Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-05-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
15/04145
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1125, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N.a.v. een verkeersruzie is een taxichauffeur achter een fietser aangereden en met zijn auto op de fietser ingereden, als gevolg waarvan de fietser is gevallen zonder dat deze letsel heeft opgelopen. Poging tot zware mishandeling (art. 302 jo 45 Sr). Klacht over het bewijs van voorwaardelijk opzet. CAG: ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat X zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat het gaat om een gemotoriseerde verkeersdeelnemer die met zijn auto is ingereden op een fietser. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04145

Zitting: 9 mei 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 augustus 2015 de verdachte wegens primair “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. Op 15 januari 2012, omstreeks 5:00 uur ’s nachts, is [betrokkene 1] samen met zijn vriendin ( [betrokkene 2] ) naar huis gefietst, nadat zij in Groningen uit waren geweest. De verdachte was op dat moment als taxichauffeur aan het werk. Omdat [betrokkene 1] zou zijn afgesneden door de door de verdachte bestuurde auto, heeft hij met zijn hand een klap op de kofferbak van de auto gegeven. Vervolgens is de verdachte in zijn taxi achter [betrokkene 1] aangereden, waarna hij met zijn auto op de rechts naast hem fietsende [betrokkene 1] is ingereden. Daarbij is [betrokkene 1] ten val gekomen zonder dat deze letsel heeft opgelopen. Daarna is de verdachte doorgereden.1

4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken.

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 15 januari 2012 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto op die (fietsende) [betrokkene 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 15 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Op zondag 15 januari 2012 ben ik omstreeks 05.00 uur opzettelijk van mijn fiets gereden. Toen ik net voor het verkeerslicht op de kruising van de Kattenhage met het Schuitendiep fietste, hoorde ik een auto aan komen rijden en opeens voelde ik een harde duw tegen mijn fiets aan. Ik voelde dat ik werd gelanceerd en ik viel van de fiets op de stoep. Ik zag toen in een flits dat het een taxi betrof. Ik viel hard maar heb verder geen letsel.”

(ii) Een op 25 juni 2013 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende:

“Ik dacht ik wil geen ruzie, dus ik fietste gewoon door. Op de Kattenhage, bij de stoplichten bij het kruispunt bij de gracht heeft de taxichauffeur mij opzettelijk aangereden. Ik reed daar op een normaal fietstempo. Ik hoorde een auto hard aan komen rijden. Toen voelde ik ineens dat er een auto mij aan het wegduwen was met de rechterzijkant, het stuk voor het wiel. Ik zag het stuk tussen de bumper en het wiel in. Hij heeft mij geraakt, ik voelde het. Hij drukte mij met mijn voorwiel de stoep op. Ik kon nog één stap zetten en toen viel ik om. (..)

U vraagt mij of er meer verkeer was op de Kattenhage. Er waren nog wel wat voetgangers op de stoep. Een van die meisjes kwam ook naar mij toe en vroeg: ‘‘waarom rijdt hij jou aan?”. Dat meisje is ook getuige geweest. De taxi hoefde nergens voor uit te wijken. (..)

U vraagt mij of ik de auto als eerste hoorde of zag. Ik hoorde de auto als eerste. U vraagt mij wat het eerste was dat ik van de auto zag. Toen de auto mij aanraakte met zijn rechtervoorkant, toen keek ik en zag ik dat het een blauwe Mercedes was.”

(iii) Een op 15 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Op zondag 15 januari 2012 rond 05.00 uur was ik getuige van het feit dat mijn vriend [betrokkene 1] met opzet van zijn fiets werd gereden. Dit gebeurde door een taxichauffeur. Ik fietste achter mijn vriend om het overige verkeer niet te hinderen. Ik zag opeens een taxi langs rijden. Ik zag dat die taxi opeens uitweek naar rechts, waar mijn vriend fietste. Er kwam geen ander verkeer aan en ik zag dat hij opzettelijk tegen mijn vriend aan reed. Ook zag ik dat mijn vriend met een forse duw van zijn fiets op de stoep viel.”

(iv) Een op 25 juni 2013 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Mijn vriend fietste voor mij, het was niet een brede weg en er was een fietsstrook.

Er kwam een auto langs en die reed op mijn vriend in. Dat was een taxi auto. Ik dacht toen: “hier kom je niet mee weg.”. Ik heb geprobeerd de taxi achterna te rijden om het nummerbord te onthouden. (..)

U vraagt mij of het druk was op de weg. Nee, naar mijn beleving niet. Ik kan me geen ander verkeer herinneren op de Kattenhage. Het klopt dat de taxi mij eerst is voorbij gereden. Ik zag in een fractie van een seconde dat de taxi naar rechts ging. Hij gaf mijn vriend een 'duwtje'. Ik bedoel hiermee dat hij hem aan de zijkant/voorkant heeft geraakt. Het was in ieder geval niet van achter. Ik heb gezien dat mijn vriend viel. Er was niet genoeg ruimte voor hem om door te fietsen.”

(v) Een op 29 februari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende:

“Ik ben zojuist, 15 januari 2012 omstreeks 05.30 uur, getuige geweest van een aanrijding tussen een fietser en een taxi. Ik liep zojuist over de Kattenhage te Groningen. Een vriendin en ik liepen over het trottoir. Ik heb gezien dat deze fietser opzettelijk werd aangereden door de taxichauffeur. Ik zag dat de taxichauffeur opzettelijk inreed op de fietser. Ik zag dat de fietser hierdoor met zijn fiets ten val kwam.”

(vi) Een op 25 juni 2013 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende:

“Ik liep op de stoep, langs de straat vanaf de Grote Markt naar de W.A. Scholtenstraat. U zegt mij dat het om de Kattenhage gaat. Er kwam een fietser voorbij en er reed een taxi heel hard voorbij en die maakte een uitwijkmanoeuvre waardoor hij de fietser raakte. Daarna reed de taxi heel hard door, hij reed door rood en sloeg linksaf over de brug. (..) De fietsers, een jongen en een meisje, ik geloof dat ze met z’n tweeën waren, fietsten achter elkaar. De taxi reed te hard, dat viel mij op. De taxi maakte een uitwijking naar de fietser toe. De weg was helemaal vrij dus de taxi hoefde niet voor iets uit te wijken. Het viel mij op dat de taxi een uitwijking maakte. Ik heb gekeken hoe het met de fietser ging. De afstand tussen mij en de plek waar de taxi op de fietser inreed was ongeveer tussen de vijf en tien meter. Ik had vrij zicht. (..)

De jongen kon in ieder geval niet normaal blijven fietsen doordat de taxi hem of heeft geraakt of in ieder geval zo reed dat hij wel moest vallen.”

(vii) Een op 26 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben hem achterna gegaan. Ik ben achter de fietser aan gereden. Halverwege de Kattenhage zag ik hem en ben ik naast hem gaan rijden. (...) Ik zag dat hij tegen de stoeprand aan kwam en ten val kwam. Ik ben doorgereden. (...) Natuurlijk, als ik daar niet had gereden was hij niet gevallen.”

(viii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik kwam met hoge snelheid aanrijden, om hem bij te halen. Ik ging met gelijke snelheid naast de fietser rijden. Ik zag hem vallen. Nadat ik even was gestopt, ben ik doorgereden. Ik ben 150 meter verderop wel gestopt en uit de taxi gestapt. Ik heb gekeken of ik schade had.”

7. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2015 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot zware mishandeling, onder meer omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte wilde zijn verhaalsrecht zeker stellen, nadat de aangever was doorgereden na een ongeluk. Op het moment dat de verdachte en de aangever naast elkaar reden, wilde de verdachte slechts de aandacht van de aangever trekken. Ten tijde van de valpartij reed de verdachte net zo snel als de fietser, terwijl de verdachte de fietser in het ergste geval per ongeluk heeft getoucheerd. De verdachte heeft de fietser belet door te fietsen, waardoor deze mogelijk tegen de stoep is gebotst. Onder deze omstandigheden is er naar algemene ervaringsregels geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel geweest, aldus de raadsman.

8. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Op grond van de in die eventueel op te maken aanvulling opgenomen verklaringen - zijnde de verklaringen van aangever [betrokkene 1] , getuige [betrokkene 2] en getuige [betrokkene 3] ten overstaan van politie en ook nadien ten overstaan van de rechter-commissaris - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn personenauto (aan de linkerzijde) naast aangever [betrokkene 1] reed, over de Kattenhage te Groningen, met gelijke snelheid als die van [betrokkene 1] , vervolgens zijn personenauto plotseling naar rechts heeft gestuurd en daarbij - zo blijkt uit de verklaringen van aangever [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] - met zijn auto contact heeft gemaakt met (de fiets van) [betrokkene 1] , waardoor [betrokkene 1] ten val kwam.

De bovengenoemde verklaringen betreffen verklaringen die zijn afgelegd direct na afloop van het tenlastegelegde en betreffen waarnemingen van korte afstand gedaan. Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen afgelegd bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] kunnen worden beschouwd als betrouwbare verklaringen.

Hetgeen de in hoger beroep ter zitting van het hof gehoorde getuigen hebben verklaard, doet niet af aan het bovenstaande.

Met de politierechter is het hof van oordeel dat, nu verdachte met zijn personenauto tegen (de fiets van) [betrokkene 1] is aangereden, dit handelen valt aan te merken als 'inrijden op', zoals in de tenlastelegging is vermeld. Dat de personenauto niet frontaal, met de voorzijde, maar met de zijkant contact heeft gemaakt met (de fiets van) [betrokkene 1] , kan daar niet aan afdoen. Die enkele omstandigheid maakt niet dat het handelen van verdachte op andere wijze dan als 'inrijden op' moet worden beschouwd. Het verweer van de raadsman, die heeft betoogd dat er sprake is van grondslagverlating als dit handelen van verdachte tot bewezenverklaring van het 'inrijden op' zou leiden, wordt door het hof derhalve verworpen.

De raadsman heeft voorts betoogd dat opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [betrokkene 1] , niet bewezen kan worden.

Van opzet op een bepaald gevolg is niet alleen sprake als de verdachte met de bedoeling handelde om een bepaald gevolg te laten intreden, maar ook als hij gezien zijn handelingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg intreedt. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat er in dit geval sprake is van opzet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft zoals hiervoor beschreven met zijn personenauto een beweging naar rechts gemaakt, terwijl op dat moment [betrokkene 1] (rechts) naast hem fietste. Verdachte heeft (de fiets van) [betrokkene 1] ook geraakt, die daardoor ten val is gekomen. Uit algemene ervaringsregels volgt dat als op dergelijke wijze met een personenauto op een fietser, een kwetsbare verkeersdeelnemer, wordt ingereden, de aanmerkelijke kans bestaat dat die fietser door die aanrijding en/of bij zijn val zwaar lichamelijk letsel oploopt. Verdachte heeft die aanmerkelijke kans door zijn handelwijze aanvaard.

Het hof verwerpt derhalve het verweer en acht bewezen dat verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld zoals ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, zoals primair ten laste is gelegd.”

9. De bewezenverklaring en de kwalificatie hebben betrekking op poging tot zware mishandeling. In andere zaken die de Hoge Raad hebben bereikt en waarin sprake is van een abrupte stuurbeweging in de richting van een ander voertuig dan wel een andere verkeersdeelnemer zijn de bewezenverklaring en de kwalificatie toegesneden op poging tot doodslag.2 Daarmee ligt de lat in de onderhavige zaak aanmerkelijk lager. Het bewezen verklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zal uit de bewijsvoering moeten kunnen volgen.

10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.3

11. In de hiervoor onder 8 weergegeven overwegingen, beschouwd in samenhang met de bewezenverklaring en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

12. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de hiervoor onder 6 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen van het hof, niet onbegrijpelijk. Daarbij moet worden bedacht dat het hier gaat om een verkeersincident waarbij een gemotoriseerde verkeersdeelnemer met zijn auto is ingereden op een kwetsbare verkeersdeelnemer, te weten een fietser. De verdachte, een professioneel taxichauffeur, is met hoge snelheid achter een fietser aangereden. Vervolgens heeft de verdachte de fietser ingehaald en heeft hij met zijn auto een stuurbeweging naar rechts gemaakt. Daarbij heeft de verdachte met de zijkant van zijn auto de fiets geraakt, als gevolg waarvan de fietser werd “gelanceerd” en van zijn fiets op de stoep is gevallen. Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als “inrijden op” de fietser. Anders dan de steller van het middel aanvoert, kan uit het voorgaande worden afgeleid dat er sprake is geweest van meer dan “de enkele omstandigheid dat de verzoeker zijdelings en met geringe snelheid met zijn auto de fiets van de aangever heeft geraakt ten gevolge waarvan aangever ten val kwam”. Het hof heeft kunnen aannemen dat de verdachte door met zijn auto op de uit de bewijsvoering blijkende wijze in te rijden op de fietsende aangever en hem ten val te brengen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever daarmee zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

13. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met zijn nadere bewijsoverwegingen, kunnen afleiden dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [betrokkene 1] door met een personenauto op de fietsende [betrokkene 1] in te rijden. Gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte ter onderbouwing van het in hoger beroep gevoerde verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Aldus is de bewezenverklaring (in zoverre) toereikend gemotiveerd.

14. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR 18 maart 2014, ECLI:N:HR:2014:657 en HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6368, NJ 2011/560. De feitelijke toedracht in beide zaken verschilt evenwel sterk van die in de onderhavige zaak. Daarin was sprake van een harde duw respectievelijk een kopstoot. Die feitelijke context staat ver af van een doelbewuste geweldshandeling in het verkeer waarbij een automobilist met zijn auto is ingereden op een fietser, zoals in de onderhavige zaak aan de orde is. Daarbij komt dat het arrest uit maart 2014 niet zag op een poging tot zware mishandeling maar op een voltooide zware mishandeling. Mede in het licht van het overige verkeersgedrag van de verdachte dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, heeft het hof uit de plotselinge4 stuurbeweging naar rechts van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte zijn auto als een soort wapen heeft ingezet in een poging naar aanleiding van een eerdere verkeersruzie verhaal te halen bij de fietser.5

15. Door dit gebruik van de auto als wapen vertoont de onderhavige zaak naar mijn mening meer overeenkomsten met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5326, NJ 2013/55. In die zaak had het hof aangenomen dat de verdachte door met zijn auto achteruit te rijden, terwijl hij wist dat twee politieambtenaren zich op (zeer) korte afstand achter zijn auto bevonden, bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de politieambtenaren daardoor zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand.6

16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de op 15 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de op 26 januari 2012 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte. Deze verklaringen zijn deels voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddelen 1, 3 en 7).

2 Vgl. onder meer HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60 (medeplegen, inrijden op achtervolgende politieauto), HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2893 (inrijden op agent tijdens politieachtervolging; art. 80a RO), HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4918 (de verdachte heeft tijdens een politieachtervolging twee keer een stuurbeweging naar links gemaakt waarbij hij een politieauto heeft geraakt; art. 81 RO) en HR 20 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2526, NJ 2004/214 (voltooide doodslag; remmen bij bumperkleven, waardoor een ander tegen een boom is gereden en is overleden).

3 Vgl. HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, rov. 2.3, HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2, HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

4 Uit de bewijsmiddelen 1 en 3 volgt dat de verdachte opeens naar rechts uitweek.

5 Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer, rov. 2.4 (tweede alinea).

6 Vgl. voor een andere veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling in het verkeer, die door de Hoge Raad in stand is gelaten: HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609, rov. 5 (tijdens een politiecontrole inrijden op een agent). Vgl. ook HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3496 (een abrupte stuurbeweging in de richting van een andere auto, art. 81 RO). Anders lag het in de zaken die hebben geleid tot HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2075, NJ 2016/423 en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, NJ 2015/314 m.nt. Keulen. In die zaken is de verdachte veroordeeld ter zake van poging tot doodslag, omdat hij met hoge snelheid stuurbewegingen heeft gemaakt in de richting van achtervolgende politieauto’s. De Hoge Raad oordeelde in beide zaken dat het opzet van de verdachte niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid, mede in aanmerking genomen dat het hof niets had vastgesteld waaruit kon volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was. Vgl. voor een verkeerszaak, waarin de verdachte is veroordeeld ter zake van poging tot zware mishandeling, die de Hoge Raad heeft gecasseerd: HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779, rov. 2 (inrijden op motoragent door zeer hard en abrupt gas te geven).