkt niet als en ziet er (bij signaal-analyse) niet uit als het geluid van een hefboomschakelaar. Ik acht het daarmee uiterst onwaarschijnlijk dat de ‘puls-trein’ in casu het geluid van een hefboomschakelaar betreft. Dan laat ik nog onbesproken dat Van de Ven evenmin heeft kunnen uitleggen hoe het geluid van een apparaat waarmee in een telefooncentrale verbindingen nu juist nog tot stand moesten worden gebracht in een telefoonverbinding hoorbaar kon worden.

Van de Ven heeft voorts gewezen op de aanwezigheid van een kort piepje met een frequentie van ongeveer 2100 Hz (meestal) aan het begin van verscheidene tapgesprekken, door hem herkend als ‘modemsignaal’, dat wil zeggen: het spoor dat (de frequentie van) een draaggolf van een modem zou achterlaten in een geluidsbestand dat door het ene modem over een telefoonverbinding wordt verzonden naar het andere modem, bijvoorbeeld van Turkije naar de Nederlandse tapkamer. Van de Ven specificeerde dit modem als een snel analoog modem van de V.34-categorie. Aanvankelijk betoogde hij namelijk dat 2100 Hz de frequentie van de draaggolf van een V.34-modem betreft.

In werkelijkheid is er geen enkele categorie van snelle analoge modems met een draaggolffrequentie van (om en nabij) 2100 Hz. In paragraaf 9.2 zet ik uiteen dat en op welke gronden ik het standpunt van Van den Heuvel deel, namelijk dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat dit piepje afkomstig is van een (snel analoog) modem. Ofschoon Van den Heuvel ook een verklaring geeft voor dit piepje, heb ik de oorzaak ervan in deze conclusie in het midden gelaten omdat ik voor de technische verklaring van Van den Heuvel onvoldoende steun heb kunnen vinden. Ik heb daarentegen (op de door mij in paragraaf 9.2 besproken gronden) geen aanleiding om te veronderstellen dat het piepje iets anders is dan een onschuldig technisch artefact, ontstaan bij de totstandkoming van een telefoonverbinding, hetgeen meer in abstracto dan toch weer overeenkomt met het standpunt van Van den Heuvel.

In de door mij genoemde onderdelen bespreek ik nog aanzienlijk meer: ‘audiofenomenen’ c.q. ‘anomalieën’ als het door Van den Heuvel als zodanig betitelde ‘aanzingen van tante Cor’, volgens Van den Heuvel exemplarisch voor een in de vakliteratuur goed beschreven fenomeen bij toepassing van ‘in-band signaling’, te weten: ‘talk down’ (paragraaf 10.2). Verder bespreek ik in paragraaf 10.3 een, volgens de raadsvrouw, Derksen en Van de Ven: “volstrekt onverklaarbaar AGC-patroon”, te weten de sporen van de werking van AGC (de afvlakking van de signaalsterkte), in paragraaf 11.3 de aanwezigheid van een tweede lichtnetfrequentie in het geluidsmateriaal (die naar nu blijkt afkomstig is van de apparatuur waarmee Van de Ven zelf zijn metingen verrichtte), en in paragraaf 9.3 onderzoek aan de kenmerken van beltonen van tapgesprekken die in enkele gevallen “volstrekt onverklaarbaar” afwijken van hetgeen volgens Van de Ven een onbetwiste, harde ITU-standaard zou zijn. Wat dat laatste betreft heeft Van den Heuvel echter uitvoerig toegelicht dat die afwijkingen van de ITU-specificaties binnen de ‘signaling’ van telecommunicatie wel degelijk verklaarbaar zijn en bovendien elders ook kunnen worden aangetroffen. Die conclusie vindt steun in de antwoorden op mijn vragen aan KPN en Vodafone, die uitwijzen dat de kenmerken van de beltonen van Vodafone reeds (minstens) twintig jaar afwijken van hetgeen volgens Van de Ven een onwrikbare ITU-standaard zou zijn.

De conclusies van het technisch onderzoek

Zoals gezegd vormt paragraaf 12.1 een synopsis van mijn bevindingen. De paragraaf eindigt met een samenvattende conclusie. Ik concludeer het volgende op basis van de resultaten van het technisch onderzoek:

(1). de bestudering van scenario’s van manipulatie wijst uit dat de frauduleuze manipulatie van geluidsmateriaal dat is gearchiveerd door de tapkamers van de types die in 1997/1998 in gebruik zijn geweest in de Baybaşin-zaak (zeer) onwaarschijnlijk is, en

(2). er zijn bovendien geen technische aanwijzingen voor manipulaties van tot het bewijs gebezigd geluidsmateriaal in de strafzaak tegen Baybaşin.

‘Gespreksinhoudelijke aanwijzingen’ van manipulatie

In onderdeel 13 bespreek ik vervolgens de door de raadsvrouw als zodanig gepresenteerde ‘gespreksinhoudelijke’ aanwijzingen voor de manipulatie van het geluidsmateriaal van de tapgesprekken. Deze nova heeft de raadsvrouw voornamelijk gegrond op analyses van Derksen, die zich op zijn beurt beroept op tegenstrijdigheden en (andere) ongerijmdheden waarvan de (vertolkte) gespreksinhoud van tapgesprekken blijk zou geven.

Ik heb echter in alle gevallen die de raadsvrouw in dit verband heeft aangevoerd geconcludeerd dat die analyses niet steekhoudend zijn, namelijk gebaseerd op een onjuiste of te beperkte lezing van de gespreksinhoud, of simpelweg verkeerd verstaan. Ik geef twee voorbeelden.

In de Marsil-zaak, waarin Baybaşin is veroordeeld voor de poging uitlokking tot moord op Marsil en Malkoc (in de bewezenverklaring onder 5), rekent Derksen voor dat de door de politie genoemde aanvangstijd van (onder meer) tapgesprek A-8-6 niet juist kan zijn, zulks omdat de gesprekspartner van Baybaşin (Metin) onmogelijk in (veel) minder dan twintig minuten kan hebben gereden van locatie A (een restaurant), waar volgens hem tapgesprek A-8-4 plaatsvond, naar locatie B (een koffiehuis), waar volgens Derksen tapgesprek A-8-6 plaatsvond. Dit brengt Derksen en de raadsvrouw tot de slotsom dat gesprek A-8-6 “qua tijd is gemanipuleerd”.

Echter, in zijn berekeningen veronderstelt Derksen dat Metin tapgesprek A-8-4 voerde op een moment dat hij zich nog bevond op locatie A (het restaurant). Die veronderstelling is gebaseerd op een onjuiste lezing van de transcriptie van tapgesprek A-8-4. Bovendien is het waarschijnlijker dat Metin tapgesprek A-8-4 voerde terwijl hij al met de auto onderweg was naar locatie B (het koffiehuis). Op de achtergrond van tapgesprek A-8-4 is namelijk motorgeronk te horen.

In de Kentucky-zaak, de poging uitlokking tot liquidatie van dr. Mahboub in Kentucky (feit 2 in de bewezenverklaring), verstaat Derksen in het door hem beluisterde tapgesprek A-3-51 dat de gesprekspartner van Baybaşin tegen hem zegt: “Yesterday was Saturday”, terwijl het telefoongesprek volgens de verkeersgegevens ervan werd gevoerd op een dinsdag; volgens Derksen een aantoonbare inconsistentie. In werkelijkheid zegt de gesprekspartner in tapgesprek A-3-51 echter: “Yesterday I was shattered”.

Getuigen over manipulatie van tapgesprekken

Onderdeel 14 vormt het sluitstuk van de bespreking van de argumenten die van de zijde van de verdediging zijn aangevoerd ter ondersteuning van de hypothese dat het geluidsmateriaal en de verkeersgegevens van tapgesprekken in de strafzaak tegen Baybaşin zijn gemanipuleerd. In dit onderdeel komt een aantal argumenten aan bod die zijn gebaseerd op de verklaringen van getuigen. Zo beroept de raadsvrouw zich op de getuigenverklaring van politietolk Çetinkaya voor haar stelling dat het geluidsmateriaal van tapgesprek A-6-168 begin januari 1998 reeds in handen was van de Turkse politie, terwijl dat telefoongesprek volgens de Nederlandse politie niet eerder zou zijn gevoerd dan op 21 januari 1998. De door de raadsvrouw veronderstelde tegenspraak vloeit echter voort uit een onjuiste lezing van de getuigenverklaring van Çetinkaya. Waar de raadsvrouw betoogt dat Çetinkaya in zijn verklaring de inhoud van een tapgesprek weergeeft dat hij begin januari 1998 van de Turkse politie te horen kreeg, beschrijft Çetinkaya in werkelijkheid de inhoud van een tapgesprek dat hij (naar eigen zeggen) pas “later” heeft beluisterd.

‘Vertalingsbedrog’

Onderdeel 15 behandelt de vele nova die betrekking hebben op (vermeend) ‘vertalingsgesjoemel’ en ‘vertalingsbedrog’ ten aanzien van zowel Engelstalige, als Koerdische tapgesprekken. Voor zover het gaat om Koerdische tapgesprekken baseert de raadsvrouw zich voor een belangrijk deel op de vertolkingen van de door haar ingeschakelde “internationaal erkend linguïst” Rizgar, en dit onder voorbijgaan aan het werk van de taptolken uit 1997/1998 en een RC-tolk die in 1999 in overleg met de verdediging was ingeschakeld.

Teneinde de argumenten van de raadsvrouw op waarde te kunnen schatten, heb ik een ervaren (tap)tolk, een ‘educated native speaker’ Koerdisch/Kurmançi aangesteld (‘de herzieningstolk’). Deze tolk heeft geheel onbevangen en zonder bekendheid met het dossier en het debat de gewraakte gesprekspassages in tapgesprekken opnieuw beluisterd, in het daarvan opgemaakte rapport zo nodig het gesprokene woordelijk weergegeven en pas daarna vertaald naar het Nederlands teneinde een transparante vertolking van de gespreksinhoud te vervaardigen.

Het voorliggende onderzoeksthema was steeds de vraag of de door het hof voor de bewijsvoering gebruikte transcripties de strekking van het besprokene correct weergaven, oftewel of de vertolking ‘functioneel equivalent’ was met de inhoud van het tapgesprek. Het hof had zich diezelfde vraag uitdrukkelijk gesteld, en daarbij aansluiting gezocht bij de rapportages van NFI-deskundige Broeders, die deze door hem geformuleerde vraag grosso modo bevestigend heeft beantwoord, voor zover nodig met inschakeling door hem van een Koerdische ‘educated native speaker’ (niet dezelfde als de door mij ingeschakelde ‘herzieningstolk’).

Veel nova bleken bij het herzieningsonderzoek niet zozeer gegrond op de vraag wat de betekenis is van een uitgesproken woord, maar op de vraag welk woord (welke klank) er precies in het tapgesprek valt te beluisteren. Dat betreft geen kwestie van semantiek, maar van fonetiek (en dus van goed luisteren). Alleen al om die reden gaat de veronderstelling van de raadsvrouw, te weten dat de door haar benaderde Rizgar onder alle omstandigheden als tolk het laatste woord heeft, niet op.

Aan de hand van het Koerdische transcript van de herzieningstolk kon in velerlei gevallen worden vastgesteld dat beweerdelijke opzettelijke fouten in de vertalingen simpelweg niet bleken te bestaan. Het novum bleek in die gevallen gegrond op tekortschietende uitluistervaardigheden van de zijde van de verdediging of door haar ingeschakelde personen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar novum 72, ten aanzien waarvan aan de hand van de nadere tolkwerkzaamheden kon worden vastgesteld dat Korkut wel degelijk over “40 duizend” spreekt, en niet over “hoeveel duizend is dat.” Bij een beoordeling van novum 99 bleek dat, anders dan de raadsvrouw poneerde, Metin niet zelf zei: “Er is een auto achter ons en we voelen ons niet op ons gemak”, maar dat deze uitspraak hem door Baybaşin werd aangereikt als (potentiële) smoes waarmee een geveinsd bezoek aan Baybaşin kon worden afgezegd.

Veel nova betreffen verder geen nieuwe kwesties. De vraag of Yavuz in tapgesprek A-1-1 het woord “baxçe” dan wel “boxçe” in de mond neemt, is door mij niettemin andermaal voorgelegd aan de herzieningstolk. Die houdt het uitgesproken woord zowel bij eerste (onbevangen) beluistering als bij nadere, nauwgezette bestudering op “baxçe” (tuin), hetgeen in overeenstemming is met het door het hof overgenomen oordeel van de drie taptolken én dat van de RC-tolk.

Ten aanzien van de vertolking van Engelse tapgesprekken beroept de raadsvrouw zich voornamelijk op de analyses van Derksen. In tapgesprek A-6-104 meent Derksen de naam “Adri” te kunnen beluisteren, en hij baseert daarop zijn stelling dat Baybaşin in dit telefoongesprek met iemand anders spreekt dan met heroïnekoerier Priescu, zoals het gerechtshof op basis van de tapverbalen heeft aangenomen.

Echter, bij nauwgezette beluistering blijkt Baybaşin in werkelijkheid geen “Adri” uit te spreken. Hij zegt in plaats daarvan de (snel uitgesproken) woorden: “I believe”. In datzelfde gesprek hoort Derksen het woord “Dutch” uitgesproken, waar in werkelijkheid “Deutsch” wordt gezegd. In tapgesprek A-3-18 beluisteren de raadsvrouw en Derksen “I want him to deliver” waar in werkelijkheid “I would like him to be over” wordt gezegd. Ten aanzien van tapgesprek A-3-24 wordt de taptolken verweten dat zij “de zeer ontlastende uitspraak “you have his statement and everything” niet hebben opgenomen in de vertolking, terwijl de gesprekspartner van Baybaşin, Mayer, in werkelijkheid zegt: “he have his papers and everything?”, op een moment dat Mayer nog in de onjuiste veronderstelling verkeert dat Baybaşin hem verzoekt iemand de VS binnen te brengen c.q. binnen te smokkelen.

Géén van de als nova gepresenteerde argumenten die de kwaliteit van de vertolkingen in twijfel trekken is steekhoudend. Derksen en de raadsvrouw nemen bij herhaling grote woorden als ‘vertalingsbedrog’, ‘geklungel’ en ‘gesjoemel’ in de mond, maar de vereiste grondslag voor dergelijke kwalificaties blijkt telkenmale te ontbreken. Ik vond geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van het hof dat de vertolkingen die tot het bewijs zijn gebruikt, overeenkomen met de strekking van het gesproken woord in de desbetreffende tapgesprekken.

Resterende kwesties van bewijs

In onderdeel 16 volgt de bespreking van een aantal resterende kwesties van bewijs, telkens leidend tot de slotsom dat zij geen novum tot stand brengen. De essentie van enkele in dit onderdeel besproken nova is niet nieuw en mag bij het gerechtshof reeds bekend worden verondersteld.

Voor een mededeling van “medewerkers” of “een agent” van de FBI, te weten de mededeling dat de verdenkingen tegen Baybaşin in de Kentucky-zaak ‘volgens de FBI’ moeten worden afgedaan als “just nonsense”, presenteert de raadsvrouw als bronnen van informatie niets anders dan (1) de brief van een Brit die alleen schrijft een “ongoing relationship with the U.S. FBI” te hebben, en (2) de print van een ‘hotmail’ van ene ‘Lasha George’, zonder ook maar enige verifieerbare contactgegevens die richting de FBI voeren.

De heimelijke samenspanning tegen Baybaşin

De onderdelen 17, 18 en 19 behandelen de nova die de raadsvrouw heeft aangevoerd ten bewijze van de langdurige, heimelijke samenspanning tussen het kernteam Noord- en Oost-Nederland en de Turkse autoriteiten in de strafzaak tegen Baybaşin.

Onderdeel 17 heeft specifiek betrekking op de uitleveringszaak die aan de strafzaak tegen Baybaşin vooraf is gegaan. De internationale signalering op basis waarvan Baybaşin in december 1995 ‘voorlopig’ werd aangehouden, zou uitsluitend een bilaterale, heimelijke opzet tussen Turkije en Nederland hebben betroffen. Ter onderbouwing van deze stelling worden argumenten opgevoerd die bij nadere beschouwing geen stand houden. Het door mij opgevraagde uitleveringsdossier geeft, anders dan de raadsvrouw ingang wil doen vinden, geen blijk van een andere gang van zaken rond de signalering, de voorlopige aanhouding en de uitleveringsprocedure dan door justitie te kennen is gegeven.

Onderdeel 18 behandelt stellingen van de raadsvrouw omtrent de meerjarige en intensieve samenwerking in de strafzaak tegen Baybaşin. De raadsvrouw presenteert bronnen van informatie waaruit zou moeten worden opgemaakt dat die samenwerking door Turkije is afgedwongen onder dreiging van de openbaarmaking van een zedendossier dat in Turkije was aangelegd ten aanzien van een voormalige hoge ambtenaar, mr. Demmink. De merkwaardige chronologie van deze samenspanning houdt in dat de samenwerking van de Nederlandse met de Turkse autoriteiten reeds gaande was voordat Baybaşin in 1995 überhaupt voet op Nederlands bodem had gezet, terwijl de dreiging met openbaarmaking van het Demmink-dossier niet eerder dan begin 1997 zou hebben plaatsgehad.

Als bronnen van informatie voert de raadsvrouw onder meer de volgende drie op.

Allereerst het zogeheten ‘Ek Rapor’, een rapport van een Turkse consultant, een zekere Çelebi, naar verluidt opgesteld op basis van door hem verricht onderzoek en op basis van documenten die ook in dit herzieningsonderzoek bekend zijn. Çelebi trekt conclusies die niet kunnen worden gefundeerd op de door hem genoemde documenten. Zo verwijst Çelebi naar een gespreksnotitie van de IND van 15 juli 1997 (door mij besproken in paragraaf 17.7). Uit deze telefoonnotitie blijkt volgens het Ek Rapor dat de “zaak Baybaşin wordt gebruikt als drukmiddel teneinde in een andere zaak iets van de Turkse autoriteiten gedaan te krijgen”. Daarmee wordt volgens Çelebi de samenwerking tussen Nederland en Turkije in de strafzaak tegen Baybaşin blootgelegd. De in de IND-telefoonnotitie bedoelde ‘andere zaak’ zou de daden van Demmink betreffen die “betrokken was in schandalen inzake seks die hij had met jonge kinderen en jongens”.

In die IND-telefoonnotitie wordt in werkelijkheid echter géén specificatie gegeven van die ‘andere zaak’. Çelebi speculeert daarover. Er zijn bovendien zeer sterke aanwijzingen dat met die andere zaak de toentertijd landelijk bekende ‘affaire Köksal’ werd bedoeld.

Op de gronden als door mij besproken in onderdeel 18, acht ik het Ek Rapor van zeer kwestieus allooi.

In de tweede plaats “de verklaring van een hoge Turkse politieambtenaar”, volgens de raadsvrouw een klokkenluider, anoniem aangeduid als X1.

Echter, de ‘verklaring van X1’ blijkt in essentie niets anders dan hetgeen een Turkse advocaat, Aytekin, verklaart te hebben vernomen van een politieambtenaar die thans spoorloos is. Aytekin heeft deze klokkenluider naar zijn zeggen gesproken binnen vier weken nadat de raadsvrouw deze Aytekin schriftelijk had verzocht om informatie waarmee een herzieningsverzoek kon worden ondersteund. Er is geen enkele waarborg dat deze ‘verklaring van X1’ de authentieke, door Aytekin opgetekende verklaring betreft van een persoon die is wie hij zegt te zijn.

Ten derde een door de journalist Kazmali opgespoorde technicus, werkzaam voor de Turkse politie, anoniem aangeduid als X2, die zou hebben verklaard op welke wijze de manipulatie van geluidsmateriaal in de Baybaşin-zaak in zijn werk zou zijn gegaan. Van X2 is beeldmateriaal beschikbaar waarop een persoon zichtbaar is die op de rug is gefilmd. Zijn identiteit zou volgens de raadsvrouw worden bevestigd door de foto van een computerbeeldscherm waarop een geopend Word-document zichtbaar is waarin een slecht leesbare kopie van een (vermeende) politiekaart te zien is. X2 is thans spoorloos. In het overgelegde beeldmateriaal wordt X2 ondervraagd door Langendoen, feitenonderzoeker van de verdediging. X2 vermeldt echter verrassend weinig details over zijn werkzaamheden, althans Langendoen vraagt niet door, terwijl X2 antwoorden in de mond worden gelegd. Er is geen enkele waarborg dat deze ‘verklaring van X2’ de authentieke verklaring betreft van een persoon die is wie hij zegt te zijn.

Ik pretendeer thans niet compleet te zijn in mijn beschrijving van de vele nova die de raadsvrouw in dit verband naar voren heeft gebracht, en ik verwijs voor een verdere onderbouwing van mijn conclusie dat geen van de nova gegrond is, naar onderdeel 18.

In onderdeel 19 sta ik langer stil bij de beschuldiging aan het adres van zaaksofficier van justitie, mr. Hillenaar, namelijk de beschuldiging dat hij onder ede zou hebben gelogen over de langdurige en intensieve samenwerking met de Turkse autoriteiten in het door hem geleide onderzoek van het kernteam Noord- en Oost-Nederland.

De door de raadsvrouw in dit kader aangedragen gegevens vormen echter geen begin van bewijs dat mr. Hillenaar het hof heeft misleid; niet over de vermeende initiërende rol van Turkije in het onderzoek naar Baybaşin, noch over de vermeende langdurige en intensieve samenwerking tussen de Nederlandse en Turkse autoriteiten in het strafrechtelijk onderzoek naar Baybaşin. De ernstige beschuldiging van meineed aan het adres van mr. Hillenaar mist ieder fundament.

Conclusie

Mijn onderzoek heeft mij gebracht tot de conclusie dat geen van de aangevoerde argumenten deugdelijk is.

20.2.

Het advies aan de Hoge Raad

De aanpak

In het kader van het herzieningsonderzoek heb ik getracht alle aangevoerde gegevens materieel te beoordelen. Telkens heb ik mij afgevraagd of het door de raadsvrouw gepresenteerde novum was gestoeld op argumenten die op zichzelf deugdelijk van aard waren. Ik heb mij niet in de eerste plaats bekommerd om de vraag of een door de raadsvrouw als novum aangedragen gegeven op formele gronden tot herziening van de veroordeling zou kunnen leiden. Daarmee wilde ik vermijden dat ik in deze zaak, die raakt aan grote belangen voor de verzoeker tot herziening en waarin de integriteit van de rechtstaat ter discussie wordt gesteld, onbedoeld voorbij zou gaan aan eventuele reële aanwijzingen voor vervalsing van bewijsmateriaal door de Nederlandse politie.

Mijn aanpak spreekt niet voor zich. Veel argumenten van de raadsvrouw had zij in 2002 reeds voorgelegd aan het gerechtshof. Veel argumenten bouwden voort op verweren die al door het gerechtshof waren gewogen, en te licht bevonden. Mijn aanpak van het herzieningsonderzoek en de ruimte die ik de verdediging daarmee heb gegeven, stond en staat tot op zekere hoogte op gespannen voet met de grondslag voor het rechtsmiddel dat Baybaşin en zijn raadsvrouw hebben benut: de mogelijkheid van herziening van onherroepelijke veroordelingen.

Enerzijds is het instrument van herziening bedoeld als mechanisme voor de correctie van onterechte veroordelingen. Daar staat tegenover dat de samenleving erbij gebaat is dat een rechterlijke beslissing niet oeverloos kan worden aangevochten.

Het nieuwe begrip ‘novum’

Met ingang van 1 oktober 2012 is wetgeving in werking getreden waarmee beoogd is de gronden waarop bij de Hoge Raad herziening van een onherroepelijke veroordeling kan worden aangevraagd te verruimen. Sindsdien kan conform artikel 457, eerste lid, onder c, Sv herziening worden aangevraagd:

indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

Deze wettelijke bepaling en de geschiedenis van de totstandkoming ervan, waarnaar ik in paragraaf 1.5 heb verwezen, laten echter ook zien dat de ruimte voor herziening – nog immer – niet onbegrensd is en dat aan de gronden voor herziening restricties zijn verbonden.

Allereerst moet de voor herziening aangevoerde grond ‘nieuw’ zijn, dat wil zeggen: onbekend bij de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken. In de tweede plaats moet het gaan om argumenten die ertoe doen, dat wil zeggen: het moet argumenten betreffen van zodanig gewicht dat zij naar redelijke verwachting tot een andere uitspraak zouden hebben geleid indien zij door de rechter in de weging waren betrokken.

Meer complex ligt de term (nieuw) ‘gegeven’, waarvan de wetgever zich sedert 1 oktober 2012 in artikel 457 Sv bedient. De toelichting en de voorbeelden die de minister in de totstandkomingsgeschiedenis van deze wetswijziging heeft aangedragen, wijzen uit dat daarmee is beoogd het novumbegrip zodanig te verruimen dat het voortaan ook (gewijzigde) deskundigeninzichten bestrijkt. Hieronder vallen dus niet meer uitsluitend de ‘omstandigheden van feitelijke aard’, die ook voorafgaand aan 1 oktober 2012 geëigend waren om een novum te bewerkstelligen.

In paragraaf 3.1 heb ik binnen het bestek van feitenonderzoek onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘waarneming’ en ‘interpretatie’. Naar ik meen moet onder ‘deskundigeninzicht’ worden verstaan: (1) een interpretatie van – eventueel de rechter reeds bekende – waarnemingen, (2) die afkomstig is van een deskundige, (3) die gefundeerd is op een correct uitgevoerde wetenschappelijke methode, en (4) die betrekking heeft op een onderwerp waarvoor de inbreng van specialistische kennis is vereist teneinde de betekenis van het bewijsmateriaal te kunnen doorgronden.

Dit betekent m.i. dat meningen en speculaties over, dan wel wegingen of waarderingen van bestaand bewijsmateriaal ook met ingang van 1 oktober 2012 nog steeds niet kunnen leiden tot een novum. De omstandigheid dat een deskundige het voorhanden bewijsmateriaal ‘anders weegt’ dan de rechter heeft gedaan, levert dus geen novum in de zin van de wet op. Datzelfde geldt voor interpretaties van waarnemingen c.q. onderzoeksbevindingen die niet afkomstig zijn van een deskundige. Net zo min kunnen (nieuwe) interpretaties van feitenmateriaal worden geschaard onder het nieuwe wettelijke begrip ‘gegeven’ ingeval voor die interpretaties op zichzelf geen inbreng van specialistische kennis vereist is.

De aangevoerde nova

Voorzien van dit juridisch arsenaal blik ik andermaal terug op de resultaten van het herzieningsonderzoek.

Indien mij bij de bespreking van een gesteld novum bleek dat het onder die noemer aangevoerde argument het gerechtshof in essentie reeds bekend was, heb ik dat hierboven telkens kenbaar gemaakt. Betrekkelijk veel argumenten van de raadsvrouw vormen een herhaling van zetten. Tot herziening kan dat niet leiden.

In paragraaf 12.2 heb ik stilgestaan bij de verrichtingen van Van de Ven, die in het herzieningsonderzoek tot deskundige is benoemd. Ik benadruk dat ik de door Van de Ven aangevoerde argumenten en gepresenteerde bevindingen in alle gevallen inhoudelijk heb beoordeeld, en ondeugdelijk heb bevonden. Van mijn onderbouwing van dat standpunt getuigen de onderdelen 4 tot en met 11.

Echter, vanwege ernstige twijfel aan het waarheidsgehalte van zijn mededelingen en aan zijn vakkundigheid ben ik thans de opvatting toegedaan dat bij de beoordeling van de nova ook niet (meer) kan worden uitgegaan van de conclusies en inzichten van Van de Ven, omdat zij niet kunnen doorgaan voor een deskundigeninzicht. Dit betekent dat indien en voor zover een door de raadsvrouw gepresenteerd novum is gebaseerd op uitspraken of rapportages van Van de Ven het aangevoerde reeds om die reden niet tot herziening kan leiden.

Ten aanzien van de analyses en rapporten van Derksen e.a. heb ik in paragraaf 3.3 reeds uiteengezet dat zij niet kunnen doorgaan voor de afspiegeling van (nieuwe) deskundigeninzichten, omdat Derksen, Grünwald en Gill niet kunnen doorgaan voor specifiek deskundig op het terrein van telecommunicatie-infrastructuur, interceptie-architectuur, (forensische) signaalanalyse, de vertolking van tapgesprekken, of van de uitleg van de (vertolkte) inhoud van tapgesprekken, e.d. Nergens uit blijkt dat zij, althans één of meer van hen, zich voorafgaande aan dit herzieningsonderzoek op deze terreinen hebben onderscheiden. Het enkele feit dat Derksen, Grünwald en/of Gill in de overgelegde rapportages tot vérstrekkende uitspraken komen, kan dus op zichzelf geen novum bijbrengen. Hun rapportages in deze herzieningszaak zelf hebben daarin geen verandering gebracht, ofschoon ik wel degelijk kennis heb genomen van de door hen aangevoerde argumenten. Die argumenten heb ik telkens in mijn beschouwingen betrokken en daarvan heb ik blijk gegeven in de voorgaande onderdelen van deze conclusie.

Niettemin betekent het voorgaande dat indien en voor zover een door de raadsvrouw gepresenteerd novum is gebaseerd op uitspraken of rapportages van Derksen, Grünwald en/of Gill het aangevoerde reeds om die reden niet tot herziening kan leiden.

Daarnaast heeft Derksen tevens uitdrukking gegeven aan zijn inzichten over de betekenis van de inhoud van (vertolkte) tapgesprekken, en aan zijn weging en waardering van het bewijsmateriaal in het algemeen, met inbegrip van de evaluatie van ‘alternatieve scenario’s’. Dit alles betreft echter geen terrein waarop de rechter de inbreng van specialistische kennis behoeft. Om die reden kunnen ook deze oordelen van Derksen niet als novum worden aangemerkt.

Voor de als zodanig gepresenteerde nova die ik heb besproken in onderdeel 13 (‘gespreksinhoudelijke aanwijzingen voor manipulatie’) betekent dit dat zij niet tot herziening kunnen leiden. Het gerechtshof was immers reeds bekend met de inhoud van de tapgesprekken die aan de basis van deze nova staan. Ten dele geldt dat ook voor de gepretendeerde nova die in onderdelen 14 en 16 zijn besproken, namelijk in die gevallen waarin ter onderbouwing van de nova een beroep wordt gedaan op bewijsmateriaal (getuigenverklaringen, transcripties van tapgesprekken, etc.) waarover het hof in 2002 reeds beschikte. Dit geldt met name ook voor de ‘alternatieve scenario’s’ die ik kort heb besproken in paragraaf 16.7. Niet alleen was het hof met twee daarvan reeds bekend, uitsluitend een (nieuw) alternatief scenario, zonder dat daaraan een nieuw op zichzelf staand gegeven ten grondslag ligt, kan om de door mij uiteengezette redenen geen novum vormen.

De nova die in de onderdelen 17 tot en met 19 resteren, missen in alle gevallen sowieso voldoende bewijskracht. Kort gezegd kan in veel gevallen het door de raadsvrouw gestelde überhaupt niet uit de aangedragen gegevens worden afgeleid.

Slotsom

Vanwege de omvang van de aanvraag tot herziening, de hoeveelheid aangedragen nova en de veelal technische aard daarvan is met mijn herzieningsonderzoek veel tijd gemoeid geweest. De jaren die sinds de aanvang van het herzieningsonderzoek zijn verstreken waren noodzakelijk om de argumenten van de raadsvrouw, tot zesmaal aangevuld, inhoudelijk te bestuderen, te doorgronden, te verifiëren en te evalueren. Van de door de raadsvrouw aangevoerde argumenten en van die van de personen die haar in de aanvraag hebben bijgestaan, alsook van de door de deskundigen aangedragen inzichten, heb ik telkens de juistheid en de materiële deugdelijkheid onderzocht. Geen van de aangedragen argumenten bleek zodanig steekhoudend dat moet worden aangenomen dat het gerechtshof bij bekendheid daarmee tot een ander oordeel zou zijn gekomen.

Er is daarmee naar mijn overtuiging geen reden voor twijfel aan de juistheid van het veroordelend arrest van het gerechtshof Den Bosch van 30 juli 2002. Naar mijn oordeel vormt geen van de als zodanig in de aanvraag gepresenteerde nova grond voor de herziening van dat arrest.

Ik concludeer tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.

Het herzieningsverzoek kan eventueel aanleiding geven het begrip ‘gegeven’ in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef onder c, Sv te verduidelijken. Voorts kan ik mij voorstellen dat in dat verband ook wordt ingegaan op de vraag aan welke criteria het oordeel van een deskundige tenminste moet voldoen.

D.J.C. Aben,

advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden