Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:551

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
16/05678
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2272, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW) op de grond dat moeder haar kind nog niet heeft ingelicht over identiteit vader en nog niet met deze in contact heeft gebracht. Minder ingrijpende maatregel mogelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 16/05678

mr. J. Wuisman

Roldatum: 9 juni 2017

CONCLUSIE inzake:

[de moeder] ,

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt;

tegen

Raad voor de kinderbescherming

Regio Haaglanden, locatie Den Haag,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. M.M. van Asperen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de bij haar inwonende zoon [het kind] , geboren op [geboortedatum] 2010. De vader, die een kortstondige buitenhuwelijkse relatie met de moeder heeft gehad, heeft [het kind] met rechterlijke toestemming in 2014 als zijn zoon erkend. Er is nimmer enige omgang tussen vader en [het kind] geweest. Er was een ondertoezichtstelling van [het kind] van 14 februari 2014 tot 13 februari 2015. Die maatregel trof de rechtbank Rotterdam na een onderzoek van de Raad voor de kinderbescherming(1) bij beschikkling d.d. 14 februari 2014 vanwege zodanig ernstige zorgen over [het kind] , met name in verband met het ontbreken van elk contact tussen hem en zijn vader, dat er gesproken kon worden van een ontwikkelingsbedreiging bij [het kind] .(2) De maatregel is onbedoeld geëindigd.

1.2

Bij verzoekschrift van 30 oktober 2015 heeft verweerster in cassatie (hierna: de RvdKb) zich tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek om [het kind] voor één jaar onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming. Volgens de RvdKb is er met betrekking tot [het kind] sprake van een in artikel 1:255 BW bedoelde bedreiging, die de RvdKb op blz. 12 van haar rapport van 29 oktober 2015 kort als volgt beschrijft: “De bedreiging voor [het kind] bestaat uit het feit dat er geen zicht is op de opvoedsituatie van [het kind] , dat er zorgen zijn over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en tot slot zorgen over de identiteitsontwikkeling van [het kind] vanwege het ontbreken van contact tussen [het kind] en zijn vader. De moeder houdt hulpverlening buiten de deur waardoor er tot op heden geen zicht is gekomen op mogelijke (positieve) veranderingen. Dit maakt dat de Raad van mening is dat er middels gedwongen hulpverlening zicht moet komen op de opvoedsituatie van [het kind] bij moeder, zodat er gewerkt kan worden aan de opgestelde hulpverleningsdoelen. De gezinsvoogd zal daarnaast hulp moeten gaan inzetten/bieden om moeder te ondersteunen om [het kind] voor te lichten over wie zijn vader is en uiteindelijk ook om het contact tussen de vader en [het kind] (begeleid) op te starten.”

1.3

De moeder bestrijdt het verzoek. Zij weerspreekt de met betrekking tot [het kind] gestelde zorgen en bedreigingen. Volgens haar gaat het goed met [het kind] , zowel thuis als op school. Van de ten aanzien van haar gestelde problemen is evenmin sprake.

1.4

Op de hoorzitting van 30 november 2015 spreekt de kinderrechter in de rechtbank Den Haag tevens zijn beschikking tot afwijzing van het verzoek van de RvdKb uit. Naar zijn oordeel zijn de in artikel 1:255, eerste lid, BW genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet, althans onvoldoende, aanwezig. In het bijzonder is, zo overweegt de kinderrechter, niet gebleken dat het gebrek aan contact en omgang tussen de vader en [het kind] een ernstige bedreiging oplevert, te meer nu is aangegeven – en niet betwist – dat het goed gaat met [het kind] .

1.5

De RvdKb is van de beschikking in hoger beroep gegaan bij het hof Den Haag. Na een mondelinge behandeling op 20 april 2016 en na een mislukt gesprek tussen de moeder en de vader geeft het hof op 24 augustus 2016 zijn beschikking. Het hof vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank en stelt [het kind] voor de periode van 24 augustus 2016 tot 24 augustus 2017 onder toezicht van een gecertificeerde instelling. Het hof overweegt daartoe in rov. 12 onder meer: “Het hof is, met de raad, en gelet op voornoemde overweging van de Hoge Raad – [in een uitspraak van 18 maart 2016] - omtrent het belang van het kind om zijn afstemming te kennen met het oog op omgang, van oordeel dat het gezien de identiteitsontwikkeling van de minderjarige in zijn belang noodzakelijk is dat hij wordt voorgelicht over zijn afstamming en dat de minderjarige op termijn in contact wordt gebracht met zijn vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder geenszins voornemens was en is om de minderjarige, thans zes jaar, op dit moment die voorlichting te geven. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een situatie dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Hoewel er bij de minderjarige geen sprake is van kindeigen problematiek geldt dat de omgevingsfactoren, doordat hem de statusvoorlichting wordt onthouden evenals het contact met de vader, naar het oordeel van het hof maken dat een ondertoezichtstelling op dit moment voorshands geïndiceerd is. (….) Verder heeft te gelden dat minder ingrijpende maatregelen zoals het volgen van mediation door de ouders bij een orthopedagoog en het inzetten van professionele hulp in het vrijwillige kader door de moeder categorisch worden geweigerd.”

1.6

Met een verzoekschrift van 24 november 2016 en daarmee tijdig is de moeder in cassatie gekomen van de beschikking van het hof. Van de zijde van de RvdKb is een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Ter inleiding

2.1

Zoals het hof in rov. 10 ook voorop stelt, kan een ondertoezichtstelling slechts worden verleend, indien daarvoor de in artikel 1:255 BW vermelde gronden aanwezig zijn. Die gronden houden, kort samengevat, in:

  1. de betrokken minderjarige groeit zodanig op dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd;

  2. de zorg, noodzakelijk voor het wegnemen van de bedreiging, wordt door de minderjarige en/of de betrokken, met het ouderlijk gezag beklede ouder(s) niet of onvoldoende geaccepteerd;

  3. te verwachten is dat door de betrokken ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige binnen een aanvaardbare termijn kan worden geboden.

Artikel 1:255 BW is sedert 1 januari 2015 van kracht. Onder de zorg noodzakelijk voor het wegnemen van de bedreiging valt ook de maatregel van een ondertoezichtstelling. In rov. 3.4.3 van zijn beschikking d.d. 21 april 2017(3) overweegt de Hoge Raad, dat de invoering van artikel 1:255 BW geen afbreuk doet aan de betekenis van de eerder in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf voor het opleggen van de ‘omgangsondertoezichtstelling’. In verband met die maatstaf citeert de Hoge Raad vervolgens uit zijn beschikking van 13 april 2001(4) onder meer het volgende:

“3.3 Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen.”

2.2

De in de onderdelen 2.1, 2.2 en 2.3 aangevoerde klachten zien op de voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling van een minderjarige geldende eisen (1) dat er sprake dient te zijn van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige en (2) dat ondertoezichtstelling noodzakelijk is aangezien andere middelen ter afwending van de bedreiging falen of waarschijnlijk zullen falen. Omdat de klachten ter zake van deze twee eisen verspreid over meer onderdelen voorkomen, zullen de klachten hierna worden besproken binnen het kader van deze twee eisen.

Klachten ter zake van ‘ernstige bedreiging’

2.3

In subonderdeel 2.1.3 is een in zekere zin prealabele klacht opgenomen. Aan het slot van rov. 12 overweegt het hof dat een taak voor de RvdKb of de gecertificeerde instelling zal zijn om de moeder te laten inzien dat de statusvoorlichting in het belang van [het kind] is. Daarmee geeft het hof, zo wordt betoogd, blijk van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis of bedoeling van de op te leggen ondertoezichtstelling. Die maatregel dient gericht te zijn op het wegnemen van een bedreiging en niet om de moeder te overtuigen van het nut van het geven van statusvoorlichting. Deze klacht mist feitelijke grondslag en strandt om die reden. Uit rov. 12 blijkt onmiskenbaar dat het hof met de opgelegde ondertoezichtstelling het oog heeft op het opheffen van een ernstige bedreiging bij [het kind] . In dat kader kan onder meer een poging worden gedaan om de moeder te overtuigen van het nut van het geven van statusvoorlichting aan [het kind] .

2.4

De klachten over het aannemen door het hof van een ernstige bedreiging bij [het kind] treft men met name aan in de subonderdelen 2.1.2, 2.1.4 en vooral 2.3.1-I. Zij komen hierop neer dat het oordeel van het hof, dat [het kind] ernstig wordt bedreigd in zijn identiteitsontwikkeling doordat zijn moeder hem niet inlicht over wie zijn vader is (‘statusvoorlichting’) als voorbereiding op het effectueren van omgang met zijn vader, blijk geeft van het hanteren van een te lichte maatstaf en verder een voldoende onderbouwing mist. Het aannemen van die bedreiging kan niet reeds worden afgeleid uit het enkele feit dat de betrokken minderjarige opgroeit zonder dat hij weet wie zijn vader is. Tot de aanwezigheid van een ernstige bedreiging kan slechts worden geconcludeerd met inachtneming van de omstandigheden van het concrete geval. Op basis daarvan dient naar het bestaan van een ernstige dreiging een deugdelijk onderzoek te worden verricht door een onafhankelijke deskundige. Niet duidelijk wordt gemaakt waarom [het kind] reeds nu in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door hem geen statusvoorlichting te geven. Niet alleen heeft de moeder die bedreiging betwist, maar ook oordeelt het hof in rov. 12 dat er geen sprake is van ‘kindeigen problematiek’ bij [het kind] , met welk oordeel het hof bedoelt dat het met [het kind] goed gaat. Ook in zijn rapport meldt de RvdKb dat het goed gaat met [het kind] .

2.5

Het hof brengt in rov. 11 de noodzaak van statusvoorlichting aan [het kind] in verband met de wenselijkheid van en het streven naar het tot stand brengen van omgang van [het kind] met de vader. Het hof beoordeelt daarmee de statusvoorlichting in een breder verband. Voor de mogelijkheid van het leggen van dit verband verwijst het hof naar de beschikking d.d. 18 maart 2016 van de Hoge Raad.(5)

2.6

De RvdKb brengt in haar rapport d.d. 29 oktober 2015 naar voren dat zowel de statusvoorlichting over de vader als de omgang met de vader elementen vormen die van belang zijn voor de identiteitsvorming aan de zijde van [het kind] . Om die vorming evenwichtig te doen plaats vinden en ter voorkoming van de kans op onevenwichtige reacties bij [het kind] bij het pas op latere leeftijd in kennis stellen van [het kind] van zijn herkomst en het in contact brengen van hem met zijn vader, is het gewenst dat het geven van statusvoorlichting en het tot stand brengen van contact met de vader in een zo vroeg mogelijk stadium geschieden. Hier neemt de RvdKb, zo valt aan te nemen, in aanmerking wat de ervaring leert. Zo merkt de RvdKb op blz. 10/11 van haar rapport d.d. 29 oktober 2015, na de vermelding dat de moeder aangeeft [het kind] over zijn vader te willen informeren wanneer hij 8 á 9 jaar oud is, op: “De Raad acht deze redenering niet legitiem. Hoe jonger het kind bekend raakt met zijn vader hoe normaler dit voor een kind is. Voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling is het belangrijk te weten van wie men afstamt. De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [het kind] ook op deze leeftijd vragen heeft over vader, daar hij ongetwijfeld in zijn omgeving andere kinderen en hun vaders ziet. De Raad spreekt de zorg uit dat moeder dit vraagstuk niet adequaat beantwoordt.” Verder staat aan de voet van blz. 11 van het rapport nog opgetekend: “ [het kind] groeit nog steeds op met een vader waarvan de afwezigheid door de moeder niet erkend wordt. Hierdoor kan [het kind] geen band opbouwen met zijn vader, wat van belang wordt geacht voor de identiteitsontwikkeling van [het kind] .” Er wordt in dit verband nog gewezen op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2015.(6)

2.7

Op het door de RvdKb in zijn rapport weergegeven belang van tijdige statusvoorlichting aan [het kind] en omgang tussen hem en zijn vader haakt het hof in rov. 12 in. Aldaar overweegt het hof dat het met de RvdKb van oordeel is dat het in het belang van de ontwikkeling van de identiteit bij [het kind] noodzakelijk is dat hij nu al wordt voorgelicht over zijn afstamming en op termijn in contact wordt gebracht met zijn vader. Omdat het hof is gebleken dat de moeder niet van plan is om de zesjarige [het kind] de gewenste voorlichting te geven, concludeert het hof vervolgens in rov. 12 dat er sprake is van een situatie dat [het kind] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig bedreigd wordt. Daaraan doet niet af dat er nu nog geen sprake is van ‘kindeigen problematiek’ bij [het kind] .

2.8

Een en ander komt hierop neer dat het hof de ernstige bedreiging bij [het kind] beoordeelt in het kader van zijn identiteitsontwikkeling. Die identiteitsontwikkeling vormt een groeiproces waarbij zowel de voorlichting over wie zijn (biologische) vader is als de omgang met die vader een belangrijke rol spelen. Om het – op grond van ervaring – aanwezig te achten risico van een ernstige, voor [het kind] schadelijke identiteitscrisis later te vermijden althans sterk te verminderen, is het geboden om met de statusvoorlichting en de omgang in een vroeg stadium, d.w.z. op een zo jong mogelijke leeftijd, een begin te maken. Het komt niet onjuist of onbegrijpelijk voor dat het hof tegen deze achtergrond aanneemt dat [het kind] reeds nu ernstig bedreigd wordt doordat hij niet nu voorgelicht wordt over wie zijn vader is als opstap voor een op termijn te effectueren omgang. Het hof gaat uit van op [het kind] betrekking hebbende omstandigheden. Het hof heeft mogen varen op de voorlichting van de RvdKb. Deze Raad heeft het hof nl. voor ter zake deskundig mogen houden. Krachtens lid 2 van artikel 1:255 BW is onder meer de raad voor de kinderbescherming bevoegd om een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen en heeft deze instelling een organisatie die mede ingericht is voor het doen van onderzoeken met het oog op het indienen van dergelijke verzoeken. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van een ernstige bedreiging bij een minderjarige kunnen ervaringsregels zeker een rol spelen. Het feit dat niet is vastgesteld dat [het kind] nu niet disfunctioneert als gevolg van het ontbreken van kennis over en omgang met zijn vader, brengt niet mee dat er niet gesproken kan worden van de aanwezigheid van een ernstige bedreiging. Die bedreiging bestaat immers in het mogelijk zich ontwikkelen van een ernstig, voor [het kind] schadelijk risico in de toekomst doordat niet nu de stap van statusvoorlichting als voorbereiding op het effectueren van omgang met de vader wordt gezet.

Noodzaak van ondertoezichtstelling

2.9

In de subonderdelen 2.1.1, 2.3.1-II en 2.3.2 zijn klachten opgenomen die ertoe strekken dat het hof heeft miskend dat een ondertoezichtstelling een inbreuk op het ‘family life’ van moeder en [het kind] vormt en derhalve pas mag worden toegepast, wanneer is vastgesteld dat andere middelen om het met de ondertoezichtstelling beoogde doel te bereiken hebben gefaald dan wel naar verwachting zullen falen. In ieder geval heeft het hof zijn oordeel ook op dit punt zijn beschikking niet genoegzaam gemotiveerd. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de moeder heeft aangegeven zelf vrijwillig in 2017 aan [het kind] statusvoorlichting te willen geven en dat zij niet afwijzend tegen een omgangsregeling staat zij het pas wanneer [het kind] 8 jaar is geworden (subonderdeel 2.3.1-II). Met een beroep op de in voetnoot 5 genoemde beschikking d.d. 18 maart 2016 van de Hoge Raad wordt bovendien betoogd dat het hof ook had kunnen volstaan met het opleggen op de moeder van de last om over te gaan tot statusvoorlichting, hetgeen een minder ingrijpende maatregel is (subonderdeel 2.3.2).

2.10

Uit rov. 12 blijkt dat het hof ook onder ogen heeft gezien of minder ingrijpende maatregelen tot opheffing van de ernstige bedreiging bij [het kind] zouden kunnen leiden. Het hof noemt als minder ingrijpende maatregelen het volgen van mediation door de ouders bij een orthopedagoog en het inzetten van professionele hulp in het vrijwillige kader. Het hof stelt vast dat deze maatregelen door de moeder zijn afgewezen. Ook vermeldt het hof dat de moeder niet heeft aangegeven dat zij op termijn onvoorwaardelijk tot het geven van statusvoorlichting bereid is. Zij heeft immers, zo merkt het hof op, ook bij het hof voorwaarden verbonden aan het verlenen van haar medewerking hieraan. Aan een en ander verbindt het hof de slotsom dat de tot nu toe ingezette hulp om de moeder tot andere gedachten te brengen heeft gefaald. Verder ligt in de vaststelling dat de moeder niet onvoorwaardelijke bereid is tot medewerking aan het geven van statusvoorlichting aan [het kind] , besloten dat het hof er niet op heeft willen vertrouwen dat een last tot het geven van statusvoorlichting aan [het kind] als te treffen maatregel zou volstaan. Een en ander betekent dat ook de hiervoor in 2.9 genoemde klachten feitelijke grondslag missen en daarom falen.

Onderdeel 4

2.11

De in onderdeel 4 opgenomen klacht stoelt op de veronderstelling dat een of meer van de klachten in de voorafgaande onderdelen doel treffen. Nu dat niet het geval is, treft ook onderdeel 4 geen doel.

3 Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur- Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . Het rapport van dat onderzoek is als productie 4 bij het beroepschrift in appel in het geding gebracht.

2 . Hiervan blijkt uit de beschikking d.d. 14 januari 2015 van de rechtbank Rotterdam houdende een afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling, welke beschikking is overgelegd als productie 5 bij het beroepschrift in appel. Zie bovendien het rapport d.d. 20 oktober 2015, blz. 3, gehecht aan het inleidend verzoekschrift.

3 . HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:766, NJB 2017, blz. 1034.

4 . HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002, 4.

5 . HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:452, NJ 2015, 210, m.nt. S.F.M. Wortmann. In rov. 5.1.4 overweegt de Hoge Raad onder meer: “Tot de zorg en verantwoordelijkheid van het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’)” en in rov. 5.1.5 onder meer: ”(…) kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degenen met wie het omgang zal hebben zijn vader is.”

6 . Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL2015:8328. Het hof overweegt in rov. 4.4. onder meer: “De weerstand van de moeder tegen de vader heeft ertoe geleid dat zij [de minderjarige] nog niet heeft voorgelicht over wie haar biologische vader is, terwijl dat van groot belang is voor haar identiteitsontwikkeling. [De minderjarige] heeft het recht haar beide ouders te kennen. Het hof wijst in dit verband ook op artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.” en verder nog: “Met de voorlichting dient echter niet te worden gewacht. Op een voor het kind gepaste wijze moet daarmee een begin worden gemaakt, zodat de [minderjarige] zich een beeld kan vormen van de vader en haar identiteitsontwikkeling een vastere bodem krijgt. Wanneer dit niet op tijd gebeurt zal dit schadelijk zijn voor [de minderjarige]. Hoe langer de afstammingsvoorlichting aan de [minderjarige] uitgesteld wordt, des te groter die schade zal zijn.”