Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:490

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-01-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
16/02956
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1114, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opiumwetdelicten (art. 10a en 10.5 Opiumwet). Eendaadse samenloop (art. 55.1 Sr) en voortgezette handeling (art. 56.1 Sr). De HR wijdt algemene beschouwing aan eendaadse samenloop en voortgezette handeling vanwege het belang van deze regelingen in feitelijke aanleg. De zeer beperkte toetsing in cassatie zal niet veranderen. De HR benadrukt dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling. Voor eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het “wilsbesluit”) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van de regelingen ruimer is dan wellicht uit eerdere rechtspraak kon worden afgeleid. Het toetsingskader voor “één feit” a.b.i. art. 55.1 Sr kan echter niet gelijkgeschakeld worden met het toetsingskader voor “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. Denkbaar is dat de feitenrechter in geval van eendaadse samenloop, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. ’s Hofs oordeel dat m.b.t. het onder 1 en 2 bewezenverklaarde sprake is van meerdaadse samenloop is niet z.m. begrijpelijk gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat sprake is van een vergelijkbare strekking van de toepasselijke strafbepalingen en een zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex, terwijl in ’s Hofs overwegingen besloten ligt dat de onder 2 bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen slechts zien op het onder 1 bewezenverklaarde feit. Geen cassatie, omdat verdachte geen belang heeft bij de klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/148 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02956

Zitting: 17 januari 2017

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 18 november 2015 ter zake van 1 primair. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. L.M. van Herwijnen, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak draait het — kort gezegd — om het door middel van een container invoeren in Nederland van 278 kilo cocaïne uit Chili via de haven van Rotterdam alsook om de voorbereidingshandeling voor het verdere vervoer van die cocaïne door de verdachte en zijn twee medeverdachten. De voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan uit het onbevoegd met een toegangspas en auto betreden van het ‘terminalterrein’ alwaar de container met daarin de sporttassen gevuld met cocaïne zich bevond, alsook uit het voorhanden hebben van (ongebruikt) zegellood, een helm, (werk)handschoenen, een veiligheidsvest, een kniptang, breekijzers, betonscharen en mobiele (organisatie) telefoons.

  4. Het eerste middel komt met verschillende klachten tevergeefs op tegen de motivering van de bewezenverklaringen onder 1 primair en 2.

  5. Anders dan de steller van het middel betoogt, kan de bewezenverklaring genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.1 Bovendien heeft het hof in zijn nadere bewijsoverweging, als reactie op de ter terechtzitting gevoerde bewijsverweren, uitvoerig stil gestaan bij de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsook bij de omstandigheid dat de verdachten “hebben moeten geweten dat hetgeen zij daar deden illegaal was en te maken had met de invoer van cocaïne”. Daartoe heeft het hof in het bijzonder waarde gehecht aan de omstandigheid dat de drie verdachten onbevoegd, in de vroege morgen zich hebben begeven naar een haventerrein, in het bezit van breekvoorwerpen en loodzegels, terwijl een van hen in het bezit was van de stackpositie van een container afkomstig uit een Zuid-Amerikaans land. Zij hebben die container vervolgens opengebroken, de sporttassen eruit gehaald, deze in de auto gelegd en een nieuw loodzegel aangebracht. Ook zonder de door het hof in zijn nadere bewijsoverweging aangehaalde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], inzake zijn wetenschap omtrent de hoeveelheid cocaïne, is de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

6. Het eerste middel rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.

7. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen in plaats van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, waardoor de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende zijn gemotiveerd.

8. In de toelichting op het middel betoogt de steller dat het hof de verdachte aldus heeft veroordeeld voor voorbereidingshandelingen “die moeten worden geacht te zijn geconsumeerd door de veroordeling wegens het voltooide feit van het invoeren van een hoeveelheid cocaïne”. Een en ander brengt de steller van het middel tot het oordeel dat het hof toepassing had moeten geven aan eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr of aan voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.

9. In aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaringen en de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het — kort gezegd — bij de invoer van de 278 kilo cocaïne en het verdere vervoer op 26 november 2014 te Rotterdam gaat om een uit het oogpunt van art. 1, vierde lid, Opiumwet bedoelde voorbereidingshandeling die te rubriceren is onder het “binnen het grondgebied brengen” zoals bedoeld in onder meer art. 2 Opiumwet, is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de invoer en het verdere vervoer als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slaagt het middel.

10. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden, aangezien gelet op de in geval van art. 55, eerste lid, Sr respectievelijk art. 57, eerste lid, Sr toepasselijke strafmaxima en de in het onderhavige geval opgelegde straf bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, het belang van de verdachte bij een cassatieberoep ontbreekt. De enkele stelling dat de meervoudige kwalificaties in verdachte’s justitiële documentatie tot een negatief oordeel kunnen leiden bij een antecedentenonderzoek, is daartoe ongenoegzaam. De samenloopregeling beoogt immers enkel cumulatie van straftoemeting tegen te gaan.

11. Ook het tweede middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

12. Het derde middel waarin met een beroep op art. 6 EVRM wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn in cassatie, behoeft ondanks de daartoe aangevoerde argumenten, gezien het lot van de eerste twee middelen geen bespreking.2

13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen — gelezen in onderling verband en samenhang — houden onder meer in dat een beveiliger van de ECT Delta Terminal op 26 november 2014 drie manspersonen op het terrein zag rennen, deze personen richting een witte bestelauto renden, zij tassen in een witte bestelauto gooiden en daarmee vervolgens wild het terrein zijn afgereden naar de openbare weg (bewijsmiddel 3). Nadat het voertuig zich daar had klemgereden, konden de drie inzittenden worden aangehouden. De twee medeverdachten als bestuurder en bijrijder (bewijsmiddel 4) en de verdachte werd in de laadruimte aangetroffen (bewijsmiddel 3 en 5). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat een van de medeverdachten verklaart dat zij met z’n drieën waren en eerder gezamenlijk het terrein op waren gereden (bewijsmiddel 1 en 3). Vervolgens blijkt na bemonstering door het Douanelaboratorium van de inhoud van de sporttassen, waarop verdachte’s DNA werd aangetroffen (bewijsmiddel 17), deze te bestaan uit 278 kilo cocaïne (bewijsmiddel 8 en 9). Bovendien worden in de Peugeot bestelbus, naast de tassen met cocaïne, onder meer ook een betonschaar, zeggellood, een reflecterend hesje en een werkhelm aangetroffen (bewijsmiddel 13). Ten slotte wordt tijdens de aanhoudingsfouillering bij de verdachte een mobiele telefoon aangetroffen (bewijsmiddel 5) met op de simkaart slechts twee opgeslagen contacten (bewijsmiddel 18), waaronder het nummer behorend bij de simkaart van een mobiele telefoon die werd aangetroffen in het middenconsole van de betrokken bestelbus (bewijsmiddel 18 en 19).

2 Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2.