Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:508

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-05-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
16/03504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1129, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bijstandsfraude. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" in de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 i.s.m. een zijn medeverdachte bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken. Volgt terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03504

Zitting: 16 mei 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 29 januari 2016 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2014, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “medeplegen van het in strijd met een zijn bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling of tegemoetkoming van haar recht op uitkering dan wel voor de hoogte of duur van die verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd”, vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voor het overige heeft het hof het vonnis bevestigd, met aanvulling van gronden.

  2. Namens de verdachte heeft mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Hilversum, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen onvoldoende met reden is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“in de periode vanaf 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 en in de periode vanaf 1 maart 2010 tot 1 juli 2011 te Hilversum en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een zijn mededader, te weten [betrokkene 1] , bij of krachtens wettelijk voorschrift (artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Gemeente Hilversum, immers hebben hij en zijn mededader,

in de periode vanaf 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 te Hilversum en in Duitsland, niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat

- zijn mededader (gedurende de periode 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009) niet op het uitkeringsadres verbleef en

- hij en zijn mededader een gezamenlijke huishouding voerden

en, in de periode vanaf 1 maart 2010 tot 1 juli 2011 te Hilversum, niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat

- hij en zijn mededader een gezamenlijke huishouding voerden

zijnde dit gegevens waarvan hij en zijn mededader wisten dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

2. Een proces-verbaal van relaas met nummer 110005/11 van 20 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 1-38.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

In de GBA van de gemeente Hilversum is geregistreerd dat [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1965, sedert 30 mei 2011 is ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [...] Hilversum. In de periode van 18 augustus 1986 tot 30 mei 2011 stond [betrokkene 1] ingeschreven op het adres [b-straat 1] , [...] Hilversum.

Aan [betrokkene 1] is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, sedert 21 november 2006 een uitkering toegekend, ingevolge de WWB, naar de norm van een alleenstaande ouder.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 110005/11 van 19 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , Bijlage D doorgenummerde pagina’s 1-7.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven: [verdachte] is de vader van mijn twee jongste kinderen.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 110005/11 van 20 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , Bijlage D doorgenummerde pagina’s 8-16.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Het is namelijk gemakkelijk om een uitkering aan te vragen voor levensonderhoud. Dat was noodzakelijk omdat [verdachte] (de politierechter begrijpt [verdachte] ) wel geld verdiende, maar dat geld kwam nooit bij mij. Ik heb tegen hem gezegd dat ik die uitkering wilde hebben voor mijzelf en voor de kinderen. Dat ik uiteindelijk de uitkering heb aangehouden, had dan ook als reden dat ik dan in ieder geval wist dat er eten was voor mij en de kinderen.

In maart 2007 belde hij of ik naar Duitsland wilde komen voor de honden. Ik ben toen met [betrokkene 2] naar Duitsland vertrokken om bij [verdachte] te gaan wonen.

[verdachte] heeft in de periode dat wij in Duitsland woonden wel in het onderhoud van mij en de kinderen voorzien. Ik ontving toen ook mijn uitkering.

Ik ben in oktober 2009 terug naar Hilversum gegaan met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Uiteindelijk is [verdachte] in maart 2010 definitief teruggekomen naar Hilversum. Hij is toen bij mij komen wonen op de [b-straat] . Ik wilde niet dat hij zich liet inschrijven bij mij op de [b-straat] .

Had dat ook niet met je uitkering te maken?

Dat zal onbewust wel meegespeeld hebben.

We laten je rechtmatigheidsonderzoeksformulieren zien over de periode februari 2007 t/m april 2011. Heb jij die formulieren zelf ingevuld en ondertekend en waar deed je dat dan?

De formulieren die jullie mij laten zien zijn voor het grootste gedeelte door mij ingevuld en ondertekend. Ik deed dat in Hilversum. Een paar formulieren zijn door mijn dochter [betrokkene 4] ingevuld en ondertekend. Zij deed dat op mijn verzoek. Dat zijn de formulieren die betrekking hebben op oktober 2007; februari t/m mei 2008 en augustus 2008. De andere zijn door mij ondertekend.

Heb je deze formulieren expres verkeerd ingevuld en heb je expres niet aan de sociale dienst verteld dat je samenwoonde met [verdachte] en dat je in het buitenland verbleef.

Ja, ik kan moeilijk nee zeggen.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 110005/11 van 21 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , Bijlage E doorgenummerde pagina’s 3-7.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven: Ik wil u zeggen dat ik een relatie heb met [betrokkene 1] (de politierechter begrijpt [betrokkene 1] ) en dat ik zielsveel van haar hou.

Ik wil alleen zeggen dat ik wist dat ze (de politierechter begrijpt [betrokkene 1] ) op een bepaald moment een uitkering ontving en wel voor een eenoudergezin.

Ik meen dat ik in februari 2010 ben teruggekeerd en ingetrokken bij [betrokkene 1] op de [b-straat] .

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 1100051 van 20 juli 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , Bijlage F doorgenummerde pagina’s 1-4.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 4] , zakelijk weergegeven: Mijn moeder (de politierechter begrijpt [betrokkene 1] ), [verdachte] (de politierechter begrijpt [verdachte] ) en [betrokkene 2] zijn naar Duitsland gegaan. In Duitsland zijn mijn moeder en [verdachte] dacht ik twee keer verhuisd.

In maart 2010 is [verdachte] uit Duitsland teruggekomen en trok hij weer in op de [b-straat] . Vanaf maart 2010 woonde [verdachte] dus weer samen met mijn moeder.

Ik zag dat er op de [b-straat] ook post van [verdachte] kwam. Ik weet dat mijn moeder dat niet wilde, omdat ze anders gezeik zou krijgen, wat ze nu dus heeft.

De meeste formulieren voor de sociale dienst vulde mijn moeder in en ondertekende die. Ze kwam meestal een keer per maand naar Hilversum zodat ik mijn zusje en broertje kon zien, zij hier post kwam halen en dat soort dingen. Ik heb eerlijk gezegd ook wel eens zo’n formulier ingevuld en ondertekend. Ik denk dat ik misschien een keer of zes zo’n formulier heb ingevuld en de handtekening van mijn moeder heb nagemaakt. Ik deed dat altijd in overleg met mijn moeder. Ze vertelde dan dat ze die week naar Nederland kwam en als dat niet zou kunnen, dan vroeg zij mij om het formulier voor haar in te vullen en te ondertekenen. De reden dat ik die formulieren voor haar invulde of dat zij deze zelf invulde, was omdat zij anders bang was de uitkering kwijt te raken.

De Honda heeft [verdachte] gekocht voor mijn moeder. Volgens mij vertelde [verdachte] mij een keer dat mijn moeder vanwege haar uitkering de auto niet op haar naam kon krijgen. Zowel [verdachte] als mijn moeder vertelden mij dat [verdachte] zich niet bij mijn moeder kon laten inschrijven omdat dat problemen zou opleveren met de uitkering. Voor zover ik weet zou de uitkering dan worden stopgezet.

7. Geschriften, te weten kopieën van rechtmatigheidsformulieren W.W.B. op naam van [betrokkene 1] , over de periode van 31 juli 2007 tot en met 1 september 2009, doorgenummerde pagina’s 125-136 en 139-160.

Deze geschriften houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

De volgende vraag

Hebben zich in deze periode verder nog omstandigheden voorgedaan die u niet kunt aangeven op dit formulier en die wel van belang zijn voor de hoogte van uw uitkering, dient u deze omstandigheden binnen drie werkdagen door te geven via het in uw bezit zijnde wijzigingsformulier.

Deze geschriften zijn voorzien van een handtekening na de zinsnede ‘'Ondergetekende(n) verklaart/verklaren alle op dit formulier voorkomende gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en geen andere voor de verstrekking van de uitkering van belang zijnde gegevens te hebben verzwijgen”.

6. In het arrest van het hof is onder de aanhef “aanvulling bewijsmiddelen” voorts het volgende opgenomen:

“Proces-verbaal Uitkeringsfraude, op ambtseed opgemaakt op 20 oktober 2011 door de verbalisant [verbalisant 1] .

Tijdens een waarneming op 7 april werd een Range Rover, voorzien van kenteken [AA-00-AA] rijdend gezien in de nabijheid van de woning van [betrokkene 1] (pagina 10). Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] zijn in de Range Rover met kenteken [AA-00-AA] medicijnen aangetroffen van de verdachte (pag. 16).

Op 14 juli 2011 zag de collega van sociale recherche Friesland dat de Range Rover met kenteken [AA-00-AA] geparkeerd stond voor de receptie van park [A] . Zij zag dat een man, gelijkend op de GBA foto van verdachte [verdachte] , zich bevond achter de balie van de receptie van dit park.

Op 16 juli 2011 zag de collega van de sociale recherche Friesland dat de Range Rover met kenteken [AA-00-AA] geparkeerd stond bij huisje 9 van dit park (pag. 11).

In de periode 3 mei 2011 tot en met 17 mei 2011 vonden er op 26 dagen op wisselende tijden 42 observaties plaats bij de woning van [betrokkene 1] . Tijdens 42 observaties is de Range Rover met kenteken [AA-00-AA] in totaal 40 keer aangetroffen (pag. 11).

In de periode 23 juni 2011 tot en met 15 juli 2011 vonden erop 13 dagen op wisselende tijden 15 observaties plaats bij de woning van [betrokkene 1] . Tijdens 42 observaties is de Range Rover met kenteken [AA-00-AA] in totaal 5 keer aangetroffen (pag. 11).”

7. Uit de pleitnotities, waarvan de inhoud geldt als ingevoegd in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, volgt dat de raadsvrouwe in hoger beroep een bewijsverweer heeft gevoerd. Dat bewijsverweer concentreerde zich op de vraag of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2016 blijkt voorts dat de raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering ontving, maar bij het behouden daarvan geen actieve rol heeft gespeeld.

8. Het hof heeft in reactie op het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer het volgende overwogen:

“De medeverdachte [betrokkene 1] heeft bij de sociale recherche verklaard dat de verdachte in maart 2010 definitief is teruggekomen naar Hilversum en bij haar is komen wonen aan de [b-straat] . De dochter van [betrokkene 1] heeft een gelijkluidende verklaring afgelegd en heeft voorts verklaard dat zowel [betrokkene 1] als de verdachte tegen haar hebben gezegd dat de verdachte zich niet kon inschrijven op het adres van [betrokkene 1] , omdat dat problemen met de uitkering zou opleveren. De verdachte heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat [betrokkene 1] een eenouderuitkering ontving. Gelet op voormelde omstandigheden acht het hof aannemelijk dat de verdachte en [betrokkene 1] vanaf maart 2010 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De omstandigheid dat de verdachte gedurende een aantal weken, te weten van 16 april 2011 tot en met 14 mei 2011, in detentie heeft verbleven, doet daar niet aan af. In de periode van 3 mei tot en met 16 juli 2011 zijn door de sociale recherche diverse observaties gedaan waarbij is geconstateerd dat een Range Rover met kenteken [AA-00-AA] , waar de verdachte in reed, bij de woning aan de [b-straat] en na 27 mei 2001 bij de [a-straat] is aangetroffen. De getuige [betrokkene 5] , eigenaar van een vakantiepark [A] in [...] , heeft op 19 juli 2011 verklaard dat de verdachte zijn werkzaamheden daar sinds ongeveer een maand weer is begonnen en dat sindsdien de medeverdachte [betrokkene 1] en de kinderen in de weekenden op het vakantiepark verblijven. Het hof ziet, gelet op deze feiten, geen reden om de periode die door de rechtbank bewezen is verklaard, te bekorten.”

9. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.1 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.2 De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht.

10. De vraag rijst hoe het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader voor het bewijs van medeplegen toepassing vindt bij een omissie- en kwaliteitsdelict als het onderhavige. In de voorliggende zaak gaat het om het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken waartoe de tot de belanghebbende gerichte inlichtingenplicht van art. 17 van de Wet Werk en bijstand zich uitstrekt. De enkele wetenschap dat de partner met wie de verdachte samenwoont en die een uitkering ontvangt in strijd met de bedoelde inlichtingenplicht niet aan de verantwoordelijke dienst meedeelt dat zij samenwoont, zal daartoe niet toereikend zijn. Daarmee is immers nog niet gegeven dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking bij het begaan van het feit.3 Ook bij een delict als het onderhavige zal de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht moeten zijn om als medeplegen te kunnen gelden.

11. In de onderhavige zaak gaat het niet om een uitkering die de verdachte zelf ontving, maar om de uitkering die zijn partner genoot. De zaak vertoont enige gelijkenis met een zaak die leidde tot een arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2009.4 In deze zaak werd in cassatie geklaagd over het bewijs van het ten laste gelegde medeplegen van onder meer valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en het medeplegen van het in art. 227b Sr strafbaar gestelde feit. Mijn ambtgenoot Knigge merkt in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie op dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn mededader een uitkering ontving, dat het bij haar intrekken gevolgen zou hebben voor deze uitkering, dat het melden van het samenwonen zou betekenen dat zij haar uitkering zou kwijtraken en dat hij zich daarom bewust niet inschreef op haar adres maar op een ander adres. Daaruit kon volgens Knigge worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijke realisering van een gezamenlijk plan, inhoudende om het samenwonen niet te vermelden op inkomstenverklaringen en ook om dit niet op een andere manier aan de uitkeringsinstantie door te geven, teneinde het gezamenlijke inkomen zo hoog mogelijk te houden. Het hof kon daarom oordelen dat sprake was van medeplegen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met toepassing van art. 81, eerste lid, RO.5

12. In lijn met het genoemde arrest en de daaraan voorafgaande conclusie, zou kunnen worden betoogd dat ook in de onderhavige zaak het bewezen verklaarde medeplegen, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 1 maart 2010 tot 1 juli 2011, voldoende met redenen is omkleed. Daartoe wijs ik op het volgende. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte wist dat zijn partner, [betrokkene 1] , een uitkering ontving naar de norm van een alleenstaande ouder, terwijl de verdachte en [betrokkene 1] in werkelijkheid een gezamenlijke huishouding voerden. Het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding wordt in cassatie ook niet bestreden. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte in februari 2010 is teruggekeerd uit Duitsland en bij [betrokkene 1] is ingetrokken. Uit de verklaring van de dochter van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 6) blijkt dat de verdachte en [betrokkene 1] haar hebben verteld dat de verdachte zich niet bij [betrokkene 1] kon laten inschrijven, omdat dat problemen zou opleveren met de uitkering. Daarbij wijs ik er voorts op dat de genoemde dochter van [betrokkene 1] tevens heeft verklaard dat de verdachte een auto voor [betrokkene 1] heeft gekocht en dat de verdachte volgens haar aan haar had verteld dat [betrokkene 1] die auto vanwege haar uitkering niet op haar naam kon krijgen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit de inhoud van de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 1] een gezamenlijk plan realiseerden, door te verbergen dat zij in Hilversum samenwoonden. Aan dat plan droeg de verdachte actief bij door zich – overeenkomstig de wens van [betrokkene 1] - niet op het adres van [betrokkene 1] in Hilversum in te schrijven, terwijl hij met ingang van maart 2010 wel op dat adres met haar samenwoonde.

13. Daarmee is echter niet alles gezegd. De bewezenverklaring ter zake van medeplegen betreft immers ook de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 en heeft niet alleen betrekking op het niet meedelen of kenbaar maken aan de gemeente dat de verdachte en zijn mededader in die periode een gezamenlijke huishouding voerden, maar ook dat [betrokkene 1] in die periode niet op het uitkeringsadres verbleef. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] in deze periode bij de verdachte in Duitsland inwoonde, dat de verdachte in het onderhoud van [betrokkene 1] en de kinderen voorzag en dat [betrokkene 1] daarnaast een uitkering ontving. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat aan de uitkeringsinstanties niet is gemeld dat de verdachte en [betrokkene 1] in Duitsland samenwoonden, terwijl het hof ook uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte reeds in deze periode wist dat [betrokkene 1] een uitkering ontving. Uit de verklaring van de dochter van [betrokkene 1] heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte wist dat het vermelden van een gezamenlijke huishouding gevolgen zou hebben voor de hoogte van de uitkering van [betrokkene 1] . Daarmee is evenwel nog niet gegeven dat de verdachte aan het in zoverre bewezen verklaarde een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om als medeplegen te kunnen gelden. Het kennelijke oordeel van het hof dat ook in zoverre sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [betrokkene 1] en de verdachte acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat de verdachte zich niet op het adres van [betrokkene 1] in Hilversum heeft ingeschreven, terwijl hij wel op dat adres met haar samenwoonde, maar die bijdrage vond eerst plaats vanaf maart 2010 en zag uiteraard niet op de periode waarin de verdachte in Duitsland woonde. Anders dan ten aanzien van de periode vanaf maart 2010, kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte ten aanzien van het samenwonen in deze periode een bijdrage heeft geleverd die een veroordeling voor medeplegen zou kunnen dragen. Het bewezen verklaarde, voor zover behelzende dat de verdachte in periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.6 De uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

14. Het middel slaagt.

15. Het tweede middel behelst de klacht dat de motivering van de strafoplegging tekortschiet, omdat de strafoplegging tegen de achtergrond van de door de advocaat-generaal gevorderde straf en de door de rechtbank opgelegde straf verbazing wekt.

16. In eerste aanleg heeft de politierechter aan de verdachte een werkstraf opgelegd van 240 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk. In hoger beroep is door de advocaat-generaal een werkstraf van 220 uren gevorderd, waarvan 80 uren voorwaardelijk. Uit de pleitnota, waarvan de inhoud geldt als ingevoegd in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2016, blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte het volgende heeft aangevoerd over de strafoplegging:

“Mocht u wel tot een bewezenverklaring komen dan merkt de verdediging graag het volgende op in verband met de strafmaat. Aan de gemeente moet een groot bedrag worden terugbetaald. Cliënt is vader van twee kleine kinderen. Cliënt heeft een slechte gezondheid. Dat blijkt wel uit zijn medicatie waarover gesproken wordt in het dossier. Hij heeft veel pijn bij lopen en soms kan hij heel weinig. Hij werkt wel af en toe, hij heeft namelijk ook goede dagen. Soms kan hij een beetje helpen op de markt. Ook [betrokkene 1] heeft inmiddels werk. Mocht u aan een gevangenisstraf denken dan houd ik u voor dat cliënt een gezin heeft met kleine kinderen, en het een gezin is met al grote financiële problemen. De gevolgen van een gevangenisstraf zouden te groot zijn. Het feit is al met al weer van 4 jaar geleden. En cliënt begrijpt dat er een grote kans is dat hij veroordeeld zal worden, maar verzoekt u vriendelijk rekening te houden met het bedrag dat nog terugbetaald moet worden en met de extra belasting bij een hoge werkstraf op het gezin, zeker als [betrokkene 1] ook een taakstraf moet verrichten. Om die reden verzoekt de verdediging u bij oplegging van een werkstraf een zeer groot deel voorwaardelijk op te leggen.”

17. Het hof is van de strafeis van de advocaat-generaal afgeweken en heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opgelegd. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal jaren schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit de gelden die zijn (toenmalige) partner, [betrokkene 1] , ten onrechte van haar uitkeringsinstantie ontving. De verdachte wist dat [betrokkene 1] geen melding had gemaakt van het feit dat zij met hem een gezamenlijke huishouding voerde en dat zij een periode bij hem in Duitsland heeft gewoond. De verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor de verstrekking van de uitkering dan wel de hoogte daarvan. Een uitkeringsinstantie dient er immers op te kunnen vertrouwen dat de persoon die een uitkering ontvangt, tijdig volledige en juiste informatie over zijn situatie verschaft. Door zijn handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het sociaal zekerheidsstelsel en de gemeenschap benadeeld. Gebleken is dat de medeverdachte in totaal een bedrag van € 78.028,79 ten onrechte aan uitkering heeft ontvangen.

In vergelijkbare zaken pleegt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal maanden op te leggen; deze zaak vormt daarop geen uitzondering.

Ten nadele van de verdachte neemt het hof bij het bepalen van de straf voorts mee dat, blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 5 januari 2016, de verdachte tweemaal eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld. De hem bij die gelegenheden opgelegde sancties, waaronder een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf, hebben hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen zodat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans passend en geboden is.

Gelet op de ernst van het misdrijf, de laakbare houding van de verdachte met als gevolg dat hij ten onrechte profiteert van de uitkering van zijn partner en mede in aanmerking genomen dat sprake is van recidive, is het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, gelet op de in vergelijkbare zaken gehanteerde strafmaat, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een (gedeeltelijk voorwaardelijke) taakstraf. Het hof acht, alles overwegend, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

18. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de factoren die hij voor de straftoemeting van belang acht. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.7 Voorts is het zo dat de feitenrechter niet is gebonden aan richtlijnen of aanwijzingen van het openbaar ministerie.8 Enkel wanneer de strafoplegging verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.9

19. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de opgelegde straf fors hoger is dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd. Dat stond het hof op zichzelf vrij. Het hof is ruim binnen de maximumduur van vier jaren gevangenisstraf gebleven (vgl. art. 227b Sr). Het hof heeft bovendien gemotiveerd uiteengezet dat - in afwijking van de door de advocaat-generaal gevorderde straf en de in eerste aanleg opgelegde straf - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de door het hof bepaalde duur meebrengt. Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde misdrijf, de door het hof als laakbaar aangemerkte houding van de verdachte en de justitiële documentatie van de verdachte. De strafoplegging acht ik aldus voldoende gemotiveerd. De gestelde en niet nader gespecificeerde strafoplegging in de zaak van de medeverdachte kan daaraan niet afdoen.10

20. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Zie voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/420, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

2 Vgl. De Hullu 2015, p. 463-467 en onderdeel 4.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

3 Zie bijvoorbeeld HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1750. In die zaak kon de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte meermalen "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

4 HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4966 (ongepubliceerd).

5 Zie in dit verband ook HR 28 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0318 (ongepubliceerd) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Jörg.

6 Voor de volledigheid wijs ik nog op het volgende. Niet gezegd kan worden dat het wegstrepen van de bewezenverklaring ten aanzien van de eerste periode niet afdoet aan de ernst van het bewezen verklaarde. Het gaat in dezen om het grootste deel van de bewezen verklaarde periode, terwijl het hof in zijn strafmotivering in aanmerking heeft genomen dat het feit “gedurende een periode van een aantal jaren” is begaan.

7 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 310, HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

8 HR 7 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9631.

9 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 878. Zie in dit verband onder meer HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549, HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313, NJ 2009/283 en HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965.

10 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6278, onder 5.2 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU119 (ongepubliceerd), onder 11.