Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:545

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-05-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16/01906
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1165, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Verzuim aftrek uitleveringsdetentie, art. 1:62.1 SrC. Het middel klaagt op zichzelf terecht dat het Hof heeft verzuimd m.b.t. de in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd toepassing te geven aan art. 1:62.1 SrC. Hetgeen is overwogen in ECLI:NL:HR:2013:BZ4478 m.b.t. het bestaan van onvoldoende in rechte te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak in geval van het verzuim toepassing te geven aan art. 27.1 Sr is hier op overeenkomstige wijze van toepassing. Dat brengt mee dat het middel vruchteloos is voorgesteld. CAG bepleit dat de HR i.c. zelf beveelt dat de in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01906 A

Zitting: 23 mei 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 april 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens “medeplegen van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In het eerste middel wordt gesteld dat het hof het bewijs voor het aan de verdachte tenlastegelegde medeplegen van moord heeft aangenomen op verklaringen die afkomstig zijn uit één en dezelfde bron en daarbij ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen door de verdediging in dit verband als verweer is aangevoerd.

3.1. Ten laste van de verdachte is onder ‘primair’ bewezen verklaard:

“dat hij op 27 januari 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte en zijn mededader toen en aldaar opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op voornoemde [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen en letsels heeft bekomen en die [slachtoffer] aan die letsels en verwondingen is overleden.”

3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:1

“1. pagina’s 125 -142 van de bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal genaamd eindonderzoek ‘No Limit’, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 8 december 2013.

Proces-verbaal van de Technische Recherche Curaçao, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 2 september 2013 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier bij het Korps politie Curaçao en technisch rechercheur bij het Bureau Technische Recherche, voor zover inhoudende als de verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 27 januari 2013 werden wij gedirigeerd naar de Caracasbaai te Curaçao waar een schietpartij zou hebben plaatsgevonden. Daar aangekomen troffen wij het levenloze lichaam van een man aan. De man vertoonde schotverwondingen. Door dr. A.H.E. Maduro werd de dood geconstateerd. Het slachtoffer bleek in leven te zijn genaamd [slachtoffer] . Op 29 januari 2013 werd door patholoog-anatoom Van Raalte gerechtelijke sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Uit het lichaam werden vijf koperen projectielen van het kaliber 9 mm verwijderd en in beslag genomen.

2. overgelegd ter terechtzitting van 5 augustus 2015:

Een geschrift van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V., te weten een door patholoog J.A. van Raalte opgemaakt digitaal geautoriseerd verslag van het obductieonderzoek d.d. 29 januari 2013 van [slachtoffer] , inhoudende, kort samengevat en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] is op 27 januari 2013 overleden aan de gevolgen van 8 schotwonden. De dood is ingetreden door verbloeding.

3. pagina’s 030-037 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 201505112045, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 2] , in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 17 maart 2014 door, [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , respectievelijk brigadiers en hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

Het vuurwapen waarmee [slachtoffer] is vermoord is van [verdachte] . Ik heb met [verdachte] besproken dat er 75.000 gulden op het hoofd stond van [slachtoffer] .

4. pagina’s 001 - 005 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 201505112045, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van getuigenverhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 6 september 2013 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Ik heb de navolgende voice-notes van [betrokkene 2] ontvangen:

[betrokkene 4] , ik heb zonet een ping van [betrokkene 5] en [betrokkene 3] (Het Hof begrijpt uit de context van het dossier dat met [betrokkene 3] wordt bedoeld: [betrokkene 3] ) gekregen.

Ze zagen dat [slachtoffer] (het Hof begrijpt: [slachtoffer] ) in de richting van Caracasbaai ging.

[betrokkene 3] heeft [verdachte] verzocht mij naar Caracasbaai te brengen.

[betrokkene 7] gaat mij bij de woning van [verdachte] brengen.

Ik ben op weg met [verdachte] naar Caracasbaai.

We zijn bij Caracasbaai. De boot van [slachtoffer] is al vertrokken.

We moeten op hem wachten.

[verdachte] belde mij net dat hij een boot zag komen.

[betrokkene 4] het is hem, het is hem.

Na 15 a 20 minuten stuurde [betrokkene 2] de volgende voice-notes:

[betrokkene 4] , bingo, het is klaar.

Kijk op het nieuws.

Met de woorden ‘kijk op het nieuws’ bedoelde [betrokkene 2] dat ik over de moord van [slachtoffer] op het nieuws zou horen. [betrokkene 2] vertelde me later dat hij bij Caracasbaai een vuurwapen van [verdachte] heeft gekregen. Drie a vier dagen na de moord ben ik met [betrokkene 2] naar de Caracasbaai gegaan en hij wees mij aan hoe alles was gegaan, ook waar [verdachte] met de pick-up stond bij de rotonde.

5. pagina’s 109-117 van de bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal genaamd eindonderzoek ‘No Limit’, opgemaakt en gesloten op 8 december 2013.

Proces-verbaal van bevinding, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 28 oktober 2013 door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, inhoudende als verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] heeft op 13 september 2013 een geheugenkaart aan leden van het onderzoeksteam in het onderzoek Magnus (het Hof begrijpt: het onderzoek naar de moord op [betrokkene 6] ) overhandigd. Zij verklaarde dat er op de geheugenkaart een aantal voice-notes waren opgeslagen die [betrokkene 2] haar had gestuurd. De geheugenkaart werd in beslag genomen en de voice-notes werden beluisterd.

Inhoud van voice-note nummer f0005829 :

‘Weet je wat [verdachte] zonet tegen mij heeft gezegd? Als er geen geld was zou [verdachte] niet eens met mij zijn gegaan en hij zou mij ook niet hebben laten gaan. Ik heb eerst zestig gehoord. Nu zegt [verdachte] tegen mij dat er vijfenzeventig staat op het hoofd van die ding. [betrokkene 3] heeft mij ook gezegd om rustig te blijven, want ik word sowieso uitbetaald, want [verdachte] en ik moeten het geld delen. Dit omdat [verdachte] mijn chauffeur was en ik degene was die uitstapte en het werk verrichtte.’

6. pagina’s 64-66 van de bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal genaamd eindonderzoek ‘No Limit’, opgemaakt en gesloten op 8 december 2013.

Proces-verbaal van getuigenverhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 16 september 2013 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

U speelt voice-note nummer f0005829 voor mij af, welke is aangetroffen op de geheugenkaart die ik heb afgegeven. Ik herken de stem van de man als de stem van [betrokkene 2] . Met ‘ [betrokkene 2] ’ bedoel ik [betrokkene 2] . De voice-note werd door hem naar mij verstuurd na de liquidatie van [slachtoffer] bij Caracasbaai. Hij vertelde mij dat [verdachte] als chauffeur was opgetreden, terwijl hij uit de auto stapte om de liquidatie te verrichten.

7. pagina’s 013 - 017 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 201505112045, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van verhoor, met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 10 februari 2014 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 7] , zakelijk weergegeven:

[betrokkene 2] heeft tegen mij gezegd dat hij degene is geweest die [slachtoffer] bij de Caracasbaai had doodgeschoten. Hij heeft mij dat verteld nadat hij het feit had gepleegd. Hij heeft voor de moord geld van [betrokkene 3] gekregen. Hij moest dat geld met [verdachte] delen, want [verdachte] was als chauffeur opgetreden. Het vuurwapen dat hij gebruikt had is van [verdachte] . [betrokkene 3] had [betrokkene 2] gemeld dat hij [slachtoffer] bij Caracasbaai had gezien.

U speelt voice-note nummer f0005892 voor mij af. Ik herken de mannenstem als die van mijn echtgenoot [betrokkene 2] . Het klopt wat hij zegt. Ik heb jullie zojuist verteld dat hij 75.000 voor die moord had gekregen, dat hij het geld met [verdachte] moest delen omdat [verdachte] als chauffeur voor hem was opgetreden.

8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 5 augustus 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik word [verdachte] genoemd. Van juli 2012 tot april 2013 verbleef ik op Curaçao.

9. pagina’s 001 - 005 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 20150511203545, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van getuigenverhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 6 september 2013 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

VV: Wie is [verdachte] ?

AG: [verdachte] is een jongen die ik eerder dagelijks met [betrokkene 3] heb gezien. [verdachte] spreekt Engels. Daarna heb ik hem ook enkele keren met [betrokkene 8] (Het Hof begrijpt uit de context van het dossier: [betrokkene 8] ) gezien. [verdachte] is donker van huidskleur, klein van gestalte, kortgeknipte kroesharen, grote ogen en normaal van postuur. Hij verblijft bij een appartementencomplex in dezelfde straat van het restaurant [A] .

10. pagina’s 083 - 086 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 20150511203545, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van (bevindingen bij) meerkeuze confrontatiegetuigenverhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 2 mei 2015 door [verbalisant 10] , [verbalisant 6] , beiden rechercheur bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Met de getuige [betrokkene 9] werd een meerkeuze fotoconfrontatie gehouden: Hij wees zonder aarzelen de man op foto nummer drie aan. Hierbij verklaren wij dat op bedoelde fotoconfrontatie sheet B, onder nummer drie, een foto is afgebeeld van:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987. Gedurende de fotoconfrontatie vertelde de getuige dat hij op aanwijzing van deze Engels sprekende man naar een flatgebouw op de weg leidend naar [A] restaurant moest, omdat een gehuurde auto niet wilde starten. Hij heeft deze man verschillende keren in door hem verhuurde auto’s zien rijden. Ambtshalve is ons bekend dat het appartementencomplex [a-straat 1] op [...] betreft. De eigenares is [betrokkene 12] .

11. pagina’s 088 - 089 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 20150511203545, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van verhoor, met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 11 juni 2013 door [verbalisant 4] en [verbalisant 11] , beiden rechercheur bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 10] , zakelijk weergegeven:

V: Wat kunt u vertellen over een Engels sprekende man, welke in uw appartementencomplex heeft verbleven.

A: het was een bruine man, ongeveer 1.70 mtr. Deze Engels sprekende man was met [betrokkene 8] . [betrokkene 8] had voor hem ingeschreven. De Engels sprekende man heeft bij [betrokkene 8] verbleven.

12. pagina’s 083 - 086 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 20150511203545, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van verhoor, met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 30 september 2013 door [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 11] , zakelijk weergegeven:

W: Kun jij [verdachte] beschrijven?

AG: [verdachte] is een Engels sprekende man, donkere huidskleur, kroeshaar en volgens mij komt [verdachte] van [geboorteplaats]

13. pagina’s 123 - 132 van het overkoepelend proces-verbaal inzake verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 20150511203545, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 mei 2015.

Proces-verbaal van (bevinding) bij fotoconfrontatie, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 25 april 2015, door [verbalisant 9] en [verbalisant 8] , beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als de verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 13] verklaarde dat:

- [verdachte] een vriend was van [betrokkene 8] (Het Hof begrijpt: [betrokkene 8] );

- [verdachte] [betrokkene 8] vaak kwam opzoeken;

- [verdachte] zelf auto’s bestuurde;

[verdachte] ook zeer goed bevriend was met [betrokkene 3] en [betrokkene 14] .

Naar aanleiding van het bovenstaande hebben wij met de getuige [betrokkene 13] een fotoconfrontatie gedaan. Zij verklaart het volgende: ‘De man die ik onder de bijnaam ‘ [verdachte] ’ ken, staat afgebeeld onder nummer negen. Ik zag hem vaak genoeg [betrokkene 8] komen ophalen, dus ik weet zeker dat hij het is.’

Wij verklaren dat onder foto nummer 9 de man [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , staat afgebeeld.”

3.3. De bestreden uitspraak bevat voorts de volgende – voor de beoordeling van het middel van belang zijnde – nadere bewijsoverwegingen:

“De verdediging heeft betoogd dat alle belastende verklaringen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit één bron, de medeverdachte [betrokkene 2] , zodat op grond van de “unus testis” regel niet voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum en vrijspraak dient te volgen. Indien het Hof meent dat wel aan dit minimum is voldaan, moeten de belastende verklaringen van het bewijs worden uitgesloten, aangezien [betrokkene 2] later heeft verklaard dat hij in eerste instantie niet de waarheid heeft verteld.

Het Hof overweegt als volgt. Volgens het derde lid van art. 385 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De medeverdachte [betrokkene 2] heeft op en rond het tijdstip van de moord op [slachtoffer] via voice-notes gedetailleerd verslag gedaan over de gang van zaken aan de getuige [betrokkene 1] . Hij verklaart daarin dat “ [verdachte] ” samen met hem naar de Caracasbaai is gereden om op [slachtoffer] te wachten, dat “ [verdachte] ” voor het wapen heeft gezorgd, dat “ [verdachte] ” hem heeft gewaarschuwd op het moment dat [slachtoffer] aankwam en dat hijzelf de schutter was. Deze verklaring vindt steun in bewijsmiddelen waaruit volgt dat het slachtoffer op de door [betrokkene 2] vermelde plaats met een vuurwapen om het leven is gebracht. Het Hof acht op grond van het bovenstaande voldoende (steun)bewijs aanwezig, zodat aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan.

De omstandigheid dat [betrokkene 2] later heeft verklaard dat hij in zijn eerdere verklaringen niet de waarheid heeft verteld, maakt op zichzelf niet dat de bedoelde eerdere verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het Hof acht de belastende verklaringen van [betrokkene 2] ook overtuigend. In dat verband weegt mee dat de voice-notes op en rond het tijdstip van de moord zijn verzonden, dat zij gedetailleerd zijn en dat [betrokkene 2] kort daarna tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] zijn verhaal heeft gehandhaafd en aangevuld met meer details, onder meer betreffende de kleding die hij droeg, de plaats waar [slachtoffer] precies vermoord is, de hoogte van de beloning en het feit dat hij deze met “ [verdachte] ” zou moeten delen. Dat [betrokkene 2] later verschillende andere versies van het gebeurde naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders.

De verdediging heeft voorts betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in het dossier genoemde “ [verdachte] ” is. De verdachte heeft zijn verklaring bij het Gerecht in eerste aanleg, dat hij “ [verdachte] ” wordt genoemd, gewijzigd. Dit verweer slaagt niet omdat het zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen.”

3.4. In de toelichting op het middel wordt de toepassing van de unus testis-regel, welke regel is vastgelegd in art. 385 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC) en het daarmee corresponderende art. 342 lid 2 Sv, onder 1.13 van de schriftuur juist weergegeven. Het komt erop neer dat op grond van deze bepaling het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige c.q. verklaringen die oorspronkelijk afkomstig zijn van één en dezelfde getuige. Deze bepaling betreft echter de tenlastelegging in haar geheel en geldt niet voor bepaalde onderdelen daarvan. De vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is, kan slechts van geval tot geval worden beoordeeld. Voor de toets in cassatie kan verder van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel daaromtrent nader heeft gemotiveerd.2

3.5. Het middel richt zich vooral op de vraag of het oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal begrijpelijk is. In dat verband kan aan bovengemelde uitgangspunten nog worden toegevoegd dat de unus testis-regel zo wordt uitgelegd, dat hieraan is voldaan als er naast een getuigenverklaring nog een ander zelfstandig bewijsmiddel voor het bewijs wordt gebruikt, waarbij de inhoud van dat andere bewijsmiddel niet de verklaring van de getuige hoeft te bevestigen.3 Kortom, zodra de bewijsvoering naast een getuigenverklaring waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan nog een ander wettig bewijsmiddel uit andere bron – steunbewijs – bevat, bijvoorbeeld een aangifte of forensisch bewijs dat het strafbare feit daadwerkelijk is begaan, dan is in beginsel voldaan aan het bewijsminimum van art. 385 lid 3 SvC.

3.6. Naar aanleiding van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweer van de verdediging is het hof in zijn bewijsmotivering nader ingegaan op zowel het unus testis-aspect van de onderhavige zaak als de specifieke bewijswaarde van de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 2] in het licht van de overige gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij heeft het hof overwogen dat de in de bewijsmiddelen 4, 5, 6 en 7 genoemde voice notes van [betrokkene 2] een gedetailleerd verslag van de gang van zaken rond de moord op het slachtoffer en de rol van de verdachte daarbij bevatten en dat de inhoud van dit verslag wordt ondersteund door (i) de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van verbalisanten over de plaats waar en de toestand waarin het slachtoffer na de moord is aangetroffen en (ii) het als bewijsmiddel 2 gebezigde onderzoeksverslag over de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen. Deze overwegingen van het hof, die in de toelichting op het middel overigens in het geheel niet besproken worden, zijn niet onbegrijpelijk en als motivering van de verwerping van het door de verdediging gevoerde unus testis-verweer toereikend.

3.7. Verder is van belang dat de bewijsminimumregel van art. 385 lid 3 SvC niet impliceert dat de verklaring van een tweede getuige die inhoudelijk gezien tot de verklaring van een eerste getuige valt te herleiden de bewijswaarde van de verklaring van de eerste getuige niet kan versterken. Het hof heeft bij zijn beoordeling van de bewijswaarde van de voice notes van [betrokkene 2] dan ook zonder meer als relevante omstandigheid kunnen betrekken dat [betrokkene 2] zijn verklaring over zijn eigen betrokkenheid bij de moord op het slachtoffer en over de rol van de verdachte kort na de moord nog eens tegenover de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] heeft herhaald (zie de bewijsmiddelen 4 en 7). Al met al heeft het hof in het bestreden arrest voldoende duidelijk gemaakt waarom in deze zaak naar zijn oordeel aan de verklaringen van [betrokkene 2] grote bewijswaarde toekomt. Voor zover door de steller van het middel wordt betoogd dat het hof in zijn motivering te weinig gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat [betrokkene 2] en [betrokkene 7] hun voor het bewijs gebruikte verklaringen later hebben ingetrokken en de verdediging [betrokkene 1] niet over haar verklaringen heeft kunnen horen, stuit het middel af op de vrijheid van de feitenrechter in de selectie en waardering van de bewijsmiddelen.

3.8. Het eerste middel faalt.

3.9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet op de voet van art. 31, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Curaçao (hierna: SrC) heeft bevolen dat de tijd die de verdachte in het kader van de onderhavige zaak in het buitenland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering wordt gebracht, althans dat het hof heeft nagelaten in zijn arrest bepaaldelijk te motiveren waarom het is afgeweken van een in dit verband door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

3.10. De pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2015 houdt – voor zover voor hier van belang – het volgende in:

“Uitlevering

36. Wat in het gehele dossier mist is het feit dat cliënt vanaf juni 2014 tot april 2015 al in hechtenis heeft gezeten in Amerika in afwachting van zijn uitlevering. Uiteindelijk is hij op 13 april 2015 uitgeleverd aan Curaçao. Het feit dat al deze uitleveringsstukken missen in het dossier is een grove schending van het equality of arms beginsel. Zeker nu de wet bepaald dat de tijd die reeds is uitgezeten in afwachting van de uitlevering dient te worden afgetrokken van de op te leggen straf. Dit blijkt uit artikel 31, lid 1 van het wetboek van strafrecht. Hier heeft het Gerecht in Eerste Aanleg dan ook geen rekening mee gehouden. Terwijl ook uit de jurisprudentie blijkt dat dit wel moet.

Conclusie

37. (…) Indien Uw Hof zou menen dat er wel tot een bewezenverklaring zou kunnen worden gekomen, verzoekt de verdediging Uw Hof om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de tijd die cliënt reeds heeft uitgezeten in Amerika in afwachting van zijn uitlevering en de tijd die hij reeds op Curaçao in voorarrest heeft doorgebracht.”

3.11. Voor de beoordeling van het middel is daarnaast nog de volgende ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2016 afgelegde verklaring van de verdachte zelf relevant (zie p. 2-3 van het proces-verbaal van de genoemde terechtzitting):

“Ik ben heel lang gedetineerd geweest in de Verenigde Staten op basis van de beschuldigingen in deze zaak. Ik heb tien maanden zitten wachten op mijn uitlevering. Ik ben uitgeleverd zonder advocaat, dat kan toch niet kloppen.”

3.12. In het bestreden arrest heeft het hof aan de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren opgelegd en daarbij bepaald dat de tijd die de verdachte in de onderhavige zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van deze straf in mindering moet worden gebracht. Het hof is in zijn arrest niet nader ingegaan op de stelling van de verdediging dat de verdachte in het kader van de onderhavige strafzaak in de Verenigde Staten in uitleveringsdetentie heeft gezeten en op het verzoek van de raadsvrouw om bij een eventuele strafoplegging te bepalen dat ook de door de verdachte in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd van de straf moet worden afgetrokken.

3.13. Op grond van het met art. 27, eerste lid, Sr corresponderende art. 31, eerste lid, SrC dient de rechter in zijn uitspraak te bepalen dat de tijd die door een veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de betreffende uitspraak ingevolge een uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie is doorgebracht bij de uitvoering van een opgelegde straf in mindering wordt gebracht. In zijn arresten van 11 september 20124 en 19 maart 20135 heeft de Hoge Raad evenwel overwogen dat het verzuim om toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr behoort tot de verzuimen die voor de invoering van art. 80a RO grond vormden voor vernietiging van de bestreden uitspraak doch nadien niet meer tot cassatie nopen, aangezien dit verzuim als ‘onmiddellijk kenbare fout’ overeenkomstig het bepaalde in HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012/248 en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490 eenvoudig kan worden gepareerd met een herstelarrest en het sowieso op de weg van een redelijk handelend openbaar ministerie ligt om ingeval van een ‘evidente vergissing’ van de rechter wat betreft de toepassing van art. 27, eerste lid, Sr de in voorarrest doorgebrachte tijd van de opgelegde straf af te trekken.6

3.14. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat het hof naar aanleiding van de stelling van de verdediging dat ook de door de verdachte in de VS ondergane uitleveringsdetentie in mindering dient te worden gebracht, enig nader onderzoek heeft uitgevoerd. Duidelijk is wel dat het hof aan het verzoek van de verdediging geen gevolg heeft gegeven. Is hier nu sprake van een evidente vergissing?

3.15. In het dossier dat door de Hoge Raad is ontvangen bevinden zich wel enige stukken met betrekking tot de uitlevering van de verdachte, zodat de ter terechtzitting van het hof naar voren gebrachte stelling van de raadsvrouw dat er zich in “het gehele dossier” geen uitleveringsstukken bevinden afgaand op de huidige inhoud van het dossier niet helemaal klopt. Onder de stukken in het dossier van de Hoge Raad bevindt zich een ‘Proces-verbaal van bevinding ‘No Limit’’ van 21 april 2015, dat als verklaring van verbalisant [verbalisant 9] onder meer het volgende inhoudt:

“”Op maandag 13 april 2015 werd de man [verdachte] onder begeleiding van de U.S. Marshals vanuit de Verenigde Staten naar Curaçao overgebracht. De man [verdachte] wordt verdacht van de volgende feiten: “moord cq doodslag cq medeplichtigheid aan moord cq medeplichtigheid aan doodslag en overtreding van de vuurwapen verordening.”

(…)

De U.S. Marshals hebben de navolgende documenten (Case 2:14-mj-00069-DM) overhandigd bij de uitlevering van [verdachte] :

 United States District Court for the Eastern District of Louisiana (in the matter of the extradition of [verdachte] (11 pagina’s));

 Department of State document (2 pagina’s);

 Brief voor Deputy U.S. Marshal [...] ;

 Kopie paspoort [verdachte] .”

3.16. Aan het ‘Proces-verbaal van bevinding ‘No Limit’’ zijn de daarin vermelde – bij de uitlevering van de verdachte door ‘U.S. Marshals’ overhandigde – documenten in kopie gehecht. Deze documenten betreffen onder meer een door de officier van justitie in Curaçao afgegeven ‘Warrant for Arrest’ met betrekking tot de verdachte van 2 april 2014 en een door het Curaçaose openbaar ministerie aan de Amerikaanse autoriteiten gerichte ‘Request for Provisional Arrest’ van 5 mei 2014. Daarnaast zit bij deze documenten een op 6 mei 2014 tegenover de ‘Honorable Sally Shushan, U.S. Magistrate Judge’ afgelegde ‘Criminal complaint’ van ‘Carter K.D. Guice Jr., Assistant U.S. Attorney’ met een daarbij behorende ‘Affidavit in support of complaint for provisional arrest with a view towards extradition (18 U.S.C. §3184)’. Hoewel op basis van de inhoud van deze (kopieën van) uitleveringsstukken niet kan worden vastgesteld hoe lang de verdachte in het kader van de onderhavige zaak precies in uitleveringsdetentie heeft gezeten,7 kan er hier gelet op diezelfde inhoud wel van worden uitgegaan dat de verdachte in de Verenigde Staten in ieder geval enige tijd in uitleveringsdetentie doorgebracht heeft.

3.17. Aangezien de Hoge Raad sinds de invoering van art. 80a RO in zaken waarin de feitenrechter heeft nagelaten art. 27, eerste lid, Sr c.q. art. 31, eerste lid, SrC toe te passen in beginsel niet tot cassatie overgaat en de uitleveringsstukken ten aanzien waarvan de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep de afwezigheid in het dossier heeft opgemerkt zich thans voor een deel wel tussen de stukken bevinden, ligt het voor de hand het voorgestelde middel in lijn met de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad af te doen met de overweging dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij dit middel heeft. De reden dat ik hier toch aarzel deze lijn te volgen is, dat in de onderhavige procedure niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep is nagelaten met betrekking tot de uitleveringsdetentie art. 31, eerste lid, SrC toe te passen en van de zijde van het hof of het openbaar ministerie ook geen enkele kenbare reactie is gekomen op de uitdrukkelijke stelling van de raadsvrouw dat de uitleveringsstukken niet in het dossier zaten. Ik vraag mij af of het onder deze omstandigheden redelijk is van de verdachte te vergen dat hij nu weer het nodige onderneemt om van hetzelfde hof of openbaar ministerie dat eerder niet erg adequaat heeft gehandeld een herstelarrest c.q. aftrek van de in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd te krijgen. Zonder te willen suggereren dat het hof of openbaar ministerie wat betreft het bepaalde in art. 31, eerste lid, Sr op enige wijze moedwillig aan de belangen van de verdachte voorbij is gegaan, is hier toch ook geen sprake van een situatie waarin het nalaten art. 31, eerste lid, Sr toe te passen enkel het gevolg is van de ‘onmiddellijk kenbare fout’ of ‘evidente vergissing’ waarop HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478 het oog heeft.

3.18. De vraag is wat nu de oplossing is die het meest recht doet aan het onderhavige geval en die bovendien het meest praktisch is. Zoals gezegd voel ik niet voor de optie dat het middel wordt afgedaan met de overweging dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij het middel heeft omdat hij zich voor een herstelarrest naar het hof kan wenden of anders zelf bij het openbaar ministerie gedaan kan krijgen dat bij de uitvoering van zijn straf aftrek van de in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd plaatsvindt. Ik zie er ook niet veel in om aan te knopen bij de in het middel betrokken stelling dat het hof in zijn arrest ten onrechte niet heeft gerespondeerd op hetgeen de verdediging in verband met de afwezigheid van de uitleveringsstukken in het dossier en de toepassing van art. 31, eerste lid, SrC als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft aangevoerd. Ik betwijfel of hetgeen de raadsvrouw in dit verband heeft aangevoerd wel als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden beschouwd. Het gaat eerder om een verzoek om toevoeging van stukken en om toepassing van de aftrekbepaling, waartoe het hof sowieso verplicht was.

Op basis van de stukken die zich thans in het dossier bevinden kan worden aangenomen dat de verdachte in het kader van deze strafzaak inderdaad in uitleveringsdetentie heeft gezeten en daarom meen ik dat de zaak door de Hoge Raad zelf kan worden afgedaan. Ik bepleit in deze zaak dan ook de weg van de jurisprudentie van de Hoge Raad van vóór de invoering van art. 80a RO8 te volgen, met dien verstande dat de Hoge Raad doet wat het hof had behoren te doen en zelf alsnog beveelt dat de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf bij de uitvoering wordt verminderd met de door de verdachte in het buitenland in uitleveringsdetentie doorgebracht tijd. Voor zover de 80a RO-jurisprudentie van de Hoge Raad daarvoor nog ruimte laat, geniet deze optie mijn voorkeur.

3.19. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Met het derde middel wordt geklaagd over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.

4.1. Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken is namens de verdachte op 5 april 2016 beroep in cassatie ingesteld, terwijl de stukken van het geding pas op 9 november 2016 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. De in casu toepasselijke inzendtermijn van zes maanden is derhalve met bijna twee maanden overschreden, hetgeen niet meer door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep kan worden gecompenseerd. Dit dient tot strafvermindering te leiden.

5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel en het derde middel zijn terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij het opleggen van de gevangenisstraf is verzuimd ten aanzien van de uitleveringsdetentie art. 31, eerste lid, SrC toe te passen.

Voorts strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad (i) de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen in de mate die hem gepast voorkomt en (ii) zal bevelen dat op de opgelegde gevangenisstraf naast de reeds in mindering gebrachte tijd wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ook de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest in het buitenland in detentie heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waar in de bewijsmiddelen over een persoon met de naam ‘ [verdachte] ’ wordt gesproken gaat het om de verdachte. Zie in verband met de identificatie van de verdachte als ‘ [verdachte] ’ de inhoud van de bewijsmiddelen 8 en 13.

2 Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328, m.nt. Rozemond, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052, HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2685, HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279, m.nt. Reijntjes, HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440, NJ 2010/513, m.nt. Borgers, HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5597; HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496, m.nt. Borgers en HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704, NJ 2009/495, m.nt. Borgers.

3 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496, m.nt. Borgers en HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704, NJ 2009/495 m.nt. M.J. Borgers.

4 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244, m.nt. Bleichrodt.

5 HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt.

6 Zie in verband met de mogelijkheid van het wijzen van herstelarresten met name HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490, m.nt. Borgers en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Knigge (ECLI:NL:PHR:2012:BW1478).

7 Terzijde zij opgemerkt dat door de raadsvrouw van de verdachte bij gelegenheid van de voorgeleiding van de verdachte aan de rechter-commissaris is opgemerkt dat de verdachte in de Verenigde Staten vanaf 9 juni 2014 – dat wil zeggen: vier dagen na de Amerikaanse ‘Criminal Complaint’ van 5 juni 2014 – heeft vastgezeten (zie het proces-verbaal van de betreffende voorgeleiding van 15 april 2016). Nu de verdachte op 13 april 2015 vanuit de Verenigde Staten naar Curaçao is overgebracht, zou de uitleveringsdetentie van de verdachte dus ruim tien maanden moeten hebben geduurd.

8 Zie bijv. HR 16 maart 2010, ECLI:N:HR:2010:BL0612 en HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9198.