Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:518

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
16/05550
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2386, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinder- en partneralimentatie. Passeren essentiële stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/05550

mr. Hartlief

Zitting: 16 juni 2017

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(hierna: ‘de vrouw’)

tegen

[de man]

(hierna: ‘de man’)

Deze Caribische zaak draait om de beoordeling van de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie. In cassatie wordt met name betoogd dat het hof hierbij een verkeerde maatstaf zou hebben aangelegd en voorbij zou zijn gegaan aan diverse essentiële stellingen van de vrouw met betrekking tot de draagkracht en behoefte.

1 Feiten

1.1

De vrouw en de man zijn op 9 januari 2001 in Curaçao in gemeenschap van goederen getrouwd.1 Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, allen in Curaçao: [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1992, [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1996 en [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2006.2 [kind 3] is op dit moment nog minderjarig: zij wordt hierna ook wel aangeduid als “het minderjarige kind” of “de minderjarige”.

1.2

De onderhavige zaak draait om verzoeken die verband houden met de echtscheiding die tussen partijen is uitgesproken. In cassatie spitst de zaak zich toe op de beoordeling van de verzoeken van de vrouw tot toekenning van kinderalimentatie en partneralimentatie.

2 Procesverloop

2.1

Op 21 maart 2014 heeft de vrouw verzocht tussen partijen de echtscheiding, c.q. scheiding van tafel en bed, uit te spreken. In zijn beschikking van 24 juni 2014 is door het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het ‘GEA’) de echtscheiding uitgesproken. Uit deze beschikking blijkt dat beide partijen in de echtscheiding hebben berust (rov. 3.1.). Bij diezelfde beschikking heeft het GEA de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen (rov. 3.2. en het dictum), bepaald dat het gezamenlijk gezag over het minderjarig kind blijft voortbestaan (rov. 3.3. en het dictum) en bepaald dat de vrouw tot 9 maanden na datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeslissing het voortgezet gebruik van de gezamenlijke woning heeft (rov. 3.10. en het dictum). Beslissingen over de verzochte kinder- en partneralimentatie (hierna 2.2 e.v.) zijn aangehouden, evenals de beslissing over de feitelijke verblijfplaats van het minderjarige kind.

2.2

De vrouw heeft in haar verzoekschrift van 21 maart 2014 verzocht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en jongmeerderjarige kinderen (kinderalimentatie) van NAf. 1.250,- per maand. In zijn tussenbeschikking van 24 juni 2014 heeft het GEA overwogen dat uitgangspunt dient te zijn dat de vader en moeder naar verhouding van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van hun minderjarige en jongmeerderjarige kinderen (rov. 3.8.). Gelet hierop heeft het GEA hen beiden in de gelegenheid gesteld informatie in het geding te brengen omtrent inkomen, eventuele schulden en hiermee verband houdende aflossingsverplichtingen, onderbouwd met documenten. Het GEA heeft de zaak op dit punt naar de rol verwezen.

2.3

Daarnaast heeft de vrouw verzocht om een bijdrage van de man ter voorziening in haar eigen kosten van levensonderhoud (partneralimentatie) van NAf. 7.500,- per maand.3 De man heeft zich tegen de hoogte van het bedrag verzet. Het GEA heeft in zijn beschikking van 24 juni 2014 overwogen dat voor de beoordeling van deze aanspraak de behoeftigheid van de vrouw, de welstand tijdens het huwelijk en de draagkracht van de man dienen te worden vastgesteld (rov. 3.9.). Gelet hierop heeft het GEA de vrouw in gelegenheid gesteld een akte te nemen om haar behoeftigheid te onderbouwen. Voor de vaststelling van de draagkracht moeten, zo heeft het GEA verder overwogen, gegevens in het geding worden gebracht als is overwogen in rov. 3.8. ten aanzien van de verzochte kinderalimentatie (hiervoor 2.2).

2.4

Bij akte van 28 oktober 2014 heeft de vrouw een overzicht van haar maandelijkse (toekomstige) uitgaven overgelegd. Zij heeft gesteld dat, gelet op haar financiële huishouding en het hoge welstandsniveau waarop partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd, het door haar verzochte niet buitenproportioneel is en derhalve in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.5

De man heeft bij akte van 28 oktober 2014 een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven verstrekt. Als inkomsten heeft hij genoemd een salaris van NAf. 5.463,39 per maand van zijn artsenpraktijk [A] N.V. en inkomsten uit het bedrijf ‘Body Treatment’ van NAf. 1.000,- per maand, waarbij is aangetekend dat dit bedrijf per 1 juli 2014 is gesloten. Als kosten worden onder meer genoemd de uitgaven in verband met de hypothecaire lening op de echtelijke woning ten bedrage van NAf. 2.078,-, waarbij wordt aangegeven dat die door de vrouw wordt bewoond. Ook wordt een bedrag van NAf. 1.474,- per maand genoemd in verband met een lening voor een auto waarin de vrouw rijdt.

2.6

Bij eindbeschikking van 22 december 2014 van het GEA is, mede naar aanleiding van een rapport van de Voogdijraad Curaçao,4 een voorlopig co-ouderschap vastgesteld, waarbij de minderjarige afwisselend vier dagen bij de vrouw en vervolgens vier dagen bij de man verblijft (rov. 2.1). 5

2.7

Ten aanzien van het verzoek tot toewijzing van partneralimentatie heeft het GEA in diezelfde eindbeschikking beslist dat de man tot 1 juli 2015 in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zal moeten bijdragen. Het GEA heeft overwogen dat de man geen draagkracht heeft, maar gezien de bijzondere omstandigheden van het geval voor een overgangsperiode in het levensonderhoud van de vrouw zal moeten bijdragen waarna de vrouw eigen verdiencapaciteit zaal kunnen realiseren:

“2.2 De vrouw heeft verzocht een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud ten laste van de man vast te stellen van NAf. 7.500,00 per maand. Bij de beoordeling van een verzoek om partneralimentatie is van belang of de partner die een verzoek tot partneralimentatie doet behoeftig is. Daarvoor dient onder meer te worden vastgesteld of deze partner zelf inkomsten kan verwerven die kunnen worden aangewend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. Verder moet worden gelet op de welstand die partijen tijdens het huwelijk genoten.

2.3

Voor de welstand moet worden uitgegaan van de inkomsten die partijen tijdens het huwelijk tezamen hebben ingebracht. De welstand die partijen tijdens het huwelijk genoten wordt gebaseerd op de netto inkomens van partijen. Op basis daarvan hebben partijen elk een behoefte van NAf. 5.300,00 per maand. Geconcludeerd moet worden dat de man gezien de hoogte van zijn inkomsten en de uitgaven, geen draagkracht heeft om een partneralimentatie aan de vrouw te betalen. De man betaalt immers nog steeds de aflossing voor de hypotheek ad NAf. 2.078,00 per maand verband houdend met de echtelijke woning, waarin de vrouw verblijft. Voorts voldoet de man bijdragen aan de jongmeerderjarigen van respectievelijk € 250,00 en $ 300,00 per maand en voldoet [hij] eveneens kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige. Gezien de bijzondere omstandigheden van het geval zal desondanks worden bepaald dat de man - zij het voor een overgangsperiode - een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw blijft betalen. Door de echtscheiding is de vrouw namelijk plotseling in de positie komen te verkeren dat zij haar (fictieve) plaats op de loonlijst van het bedrijf van de man verliest. Geconstateerd is dat bij de vrouw sprake is van verdiencapaciteit die zij kan gaan realiseren. Ook daarvoor heeft zij enige tijd nodig. Bepaald zal daarom worden dat de man nog tot 1 juli 2015 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldoet van NAf. 2.000,00 per maand.”

2.8

Het GEA heeft het verzoek tot toekenning van kinderalimentatie geheel afgewezen (rov. 2.4 en het dictum). Daartoe heeft het GEA overwogen dat is komen vast te staan dat de man alle vaste kosten voor het minderjarige kind voldoe en dat ook van de vrouw een bijdrage in de kosten van de minderjarige mag worden verwacht:

“2.4 Nu bepaald zal worden dat de minderjarige ongeveer evenveel tijd bij de man als bij de vrouw zal doorbrengen moet worden bezien of er aanleiding is om ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan de vrouw toe te kennen. De vrouw heeft niet betwist dat de man alle vaste kosten voor de minderjarige, zoals schoolgeld, sporten en hobby’s voldoet. Omdat ouders naar evenredigheid van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen en derhalve ook van de vrouw een bijdrage mag worden verwacht, wordt het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie afgewezen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de man de vaste kosten van de minderjarige volledig voor zijn rekening blijft nemen. Ook anderszins kan wijziging van omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een toekomstige wijziging van omgang met de minderjarige, aanleiding zijn om deze beslissing te wijzigen.”

2.9

Het GEA heeft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud vastgesteld op NAf. 2.000,00 per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Burgerlijke stand rechtstreeks en bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en eindigend per 1 juli 2015, met dien verstande dat voor zover de man over de voorafgaande periode meer heeft betaald, de bijdrage tot 1 januari 2015 wordt gelijkgesteld aan hetgeen door hem is betaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.10

De vrouw heeft op 2 februari 2015 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 december 2014. Voor zover in cassatie van belang heeft zij in haar beroepschrift het volgende aangevoerd.

2.11

Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de vrouw aangevoerd dat zij geen verdiencapaciteit heeft, omdat zij in het geheel geen werkervaring heeft en ook geen opleiding of diploma’s om betaald werk te kunnen krijgen.6 Zij wordt dan ook niet aangenomen. Hieruit volgt reeds dat de vrouw behoeftig is, welke conclusie ook het GEA heeft getrokken. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de man voldoende draagkrachtig is om te kunnen bijdragen: dat blijkt, volgens de vrouw, daaruit dat hij als arts een eigen praktijk heeft, en dat hij de vrouw een inkomen uit de praktijk betaalde, waarvoor zij echter geen arbeid leverde. Op het moment dat zij uit elkaar gingen, heeft de man de vrouw ontslagen, volgens haar ten onrechte.7 Volgens de vrouw kan de man haar dus het inkomen dat zij verdiende blijven betalen. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat de man meer inkomsten heeft dan hij heeft opgegeven. Deze extra inkomsten zouden bestaan uit salaris voor zijn werkzaamheden als arts bij de [B]-groep en winsten uit zijn artsenpraktijk.8 Dit alles zou kunnen worden afgeleid uit aanslagen en ingediende inkomstenbelastingaangiftes, die de man echter niet heeft overgelegd, wat tot zijn nadeel zou moeten strekken.9 Volgens de vrouw heeft het GEA ten onrechte bij de beoordeling van de draagkracht van de man meegewogen dat hij de aflossing van de hypothecaire lening op de echtelijke woning betaalt. Deze woning dient namelijk zo snel mogelijk te worden verkocht, waarmee deze schuld zal zijn voldaan.10 Tenslotte heeft de vrouw betwist dat de man, zoals hij heeft gesteld, betalingen doet aan de jongmeerderjarigen.11

2.12

Het GEA heeft volgens de vrouw dus ten onrechte geconcludeerd dat de man geen draagkracht heeft, zodat het de verzochte partneralimentatie niet op die grond mocht beperken tot NAf. 2.000,- per maand tot 1 juli 2015.

2.13

Het GEA heeft het verzoek tot toekenning van kinderalimentatie volgens de vrouw ten onrechte afgewezen, nu het GEA immers een co-ouderschap heeft uitgesproken, waarbij het kind om de vier dagen bij de andere ouder verblijft. De vrouw heeft geen inkomsten, terwijl de behoefte van het kind door de vrouw is geschat op NAf 1.600,-, waaraan de man pro rata dient bij te dragen; nu de vrouw geen inkomsten geniet, bedraagt de pro rata bijdrage van de man NAf 1.600,-. Bij een latere akte heeft zij het geschatte bedrag nader onderbouwd. Het gaat onder meer om schoolgeld, kosten verbonden met buitenschoolse activiteiten, tennislessen, kleding en eten. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat het minderjarige kind bij haar vader een hoge levensstandaard ervaart, die zij bij haar moeder ook verwacht.12 Volgens de vrouw is het kind bijvoorbeeld gewend dat de airconditioning zowel overdag als ’s nachts aan staat,13 hetgeen kosten meebrengt van NAf. 250,- per maand.14 De kosten verbonden aan zowel naschoolse activiteiten als aan tennislessen bedragen volgens de vrouw voor ieder van beide NAf. 100,- per maand.15

2.14

De man heeft verweer gevoerd met de strekking dat de vrouw niet behoeftig is, omdat zij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zelf inkomsten te verwerven.16 Ook heeft hij betwist draagkrachtig te zijn en hiertoe aangevoerd dat hij geen inkomsten uit nevenactiviteiten meer heeft17 en hoge kosten maakt voor het onderhoud van de twee meerderjarige kinderen en het minderjarige kind van partijen. 18

2.15

Bij tussenbeschikking van 11 augustus 2015 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) overwogen dat voor nadere beoordeling van de verzoeken tot partner- en kinderalimentatie nodig is dat de man financiële stukken overlegt ten aanzien van zijn draagkracht en de kosten die hij maakt ten behoeve van zijn kinderen. De man had deze bij de mondelinge behandeling zullen overleggen, maar heeft dit niet gedaan (rov. 1.4.-1.6.). Het hof heeft nodig geacht dat de man deze gegevens bij akte overlegt en overwogen dat het hof bij gebreke daarvan de gevolgtrekking zal maken die het geraden acht. Ook heeft het hof in de nalatigheid van de man aanleiding gezien om de door het GEA opgelegde verplichting tot betaling van partneralimentatie voorlopig voort te zetten:

“3.2. Het Hof acht het nodig dat de man bij akte financiële stukken overlegt ten aanzien van zijn draagkracht en de kosten die hij maakt ten behoeve van zijn kinderen. Kennelijk zit [kind 3] , op kosten van de man, op de International School en studeert [kind 2] , gedeeltelijk op kosten van de man, in New York. Kennelijk betaalt de man sedert februari 2015 niets meer aan [kind 1] .

3.3.

Nader uitstel voor het nemen van deze akte zal niet worden toegestaan. Indien de man niet tijdig de gevraagde stukken overlegt, kan het Hof daar de gevolgen aan verbinden die het geraden voorkomt.

3.4.

Het GEA heeft de man veroordeeld tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van NAf 2.000,= per maand, eindigend per 1 juli 2015. Het Hof ziet in de nalatigheid van de man om tijdig de financiële stukken in te sturen, waardoor de mondelinge behandeling voor het Hof niet kon worden voortgezet, reden deze verplichting per 1 juli 2015 te verlengen totdat het Hof anders beslist.”

Het hof heeft de man gelast bij akte financiële stukken over te leggen ten aanzien van zijn draagkracht en de kosten die hij maakt ten behoeve van zijn kinderen. Het hof heeft de zaak daartoe naar de rol verwezen. Verder heeft het hof bepaald dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie na 1 juli 2015 blijft doorlopen tot het hof anders beslist. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.16

Bij akte van 8 september 2015 heeft de man financiële gegevens overgelegd.19 Ter onderbouwing van zijn inkomsten heeft hij aangiftes inkomstenbelasting over 2012, 2013 en 2014 in het geding gebracht. Ook heeft hij een overzicht van de uitkeringen aan waarnemend artsen overgelegd, alsmede een kwitantie van de premie voor een brandverzekering en een overzicht van de saldi van zijn persoonlijke rekeningen en die van zijn praktijk.20 Met betrekking tot de kosten ten behoeve van zijn kinderen heeft de man gesteld dat hij deze volledig draagt en dat zal blijven doen. Ook stelt hij nog altijd de hypotheek van de echtelijke woning en de aflossing van de lening van de auto die de vrouw gebruikt te betalen.21

2.17

Op 24 november 2015 heeft de vrouw zich bij contra-akte over de verstrekte gegevens uitgelaten. Zij heeft erop gewezen dat de man niet de jaarrekeningen van zijn artsenpraktijk heeft overgelegd, waaruit zou blijken dat hij een deel van zijn privé-kosten in de kosten van zijn bedrijf verwerkt, zodat zijn draagkracht feitelijk groter is dan zijn inkomen doet vermoeden. Ook heeft de vrouw de juistheid van de bij de belastingaangifte opgegeven inkomsten betwist.22 Daarnaast heeft zij gesteld dat de man naast de opgegeven inkomsten nog meer inkomsten geniet, namelijk uit het bedrijf [B] en door het buiten zijn artsenpraktijk om wegzuigen van vet bij patiënten met een daartoe bestemde machine.23 Tenslotte heeft zij erop gewezen dat de man inmiddels een nieuwe partner heeft, die een eigen bedrijf heeft, en gesteld dat de kosten van het huishouden die de man heeft opgevoerd daarom door twee dienen te worden gedeeld. Ook dient bij de beoordeling van de draagkracht van de man volgens de vrouw tevens het inkomen van zijn huidige partner te worden betrokken.24 Aangaande de kosten die voor de kinderen worden gemaakt, heeft de vrouw erkend dat de man de kosten van de International School voor het minderjarige kind betaalt, 25 maar daarnaast gesteld dat hij deze kosten vanuit zijn bedrijf voldoet, zodat deze niet op zijn draagkracht in mindering hoeven te worden gebracht. Volgens de vrouw betaalt de man niets meer aan zijn meerderjarige kinderen.26

2.18

Bij tussenbeschikking van 16 februari 2016 heeft het hof een voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald nadat het als volgt heeft overwogen:

“2.1. Zoals blijkt uit de tussenbeschikking (van 11 augustus 2015, A-G) was het de bedoeling de reeds plaatsgevonden mondelinge behandeling voort te zetten zodra de financiële gegevens van de man beschikbaar waren. Deze zijn thans beschikbaar, al voldoen zij niet volgens de vrouw.

2.2.

Het Hof heeft van de aktes kennis genomen en acht een voorzetting wenselijk. Het Hof zal daartoe [zal] een dag en tijdstip bepalen.

2.3.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.”

2.19

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Blijkens de daarvan gemaakte aantekeningen wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld nadere gegevens over haar inkomsten over te leggen en de man jaarstukken van zijn bedrijf over 2013, 2014 en 2015.27

2.20

De vrouw heeft bij akte van 22 juni 2016 gegevens over haar inkomsten verstrekt.28 De man heeft geen financiële gegevens over zijn bedrijf overgelegd.29 In reactie hierop heeft de vrouw gesteld dat daaruit zal blijken dat zijn werkelijke inkomsten hoger zijn dan de man heeft doen voorkomen. Volgens haar blijkt reeds uit de overgelegde aangiftes inkomstenbelasting dat de netto-inkomsten van de man hoger zijn dan hij in eerste aanleg heeft gesteld. Ook blijkt volgens de vrouw uit het door de man in eerste aanleg overgelegde overzicht van zijn uitgaven onder meer dat hij veel en dure vakanties neemt. Uit dit alles volgt volgens de vrouw dat de man voldoende draagkracht heeft.30 Ook volgt volgens haar uit deze gegevens dat de levensstandaard van partijen tijdens hun huwelijk hoog was, waarmee het GEA echter in zijn vaststelling van de behoefte van de vrouw ten onrechte geen rekening heeft gehouden.31 Wel heeft de vrouw inmiddels een baan gevonden waarmee zij een inkomen van gemiddeld NAf. 428,- netto per maand verdient, maar heeft zij gesteld van dat bedrag niet te kunnen rondkomen.32

2.21

Ten aanzien van de kosten voor de verzorging van het minderjarige kind heeft de vrouw aangevoerd dat de regeling waarbij het kind afwisselend vier dagen bij de ene ouder en dan vier dagen bij de andere ouder is, nog steeds geldt, maar dat het kind in de schoolvakanties en in de periodes dat de man op vakantie is bij haar moeder verblijft. Volgens de vrouw verzorgt zij het minderjarige kind het grootste deel van de tijd, maar heeft zij onvoldoende middelen om de kosten van de verzorging te dragen.33

2.22

In zijn akte van 22 juni 201634 heeft de man gesteld dat de grote financiële behoefte van de vrouw verband houdt met haar gokverslaving. Zij heeft haar behoefte niet voldoende onderbouwd. Daarnaast heeft de man gesteld dat de vrouw na verkoop van de echtelijke woning, waarin zij ondanks het verstrijken van de wettelijke overgangsperiode nog altijd verblijft, een geldsom ter beschikking zal krijgen waarmee zij in haar onderhoud zal kunnen voorzien. Ook zal de man na afbetaling van de achtergebleven auto deze ter beschikking kunnen stellen als partneralimentatie. Tenslotte heeft de man gesteld dat hij zijn inkomsten nodig heeft om in het onderhoud van zijn schoolgaande en studerende kinderen te voorzien.

2.23

Bij eindbeschikking van 16 augustus 2016 heeft het hof geoordeeld dat de uitgangspositie zoals die gold tijdens het wijzen van de tussenbeschikking van de 11 augustus 2015, en daarmee ook van de beschikking in eerste aanleg, “zo goed als onveranderd” is. De omstandigheden dat de vrouw inmiddels een eigen inkomen is gaan verdienen en dat het minderjarige kind in de schoolvakanties en tijdens de vakanties van de man voltijds bij de vrouw verblijft, leggen volgens het hof onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere beslissing te komen:

“2.1 Door de vrouw zijn loonoverzichten over maart tot en met mei 2016 in het geding gebracht. De man is niet in staat gebleken de jaarrekeningen van zijn medische praktijk over te leggen.

2.2

Het Hof stelt vast dat de uitgangspositie zoals die gold ten tijde van het wijzen van de tussenbeschikking van 11 augustus 2015, en daarmee ook van de beschikking in eerste aanleg, zo goed als onveranderd is. Een uitzondering hierop vormt de omstandigheid dat de vrouw in de tussentijd is gaan werken. Zij verdient daar gemiddeld Naf 428,00 netto per maand mee. Ook heeft de vrouw onbetwist naar voren gebracht dat de thans nog minderjarige dochter van partijen, [kind 3] , in de schoolvakanties en tijdens de vakanties van de man voltijds bij de vrouw verblijft.

2.3

Aangezien de beschikking in eerste aanleg in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal deze worden bevestigd. Dit geldt ook ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dat de vrouw inmiddels geringe eigen inkomsten verwerft en dat zij in vakantieperioden de gehele zorg voor de minderjarige heeft leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidende beslissing te komen.

2.4

Door partijen aangevoerde mogelijke toekomstige omstandigheden, zoals de aflossing van de achtergebleven auto en de verkoop van de voormalige echtelijke woning zullen door het Hof bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten. Mochten deze ontwikkelingen zich daadwerkelijk doorzetten dan staat het partijen vrij op grond hiervan wijziging van de beslissing te vragen.

2.5

Hetgeen overigens door partijen in hoger beroep is aangevoerd kan als onvoldoende ter zake doende of onderbouwd buiten beschouwing worden gelaten.”

2.24

Ten slotte heeft het hof de bestreden beschikking van 22 december 2014 bekrachtigd.

2.25

Tegen de eindbeschikking van 16 augustus 2016 heeft de vrouw bij verzoekschrift van 16 november 2016, derhalve tijdig, cassatie ingesteld. De man is niet verschenen.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen de beslissingen van het hof omtrent de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in twee subonderdelen, die met een rechtsklacht respectievelijk een motiveringsklacht opkomen tegen de beslissing omtrent de kinderalimentatie. Onderdeel 2 bestaat uit drie subonderdelen en is gericht tegen de beslissing omtrent partneralimentatie. Ik bespreek de beide onderdelen achtereenvolgens.

3.2

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen de beslissing van het hof ten aanzien van kinderalimentatie ten behoeve van het minderjarige kind in rov. 2.3 van de eindbeschikking van 16 augustus 2016. Subonderdeel 1.1 klaagt dat de beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft miskend dat het op grond van de regeling van 1:392 e.v. BWC de actuele draagkracht en behoefte diende te onderzoeken en vervolgens een bijdrage diende vast te stellen. Subonderdeel 1.2 klaagt dat de motivering van het hof, dat de uitgangspositie ten opzichte van de beschikking in eerste aanleg niet is veranderd, niet voldoende begrijpelijk is, nu met meerdere gemotiveerde stellingen de juistheid van die uitgangspositie ter discussie is gesteld en het hof deze stellingen niet (kenbaar) in zijn motivering heeft betrokken. Nu in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag van de juistheid van deze stellingen moet worden uitgegaan, is de beslissing van het hof dat de uitgangspositie ten opzichte van de beschikking van het GEA “zo goed als onveranderd” is, onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel. Het gaat om de volgende stellingen:

a. het GEA heeft als uitgangspunt genomen dat het minderjarige kind vrijwel voltijds bij de man verblijft en dat daarom aan de vrouw geen bijdrage in de kosten en verzorging hoeft te worden voldaan. Daar heeft de vrouw in hoger beroep tegenover gesteld dat de minderjarige krachtens de beschikking in eerste aanleg vier dagen af en aan bij de vrouw zal verblijven en bovendien in de schoolvakanties en de periodes dat de man op vakantie is eveneens bij de vrouw verblijft, zodat die haar het merendeel van de tijd verzorgt, terwijl de vrouw geen inkomen heeft;

b. het GEA heeft beslist dat de vrouw verdiencapaciteit kan gaan realiseren. Hiertegen heeft de vrouw in hoger beroep aangevoerd dat zij geen of slechts zeer geringe verdiencapaciteit (en draagkracht) heeft;

c. de vrouw heeft gesteld dat de minderjarige behoeftig is en bij haar moeder op dezelfde wijze wil leven als zij bij haar vader gewend is, maar dat de moeder hiervoor niet de middelen heeft;

d. het hof heeft bij tussenbeschikking van 11 augustus 2015 bepaald dat de man nadere financiële gegevens diende over te leggen en dat aan het uitblijven daarvan consequenties zouden worden verbonden. Het hof heeft aan het uitblijven van overlegging van die gegevens ondanks deze aankondiging echter geen gevolgtrekking ten nadele van de man verbonden, maar heeft in rov. 2.2 volstrekt onbegrijpelijk vastgesteld dat de uitgangspositie (kennelijk o.a. dat de man geen draagkracht zou hebben) niet zou zijn gewijzigd. De vrouw heeft gesteld dat de man een hoger inkomen geniet dan hij heeft doen voorkomen en ter motivering gewezen op verschillende (gestelde) omstandigheden. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de stelling dat de man geen of weinig draagkracht zou hebben, is onbegrijpelijk dat het hof heeft beslist dat de uitgangspositie zoals die in eerste aanleg gold ongewijzigd is.

3.3

Bij de beoordeling van de klachten van onderdeel 1 stel ik voorop dat de omvang van een uitkering tot levensonderhoud van een minderjarig kind op grond van art. 1:397 BWC, dat gelijkluidend is aan art. 1:397 van het Nederlandse BW,35 dient te worden bepaald aan de hand van behoefte en draagkracht. Bij een minderjarig kind bestaat de behoefte uit de kosten die worden gemaakt voor de opvoeding en verzorging van het kind, mede gelet op de welstand waarin de ouders leven.36 Met draagkracht wordt bedoeld: in staat zijn ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde middelen waarover men kan beschikken te verschaffen.37 Voor het toekennen van kinderalimentatie is niet vereist dat behoeftigheid (waarmee de situatie wordt bedoeld waarin iemand verkeert die onvoldoende eigen middelen heeft en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven om te voorzien in het eigen levensonderhoud) wordt vastgesteld (art. 1:392 lid 2 BWC).38 Indien meer partijen onderhoudsplichtig zijn, hangt de omvang van ieders verplichting af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Indien het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moeten worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BWC).39

3.4

Het is aan partijen om de voor de beslissing over de omvang van de onderhoudsplicht van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren; laten zij dit na, dan kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht.40 Ook kan de rechter partijen bevelen bescheiden over te leggen; weigeren partijen dat zonder gewichtige redenen, dan geldt eveneens dat de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.41 De rechter komt vervolgens grote vrijheid toe bij de vaststelling en weging van de factoren die de draagkracht en behoefte bepalen. Dat laat onverlet dat ook alimentatiebeschikkingen ten minste zodanig dienen te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.42 Hoe ver de motiveringsplicht gaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat.43 Aan essentiële stellingen mag niet worden voorbijgegaan.44 De rechter dient de draagkracht en behoefte zelf op basis van de door partijen aangedragen gegevens vast te stellen; hij mag zich niet zonder meer, met voorbijgaan aan een eigen beoordeling, richten naar een beslissing van een andere (overheids)instantie zoals het UWV.45 Verder is het in beginsel aan de onderhoudsplichtige om te stellen dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt. Wordt dit gemotiveerd betwist, dan dient hij de nodige bescheiden over te leggen. Laat hij dit, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, na en is enigszins aannemelijk dat er draagkracht is dan mag aan het niet overleggen van de benodigde bescheiden voor het oordeel over de draagkracht betekenis worden toegekend.46 De klachten van onderdeel 1 van het middel dienen tegen deze achtergrond besproken te worden.

3.5

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het zelfstandig de actuele behoefte en draagkracht had dienen te beoordelen en op basis daarvan een beslissing had moeten nemen, en niet ermee had mogen volstaan te beoordelen of de beschikking in eerste aanleg recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Volgens het middel had het hof zich niet zonder nadere motivering bij de beschikking van het GEA mogen aansluiten, maar had het een eigen beoordeling van de actuele behoefte en draagkracht moeten maken.

3.6

Voor de beoordeling van deze klacht is een korte analyse van het bestreden oordeel op haar plaats. Het GEA heeft in zijn eindbeschikking tot uitgangspunt genomen, kort gezegd, dat de minderjarige evenveel tijd bij de man als bij de vrouw zal doorbrengen en dat de man alle vaste kosten voor de minderjarige voldoet (rov. 2.4). Ook is het GEA er vanuit gegaan dat beide ouders naar draagkracht dienen bij te dragen in de kosten voor de verzorging en opvoeding, zodat ook van de vrouw een bijdrage mag worden verwacht. Het oordeel van het GEA komt erop neer dat de vrouw de kosten van verzorging en opvoeding dient te dragen in de periode dat de minderjarige bij haar verblijft. In hoger beroep is de vrouw op verschillende gronden tegen dat oordeel opgekomen. Zij heeft ten eerste aangevoerd dat het inkomen van de man hoger is dan hij heeft doen voorkomen, zodat zijn draagkracht groter is dan het GEA heeft aangenomen.47 Ten aanzien van haar eigen draagkracht heeft de vrouw het uitgangspunt van het GEA bestreden dat zij in staat is verdiencapaciteit te realiseren.48 Met betrekking tot de behoefte van het kind heeft zij gesteld dat deze groter is dan door het GEA werd aangenomen, nu het kind een bepaalde (hogere) mate van welstand gewend is.49 Ten slotte heeft zij aangevoerd dat zich sinds de beschikking van het GEA een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat het kind meer tijd bij de vrouw doorbrengt dan ten tijde van de beschikking het geval was: het kind verblijft inmiddels ook bij de vrouw tijdens de schoolvakanties en in de periodes dat de man met vakantie is,50 hetgeen hij volgens haar wel zeven maal per jaar doet.51 De vrouw heeft dus zowel de juistheid van de door het GEA in zijn beschikking gehanteerde uitgangspunten bestreden als aangevoerd dat sindsdien relevante wijzigingen in die uitgangssituatie hebben plaatsgevonden die bij een beoordeling ex nunc moeten worden meegewogen.

3.7

Subonderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof, in het licht van het betoog van de vrouw dat de beschikking van het GEA geen recht doet aan de omvang van de behoefte van het kind en van de draagkracht van beide ouders, deze factoren opnieuw had dienen te beoordelen. Het is inderdaad juist dat het hof de draagkracht en de behoefte volledig en ex nunc diende te beoordelen. Binnen de grenzen van het door de daarop gerichte grieven52 ontsloten gebied lag het verzoek tot kinderalimentatie bij het hof in volle omvang voor. Daarbij geldt bovendien dat de rechter de omvang van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen en behoefte zelfstandig dient vast te stellen53 en dat deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de actuele omstandigheden. Het hof heeft echter beoordeeld of de beslissing van het GEA in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof lijkt hiermee (tot op zekere hoogte) aansluiting te hebben gezocht bij de toets van art. 1:401 lid 1 BWC, die voorziet in de mogelijkheid wijziging of intrekking van een bestaande alimentatieverplichting te verzoeken.54 In die lezing heeft het hof een te strenge maatstaf aangelegd. Voor wijziging van alimentatie gelden namelijk strengere eisen dan voor vaststelling van alimentatie. Een verzoek tot wijziging van alimentatie kan met name worden toegewezen als de bestaande verplichting door een rechtens relevante verandering in omstandigheden (lid 1) of omdat van onjuiste gegevens is uitgegaan (lid 4), niet (langer) aan de wettelijke maatstaven voldoet, dat wil zeggen, dat deze geen recht doet aan de behoefte en draagkracht van de betrokkenen. De reikwijdte van art. 1:401 BWC is daarmee beperkter dan die van het hoger beroep: een verzoek tot wijziging of intrekking ex art. 1:401 BWC kan niet gebruikt worden om motiveringsgebreken in de eerdere beschikking aan de orde te stellen, terwijl het hoger beroep daartoe wel de mogelijkheid biedt.55 In de genoemde lezing klaagt subonderdeel 1.1 dus terecht dat het hof een te stringente maatstaf heeft aangelegd.

3.8

Een andere lezing van rov. 2.2-2.4 is echter ook mogelijk: deze overwegingen kunnen ook worden begrepen als een integrale beoordeling ex nunc. Het hof heeft immers (zij het summier) de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beschikking beoordeeld en daarbij de gestelde veranderingen (waaronder de geringe inkomsten van de vrouw en het verblijf van de minderjarige gedurende de vakantie) in zijn beoordeling betrokken. Bij die lezing kan ’s hofs oordeel echter om hierna te noemen redenen de toets der kritiek niet doorstaan. Zoals hiervoor is besproken (3.4), komt de feitenrechter weliswaar een ruime beoordelingsvrijheid toe bij de vaststelling en weging van factoren die de draagkracht en behoefte bepalen, maar dient het oordeel voldoende gemotiveerd te zijn om het begrijpelijk en controleerbaar te maken.56 Dat betekent onder meer dat essentiële stellingen niet mogen worden gepasseerd. Subonderdeel 1.2 wijst mijns inziens terecht op een aantal stellingen dat door het hof niet kenbaar in zijn motivering is betrokken. Ik licht dat toe. In dat kader bespreek ik eerst de stellingen die betrekking hebben op de draagkracht van de vrouw (genoemd onder (b)) en de draagkracht van de man (genoemd onder (d)). Daarna (3.13 e.v.) bespreek ik de stellingen over de behoefte van de minderjarige (genoemd onder (a)) en de mate waarin de vrouw daarin kan bijdragen (genoemd onder (c)).

3.9

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof ten onrechte niet de stelling van de vrouw heeft beoordeeld dat zij, anders dan het GEA heeft aangenomen, geen of slechts beperkte verdiencapaciteit kan realiseren (subonderdeel 1.2 (stelling onder (b)). De vrouw verbindt hieraan de conclusie dat zij niet kan bijdragen in het levensonderhoud van het minderjarige kind. Het GEA heeft geoordeeld dat van haar een bijdrage kan worden verwacht en dat zij daarvoor dus over voldoende draagkracht beschikt (eindbeschikking 22 december 2014, rov. 2.4). De vrouw heeft hierover in hoger beroep gesteld dat zij geen tot zeer geringe verdiencapaciteit heeft en slechts beperkte eigen inkomsten heeft kunnen genereren, waarvan zij niet kan rondkomen, en dat zij in het geheel niet in staat is een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de minderjarige. 57 Voor het hof bestond dus aanleiding om de draagkracht van de vrouw, mede in het licht van de stellingen aangaande haar verdiencapaciteit, te beoordelen. Uit de bestreden overweging blijkt niet kenbaar dat het hof dat heeft gedaan. Het hof heeft wel in aanmerking genomen dat er een verandering in de omstandigheden is opgetreden in die zin dat de vrouw een eigen inkomen is gaan verdienen. Mocht het hof hebben bedoeld dat daaruit blijkt dat zij over verdiencapaciteit beschikt, zodat het oordeel van het GEA dat zij voldoende draagkrachtig is in stand kan blijven, dan is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk; de vrouw heeft immers gesteld dat zij van haar eigen inkomen niet kan rondkomen en in het geheel niet in staat is in de behoefte van het kind te voorzien. Nu het hof de stellingen van de vrouw met betrekking tot haar verdiencapaciteit niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken, is zijn oordeel dat de beschikking van het GEA in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden onvoldoende gemotiveerd. Subonderdeel 1.2 klaagt daar terecht over.

3.10

Subonderdeel 1.2 onder (d) wijst op een aantal essentiële stellingen van de vrouw omtrent de draagkracht van de man, dat het hof ten onrechte niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken. Het GEA heeft op het punt van partneralimentatie geoordeeld dat de man, gezien zijn inkomsten en uitgaven, geen draagkracht heeft. Het hof heeft zich indirect, door deze te bekrachtigen, bij deze beslissing aangesloten. Ik meen dat deze beslissing onvoldoende met redenen is omkleed. Zoals hiervoor (3.7) is besproken, diende het hof in het licht van de stellingen van de vrouw zelfstandig de draagkracht van de man te beoordelen. De vrouw heeft in dat verband gewezen op de volgende door haar betrokken stellingen:

- de man geeft inkomsten via het bedrijf [B] niet op;

- de man heeft bijverdiensten door met een te Marie Pampoen geplaatste machine vet weg te zuigen bij patiënten buiten zijn artsenpraktijk om;

- de artsenpraktijk van de man had een omzet van ruim NAf. 40.000,- per maand via de Sociale Verzekeringsbank, waar verdiensten voor de behandeling van particulier verzekerde patiënten nog bij komen (wat de vrouw weet, omdat zij voorheen in de praktijk werkzaamheden verrichtte);

- de man woont samen met een partner die een eigen onderneming drijft en daaruit inkomen genereert;

- de man kan een dure Audi leasen voor zijn bedrijf en gaat zeven keer per jaar met vakantie en heeft daarvoor kennelijk de middelen;

- de man doet voor de (jong)meerderjarige kinderen geen betalingen (meer).58

Het betreft voldoende specifieke stellingen van de vrouw die – indien juist – meebrengen (1) dat de man inkomsten heeft uit verschillende andere bronnen dan door het GEA vastgesteld en (2) dat zijn draagkracht bovendien ook groter is dan het GEA heeft aangenomen, omdat hij voor de (jong)meerderjarige kinderen geen betalingen meer doet. Het hof had deze stellingen naar mijn mening (uitdrukkelijk) in zijn motivering dienen te betrekken. De enkele overweging in rov. 2.5 dat hetgeen overigens door partijen in hoger beroep overigens is aangevoerd als onvoldoende ter zake doende of onderbouwd buiten beschouwing kan worden gelaten is hiervoor mijns inziens niet toereikend.

3.11

De vrouw heeft in het kader van subonderdeel 1.2 onder (d) ten slotte nog gewezen op haar stelling dat de man ten onrechte alleen loonslips en geen jaarrekeningen van zijn bedrijf heeft overgelegd.59 Volgens de vrouw zou het hof die omstandigheid ten onrechte niet hebben meegewogen. Ook in zoverre acht ik de klacht gegrond. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat deze jaarrekeningen noodzakelijk zijn om een goede beoordeling van de inkomsten en daarmee de draagkracht van de man te kunnen maken.60 Uit het verloop van de procedure blijkt dat ook het hof deze gegevens van belang heeft geacht:

- in zijn tussenbeschikking van 11 augustus 2015 heeft het hof nodig geacht dat de man bij akte “financiële stukken” zou overleggen ten aanzien van zijn draagkracht en de kosten die hij maakt ten behoeve van zijn kinderen (rov. 3.2.). Daarbij heeft het hof overwogen dat nader uitstel voor het nemen van deze akte niet zal worden toegestaan en dat indien de man niet tijdig de gevraagde stukken zou overleggen, het hof daaraan de gevolgen zou kunnen verbinden die het geraden zou voorkomen (rov. 3.3.);

- bij akte van 8 september 2015 heeft de man aangiftes inkomstenbelasting over 2012, 2013 en 2014 overgelegd waaruit zijn inkomen uit zijn artsenpraktijk [A] N.V. blijkt;

- bij tussenbeschikking van 16 februari 2016 heeft het hof onder meer overwogen dat de bedoeling was de reeds plaats gevonden mondelinge behandeling voort te zetten zodra de financiële gegevens van de man beschikbaar waren en daarop laten volgen (rov. 2.1.): “Deze zijn thans beschikbaar, al voldoen zij niet volgens de vrouw”;

- tijdens de mondelinge behandeling die op 8 maart 2016 heeft plaatsgevonden, is blijkens de daarvan gemaakte aantekeningen echter gevraagd waarom de man nog geen jaarrekeningen heeft overgelegd, waarop de man heeft verklaard dat de jaarrekening over 2013 gereed is, maar die over 2014 en 2015 dat nog niet zijn.61 Het verslag van de mondelinge behandeling sluit aldus af: “Vrzt: jaarstukken 2013, 2014, 2015 zijdens [de man] en akte inkomsten zijdens [de vrouw] 5/4. Daarna over en weer reageren. Daarna uitspraak. Behalve als behoefte is om op zitting te reageren.”;

- de man heeft bij Akte uitlating van 22 juni 2016 aangegeven dat de “gevraagde jaarrekeningen” nog niet klaar waren, naar eigen zeggen omdat er meer tijd nodig was om de stukken op orde te stellen voor de administrateur en een nieuw administratiebureau ingeschakeld moest worden. De man heeft desondanks bij het hof aangedrongen op een beslissing.

3.12

In zijn eindbeschikking heeft het hof vastgesteld dat de man niet in staat is gebleken de jaarrekeningen van zijn medische praktijk over te leggen. Het hof heeft aan die vaststelling echter, ondanks de aankondiging in de tussenbeschikking van 11 augustus 2015 over mogelijke consequenties, geen verdere overwegingen gewijd. Het hof heeft zich in zijn eindbeschikking aangesloten bij het oordeel van het GEA, dus kennelijk ook op het punt van de draagkracht van de man. In het licht van het voornoemde betoog over het ontbreken van de jaarrekeningen en procesverloop op dat punt kon het hof hiermee naar mijn mening niet volstaan. Subonderdeel 1.2 klaagt ook daar terecht over.

3.13

De hiervoor in 3.2 onder (a) en (c) genoemde stellingen zien op de (juistheid van de door het GEA vastgestelde) behoefte van het kind en de mate waarin de vrouw daarin kan bijdragen. De stellingen onder (c) betreffen de behoefte van het kind en betogen dat het GEA onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoge welstand die het kind gewend is. Deze stelling is met enkele voorbeelden (kosten airco en sociale activiteiten) geïllustreerd (hiervoor ook 2.14).62 Het hof is ook op deze stelling niet (expliciet) ingegaan: het hof heeft in rov. 2.5 in algemene zin geoordeeld dat hetgeen partijen overigens in hoger beroep hebben aangevoerd als onvoldoende ter zake doende of onderbouwd buiten beschouwing kan blijven. Die overweging lijkt mij – gelet op de gegeven voorbeelden – juist onvoldoende. Daar komt bij dat deze stelling in de procedure na vernietiging en terugwijzing eenvoudig (alsnog) in de beoordeling kan worden betrokken.

3.14

De stellingen onder (a) zien op de mate waarin de vrouw kan bijdragen aan de kosten van het onderhoud van de minderjarige. In dat kader brengt het subonderdeel in de eerste plaats naar voren dat het GEA en het hof ten onrechte tot uitgangspunt hebben genomen dat de minderjarige vrijwel volledig bij de man verblijft. Daartoe wordt verwezen naar de weergave van het standpunt van de man in rov. 3.3. van de beschikking van 24 juni 2014. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Het GEA heeft namelijk in zijn overwegingen over de kinderalimentatie in rov. 2.4 van zijn beschikking van 22 december 2014 tot uitgangspunt genomen dat bepaald zal worden dat de minderjarige ongeveer evenveel tijd bij de man als bij de vrouw zal doorbrengen en het hof heeft zich ook in zoverre bij het GEA aangesloten. Het onderdeel wijst echter ook op de stellingen van de vrouw in hoger beroep dat deze uitgangssituatie sindsdien is gewijzigd, in die zin dat het minderjarige kind inmiddels tijdens de schoolvakanties en de vakanties van de man bij haar moeder verblijft. Volgens de vrouw zorgt dit ervoor, mede in het licht van de mate van welstand die het kind gewend is en het feit dat de man zeven maal per jaar op vakantie gaat, dat de mate waarin de vrouw bijdraagt aan de kosten van levensonderhoud van het kind inmiddels niet meer overeenstemt met haar draagkracht (in verhouding tot die van de man). Bij akte van 23 juni 2015 heeft zij de kosten die zij voor het kind maakt toegelicht. Het hof heeft op dit punt slechts overwogen dat het feit dat het kind thans meer tijd doorbrengt bij de vrouw “onvoldoende gewicht in de schaal legt om tot een ander oordeel te komen”. Deze motivering acht ik onvoldoende. De omstandigheid dat de minderjarige gedurende de schoolvakanties en de vakanties van de man bij de vrouw verblijft, brengt immers mee dat zij een groter gedeelte van de kosten van het levensonderhoud van de minderjarige draagt dan waar het GEA vanuit is gegaan. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is tegen die achtergrond niet begrijpelijk waarom deze omstandigheid niet tot een ander oordeel ten aanzien van de toewijsbaarheid van kinderalimentatie zou leiden. Subonderdeel 1.2 is dus ook in zoverre terecht voorgesteld.

3.15

Onderdeel 1 van het middel treft dus doel.

3.16

Onderdeel 2 heeft betrekking op de partneralimentatie. Het hof heeft in rov. 3.4. van de tussenbeschikking van 11 augustus 2015 de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie, die per 1 juli 2015 zou eindigen, verlengd “totdat het Hof anders beslist”. Volgens het onderdeel heeft het hof in zijn eindbeschikking echter geen (expliciete) beslissing over de partneralimentatie gegeven. Verder zou het hof ten aanzien van de partneralimentatie niet de juiste maatstaf hebben aangelegd en/of zou het hof voorbij zijn gegaan aan essentiële stellingen op dit punt. Deze klacht wordt in drie subonderdelen nader uitgewerkt:

a. Subonderdeel 2.1 betoogt dat, voor zover de eindbeschikking van 16 augustus 2016 als de bedoelde ‘andere beslissing’ zou moeten worden beschouwd, dit rechtens onjuist is, nu het hof heeft miskend dat het een definitieve beslissing diende te geven;

b. Subonderdeel 2.2 voert aan dat voor zover de beschikking zo zou moeten worden begrepen dat volgens het hof geen grond bestaat voor toekenning van een definitieve partneralimentatie, deze beslissing rechtens onjuist is, omdat het hof daartoe de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man had moeten vaststellen;

c. Althans is, aldus subonderdeel 2.3, het oordeel in dat geval onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen die de vrouw heeft ingenomen in verband met de in subonderdeel 1.2 onder (b) en (d) genoemde (essentiële) stellingen met betrekking tot de draagkracht van de man en de verdiencapaciteit van de vrouw.

3.17

Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik voorop dat de verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van een ex-echtgenoot slechts bestaat indien deze behoeftig is (art. 1:392 lid 2 BWC). Dit is een verschil met kinderalimentatie waarbij behoeftigheid geen voorwaarde is (hiervoor 3.3). Behoeftigheid betekent dat de ex-echtgenoot die aanspraak maakt op een dergelijke bijdrage in redelijkheid niet in staat is om voldoende inkomsten te verwerven. Factoren die bij die beoordeling een rol kunnen spelen, zijn onder meer de noodzaak tot verzorging van kinderen, de leeftijd, de gezondheidstoestand, de situatie op de arbeidsmarkt, de achterstand in scholing en vakopleiding die (mede) door het huwelijk is ontstaan en ook de vraag naar de geschiktheid van de arbeid.63 Staat vast dat er sprake is van behoeftigheid, dan dient de vaststelling van de omvang van partneralimentatie vervolgens te geschieden aan de hand van de maatstaf van art. 1:397 BWC.64 Ook bij de vaststelling van de omvang van een bijdrage in het levensonderhoud van een ex-echtgenoot dienen daarom (evenals bij de vaststelling van kinderalimentatie) de behoefte65 van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige te worden beoordeeld. Anders dan bij kinderalimentatie kunnen ook niet-financiële factoren een rol spelen bij de bepaling van hoogte van partneralimentatie, zoals de korte duur en kinderloosheid van het huwelijk.66 De hiervoor (3.4) besproken motiveringseisen gelden ook voor een beslissing omtrent partneralimentatie.

3.18

Ik bespreek allereerst de subonderdelen 2.2 en 2.3. Subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Het subonderdeel noemt hiervoor dezelfde gronden als subonderdeel 1.1 (betreffende de kinderalimentatie). Subonderdeel 2.2 is mijns inziens dienovereenkomstig (om dezelfde redenen als subonderdeel 1.1) gegrond wanneer het hof aansluiting heeft gezocht bij de maatstaf van art. 1:401 lid 1 BWC, die voorziet in de mogelijkheid wijziging of intrekking van een bestaande alimentatieverplichting te verzoeken (zie hiervoor 3.7). De beoordeling dient immers te geschieden op basis van de actuele draagkracht en behoefte.

3.19

In het geval het hof wel onder ogen heeft gezien dat in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie een beoordeling ex nunc van de draagkracht en behoefte dient plaats te vinden, dan is subonderdeel 2.3 (gedeeltelijk) gegrond. Ik licht dat toe.

3.20

Subonderdeel 2.3 bepleit eerst dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan essentiële stellingen over de draagkracht en verdiencapaciteit van de vrouw. Daarover merk ik het volgende op. Blijkens de eindbeschikking van het GEA, waarmee het hof zich heeft verenigd, is het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie voor de periode na 1 juli 2015 afgewezen omdat de man hiervoor onvoldoende draagkracht heeft. De afwijzing van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie berust dus niet op een beoordeling van de behoefte en/of verdiencapaciteit van de vrouw. In dat licht is de klacht strikt genomen ongegrond. Echter, het GEA heeft in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie tot 1 juli 2015 wel overwogen dat de vrouw nadien verdiencapaciteit zal kunnen realiseren. Van die (veronderstelde) verdiencapaciteit zal na vernietiging en terugwijzing niet zonder meer kunnen worden uitgegaan: wanneer het na terugwijzing mede mocht aankomen op de verdiencapaciteit van de vrouw zal acht moeten worden geslagen op de in subonderdeel 1.1 onder (b) genoemde stellingen.

3.21

Subonderdeel 2.3 betoogt voorts dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen, genoemd in subonderdeel 1.2 onder (d), over de draagkracht van de man. Voor een weergave van deze stellingen verwijs ik naar randnummer 3.10 hiervoor. Dit gedeelte van de klacht is mijns inziens terecht voorgesteld. Ik meen dat het hier gaat om voldoende specifieke stellingen die – indien juist – meebrengen (1) dat de man inkomsten heeft uit verschillende andere bronnen dan door het GEA vastgesteld en (2) dat zijn draagkracht bovendien ook groter is dan het GEA heeft aangenomen. Het hof had deze stellingen naar mijn mening bij de beoordeling van de draagkracht van de man moeten betrekken. Ik verwijs kortheidshalve naar randnummers 3.10 e.v. hiervoor.

3.22

Dit betekent dat de bekrachtiging van het oordeel van het GEA met betrekking tot de partneralimentatie – gelet op de subonderdelen 2.2 en 2.3 – niet in stand kan blijven.

3.23

Na vernietiging en terugwijzing zal een beoordeling ex nunc aan de hand van actuele omstandigheden van de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw dienen plaats te vinden. In dat kader zal acht moeten worden geslagen op het betoog van de vrouw dat bij de vaststelling van haar behoefte rekening moet worden gehouden met de levensstandaard van partijen tijdens hun huwelijk,67 haar stelling dat zij slechts beperkt in staat is verdiencapaciteit te realiseren68 en haar betoog dat de draagkracht van de man, gezien zijn inkomsten en uitgaven, groter is dan hij heeft doen voorkomen.69

3.24

Subonderdeel 2.1 behoeft in dat licht geen nadere bespreking. Ten overvloede merk ik in verband met dit subonderdeel nog het volgende op. Het GEA heeft in zijn eindbeschikking een partneralimentatie vastgesteld die eindigt op 1 juli 2015. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 11 augustus 2015 bepaald dat “de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van NAf 2.000,= per maand na 1 juli 2015 blijft doorlopen tot dat het Hof anders beslist’”. Bij eindbeschikking heeft het hof de bestreden beschikking van het GEA bekrachtigd. Daarmee heeft het hof mijn inziens – anders dan subonderdeel 2.1 betoogt – een definitieve beslissing over de partneralimentatie gegeven. Die beslissing laat echter onduidelijkheid bestaan over de verschuldigdheid van partneralimentatie in de periode van 1 juli 2015 tot 16 augustus 2016 (de datum van de eindbeschikking van het hof). Voor zover in subonderdeel 2.1 ook hierover wordt geklaagd, is het terecht voorgesteld.

3.25

Ook onderdeel 2 is dus grotendeels terecht voorgesteld.

3.26

Nu zowel onderdeel 1 als onderdeel 2 in belangrijke mate doel treffen, strekt de conclusie tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing. Na terugwijzing zal beoordeling van het verzoek van de vrouw tot toekenning van kinderalimentatie moeten plaatsvinden in het licht van de stellingen van partijen met betrekking tot de draagkracht van de man en de vrouw en de behoefte van het kind tegen de achtergrond van de gestelde mate van welstand. Na terugwijzing zal ook een nieuwe beslissing moeten worden genomen op het verzoek tot toekenning van partneralimentatie. Hierbij zal acht moeten worden geslagen op de stellingen van partijen ten aanzien van de draagkracht van de man en de behoefte en verdiencapaciteit van de vrouw.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Tussenbeschikking GEA van 24 juni 2014, rov. 2.1.

2 Tussenbeschikking GEA van 24 juni 2014, rov. 2.1.

3 Verzoekschrift van 21 maart 2014 en Akte tot wijziging van eis van 24 juni 2014.

4 Rapport betreffende ouderlijk gezag, verblijfplaats en omgang van de Voogdijraad Curaçao van 28 oktober 2014.

5 Bij beschikking van 30 juni 2015 heeft het GEA het co-ouderschap geëvalueerd. Het GEA heeft geen aanleiding gezien om de regeling te wijzigen.

6 Beroepschrift, randnummer 4.

7 Toelichting bij behandeling, randnummer 4, met verwijzing naar producties bij Akte uitlating financiële draagkracht van de man van 28 oktober 2014 (ontslagbrief en reactie daarop van de vrouw).

8 Beroepschrift, randnummers 6 en 11 en Toelichting bij behandeling, randnummers 9 en 10.

9 Toelichting bij behandeling, randnummer 10.

10 Beroepschrift, randnummer 7.

11 Beroepschrift, randnummer 8.

12 Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 3 en Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 10.

13 Beroepschrift, randnummer 13, Toelichting bij behandeling, randnummer 11, Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 3, Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 10.

14 Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 3, Contra akte, randnummer 15.

15 Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 2.

16 Verweer tevens pleitnota van 14 april 2015, p. 2.

17 Verweer tevens pleitnota van 14 april 2015, p. 1.

18 Verweer tevens pleitnota van 14 april 2015, p. 1.

19 Akte financiële stukken van de man van 8 september 2015.

20 Akte financiële stukken van de man van 8 september 2015, productie 1.

21 Akte financiële stukken van de man van 8 september 2015, productie 2, p. 2.

22 Contra akte van 24 november 2015, randnummer 2.

23 Contra akte van 24 november 2015, randnummers 2 en 3.

24 Contra akte van 24 november 2015, randnummer 5.

25 Contra akte van 24 november 2015, randnummer 12.

26 Contra akte van 24 november 2015, randnummer 13.

27 Aantekeningen hofzitting (vrzt behandeling) dinsdag 8 maart 2016 om 10.30 uur, p. 3.

28 Akte uitlating van 22 juni 2016 van de vrouw, productie AA.

29 In zijn Akte uitlating van 22 juni 2016 verklaart hij dat het niet is gelukt de jaarrekeningen van zijn praktijk Banda Ariba Medical Practice tijdig gereed te hebben.

30 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 5.

31 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 4.

32 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 6.

33 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummers 9-10.

34 Akte uitlating van 22 juni 2016 van de man, p. 2. De man had overigens al eerder melding gemaakt van gokverslaving. Zie Akte financiële stukken van de man van 8 september 2015, productie 2.

35 Bij de introductie van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek is bij dit artikel geen bijzondere toelichting opgenomen. Zie M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 334.

36 GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. A4 en 10 (S.F.M. Wortmann).

37 GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. A4 (S.F.M. Wortmann).

38 Onlangs, in een geval betreffende een jongmeerderjarige, bevestigd in HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2234, NJ 2016/441, JIN 2016/219 m.nt. R. Mulder en JPF 2017/8 m.nt. P. Vlaardingerbroek.

39 Zie HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295, RvdW 2012/957, rov. 3.4.1.

40 Art. 18c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao (hierna: RvC), min of meer gelijkluidend aan art. 21 Rv (Nederland). Zie met betrekking tot art. 21 Rv HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders.

41 Art. 141 RvC, dat inhoudelijk overeenkomt met art. 22 Rv (Nederland). Art. 141 RvC verschilt in zoverre van art. 22 Rv dat het partijen toestaat om als rechtvaardiging voor een weigering om bescheiden over te leggen aan te voeren dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (lid 2). Ingevolge lid 3 van dit artikel is het aan de rechter om te beslissen of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.

42 HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, RvdW 2014/292, rov. 3.5, HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, RvdW 2016/41, rov. 4.2 en GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. 2 (S.F.M. Wortmann).

43 Zie in het algemeen HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade (Vredo/ [...]), rov. 3.4 en in het kader van (kinder)alimentatie HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2376, NJ 2001/495, rov. 3.3 en HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0366, NJ 2004/37, rov. 3.3.

44 HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5167, NJ 2000/313 en GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. 2 (S.F.M. Wortmann).

45 HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1458, NJ 1995/25 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3137, NJ 2005/363 en Asser/J. de Boer, Deel 1*. Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2010, nr. 625.

46 HR 31 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0702, NJ 1989/508, HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569, HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders en GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. 2 (S.F.M. Wortmann).

47 Beroepschrift, randnummer 6, Toelichting bij behandeling, randnummer 10, Contra akte van 24 november 2015, randnummers 2-8 en Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 5.

48 Beroepschrift, randnummer 4.

49 Beroepschrift, randnummer 13, Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 3, Contra akte van 24 november 2015, randnummer 15 en Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 10.

50 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummers 4 en 9.

51 Contra akte 24 november 2015, randnummer 8 en Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 4.

52 Deze term heeft hier de betekenis van “gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd”, nu art. 271 RvC de appellant niet verplicht om grieven tegen het bestreden vonnis (onderscheidenlijk de bestreden beschikking) te richten. Dit betekent echter niet dat het geschil daarom in hoger beroep steeds in volle omvang voorligt. Lewin spreekt in dit verband van “een afgezwakt grievenstelsel”. Zie G.C.C. Lewin, ‘Het afgezwakte grievenstelsel’, in H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 9), Deventer: Kluwer 2008, nr. 16.

53 HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1458, NJ 1995/25 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3137, NJ 2005/363.

54 Op grond van art. 1:401 lid 1 BWC kan een wijziging slechts worden verzocht indien zich een wijziging heeft voorgedaan in de omstandigheden zoals de rechter die heeft vastgesteld; niet voldoende is dat de feitelijke omstandigheden ten tijde van de alimentatiebeschikking anders waren dan toen werd aangenomen. Zie HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6162, NJ 2000/457, rov. 3.3, GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:401 BW, aant. 3 (S.F.M. Wortmann) en Asser/J. de Boer, Deel 1*. Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2010, nr. 1043.

55 Zie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY3492, PFR Updates 2012/0111.

56 HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, RvdW 2014/292, rov. 3.5, HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, RvdW 2016/41, rov. 4.2 en GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:397 BW, aant. 2 (S.F.M. Wortmann).

57 Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 6.

58 De vrouw verwijst naar randnummers 2-5, 8 en 13 van haar Contra akte van 24 november 2015.

59 De vrouw verwijst naar randnummer 2 van haar Contra akte van 24 november 2015.

60 Contra akte van 24 november 2015, randnummer 2, Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 5.

61 Aantekeningen hofzitting (vrzt behandeling) dinsdag 8 maart 2016 om 10.30 uur, p. 2.

62 Beroepschrift, randnummer 13, Akte kosten minderjarige van de vrouw van 23 juni 2015, randnummer 3, Akte van 24 november 2015, randnummer 15 en Akte uitlating van 22 juni 2016, randnummer 10.

63 GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:157 BW, aant. 8 (S.F.M. Wortmann).

64 Met uitzondering van enkele bepalingen die uitsluitend zien op uitkeringen aan bloed- en aanverwanten zijn de artikelen van titel 17 van Boek 1 BWC van toepassing op alle uitkeringen tot levensonderhoud. Zie Asser/J. de Boer, Deel 1*. Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2010, nr. 620.

65 Zie over het onderscheid tussen behoeftigheid en behoefte Asser/J. de Boer, Deel 1*. Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2010, nr. 621: “Behoeften heeft iedereen. Behoeftig is men eerst indien men niet zelf geheel in zijn behoeften kan voorzien. Dat zal eerst moeten worden vastgesteld. Daarna moet dan voor het concrete geval worden uitgemaakt hoe groot de behoeften zijn, waarin moet worden voorzien.” Zoals hiervoor (3.3) in het kader van kinderalimentatie is besproken, is behoeftigheid bij een kind jonger dan 21 jaar geen vereiste. Bij ex-echtgenoten is dat wel het geval.

66 GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:157 BW, aant. 6 (S.F.M. Wortmann) en HR 10 mei 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC1417, NJ 1975/183 m.nt. E.A.A. Luijten, HR 12 december 1975, NJ 1976/573 m.nt. E.A.A. Luijten en HR 20 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0459, NJ 1992/194.

67 Hiervoor 2.20.

68 Hiervoor 2.11, 2.20 en 3.9.

69 Hiervoor 2.11, 2.17, 2.20 en 3.10.