Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:519

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
16/05681
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2385, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Vordering tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap; verhaal op privévermogen van de (ex-)echtgenoot. HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2399, NJ 2006/60. Bepaling hoogte van deze vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/39
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/05681

mr. L.A.D. Keus

Zitting: 16 juni 2017

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

advocaat: mr. C.S.G. Janssens

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

In deze zaak heeft het hof een vordering van de vrouw tot terugneming (reprise) van een bedrag van € 570.000,- uit de huwelijksgoederengemeenschap van partijen aangenomen en heeft het de man veroordeeld de helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen. Voorts heeft het hof de man veroordeeld om aan de vrouw inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode van 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap, daaronder mede begrepen een verklaring ten overstaan van een notaris in Marokko of en zo ja welke goederen in deze periode op naam van de man zijn geregistreerd. In cassatie worden beide veroordelingen door de man bestreden.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd op 17 mei 2000 te Rotterdam. Zij hebben twee minderjarige kinderen.

1.2 De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

1.3 Bij verzoekschrift van 5 augustus 2014, ingekomen bij de rechtbank Rotterdam op 6 augustus 2014, heeft de vrouw verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, stellende dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft daarbij tevens diverse nevenverzoeken ingediend, waaronder een verzoek de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen en de man te veroordelen een bedrag van € 570.000,- aan haar te voldoen. Dit bedrag betreft het restant dat is overgebleven van het totaalbedrag van € 603.263,- dat in 2011 als schadevergoeding aan de vrouw is uitgekeerd als gevolg van een auto-ongeluk dat de man in 2007 heeft veroorzaakt2. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het bedrag van € 570.000,- tot haar privévermogen behoort en dat de man zich dit bedrag ten onrechte heeft toegeëigend, om het vervolgens aan te wenden voor de verkrijging van meerdere goederen in Marokko, te weten een autowasserij/garage, een woning, een boerderij met grond en vee, een flat met meerdere appartementen en een pension3.

1.4 De man heeft zich bij verweerschrift van 11 februari 2015 verenigd met het verzoek van de vrouw tot echtscheiding en de rechtbank verzocht de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen. De stellingen van de vrouw ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn door de man betwist4.

1.5 Op 26 augustus 2015 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 2 oktober 2015, na te hebben vastgesteld dat op grond van art. 10:56 BW Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing is, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (rov. 2.5-2.10). Voor zover in cassatie relevant heeft de rechtbank voorts, na te hebben vastgesteld dat de schadevergoeding niet in de gemeenschap van goederen is gevallen en uitsluitend aan de vrouw toebehoort (rov. 2.20-2.325), het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap afgewezen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de vrouw haar stelling dat de man met haar privévermogen (gemeenschaps)goederen in Marokko heeft aangekocht onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 2.34) en voorts dat er geen mogelijkheid is om de wijze van verdeling te gelasten, nu de omvang en de samenstelling van de gemeenschap niet duidelijk zijn geworden (rov. 2.35).

1.6 De vrouw is bij verzoekschrift van 22 december 2015, op diezelfde dag per telefax ingekomen bij het hof Den Haag, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam. Zij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing aangaande de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en die beschikking ten aanzien van het overige te bekrachtigen. De vrouw heeft het hof tevens verzocht - kort samengevat - opnieuw beschikkende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad6:

(i) haar initiële verzoek toe te wijzen en te bepalen dat de man € 570.000,- aan haar dient te betalen;

(ii) de woning, de boerderij met grond en vee, de flat met meerdere appartementen, de autowasserij/garage - alle in Marokko - en het overige vermogen in Marokko aan haar toe te delen;

(iii) de man te verplichten tot het verstrekken van de door haar genoemde bescheiden aangaande het vermogen in Marokko, binnen één maand na de door het hof te geven beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 15.000,-;

(iv) althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

1.7 De man heeft bij op 9 februari 2016 ingediend verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en heeft het hof verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

1.8 Nadat op 1 juli 2016 een mondelinge behandeling van de zaak had plaatsgevonden, heeft het hof bij beschikking van 24 augustus 20167 de bestreden beschikking - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - vernietigd. Opnieuw beschikkende heeft het hof, kort samengevat, (i) de man veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw ter zake van het voldoen van de gemeenschapsschuld aan haar, een bedrag van € 285.000,- te betalen, en (ii) bepaald dat de man aan de vrouw inlichtingen dient te verstrekken over de stand van zijn vermogen over de periode 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap, daaronder mede begrepen een verklaring ten overstaan van een notaris in Marokko welke goederen in deze periode op zijn naam zijn geregistreerd, dan wel dat er in deze periode geen goederen op naam van de man zijn geregistreerd, binnen drie maanden na de datum van afgifte van ’s hofs beschikking op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof heeft het in appel meer of anders verzochte afgewezen.

1.9 Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

“6. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw de grieven betrekking hebbend op het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime van partijen, ingetrokken. Hiermee is niet langer in geschil dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het Marokkaanse recht gedurende de eerste tien jaren van het huwelijk van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat na het verstrijken van die periode (vanaf 17 mei 2010; LK8) het Nederlandse recht van toepassing is geworden op hun huwelijksvermogensregime.

7. Vast staat dat de vordering van de vrouw met betrekking tot de schadevergoeding als gevolg van het auto-ongeluk dat de man in 2007 heeft veroorzaakt, in 2007 is ontstaan, zodat deze vordering - nu het Marokkaanse recht geen enkele gemeenschap van goederen kent - tot haar privévermogen behoort. Voorts is tussen partijen niet in discussie dat met de uitbetaling van deze schadevergoeding in 2011, dus in de periode waarin de huwelijksgemeenschap bestond, de huwelijksgemeenschap gebaat is met de tot het eigen vermogen van de vrouw behorende bedrag van deze schadevergoeding van € 570.000,-. Op dat moment ontstond daardoor een vergoedingsrecht van de vrouw op de huwelijksgemeenschap van € 570.000,-. Het hof heeft de advocaten van partijen en de vrouw dit ter zitting voorgehouden en zij hebben met deze uitleg ingestemd.

8. Van de na uitbetaling van de schadevergoeding plaatsgevonden opnamen van contante gelden is niet gebleken dat de vrouw deze gelden heeft aangewend voor betaling van aan haar zijde opgekomen privéschulden. De vrouw heeft verklaard dat de voornoemde opnamen van de gelden door haar zijn gedaan, in het bijzijn van de man, waarna de man deze gelden in Marokko heeft geïnvesteerd, onder andere in onroerend goed. Namens de man zijn enkel deze investeringen in algemene zin betwist. Het hof gaat er dus vanuit dat de vrouw een vordering op de huwelijksgemeenschap heeft van € 570.000,-, welke schuld bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in aanmerking moet worden genomen.

9. Wat betreft de omvang van de ontbonden gemeenschap heeft de advocaat van de man, namens hem, ter zitting verklaard dat er geen goederen zijn geregistreerd op naam van de man en aan de man toebehoren, die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Overige informatie ontbreekt. Gelet hierop is het hof niet in staat de huwelijksgemeenschap te verdelen. Het hof kan slechts de verdeling van de huwelijksgemeenschap vaststellen voor zover het hof beschikt over een deugdelijke beschrijving van de activa en passiva.

10. Het hof is van oordeel dat de man op grond van artikel 1:83 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de vrouw nadere inlichtingen had moeten verstrekken omtrent zijn goederen (onder andere in Marokko) die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, nu de vrouw duidelijke aanwijzingen heeft gegeven dat er investeringen zijn gedaan, de man een door de vrouw gesteld zeer specifiek telefoongesprek met betrekking tot de door hem in Marokko gedane investeringen slechts bloot heeft ontkend en het hof niet aannemelijk acht dat de gelden - de ten bate van de gemeenschap gekomen uitkering van de schadevergoeding - in een zodanig kort tijdsbestek zijn verdampt.

11. Het hof is van oordeel dat de vrouw, op basis van de stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,-, zijnde het deel van de vergoedingsvordering van de vrouw waarvoor de man draagplichtig is. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve te dien aanzien vernietigen en de man veroordelen tot betaling van € 285.000,- aan de vrouw.

12. Voorts is het hof van oordeel dat de man, gelet op de stellingen van de vrouw omtrent de bestedingen door de man uit de ten bate van de gemeenschap gekomen uitkering van de schadevergoeding en de blote ontkenning van de man daarvan, op grond van artikel 1:83 BW aan de vrouw inlichtingen dient te verstrekken met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap, daaronder mede begrepen een verklaring ten overstaan van een notaris in Marokko welke goederen in deze periode zijn geregistreerd op naam van de man dan wel dat er in deze periode geen goederen op naam van de man zijn geregistreerd, binnen drie maanden na de datum van afgifte van de onderhavige beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,-”

1.10 De man heeft van de beschikking van het hof van 24 augustus 2016 bij verzoekschrift tot cassatie van 24 november 2016 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft, nadat haar met instemming van de man uitstel was verleend voor het indienen van een verweerschrift, van verweer afgezien.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De man heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich tegen de rov. 8 en 10-12, alsmede het dictum van de bestreden beschikking richt. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen (1-3), waarvan de onderdelen 1 en 3 meerdere klachten omvatten.

2.2

Onderdeel 1 richt zich met verschillende klachten (1.1-1.3) tegen de rov. 10, 11 en 12 van de bestreden beschikking.

Subonderdeel 1.1 komt op tegen ’s hofs oordeel in rov. 10 dat:

“(…) de man op grond van artikel 1:83 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de vrouw nadere inlichtingen had moeten verstrekken omtrent zijn goederen (onder andere in Marokko) die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, nu (…)”.

Het subonderdeel betoogt dat het hof met dit oordeel in tweeërlei opzicht buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Dit is volgens het subonderdeel allereerst het geval waar het hof de verplichting van de man tot het verstrekken van inlichtingen aangaande het vermogen in Marokko op art. 1:83 BW heeft gebaseerd, terwijl de vrouw haar verzoek had gegrond op art. 843a Rv. Daarnaast zou het hof de grenzen van de rechtsstrijd hebben overschreden door te beslissen dat de man inlichtingen had dienen te verstrekken omtrent zijn goederen die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het verzoek van de vrouw om inzage ex art. 843a Rv had volgens het subonderdeel uitsluitend op het privévermogen van de man betrekking. Het subonderdeel wijst tot slot erop dat het hof de man echter “op grond van de niet sua sponte (want niet door de vrouw verzochte) verstrekte inlichtingen”9 tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 285.000,- heeft veroordeeld.

Subonderdeel 1.2 bestempelt vervolgens (“althans”) “deze beslissing”, alsmede het in rov. 11 van de bestreden beschikking vervatte oordeel dat de man een bedrag van € 285.000,- aan de vrouw dient te betalen, als een verrassingsbeslissing. Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof heeft miskend dat art. 1:83 BW tot doel heeft “inlichtingen te verschaffen in het kader van de voortzetting van het processuele debat”, en dus niet ertoe dient - anders dan het hof volgens het subonderdeel heeft gemeend - om dit debat door het geven van een eindoordeel te beëindigen. Gezien het voorgaande had het hof de man (middels een tussenbeschikking10) de gelegenheid moeten bieden de verzochte inlichtingen te verschaffen of althans te reageren op het voornemen van het hof om de man op grond van art. 1:83 BW tot betaling van € 285.000,- aan de vrouw te veroordelen, zo wordt gesteld. De man behoefde volgens het subonderdeel derhalve niet erop bedacht te zijn dat het hof direct, zonder hem die gelegenheid te bieden, tot een veroordeling zou overgaan.

Subonderdeel 1.3, ten slotte, klaagt dat het hof in rov. 12 van de bestreden beschikking van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te beslissen dat de man (…) op grond van art. 1:83 BW aan de vrouw inlichtingen dient te verstrekken met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode 2011 tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap”. Betoogd wordt dat het hof - voor zover het zou hebben kunnen beslissen dat de man inlichtingen dient te verstrekken aan de vrouw - met deze beslissing eraan heeft voorbijgezien dat art. 1:83 BW niet zo ver reikt dat echtgenoten zouden zijn gehouden rekening en verantwoording jegens elkaar af te leggen11. Het hof had derhalve niet een bepaalde periode, maar een specifieke datum dienen vast te stellen waarover de man inlichtingen over de stand van zijn vermogen moet verschaffen, aldus het subonderdeel.

2.3

Waar subonderdeel 1.1 betoogt dat het hof in rov. 10 van de bestreden beschikking buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te beslissen op een andere rechtsgrond (art. 1:83 BW) dan die welke de vrouw had aangevoerd (art. 843a Rv12), ziet het eraan voorbij dat dit enkele feit (nog) niet maakt dat de grenzen van de rechtsstrijd zijn overschreden. De rechter is op grond van art. 25 Rv immers niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om de rechtsgronden aan te vullen13. Dit geldt ook indien een partij zelf reeds een rechtsregel aan haar vordering, verzoek of verweer ten grondslag heeft gelegd en zich daarbij niet (tevens) heeft beroepen op de door de rechter gehanteerde rechtsregel. De rechter kan derhalve zijn oordeel baseren op een andere dan de ingeroepen juridische grondslag, mits (buiten het geval van ambtshalve toepassing van rechtsregels van openbare orde14) de feiten en omstandigheden waarop de partij ten behoeve van wie de aanvulling plaatsvindt haar vordering, verzoek of verweer heeft gebaseerd, deze andere juridische grondslag kunnen dragen (art. 24 Rv)15. Dit is slechts anders indien moet worden aangenomen dat een partij haar vordering, verzoek of verweer uitsluitend beoordeeld wenst te zien op basis van de door haar ingeroepen rechtsregel; dan is er (opnieuw: buiten het geval van ambtshalve toepassing van rechtsregels van openbare orde) geen plaats voor aanvulling met een andere rechtsgrond16. De rechter is in beginsel niet verplicht om een voorgenomen aanvulling van rechtsgronden eerst met partijen te bespreken17.

2.4

Nu subonderdeel 1.1 op dit punt slechts de stelling betrekt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden door het verzoek van de vrouw te beoordelen op een andere dan de door haar ingeroepen rechtsgrond - en dus niets aanvoert omtrent een schending van voornoemde grenzen aan de aanvulling van rechtsgronden ex art. 25 Rv - stuit het reeds op het voorgaande af18.

2.5

Subonderdeel 1.1 klaagt tevens dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door in rov. 10 van de bestreden beschikking te beslissen dat de man inlichtingen had dienen te verstrekken omtrent de huwelijksgemeenschap, terwijl het verzoek om inlichtingen van de vrouw op het privévermogen van de man betrekking had. Uit het petitum van het appelschrift volgt, zakelijk weergegeven, dat de vrouw heeft verzocht om inlichtingen omtrent “de bankrekeningen van de man te Marokko” en de “registergoederen op naam van de man en op naam van zijn vader”19.

Niet kan worden gezegd dat het hof de reikwijdte van dit verzoek heeft miskend en aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Dit blijkt reeds uit de door het hof in rov. 10 gebezigde bewoordingen:

“Het hof is van oordeel dat de man (…) aan de vrouw nadere inlichtingen had moeten verstrekken omtrent zijn goederen (onder andere in Marokko) die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, (…).”

Kennelijk heeft het hof hiermee slechts tot uitdrukking willen brengen dat de goederen die de man, zoals de vrouw heeft gesteld, met de in 2011 ten bate van de gemeenschap gekomen schadevergoeding zou hebben verworven, in de huwelijksgemeenschap zouden zijn gevallen. Strikt genomen heeft het hof aldus, anders dan het subonderdeel voorstaat, niet geoordeeld dat inlichtingen moeten worden verschaft over de huwelijksgemeenschap; het gaat om de goederen van de man (“zijn goederen”). Ook overigens blijkt uit de bestreden beschikking niet dat het hof de reikwijdte van het verzoek van de vrouw zou hebben miskend: in zowel rov. 12 als in het dictum heeft het hof de formulering gehanteerd dat de man inlichtingen dient te verstrekken aan de vrouw “met betrekking tot de stand van zijn vermogen” (onderstreping toegevoegd; LK).

2.6

Het is niet geheel duidelijk of met de laatste volzin van subonderdeel 1.1 (“Het hof heeft de man echter op grond van de niet sua sponte (want niet door de vrouw verzochte) verstrekte inlichtingen veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 285.000,- aan de vrouw.”) wordt beoogd een klacht te poneren en zo ja, wat die klacht precies behelst.

Voor het geval dat de geciteerde volzin moet worden gelezen in samenhang met de op het cassatiemiddel gegeven toelichting onder 4.3, heeft het volgende te gelden. Onder 4.3 van de bedoelde toelichting wordt gesteld dat de sanctie die het hof aan het niet “sua sponte” overleggen van bescheiden door de man zou hebben verbonden, te weten dat de vrouw een rechtstreekse vordering op de man heeft, te verstrekkend is, nu de sanctie op het niet overleggen van de gevraagde informatie ingevolge art. 3:194 lid 2 BW20 dient te zijn dat de betreffende echtgenoot zijn aandeel in de betrokken, tot de gemeenschap behorende goederen verbeurt21. Het komt mij voor dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de man niet tot betaling van € 285.000,- aan de vrouw veroordeeld op grond van het niet verstrekken van inlichtingen (ex art. 1:83 BW). Het hof heeft in rov. 11, voortbouwend op de vaststelling in rov. 8 “dat de vrouw een vordering op de huwelijksgemeenschap heeft van € 570.000,-, welke schuld bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in aanmerking moet worden genomen”22 en voorts uitgaande van de eigen stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, geoordeeld:

“(…) dat de vrouw (…) een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,-, zijnde het deel van de vergoedingsvordering van de vrouw waarvoor de man draagplichtig is. (…).”

In het dictum komt het hof vervolgens tot de volgende formulering:

“Het hof: (…) veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw ter zake van het voldoen van de gemeenschapsschuld aan haar, te betalen een bedrag van € 285.000,-”.

De bedoelde veroordeling is niet een sanctie op het feit dat de man de vrouw naar het oordeel van het hof niet naar behoren op grond van art. 1:83 BW heeft geïnformeerd, maar vloeit voort uit de door het hof aangenomen schuld van de gemeenschap aan de vrouw, waarvoor de man voor de helft draagplichtig is en ter zake waarvan de vrouw een rechtstreekse vordering op man heeft in het zich (volgens de stellingen van de man voordoende) geval dat er géén goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.7

Subonderdeel 1.1 dient mijns inziens derhalve te falen.

2.8

Subonderdeel 1.2 betoogt in de kern dat het hof in de rov. 10 en 11 van de bestreden beschikking een verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat het, gelet op het doel van art. 1:83 BW, te weten het verschaffen van inlichtingen in het kader van de voortzetting van het processuele debat, de man de gelegenheid had moeten bieden de gewenste inlichtingen te verstrekken, of althans de gelegenheid tot reageren had moeten bieden, alvorens tot een eindbeslissing te komen.

Het subonderdeel, dat mede blijkens de toelichting onder 4.5, in het bijzonder het oog heeft op de veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 285.000,-, legt mijns inziens ten onrechte een verband tussen die veroordeling en het feit dat het hof blijkens rov. 10 van oordeel is dat de man de vrouw op grond van art. 1:83 BW nader had moeten informeren. Zoals hiervóór (onder 2.6) al aan de orde kwam, is de bedoelde veroordeling niet een sanctie op het (vooralsnog) niet-nakomen van de inlichtingenplicht van de man. Daarbij wijs ik nog erop dat het hof, náást de bedoelde veroordeling, heeft bepaald dat de man de vrouw op straffe van verbeurte van een dwangsom (alsnog) inlichtingen met betrekking tot de stand van zijn vermogen dient te verstrekken. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

Overigens ligt blijkens de wetgeschiedenis aan art. 1:83 BW - dat een verruiming inhoudt van de voorheen op grond van art. 1:98 BW geldende wederzijdse inlichtingenplicht23 - de gedachte ten grondslag dat voor zaken als de draag- en fourneerplicht ter zake van de kosten van de huishouding (art. 1:84 lid 1 BW), de uitvoering van de meeste huwelijksgoederenstelsels en de vaststelling van de omvang en samenstelling van een door een verzoek tot echtscheiding ontbonden gemeenschap van goederen “geldt dat zij staan of vallen met het hebben van een afdwingbaar recht op informatie over het gevoerde bestuur, de stand van het (gemeenschappelijk) vermogen en van het vermogen van de andere echtgenoot”24. Anders dan het subonderdeel kennelijk veronderstelt, is art. 1:83 BW niet slechts gericht op het verkrijgen van informatie om aan de hand daarvan een voortzetting van het processuele debat mogelijk te maken.

Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.

2.9

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof met zijn in rov. 12 vervatte oordeel25 dat de man inlichtingen dient te verschaffen aan de vrouw “met betrekking tot de stand van zijn vermogen gedurende de periode 2011 tot aan de datum van de ontbinding van de gemeenschap” heeft miskend dat de inlichtingenplicht van art. 1:83 BW geen plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording behelst. Bij de beoordeling van deze klacht kan het volgende worden vooropgesteld.

In 1971 oordeelde de Hoge Raad dat tussen (in gemeenschap van goederen gehuwde) echtgenoten wel een inlichtingenplicht26, doch geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording bestaat27:

“O. dat ’s Hofs beslissing berust op de overweging dat de echtgenoot, die het bestuur en beheer heeft gevoerd over de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, dienaangaande jegens de andere echtgenoot rekenplichtig is in de zin van art. 771 Rv.;

dat het middel deze opvatting terecht bestrijdt;

dat toch de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording, waarop de vijfde titel van het derde boek Rv. betrekking heeft, onderstelt een rechtsverhouding tussen pp. krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen;

dat zodanige verplichting tussen in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten niet bestaat;

dat zij sedert 1 jan. 1957 in het algemeen, zolang de gemeenschap bestaat, jegens elkander verplicht zijn de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen en schulden der gemeenschap en het daarover gevoerde bestuur, en dat zij na de ontbinding der gemeenschap verplicht zijn tot het tot stand komen van een boedelbeschrijving mede te werken door het doen van opgaven die binnen hun vermogen zijn gelegen en tot dat doel van belang kunnen zijn, waartoe mede kunnen behoren inlichtingen m.b.t. het verleden, doch deze verplichtingen niet zijn gelijk te stellen met de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording in de bovenvermelde zin;”

In zijn arrest van 3 februari 2017 heeft de Hoge Raad dit uitgangspunt bevestigd, doch daarbij tevens aangegeven dat op grond van art. 1:90 lid 3 BW jo art 7:403 lid 2 BW in beginsel wel een plicht tot rekening en verantwoording geldt voor het geval waarin een echtgenoot het hem toekomende bestuur aan de andere echtgenoot overlaat. Ik citeer in verband met de context van de zaak wat uitgebreider28:

“5.4.1 Onderdeel III klaagt onder a en b dat het oordeel van het hof, dat de echtgenoten geen rekening en verantwoording aan elkaar schuldig zijn over het door hen gevoerde beheer ten aanzien van het vermogen binnen de eenvoudige gemeenschap, rechtens onjuist is. Dat echtgenoten zijn gehuwd in voor- en tegenspoed betekent niet dat de regel van art. 3:173 BW niet geldt. Onder c wordt geklaagd dat het hof heeft nagelaten in te gaan op de essentiële stelling van de vrouw dat de man zijn beheersbevoegdheid heeft overschreden en dat hij dientengevolge aansprakelijk is voor door de vrouw als gevolg daarvan geleden schade.

5.4.2

Art. 3:173 BW, dat deel uitmaakt van titel 3.7 van Boek 3 BW, bepaalt dat ieder der deelgenoten van degene onder hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd, jaarlijks en in ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording kan vorderen. Ingevolge art. 3:189 lid 1 BW gelden de bepalingen van titel 3.7 niet voor de daarin genoemde bijzondere gemeenschappen, waaronder de huwelijksgemeenschap. In de onderhavige zaak is evenwel wat betreft de woning geen sprake van een huwelijksgemeenschap, maar van een eenvoudige gemeenschap. Daarop is art. 3:173 BW dan ook van toepassing.

5.4.3

Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, brengt de omstandigheid dat degenen die deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap zijn, met elkaar zijn gehuwd, niet mee dat art. 3:173 BW toepassing mist. In dat verband is het volgende van belang.

5.4.4

Volgens art. 1:90 lid 1 BW is een echtgenoot bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van art. 1:97 BW, tot het bestuur van goederen van een huwelijksgemeenschap. Hij hoeft ter zake van dat bestuur geen rekening en verantwoording af te leggen aan de andere echtgenoot (art. 1:138 lid 1 BW en HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338). Dat geldt ten aanzien van het bestuur over de eigen goederen ook indien sprake is van huwelijkse voorwaarden die een verrekenbeding bevatten. Art. 1:133 (oud) BW bepaalde voor het wettelijk deelgenootschap in gelijke zin. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot en deze laatste, zijn echter de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard van de goederen (art. 1:90 lid 3 BW). Indien een echtgenoot het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, is deze laatste dan ook in beginsel gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde bestuur (art. 1:90 lid 3 BW in verbinding met art. 7:403 lid 2 BW). Hij kan wegens nalatigheid bij dat bestuur aansprakelijk zijn overeenkomstig de bepalingen omtrent opdracht dan wel, in geval van onrechtmatig bestuur, op grond van onrechtmatige daad (vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 41).

5.4.5

Gelet op het voorgaande kan in zoverre ook binnen het huwelijk sprake zijn van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording en schadeplichtigheid. De aard van de tussen de echtgenoten bestaande rechtsverhouding verzet zich dus niet ertegen dat op grond van art. 3:173 BW van een echtgenoot die mede voor de andere echtgenoot beheer heeft gevoerd over (diens aandeel in) het vermogen in een eenvoudige gemeenschap, rekening en verantwoording wordt gevorderd.”

De wederzijdse inlichtingenplicht van echtgenoten is thans neergelegd in art. 1:83 BW, luidende: “Echtgenoten verschaffen elkaar desgevraagd inlichtingen over het door hen gevoerde bestuur alsmede over de stand van hun goederen en schulden.” Deze verplichting geldt ongeacht het toepasselijke huwelijksvermogensregime en heeft betrekking op zowel de goederen en schulden van de huwelijksgemeenschap als de goederen en schulden van de echtgenoten in privé. Uit de wetsgeschiedenis, op dit punt onder meer verwijzend naar voornoemd oordeel van de Hoge Raad uit 1971, volgt dat (ook) art. 1:83 BW geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording behelst:

“Met de voorgestelde bepaling wordt evenwel niet beoogd een algemene verplichting in te voeren rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bestuur ter zake van tot de gemeenschap van goederen behorende vermogensbestanddelen (…).”29

2.10

Het uitgangspunt is derhalve dat echtgenoten ex art. 1:83 BW weliswaar een wederzijdse inlichtingenplicht hebben, doch dat - gegeven de aard van de tussen hen bestaande rechtsverhouding - op hen geen plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording rust, tenzij het in art. 1:90 lid 3 BW omschreven geval van het overlaten van bestuur zich voordoet. Dat de ene echtgenoot de andere echtgenoot verzoekt inlichtingen te verstrekken over de stand van diens vermogen over een bepaalde periode, impliceert echter niet zonder meer dat van een (verkapt) verzoek tot het afleggen van rekening en verantwoording sprake is30. Van groter gewicht dan het feit dat de gevraagde inlichtingen op de stand van het vermogen over zekere periode zien, acht ik aard en inhoud van hetgeen wordt verzocht; betreft dat verzoek inderdaad slechts inlichtingen of wordt van de echtgenoot tot wie het verzoek wordt gericht in wezen verlangd dat hij zich verantwoordt? Hierover wordt door het subonderdeel echter niets aangevoerd, zodat het subonderdeel, mede gelet op het voorgaande, geen doel treft.

2.11

Ik kom derhalve tot de conclusie dat onderdeel 1 niet tot cassatie kan leiden.

2.12

Onderdeel 2 stelt dat het hof in de rov. 8 en 10 een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft gehanteerd en daarmee van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven. Daartoe voert het onderdeel het volgende aan31:

“Immers, het hof heeft in rov. 8 van de beschikking overwogen dat de vrouw heeft gesteld dat zij gelden heeft opgenomen en dat de man daarmee investeringen in Marokko heeft gedaan, welke stelling de vrouw enkel heeft onderbouwd met een aantal foto’s en een transcript van een telefoongesprek dat zij met de man heeft gevoerd, terwijl de man heeft betwist dat hij bij alle geldopnamen aanwezig is geweest,32 dat er investeringen in Marokko zijn gedaan33 en dat de man heeft betwist dat het door de vrouw gestelde telefoongesprek heeft plaatsgevonden.34

Betoogd wordt dat het bij deze stand van zaken ingevolge de regels omtrent de bewijslastverdeling aan de vrouw was om nadere feiten en omstandigheden te stellen35. Voor zover het hof de bewijslast van de vrouw had willen verlichten, had het dat dienen te doen aan de hand van art. 1:83 BW, aldus het onderdeel. In de toelichting op het onderdeel (onder 5.3) wordt hieraan toegevoegd dat de toewijzing van het verzoek om inlichtingen van de vrouw ex art. 1:83 BW - zo dit al op die grondslag had kunnen geschieden - niet tot gevolg heeft dat de bewijslast en het bewijsrisico zijn verlegd naar de man; art. 1:83 BW verlicht slechts de bewijslast van de partij die zich op de bepaling beroept. Het hof heeft dit miskend met zijn veroordeling van de man tot het betalen van € 285.000,- en tot het verstrekken van inlichtingen, zo besluit de toelichting (onder 5.3).

2.13

Ingevolge art. 284 lid 1 Rv zijn de algemene bepalingen van bewijsrecht, zoals neergelegd in boek 1, titel 2, afdeling 9 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 149-207), van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet36. Nu dit laatste in de onderhavige zaak niet het geval is, zijn de in de art. 149 lid 1 en 150 Rv besloten liggende regels omtrent de stelplicht en de bewijslast, waarop het onderdeel blijkens de toelichting (onder 5.1) het oog heeft, van overeenkomstige toepassing.

Voor zover voor de beoordeling van het onderdeel van belang, vloeit uit het samenspel tussen art. 149 lid 1 Rv en art. 150 Rv het volgende voort37. Op de verzoekende partij (c.q. de eiser) rust een stelplicht: zij dient alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen38. Heeft de verzoekende partij (c.q. de eiser) aan haar stelplicht voldaan, dan hoeft zij de door haar gestelde feiten slechts te bewijzen (art. 150 Rv), wanneer de gedaagde deze feiten in voldoende mate heeft betwist (waardoor deze feiten niet als vaststaand kunnen worden aangemerkt; zie art. 149 lid 1 Rv)39. Hoewel de gedaagde partij niet de bewijslast draagt van de feiten die zij ter motivering van haar betwisting aanvoert 40, is het wel aan haar om de door de wederpartij gestelde feiten voldoende gemotiveerd te betwisten. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval41.

2.14

In de door het onderdeel - slechts met een rechtsklacht - bestreden rov. 8 en 10 heeft het hof, voor zover van belang voor de beoordeling van het onderdeel, het volgende overwogen:

“8. Van de na uitbetaling van de schadevergoeding plaatsgevonden opnamen van contante gelden is niet gebleken dat de vrouw deze gelden heeft aangewend voor betaling van aan haar zijde opgekomen privéschulden. De vrouw heeft verklaard dat de voornoemde opnamen van de gelden door haar zijn gedaan, in het bijzijn van de man, waarna de man deze gelden in Marokko heeft geïnvesteerd, onder andere in onroerend goed. Namens de man zijn enkel deze investeringen in algemene zin betwist. Het hof gaat er dus vanuit dat de vrouw een vordering op de huwelijksgemeenschap heeft van € 570.000,-, (…).

(…)

10. Het hof is van oordeel dat de man op grond van artikel 1:83 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de vrouw nadere inlichtingen had moeten verstrekken omtrent zijn goederen (onder andere in Marokko) die deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, nu de vrouw duidelijke aanwijzingen heeft gegeven dat er investeringen zijn gedaan, de man een door de vrouw gesteld zeer specifiek telefoongesprek met betrekking tot de door hem in Marokko gedane investeringen slechts bloot heeft ontkend en het hof niet aannemelijk acht dat de gelden (…) in een zodanig kort tijdsbestek zijn verdampt.”

Gelet op de overweging dat door de man “enkel deze investeringen in algemene zin (zijn) betwist” (rov. 8) en de overweging dat de man een door de vrouw gesteld “zeer specifiek telefoongesprek (…) slechts bloot heeft ontkend” (rov. 10), was het hof kennelijk van oordeel dat de man de feitelijke stellingen van de vrouw onvoldoende (gemotiveerd) had betwist. In het licht van hetgeen hiervóór (onder 2.13) is opgemerkt, heeft het hof daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel is ook tevergeefs voorgesteld indien en voor zover het ten betoge strekt dat het hof de (onderbouwing van de) feitelijke stellingen van de vrouw c.q. de (mate van) betwisting daarvan door de man anders had dienen te beoordelen, namelijk in die zin dat de vrouw niet aan haar stelplicht zou hebben voldaan, althans de man de feitelijke stellingen van de vrouw wel voldoende (gemotiveerd) zou hebben betwist42. Dit betoog ziet eraan voorbij dat het oordeel of feitelijke stellingen voldoende zijn onderbouwd dan wel voldoende gemotiveerd zijn betwist berust op waarderingen van feitelijke aard en als zodanig is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Mitsdien kan dit oordeel in cassatie niet op juistheid maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst43, terwijl het onderdeel slechts een rechtsklacht omvat44.

In het licht van het voorgaande kan mijns inziens evenmin worden gezegd dat het hof de bewijslast en het bewijsrisico heeft verlegd naar de man door hem te veroordelen tot het betalen van € 285.000,- en tot het op voet van art. 1:83 BW verstrekken van inlichtingen en dat het hof “dan ook ten onrechte (is) afgeweken van de bewijsregels en (…) daarmee blijk (heeft) gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”

2.15

Onderdeel 2 is derhalve tevergeefs voorgesteld.

2.16

Onderdeel 3 richt zich met een rechtsklacht (onder 3.1) en een tweetal motiveringsklachten (onder 3.1 en 3.2) tegen het in rov. 11 van de bestreden beschikking vervatte oordeel van het hof dat “(…) de vrouw, op basis van de stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap, een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,- (...).”

Subonderdeel 3.1 stelt dat het hof door te beslissen dat de vrouw een rechtstreekse vordering heeft op de man (ten laste van diens privévermogen) van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, gelet op de volgende overweging uit HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5576, NJ 2012/60745:

“(…) Een betaling door een echtgenoot uit diens privévermogen ten behoeve van de huwelijksgoederengemeenschap kan leiden tot een vordering ter hoogte van die betaling van die echtgenoot op die gemeenschap, maar niet, (…) tot een zodanige vordering van die echtgenoot op de andere echtgenoot.”

Althans” is het bestreden oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, nu er geen grond bestaat om de man rechtstreeks aan te spreken op de waardevermindering van de gemeenschap, bijvoorbeeld omdat hij zaken aan de gemeenschap zou hebben onttrokken.

Subonderdeel 3.2 bestempelt ’s hofs beslissing dat de man € 285.000,- aan de vrouw dient te betalen als onbegrijpelijk, in het licht van de “uitdrukkelijke erkenning van de vrouw” dat zij een bedrag van ten minste € 50.000,- aan haar familie ter hand heeft gesteld, heeft overgemaakt en heeft uitgeleend46. Hierbij heeft het hof bovendien niet, althans niet kenbaar, in zijn beslissing betrokken of de vrouw aan de op haar rustende inlichtingenplicht ex art. 1:83 BW heeft voldaan, zo wordt tot slot nog gesteld.

2.17

Het vergoedingsrecht dat in de onderhavige zaak aan de orde is (“een vordering op de huwelijksgemeenschap van € 570.000,-”, rov. 8), is een zogenaamde reprise, die kan worden omschreven als “een vordering van een echtgenoot op het gemeenschappelijk vermogen omdat diens privé-actief in de gemeenschap is verdwenen of ten bate van de gemeenschap is aangewend”47. Wat betreft het verhaal van reprises heeft de Hoge Raad in een arrest van 13 januari 2006 (dus onder het oude huwelijksvermogensrecht48) het volgende bepaald49:

“3.4.9 (…). Deze klachten nemen terecht tot uitgangspunt dat een (voormalige) echtgenoot die een vordering tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van hem toekomende goederen heeft en die vordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet of slechts gedeeltelijk kan verhalen op de gemeenschap, de helft van hetgeen hij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen, kan verhalen op het privévermogen van de andere (voormalige) echtgenoot. (…)”

In een arrest van 4 mei 200750 heeft de Hoge Raad volgens Reinhartz gesteld dat men bij de berekening van een reprise moet onderscheiden tussen verschillende situaties51:

a. de gemeenschap is nog niet verdeeld en er is voldoende vermogen in de gemeenschap om daaruit de reprisevordering te voldoen. In dat geval dient de reprise uit de ontbonden gemeenschap te worden voldaan.

b. de gemeenschap is al verdeeld. In dat geval kan de reprisegerechtigde zich voor de helft van het bedrag van de reprise verhalen op het privévermogen van de ander.

c. de gemeenschap is nog niet (geheel) verdeeld maar zij biedt onvoldoende verhaal voor de reprise. In dat geval heeft de echtgenoot - voor zover mogelijk - recht op voldoening van zijn vordering uit de gemeenschap. Voor het resterende deel mag hij zich voor de helft verhalen op het privévermogen van de ander. In alle gevallen krijgt de echtgenoot hetgeen waar hij recht op heeft: betaling van slechts de helft van de vordering uit het privévermogen van de ander komt immers economisch neer op hetzelfde als de betaling van het gehele bedrag uit de gemeenschap waartoe de reprisegerechtigde echtgenoot zelf voor de helft gerechtigd is.

Op 19 oktober 2012 wees de Hoge Raad vervolgens (nog steeds onder het oude recht) het arrest waarop subonderdeel 1.3 zich beroept. In cassatie werd opgekomen tegen de beslissing van het hof dat de vrouw ten laste van haar privévermogen een bedrag van € 50.000,- aan de man diende te betalen, in verband met de door de man met zijn privévermogen gedane investeringen in de verbetering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende echtelijke woning. Deze beslissing vond geen genade in de ogen van A-G Huydecoper52:

“8. De klachten uit de middelen zijn gegrond. Als de echtgenoot uit “eigen middelen” bijdragen levert aan een in de gemeenschap vallend goed, kan dat een aanspraak opleveren op vergoeding van de daarmee gemoeide kosten ten laste van de gemeenschap, maar ontstaat er niet een vordering tot het bedrag van de geïnvesteerde gelden op de andere huwelijkspartner. (…).” (onderstreping toegevoegd; LK).

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof evenmin in stand53:

“3.3 De middelen slagen. Een betaling door een echtgenoot uit diens privévermogen ten behoeve van de huwelijksgoederengemeenschap kan leiden tot een vordering ter hoogte van die betaling van die echtgenoot op die gemeenschap, maar niet, zoals het hof heeft geoordeeld, tot een zodanige vordering van die echtgenoot op de andere echtgenoot. (…).” (onderstrepingen toegevoegd; LK).

Anders dan subonderdeel 3.1 kennelijk voorstaat, dient dit oordeel niet aldus te worden opgevat dat een reprise niet (meer) zou kunnen worden verhaald op het privévermogen van de andere (voormalige) echtgenoot. Gelet op de door de Hoge Raad gebezigde bewoordingen, volgt uit het arrest van 19 oktober 2012 immers dat een reprise volledig verhaald kan worden op de gemeenschap (“kan leiden tot een vordering ter hoogte van die betaling van die echtgenoot op die gemeenschap”), doch niet - zoals het hof had geoordeeld - voor het volle bedrag rechtstreeks op het privévermogen van de andere echtgenoot (“maar niet (…) tot een zodanige vordering van die echtgenoot op die andere echtgenoot”)54. Daarmee is de Hoge Raad mijns inziens55 niet afgeweken van de reeds eerder ingeslagen weg (onder het oude recht) dat de tot reprisegerechtigde echtgenoot die zijn vordering niet (volledig) kan verhalen op de gemeenschap, de helft van hetgeen hij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen, rechtstreeks kan vorderen van de andere (voormalige) echtgenoot, ten laste van diens privévermogen56.

2.18

In de onderhavige zaak heeft het hof bij zijn door subonderdeel 3.1 bestreden oordeel in rov. 11 tot uitgangspunt genomen dat er geen (voldoende verhaal biedende) huwelijksvermogensgemeenschap is (“op basis van de stellingen van de man dat er geen goederen zijn die als activa deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap”). Gelet op dit - in cassatie onbestreden gebleven - uitgangspunt heeft het hof, gelet op het voorgaande, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrouw een rechtstreekse vordering heeft op de man van € 285.000,-, zijnde de helft van de totale vergoedingsvordering van de vrouw op de huwelijksgemeenschap van € 570.000,-. Onbegrijpelijk in de door het subonderdeel voorgestane zin is dit oordeel in het licht van het voorgaande evenmin57. Subonderdeel 3.1 faalt derhalve.

2.19

Wat betreft de door subonderdeel 3.2 voorgestelde motiveringsklacht geldt het volgende.

Uit de stukken waarnaar het subonderdeel verwijst, volgt dat de vrouw heeft gesteld dat zij een bedrag van € 50.000,- aan haar broer heeft gegeven ten einde te voorkomen “dat de man ook dit bedrag zou opeisen” en daarnaast met de bedoeling dat de broer “stappen zou ondernemen om het vermogen van de vrouw weer terug te halen”58.

Ik meen dat de klacht gegrond is. Als het juist is dat van het aan de vrouw uitgekeerde bedrag een bepaald bedrag “over” was en de vrouw dit bedrag volledig tot haar beschikking heeft gehad en inmiddels weer bijna volledig tot haar beschikking heeft59, kan (of had) zij haar recht van reprise (kunnen) uitoefenen door dat bedrag (waarmee in de gedachtegang van het hof de huwelijksgoederengemeenschap was gebaat) weer “tot zich” te nemen, waarmee de door het hof aangenomen schuld van de gemeenschap aan de vrouw in zoverre zou zijn gedelgd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de vrouw de man voor de helft van ook dát bedrag zou kunnen aanspreken.

Subonderdeel 3.2 is daarom terecht voorgesteld.

2.20

In subonderdeel 3.2 en in de toelichting daarop onder 6.3 wordt gesproken van een bedrag van “ten minste EUR 50.000,-”. De vrouw heeft in haar appelschrift onder 23 gesproken van “een bedrag van € 50.000,-”. Tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof heeft de vrouw gesproken van een bedrag van “slechts € 50.000,-”. Het subonderdeel, dat spreekt van een bedrag van “ten minste EUR 50.000,-”, strekt kennelijk mede ten betoge dat nog nader moet worden vastgesteld tot welk bedrag de vrouw haar recht van reprise reeds heeft kunnen uitoefenen, maar dat dit bedrag ten minste € 50.000,- bedraagt. Op die strekking wijst ook dat het subonderdeel mede de op de vrouw rustende inlichtingenplicht van art. 1:83 BW ter sprake brengt. Daarbij komt dat de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw “veel geld heeft uitgeleend, onder andere aan familieleden” (zie rov. 5), waarmee de man kennelijk niet het oog heeft gehad op een tot € 50.000,- beperkt bedrag. Bij die stand van zaken kan Hoge Raad mijns inziens de zaak niet zelf afdoen door het toegewezen bedrag van € 285.000,- met € 25.000,- te verminderen, maar zal hij de zaak moeten verwijzen, opdat alsnog nader wordt vastgesteld voor welk bedrag de vrouw haar recht van reprise kan (of had kunnen) uitoefenen op reeds te harer beschikking staande gelden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De feiten, weergegeven voor zover in cassatie van belang, zijn ontleend aan de rov. 2.1-2.3 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2015. Het hof is in zijn bestreden beschikking van deze feiten uitgegaan, voor zover partijen daartegen in hoger beroep niet zijn opgekomen (p. 2 van de bestreden beschikking).

2 Zie het verzoekschrift tot echtscheiding van 5 augustus 2014, onder 23 en 41 alsmede de rov. 2.19 en 2.30 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2015 en rov. 7 van de bestreden beschikking.

3 Verzoekschrift tot echtscheiding van 5 augustus 2014, onder 24-41; beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2015, rov. 2.30-2.33.

4 Zie rov. 2.31 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2015. De man heeft tevens een zelfstandig verzoek ingediend ter zake van het gezag over en de verblijfplaats van de kinderen. Zie het verweerschrift tot echtscheiding van 11 februari 2015, tevens houdende zelfstandig verzoek, onder 3-17.

5 De rechtbank is tot deze vaststelling gekomen, na aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 te hebben bepaald dat het huwelijksvermogensregime tussen partijen de eerste tien jaren van het huwelijk werd beheerst door het Marokkaanse recht, waarna (met ingang van 17 mei 2010) het Nederlands recht van toepassing werd.

6 Verzoekschrift van 22 december 2015, petitum onder I-IV. Zie ook rov. 2 van de bestreden beschikking, waarin het overzicht van de bescheiden die de vrouw van de man wenst te ontvangen, uit het petitum is overgenomen.

7 ECLI:NL:GHDHA:2016:2674.

8 Zie de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2015, rov. 2.32.

9 Verzoekschrift tot cassatie, onder 1.1, in fine.

10 Zie de in het verzoekschrift tot cassatie opgenomen toelichting op onderdeel 1, onder 4.5.

11 In de toelichting op het onderdeel, onder 4.4, wordt hierbij gewezen op hof Den Haag 25 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3875, rov. 54, en hof Den Haag 2 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3063, waaruit volgens de toelichting blijkt dat “het afleggen van rekening en verantwoording niet past binnen het instituut van het huwelijk, aangezien het huwelijk de bezegeling is van de lotsverbondenheid.”

12 Deze grondslag wordt in het verzoekschrift van 22 december 2015 wel genoemd onder 32, maar niet (meer) in het petitum. Overigens kunnen beide bepalingen een echtgenoot die inlichtingen van de andere echtgenoot wenst, ten dienst staan; zie GS Personen- en familierecht, art. 1:83 BW, aant. 2 (J.H. Lieber; 01-08-2016).

13 Zie nader over de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, met verwijzingen naar de relevante rechtspraak, T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 25 (A.I.M. van Mierlo); Asser Procesrecht/Van Schaick 2 (2016), nr. 99; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 (2015), nrs. 204-206; A.S. Rueb, E. Gras & A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk Procesrecht (2015), 2.8.2; Snijders & Wendels/Snijders, Civiel Appel (2009), nr. 230-236; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Rv (E.M. Wesseling-van Gent; 01-02-2008). Het hierna volgende is op deze literatuur gebaseerd.

14 De rechter is steeds verplicht tot een aanvulling van de rechtsgronden indien het gaat om rechtsregels van openbare orde (en bepaalde regels van Europees consumentenrecht), ook indien hij daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou treden. Zie in dit verband in het bijzonder T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 25, aant. 2 (A.I.M. van Mierlo) en Snijders & Wendels/Snijders, Civiel Appel (2009), nrs. 233-236.

15 De rechter mag bij een aanvulling van de rechtsgronden niet (tevens) de feitelijke grondslag van de vordering, het verzoek of het verweer aanvullen. Zie in dit verband HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1105, NJ 1994/94; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472, NJ 2012/143. Ook mag een aanvulling van rechtsgronden niet leiden tot een verrassingsbeslissing. Zie T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 25, aant. 4 (A.I.M. van Mierlo) en GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Rv, aant. 4 (E.M. Wesseling-van Gent; 01-02-2008).

16 HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2655, NJ 1998/625; HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6625, NJ 2002/228. Bij de beoordeling of dit het geval is, komt het aan op de uitleg door de rechter van de gedingstukken en de stellingen van partijen; T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 25, aant. 1 en 2 (sub b) (A.I.M. van Mierlo).

17 Dit is anders indien de voorgenomen aanvulling zou leiden tot een verrassingsbeslissing. Zie T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 19, aant. 7 en art. 25, aant. 3-4 (A.I.M. van Mierlo).

18 Hieraan doet op zichzelf (nog) niet af het feit dat het door de vrouw ingeroepen art. 843a Rv, in de woorden van het subonderdeel, “een ander en specifieker beoordelingskader (kent) dan de algemene inlichtingenplicht van artikel 1:83 BW”; voldoende is dat de feiten en omstandigheden die door de vrouw aan haar verzoek ten grondslag zijn gelegd, toepassing van art. 1:83 BW kunnen dragen. Mijns inziens is dit het geval.

19 Verzoekschrift van 22 december 2015, petitum sub III (zoals ook weergegeven in rov. 2 van de bestreden beschikking).

20 Luidende: “Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”

21 De toelichting verwijst op dit punt naar rov. 2.36 van de beschikking van de rechtbank van 2 oktober 2015, waarin de rechtbank op deze bepaling heeft gewezen.

22 Deze vaststelling wordt als zodanig niet bestreden; het tegen rov. 8 gerichte onderdeel 2 behelst de klacht dat het hof een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast zou hebben gehanteerd. Om hierna onder 2.14 uiteengezette reden acht ik deze klacht tevergeefs voorgesteld.

23 Art. 1:98 BW (ingevoerd op 1 januari 1992, vervallen per 1 januari 2012) luidde: “De echtgenoten verstrekken elkander desgevraagd inlichtingen over het gevoerde bestuur, alsmede over de stand der goederen en schulden van de gemeenschap.” Deze inlichtingenplicht gold slechts voor echtgenoten die in enige gemeenschap van goederen waren gehuwd en besloeg alleen de huwelijksgemeenschap. Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht (2005), nr. 285. De inlichtingenplicht van art. 1:83 BW daarentegen geldt ongeacht het huwelijksvermogensregime en beslaat ook het privévermogen. Zie hierna, onder 2.9.

24 Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 16.

25 Het hof besliste in het dictum overigens in gelijkluidende bewoordingen.

26 Art. 1:98 BW (oud), de voorganger van art. 1:83 BW, was ingegeven door dit arrest. Zie GS Personen- en familierecht, art. 1:83 BW (J.H Lieber; 01-08-2016), onder A3.

27 HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338 m.nt. EAAL.

28 HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156, RvdW 2017/186, rov. 5.4.1-5.4.5. De tussen de gewezen echtgenoten, gehuwd op huwelijkse voorwaarden, bestaande eenvoudige gemeenschap (in de zin van titel 7 van Boek 3 BW) bestond uit een perceel met daarop een in aanbouw zijnde woning. A-G Vlas was in zijn conclusie voor het arrest van mening dat er géén plaats was voor het afleggen van rekening en verantwoording. Hij wijst daarbij op het exclusieve karakter van het huwelijk en de huwelijksgemeenschap, en de aan de huwelijksgemeenschap verbonden lotsgebondenheid. Zie de conclusie onder 2.16-2.25.

29 Kamerstukken II 2002/03 28 867, nr. 3, p. 16 (tevens wordt verwezen naar Asser-de Boer, Personen- en familierecht, Deventer 2002, nr. 347). Daaraan wordt toegevoegd: “deze verplichting bestaat alleen in de door de wet aangegeven gevallen, bijvoorbeeld wanneer de ene echtgenoot het bestuur overlaat aan de andere echtgenoot (vergelijk artikel 90, derde lid).” Voornoemd arrest van 3 februari 2017 sluit bij deze laatste opmerking aan.

30 Vgl. de hiervóór, onder 2.9 geciteerde overweging uit het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1971: “dat zij sedert 1 jan. 1957 in het algemeen, zolang de gemeenschap bestaat, jegens elkander verplicht zijn de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen en schulden der gemeenschap en het daarover gevoerde bestuur, en dat zij na de ontbinding der gemeenschap verplicht zijn tot het tot stand komen van een boedelbeschrijving mede te werken door het doen van opgaven die binnen hun vermogen zijn gelegen en tot dat doel van belang kunnen zijn, waartoe mede kunnen behoren inlichtingen m.b.t. het verleden, (…).” (onderstreping toegevoegd; LK).

31 Verzoekschrift tot cassatie, onder 2. De voetnootverwijzingen zijn overgenomen uit het verzoekschrift.

32 Verweerschrift in hoger beroep, positum 11 ad 4.

33 Idem, positum 7

34 Idem, positum 10.

35 In de toelichting op onderdeel 2 (onder 5.2) wordt hieraan toegevoegd dat de man gezien de stellingen van de vrouw kon volstaan met een algemene betwisting dat in Marokko investeringen hebben plaatsgevonden.

36 Zie over deze uitzondering bijv. T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 284 Rv, aant. 2 (A.I.M. van Mierlo).

37 Voor een beschrijving van de samenhang tussen de (onderscheiden) rechtsfiguren stelplicht en bewijslast, zie R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk, Stelplicht & Bewijslast, onder 2.1 (R.J. Boonekamp, 31-08-2016).

38 T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 149 Rv, aant. 2 sub b (D.J. Beenders, die opmerkt dat de mate van concretisering geen vaststaand gegeven is); V. van den Brink, Stellen, betwisten, bewijzen - een handleiding, Praktisch Procederen 2008, p. 91-92; Asser Procesrecht/Asser 3 (2013), nr. 288.

39 R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk, Stelplicht & Bewijslast, onder 1 en 2.3 (R.J. Boonekamp, 31-08-2016); T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 149 Rv, aant. 1 en 2, en art. 150 Rv, aant. 2 (D.J. Beenders); Asser Procesrecht/Asser 3 (2013), nr. 288.

40 Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zie HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0727, NJ 1992/813, herhaald in HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1071, NJ 1994/226 m.nt. HER onder NJ 1994/227; HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2732, NJ 1999/195 m.nt. ARB en HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468. Overigens draagt de gedaagde wel (de stelplicht en, bij voldoende betwisting door de wederpartij) de bewijslast van de feiten die hij stelt voor een bevrijdend verweer. Zie hierover bijv. R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk, Stelplicht & Bewijslast, onder 3 (R.J. Boonekamp, 07-09-2016); T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 150 Rv, aant. 2 (D.J. Beenders).

41 T&C Burgerlijke Rechtsvordering (2016), art. 150 Rv, aant. 2 sub c (D.J. Beenders); V. van den Brink, Stellen, betwisten, bewijzen - een handleiding, Praktisch Procederen 2008, p. 92.

42 Vgl. ook de toelichting op onderdeel 2, onder 5.1 (“Het hof heeft daarmee de regels omtrent de stelplicht en bewijslast miskend door te beslissen dat de vrouw heeft voldaan aan haar stelplicht met de blote stelling dat de man gelden zou hebben geïnvesteerd in Marokko.”) en onder 5.2 (“Gezien de stellingen van de vrouw kon de man volstaan met de betwisting daarvan zoals hij die ten processe heeft gedaan.”). Overigens was ook de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende had onderbouwd; zie rov. 2.34 van de beschikking van 2 oktober 2015.

43 Zie o.m. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0664, NJ 1992/713; HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4841, NJ 2005/269 m.nt. DA onder NJ 2005/270; HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2048, NJ 2007/61. Zie ook de conclusie van A-G Huydecoper voor HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, RvdW 2006/238.

44 Zie, naast de aanhef van onderdeel 2 (“Het hof heeft voorts blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (…)”) ook de toelichting op het onderdeel onder 5.1, laatste zin (“Het hof heeft daarmee de regels omtrent de stelplicht en bewijslast miskend…”), alsmede die toelichting onder 5.3, laatste zin (“Het hof is dan ook dan ook ten onrechte afgeweken van de bewijsregels en heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”).

45 Het betreft rov. 3.3 van voornoemde beschikking.

46 Verwezen wordt naar het appelschrift van 22 december 2015, onder 23 en productie 10 zijdens de vrouw.

47 C.A. Kraan m.m.v. Q.J. Marck, Het huwelijksvermogensrecht (2012), p. 101. Het betreft dus een persoonlijk vorderingsrecht van een echtgenoot (de reprisegerechtigde) op de gemeenschap. Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II (2016), nr. 178. De reprise is thans opgenomen in art. 1:96 lid 3 BW.

48 Het recht zoals dat gold tot de inwerkingtreding op 1 januari 2012 van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011, 205).

49 HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU2399, NJ 2006/60, rov. 3.4.9. Uit de literatuurverwijzingen in de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot De Vriesch Lentsch-Kostense voor het arrest (onder 14) kan worden afgeleid dat de Hoge Raad hiermee aansloot bij een aanzienlijk deel van de literatuur. Zie voor verwijzingen naar later werk Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II (2016), nr. 181.

50 HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7904, RvdW 2007/494.

51 GS Personen- en Familierecht, art. 1:95 BW, aant. 10 (B.E. Reinhartz; 27-10-2015). Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent voor het arrest, onder 2.6: “Doorslaggevend voor de beoordeling van de (hoogte van de) reprisevordering van de vrouw op de man privé is m.i. of de huwelijksgoederengemeenschap al is verdeeld. Immers, indien de gemeenschap is verdeeld en het repriserecht nog niet is uitgeoefend, heeft de vrouw recht op de helft van de reprisevordering op de man privé.”

52 Conclusie A-G Huydecoper voor HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5576, NJ 2012/607, onder 8.

53 HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:BX5576, NJ 2012/607, rov. 3.3.

54 Zie ook A-G Huydecoper in voetnoot 6 bij zijn hiervóór geciteerde overweging: “Zie voor de vraag of er wel een rechtstreekse vordering voor de helft van de geïnvesteerde bedragen mogelijk is bijvoorbeeld (…).” (onderstreping toegevoegd; LK).

55 Vgl. ook de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3475, NJ 2016/15, onder 2.10: “Deze overweging (rov. 3.3 van HR 19 oktober 2012; LK) laat onverlet dat een echtgenoot, voor zover hij voor zijn vergoedingsrecht geen verhaal heeft op het gemeenschapsvermogen, voor de helft van het resterende bedrag verhaal kan hebben op de andere echtgenoot.” Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II (2016), nr. 181: “Het spreekt vanzelf dat de tot reprise gerechtigde echtgenoot in elk geval niet het hele bedrag van de andere echtgenoot kan vorderen (zie HR 19 oktober 2012, NJ 2012/607).” De Boer, Kolkman en Salomons merken hierbij nog op dat, net als bij de opeisbaarheid in het algemeen, ook bij verhaal voor de helft op het privévermogen van de andere echtgenoot geldt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid veelal de ontbinding en verdeling van de gemeenschap zal moeten worden afgewacht.

56 Vgl. rb. Oost-Brabant 17 december 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7547, rov. 4.4: “(…) In het algemeen geldt dat een tot een reprise gerechtigde echtgenoot een vordering heeft op de gemeenschap en niet rechtstreeks op de andere echtgenoot (HR 19 oktober 2012, NJ 2012, 607, LJN BX5576, rov. 3.3). Echter, indien de tot een reprise gerechtigde echtgenoot die vordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet of slechts gedeeltelijk kan verhalen op de gemeenschap, kan die echtgenoot de helft van hetgeen niet op de gemeenschap kan worden verhaald, verhalen op het privévermogen van de andere (voormalige) echtgenoot (HR 13 januari 2006, NJ 2006, 60, LJN AU2399, rov. 3.4.9). (…)”

57 Zie ook rov. 7, waarin het hof heeft vastgesteld dat partijen hebben ingestemd met zijn uitleg dat op het moment van verkrijging van de schadevergoeding door de vrouw in 2011 een vergoedingsrecht van de vrouw op de huwelijksvermogensgemeenschap ontstond van € 570.000,- en de daarop volgende vaststelling in rov. 8, kort gezegd, dat niet is gebleken dat de vrouw de schadevergoeding heeft aangewend voor het betalen van privéschulden, en dat het hof dus ervan is uitgegaan dat de vrouw een vordering heeft op de huwelijksvermogensgemeenschap van € 570.000,-. De rov. 7 en 8 worden als zodanig niet in cassatie bestreden. Onderdeel 2 richt zich weliswaar mede tegen rov. 8, maar doet dat slechts met de klacht dat het hof de regels omtrent de stelplicht en de bewijslastverdeling zou hebben miskend.

58 Appelschrift van 23 december 2015, onder 23.

59 De rechtbank Rotterdam overwoog in rov. 2.34 van zijn beschikking van 2 oktober 2015 onder meer dat de vrouw ter zitting had erkend “dat zij een substantieel bedrag aan haar eigen familie ter hand heeft gesteld, heeft overgemaakt en heeft uitgeleend.” Ter zitting van het hof Den Haag van 1 juli 2016 heeft de advocaat van de vrouw in dit verband opgemerkt: “Dat mevrouw de gelden zou hebben besteed aan haar familieleden is onjuist. Deze familieleden hebben pas vernomen van het vermogen toen het al weg was. Er was slechts € 50.000,- over. Dat bedrag is uitgeleend en is inmiddels bijna helemaal terugbetaald.” Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof Den Haag van 1 juli 2015, p. 3, onder “De advocaat van de vrouw”.