Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16/01022
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1162, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling door met een mes te zwaaien, waarbij verdachte een ander in het bovenlichaam heeft geraakt. Verdachte wordt slapend in de door hem gehuurde bovenwoning geconfronteerd met hoofdbewoner die hem d.m.v. (bedreiging met) geweld uit de woning wil zetten. Beroep op noodweer, proportionaliteitseis. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. de beoordeling van de proportionaliteit bij noodweer. Het Hof heeft de vraag centraal gesteld "of de verdedigingshandeling - het maken van een zwaaiende beweging met een mes dichtbij het bovenlichaam van X - voldoet aan de eisen van proportionaliteit" en geoordeeld dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat deze handeling niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (het enkel stevig beetgehouden worden door X). Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen in voornoemd arrest is vooropgesteld, niet z.m. begrijpelijk. Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het Hof in zijn beoordeling kennelijk alleen heeft betrokken de wederrechtelijke aanranding van verdachte v.zv. deze bestond uit het buiten onderaan de trap stevig beethouden van verdachte door X, terwijl het Hof tevens heeft vastgesteld dat daaraan voorafgaand X de beneden deur van de woning van verdachte heeft geforceerd terwijl verdachte in zijn bovenwoning lag te slapen en in de bovenwoning verdachte tegen het dressoir heeft gesmeten en verdachte vervolgens mee naar beneden moest en door X, die hem stevig bij zijn shirt beet hield, mee de trap af is getrokken. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:2867.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01022

Zitting: 6 juni 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 september 2015, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan1 – de verdachte bij arrest van 17 februari 2016 wegens “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

3 Bewezenverklaring, gevoerde verweren en beslissingen daarop

3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 19 maart 2012 te ’s Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes dichtbij het bovenlichaam van [betrokkene 1] heeft gezwaaid en daarbij [betrokkene 1] met dat mes heeft geraakt in diens bovenlichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 februari 2016 heeft de raadsman van de verdachte het volgende aangevoerd:

“3. (…) De verdediging doet primair een beroep op noodweer, subsidiair een beroep op noodweerexces, meest subsidiair een beroep op putatief noodweer.

Noodweer

4. Er is sprake van een wederrechtelijke aanranding in de woning en daarna opnieuw op de trap. Er was sprake van een situatie waarin hij zich mocht verdedigen. Ik denk ook niet dat daar discussie over zal zijn.

5. De vraag die uw Hof vervolgens in eerste instantie ontkennend heeft beantwoord is: was de verdediging ook proportioneel? Er is geoordeeld dat cliënt de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte.

6. De A-G heeft in zijn conclusie gesteld dat de redenatie onjuist is. Er moet namelijk volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden vastgesteld of - het zich verdedigen met een mes als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

7. Dat doet het hier niet. Belangrijkste getuigenverklaring is de verklaring van getuige [getuige 1] op dit punt. Overigens vindt de verklaring van cliënt geheel steun in de verklaring van die [getuige 1] , waardoor ook kan worden uitgegaan van de verklaring van cliënt.

8. Ik ga dan ook uit van de verklaring van cliënt en de verklaring van [getuige 1] . Ook getuige [getuige 2] verklaart dat de oudere man bleef graaien naar de jongen. Hij maakte ook slaande bewegingen richting het lichaam van die jongen.

9. Uitgaande van deze verklaringen blijkt dat cliënt alles heeft gedaan wat mogelijk is om zich los te rukken. Zelfs op het moment dat hij het mes in zijn handen had en hier in feite mee dreigde, is hij niet onmiddellijk gaan zwaaien, maar heeft hij zich nog met het mes in de hand proberen los te rukken. Kennelijk was dit voor aangever nog steeds geen reden om cliënt los te laten. Uiteindelijk heeft hij als laatste redmiddel, als ultimum remedium, met het mes een afwerende beweging gemaakt om afstand te creëren. Hij heeft geen moment een stekende beweging gemaakt. Dit is ook bij één beweging gebleven ter noodzakelijke verdediging. Daarna heeft hij meteen de benen genomen, toen de aanval was afgewend. Hij kon niet anders en de verdediging is dan ook proportioneel en subsidiair te noemen.

10. De verdediging met een mes staat dan zeker niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Zeker ook gelet op het feit dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm ook puur gericht was op de verdediging, nu de getuige [getuige 1] dit zo verklaart. [getuige 1] verklaart niets over dat hij het zo vreemd en overdreven vond dat cliënt een mes pakte. Mocht u menen dat de wijze van verdediging in onredelijke verhouding staat [tot] de ernst van de aanranding (waarbij u ook het aspect van het vuurwapen tonen in de woning niet moet vergeten), dan verneem ik in uw arrest graag wat u dan als alternatieven voor ogen had gehad.

Noodweerexces

11. Mocht u oordelen dat de cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging, dan is dit veroorzaakt door de hevige gemoedstoestand waarin hij verkeerde ten tijde van de zwaaiende beweging met het mes.

12. Hoge Raad stelt daar de volgende eis aan:

a. De verdachte heeft de hem verweten gedraging verricht in een situatie, een op een tijdstip, waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien;

13. De hevige gemoedsbeweging bij cliënt is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding op de trap en beneden, wat ook is gezien door de getuigen en door hetgeen er boven is gebeurd. Daar is hij in ieder geval door de kamer geslingerd tegen een dressoir door aangever. Ook heeft hij nog een pistool tegen zijn hoofd gehad. Waarom zou cliënt hier over liegen? Wat is zijn motief daarvoor? Die is er niet. Dit alles heeft een hevige gemoedsbeweging van angst en boosheid veroorzaakt. Ook andere factoren dan de uiteindelijke wederrechtelijke aanranding kunnen bijdragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. De angst was enorm bij cliënt, dat blijkt ook uit het feit dat hij werkelijk stond te stuiteren nadat het was gebeurd, aldus de getuige.

14. Dan kan er nog een onderscheid worden gemaakt tussen intensieve of extensieve overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Mocht u toch nog menen dat het middel in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, dan is sprake van intensieve overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.

Putatief noodweer

15. Het Hof heeft in eerste instantie ambtshalve nog geoordeeld dat geen sprake is van putatief noodweer. Over die ambtshalve beoordeling had de A-G ook nog wel wat opmerkingen willen vuil maken, maar omdat ik daar geen middelen tegen had gericht, heeft hij dat nagelaten.

16. In deze situatie waarin cliënt in de veronderstelling verkeerde dat er mogelijk een zeer ernstige wederrechtelijke aanranding dreigde, kan gesproken worden van putatief noodweer. De voorstelling die cliënt zich redelijkerwijs kon maken, was dat cliënt ontvoerd zou worden in de auto en dan was het nog maar de vraag wat hem te wachten stond gelet op het vuurwapen dat iemand bij zich had.

17. Wanneer het enige doel van aangever was, hem uit de woning te gooien, dan was dat doel al verwezenlijkt toen ze op de trap liepen en beneden waren. Met welke reden werd cliënt dan nog vastgepakt en meegetrokken? Cliënt kon zich maar één reden voorstellen, dat ze hem in de auto wilden gooien. Gelet op die voorstelling die hij zich redelijkerwijs kon en mocht maken in die gegeven situatie, mocht hij zich tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke

dreigende aanranding verdedigen.”

3.3.

Het hof heeft deze verweren als volgt verworpen:

“Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde heeft gehandeld uit (putatief)noodweer c.q. noodweerexces, op gronden zoals in zijn overgelegde pleitnotities vermeld.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Terwijl de verdachte in zijn bovenwoning aan de [a-straat 1] te ’s-Gravenhage lag te slapen, werd aldaar op 19 maart 2012 de benedendeur geforceerd door aangever [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ). [betrokkene 1] heeft hierover verklaard dat hij de verdachte de woning uit wilde zetten. [betrokkene 1] was samen met een andere man, genaamd [betrokkene 2] , met een auto gekomen. Deze man bleef onderaan het portiek staan, terwijl [betrokkene 1] de woning van de verdachte in ging. In de woning aangekomen pakte [betrokkene 1] de verdachte beet en smeet hem tegen het dressoir. Daarna werd de verdachte in de gelegenheid gesteld zich aan te kleden.

De verdachte moest vervolgens mee naar beneden. Hij liep samen met [betrokkene 1] de trap af, waarbij [betrokkene 1] de verdachte stevig bij zijn shirt beet hield en hem mee naar beneden trok. Beneden aangekomen werd de verdachte door [betrokkene 1] vastgehouden. De verdachte probeerde zich los te trekken, hetgeen niet lukte. De verdachte heeft meerdere malen geschreeuwd dat [betrokkene 1] hem los moest laten. De verdachte zag kans een mes uit de achterzak van zijn broek te pakken. Hij maakte hiermee een zwaaiende beweging richting [betrokkene 1] , waardoor deze in het bovenlichaam werd geraakt. [betrokkene 1] liet de verdachte hierop los, waarna de verdachte wegvluchtte.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet vastgesteld kan worden dat [betrokkene 1] een vuurwapen bij zich had op het moment dat hij boven in de woning van de verdachte was. Evenmin kan worden vastgesteld dat de tweede man, te weten [betrokkene 2] , op enigerlei wijze, bij het incident betrokken is geweest. Ook is niet gebleken dat de verdachte gesommeerd is plaats te nemen in de auto, noch blijkt anderszins van een mogelijke ontvoering.

Het hof stelt op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden vast dat in de bovenwoning sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [betrokkene 1] , maar dat deze is geëindigd op het moment waarop de verdachte in de gelegenheid werd gesteld zich aan te kleden.

De tweede ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte heeft vervolgens buiten - onderaan de trap plaatsgevonden doordat [betrokkene 1] de verdachte stevig beet hield. Naar het oordeel van het hof mocht de verdachte zich tegen deze tweede wederrechtelijke aanranding verdedigen.

De vraag die vervolgens voorligt is of de verdedigingshandeling - het maken van een zwaaiende beweging met een mes dichtbij het bovenlichaam van [betrokkene 1] - voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

Bij de beoordeling van het proportionaliteitsvereiste is beslissend dat het verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het hof is van oordeel dat het zich verdedigen van de verdachte tegen het enkel stevig beetgehouden worden door [betrokkene 1] door een zwaaiende beweging met een mes in de richting van het bovenlichaam van [betrokkene 1] te maken, niet proportioneel is. Naar het oordeel van het hof staat dit verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Nu het beroep op noodweer reeds niet slaagt omdat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste, behoeft het vereiste van subsidiariteit geen bespreking meer.

Het beroep op noodweer wordt mitsdien verworpen.

Hierna doet de vraag zich voor of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] een bekende van de verdachte was en dat niet is gebleken van enig wapen van de zijde van [betrokkene 1] , noch van een vermeende ontvoering. Het beroep op noodweerexces wordt mitsdien eveneens verworpen.

Ten slotte rest beantwoording van de vraag of de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof evenmin aannemelijk geworden dat de verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde zich te moeten verdedigen tegen een ontvoering in een auto door personen die een vuurwapen bij zich hadden, zoals door de verdediging is betoogd. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.”

4 Het eerste en het tweede middel

4.1.

De middelen klagen dat het hof het beroep op noodweer, in het licht hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

4.2.

Bij de beoordeling van deze en de hierna volgende middelen ga ik uit van de door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 aangereikte handvatten voor de beoordeling van een beroep op noodweer(exces), dan wel een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van noodweer.

4.3.

Voorts stel ik bij de beoordeling van de middelen voorop dat de selectie en waardering van feiten aan het hof is voorbehouden, in cassatie van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden moet worden uitgegaan en niet over de juistheid van ’s hofs selectie en waardering kan worden geklaagd. Ik merk daarbij op dat de feitelijke vaststellingen waarop het hof zich bij de verwerping van de verweren verlaat, niet geheel overeenstemmen met de gang van zaken zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt. Volgens de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangever [betrokkene 1] liepen de verdachte en hij samen de trap af en pakte hij de verdachte pas beet toen deze, beneden aangekomen, hem beet pakte. Over deze tegenstrijdigheid klagen de middelen niet. Dat betekent dat die tegenstrijdigheid geen reden kan opleveren voor cassatie. Tegelijk geldt mijns inziens dat de verdachte in cassatie niet mag worden afgerekend op de ‘alternative facts’ die uit de bewijsmiddelen blijken. Bij de beoordeling van de middelen moet met andere woorden uitgegaan worden van de feitelijke gang van zaken waarvan het hof bij de verwerping van de verweren is uitgegaan.2

4.4.

Opmerking verdient voorts dat de feitelijke vaststellingen die het hof in de bestreden uitspraak doet, op niet onbelangrijke punten verschillen van de feitelijke vaststellingen waarvan het hof uitging in zijn eerdere, door de Hoge Raad vernietigde arrest in deze zaak. In dat eerdere arrest van 9 juli 2013 stelde het hof vast dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samen de benedendeur forceerden en ook samen de woning van de verdachte binnengingen. Dit omdat [betrokkene 1] ‘verhaal wilde halen’. Het hof stelde ook vast dat [betrokkene 1] de verdachte een pistool liet zien dat hij vervolgens aan [betrokkene 2] overhandigde. Eenmaal buiten werd de verdachte gesommeerd in een auto plaats te nemen. Kennelijk heeft het hof dat de thans bestreden uitspraak wees, deze feiten niet aannemelijk geacht.3 Dat niet nader toegelichte verschil in de feitelijke beoordeling moet in cassatie worden gerespecteerd. Daarmee wordt nog eens onderstreept dat de Hoge Raad oordeelt op basis van een papieren werkelijkheid die ver af kan staan van wat feitelijk is gebeurd.

4.5.

Voor zover het eerste middel erover klaagt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het de verklaring van [getuige 2] niet als “bewijsmiddel” heeft gebruikt, geldt dat die klacht gelet op hetgeen voorop is gesteld niet tot cassatie kan leiden. Ik merk op dat in het verweer enkel een aanvullend beroep is gedaan op de bedoelde verklaring, terwijl bovendien moeilijk gezegd kan worden dat het hof geheel voorbij is gegaan aan deze verklaring. Immers, de door deze getuige volgens de steller van het middel gereleveerde feiten en omstandigheden houden, op het onderdeel na dat (zo begrijp ik) [betrokkene 1] slaande bewegingen bleef maken naar [verdachte] , niet iets anders in dan ’s hofs vaststellingen dat – voor zover hier van belang – “[de verdachte] beneden aangekomen door [betrokkene 1] [werd] vastgehouden”, dat “de verdachte zich [probeerde] los te trekken, hetgeen niet lukte”, en dat “de verdachte meerdere malen [heeft] geschreeuwd dat [betrokkene 1] hem los moest laten”. Dat [betrokkene 1] ook slaande bewegen naar de verdachte heeft gemaakt, heeft het hof kennelijk niet aannemelijk bevonden. Dit feitelijke oordeel leent zich, zoals ik al zei, echter niet voor verdere toetsing in cassatie. Dat is niet anders met betrekking tot de – in getuigenverklaringen vervatte – feiten en omstandigheden waarop het tweede middel een beroep doet, maar door het hof niet zijn vastgesteld.

4.6.

Waarop het aankomt, is de vraag of het hof met betrekking tot wat het hof de tweede ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [betrokkene 1] noemt, waartegen de verdachte zich volgens het hof mocht verdedigen, onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het door de verdachte gebruikte verdedigingsmiddel “niet proportioneel is”.

4.7.

Omtrent dit proportionaliteitsvereiste heeft de Hoge Raad in het bovengenoemde arrest in het bijzonder overwogen:

“3.5.3. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.”

4.8.

De Hoge Raad is, zo blijkt uit deze overweging, van oordeel dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond “in beginsel” niet in verhouding staat tot een aanval met blote handen of met een vuist. De vraag is of daaruit de conclusie kan worden getrokken dat het met een mes maken van een zwaaiende beweging in de richting van een ongewapende belager waardoor deze wordt geraakt, eveneens in een wanverhouding staat tot de aanranding, zodat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Mij lijkt dat te kort door de bocht. De steekwond was in casu niet dodelijk en dat zij diep was, is door het hof niet vastgesteld.4 Bovendien hangt veel af van de omstandigheden van het geval, waarvoor de door de Hoge Raad gekozen bewoordingen (“in beginsel”) de ruimte laten. In de weergegeven overweging verwijst de Hoge Raad in een voetnoot naar HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233. In dat arrest ging het heel kort gezegd om een ordinaire vechtpartij waarop een ruzie tijdens een feestje was uitgelopen. Het hof had daarbij overwogen dat de verdachte zich ook met blote handen had kunnen verdedigen. De omstandigheden in het onderhavige geval liggen geheel anders. 5 Dat de verdachte zich met zijn blote handen van [betrokkene 1] kon ontdoen, is daarbij door het hof niet vastgesteld. Dit terwijl door de raadsman expliciet is gevraagd om aan te geven welke alternatieven er voor de verdachte waren als zijn verdediging disproportioneel zou worden geoordeeld.

4.9.

Met het belang dat toekomt aan de omstandigheden van het geval staat de scherpe scheiding die het hof maakt tussen de eerste en de tweede aanranding op gespannen voet. Volgens het hof bestond de tweede aanranding uit “het enkel stevig beet gehouden worden”. Door die benadering abstraheert het hof in feite geheel van de context waarin dat stevig beet houden plaatsvond. Ik merk daarbij op dat die benadering niet wezenlijk verschilt van de benadering die door het hof werd gevolgd in het eerdere arrest dat door de Hoge Raad werd gecasseerd. Ook in dat arrest onderscheidde het hof twee wederrechtelijke aanrandingen – een onderscheid tussen de eerste en tweede wederrechtelijke aanranding – en oordeelde het dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging had overschreden “door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte”. De Hoge Raad oordeelde daarover als volgt:

“2.6. Bij de beslissing of een gedraging geboden is door een noodzakelijke verdediging, komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006/650).

De door het Hof in zijn overwegingen vastgestelde feiten en omstandigheden, houden - samengevat - het volgende in. In de bovenwoning van de verdachte is sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever die 'verhaal wilde halen', waarbij de aangever de verdachte een pistool heeft laten zien. De verdachte moest vervolgens met de aangever mee de trap af naar beneden. Buiten gekomen is de verdachte opnieuw beetgepakt en gesommeerd in een auto plaats te nemen, waarop een worsteling volgde. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte.

Gelet op de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden is de verwerping van het beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk.”

4.10.

Wat opvalt, is dat de Hoge Raad de ‘tweede aanranding’ niet geïsoleerd beziet, maar hetgeen daaraan is voorafgegaan – inclusief de ‘eerste aanranding’ in de bovenwoning van de verdachte – uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekt. Het is die benadering die het oordeel van het hof dat verdediging met een mes disproportioneel was in de ogen van de Hoge Raad onbegrijpelijk maakte. Nu verschillen, zoals in punt 4.4 reeds werd opgemerkt, de feitelijke omstandigheden waarvan de Hoge Raad destijds in cassatie diende uit te gaan, van de feitelijke omstandigheden die thans het uitgangspunt van beoordeling dienen te vormen. De vraag is of de verschillen zo groot zijn dat het oordeel van het hof dit keer wel begrijpelijk moet worden geacht. Ik meen van niet. Weliswaar is geen sprake van bedreiging met een pistool, maar staan blijft dat in de bovenwoning grof geweld is uitgeoefend tegen de verdachte en dat er vanuit mag worden gegaan dat de verdachte aan het bevel om zich aan te kleden en mee te gaan naar buiten gevolg heeft gegeven omdat hij vreesde dat anders verder geweld zou volgen. De context waarin het stevig beethouden van de verdachte plaatsvond, was kortom een volstrekt wederrechtelijke uitzetting uit de eigen woning die werd geëffectueerd door geweld en bedreiging met geweld. Daarbij komt dat het stevig beethouden plaatsvond of doorging toen de verdachte al buiten was of in elk geval al uit zijn woning was gezet. [betrokkene 1] was dus kennelijk nog niet met de verdachte klaar. Dat maakt dat aan het feit dat dit keer niet is vastgesteld dat de verdachte gesommeerd is in een auto plaats te nemen en dat [betrokkene 1] ‘verhaal wilde halen’, geen doorslaggevende betekenis toekomt. Als het hof heeft geoordeeld dat de verdachte er in redelijkheid vanuit had moeten gaan dat het enkel bij kortdurend stevig beet houden zou blijven6, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

4.11.

De middelen slagen in zoverre.

5 Het derde en het vierde middel

5.1.

De hiervoor bereikte slotsom, die meebrengt dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd, betekent dat de overige middelen geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad anders over de beide eerste middelen mocht oordelen dan ik, ben ik uiteraard bereid om desgewenst nader te concluderen.

6. De middelen 1 en 2 slagen gedeeltelijk, hetgeen meebrengt dat de middelen 3 en 4 geen bespreking behoeven.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraken ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2867.

2 Ik laat dan ook daar dat de bewijsmiddelen op een ander punt niet eenduidig zijn. Volgens aangever [betrokkene 1] “stak” de verdachte hem in zijn linkerzij onder de oksel. Volgens de bewijsmiddelen 2 en 3 maakte de verdachte een snijdende dan wel zwaaiende beweging met het mes. In het kader van de bewezenverklaring is het verschil tussen steken en zwaaien van weinig belang, bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) is dit anders.

3 Zijn overwegingen dat een en ander niet “vastgesteld kan worden” resp. dat daarvan “niet is gebleken” zullen in die zin begrepen moeten worden.

4 De raadsman voerde in zijn pleitnota ter bestrijding van de tenlastelegging aan dat sprake was van een oppervlakkige snijwond met gering bloedverlies.

5 Zie in dit verband ook HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, waarin de verdachte van dichtbij had geschoten op het ongewapende slachtoffer en waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof dat dit schieten niet in redelijke verhouding stond tot de (dreigende) aanranding, gelet op diens feitelijke vaststellingen, niet zonder meer begrijpelijk oordeelde.

6 Vgl. De Hullu, p. 332/333, die de ‘objectieve waarnemer’ invoert als maatman bij de vraag welk dreigend geweld de verdachte had te vrezen.