Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:549

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16/00242
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1169, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering, art. 359.5 en 359.6 Sv. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00242

Zitting: 6 juni 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 december 2015 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een voorwerp verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden in het licht van art. 359 lid 5 en 6 Sv onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

3.2. Het hof heeft de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 35.000, subsidiair 210 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een aantal beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als die in eerste aanleg door de rechtbank zijn opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een grote hoeveelheid hasj vervoerd. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hasj in zijn woning. Hasj bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. De hoeveelheid hasj was van een zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in hasj worden zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte. De verdachte heeft door zijn handelen de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld. Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij zich hiervan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en zich louter heeft laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin.

De verdachte heeft voorts een huurovereenkomst valselijk opgemaakt en deze overeenkomst vervolgens aan het Landelijk parket doen toezenden teneinde teruggave van een onder hem in beslaggenomen auto te bewerkstelligen. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in dergelijke documenten wordt gesteld ernstig geschonden.

Het hof heeft acht geslagen op een de persoon van de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële documentatie van 5 oktober 2015, waaruit volgt dat de verdachte in het verleden meermalen wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, waarbij hij wegens overtreding van de Opiumwet is veroordeeld tot een geldboete. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een louter voorwaardelijke gevangenisstraf kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan. Het hof ziet gelet op de aard van de delicten en de straffen die hiervoor doorgaans worden opgelegd binnen het ressort, geen aanleiding om naast een gevangenisstraf een geldboete op te leggen.”

3.3. Art. 359 lid 6, eerste volzin, Sv luidt:

"Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid."

3.4. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt dit motiveringsvoorschrift zo ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.1 De oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf acht de Hoge Raad dan ook onvoldoende gemotiveerd in het licht van art. 359 lid 6 Sv wanneer de feitenrechter – voor zover van belang – overweegt dat hij “al het vorenstaande overwegende, oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden acht”2 dan wel dat hij “gelet op het hiervoor overwogene, anders dan de verdediging, toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet passend acht”3.

3.5. Het hof heeft met zijn hiervoor onder 3.2 weergegeven overweging, in het bijzonder voor zover inhoudende “dat het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht” en dat “met een louter voorwaardelijke gevangenisstraf gelet op het voorgaande niet kan worden volstaan”, welke sanctieoplegging het hof heeft verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen, uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te dezen passend en geboden is. Het hof heeft aldus in overeenstemming met art. 359 lid 6 in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald.4

3.6. Voor zover het middel klaagt over schending van art. 359 lid 6 Sv faalt het dus. Dat geldt ook voor zover het middel klaagt over schending van art. 359 lid 5 Sv. Gelet op de vrijheid die het hof bij de straftoemeting toekomt, kan, anders dan de steller van het middel meent, aan de begrijpelijkheid van de strafoplegging niet afdoen “dat de zaak ruim 4,5 jaar oud was, de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf had opgelegd en dat het openbaar ministerie zulks niet had geëist”. Dat het hof, anders dan de rechtbank, niet koos voor een zeer hoge geldboete in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wekt te minder verbazing nu de raadsman van de verdachte in zijn pleidooi aanvoerde: “Cliënt ontbeert de financiële middelen om een geldboete van € 35.000 te betalen, dus ik verzoek u hiervan af te zien”. Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt soms het lid op de neus.

3.7. Het middel is klaarblijkelijk ongegrond, zodat het geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Dat betekent dat het ingestelde beroep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Deze conclusie strekt daartoe.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.

2 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202.

3 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193.

4 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.