Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:460

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-05-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
17/00776
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1109, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf na conversie voorwaardelijke machtiging in voorlopige machtiging. Samenhang met 16/06239.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/00776

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 3 mei 2017

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

Het cassatiemiddel in deze zaak is gericht tegen een machtiging tot voortgezet verblijf. De zaak hangt samen met die onder nr. 16/06239.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 21 juli 2016 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van vier maanden1.

1.2.

Op 12 augustus 2016 is betrokkene onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een beslissing van de geneesheer-directeur als bedoeld in art. 14d Wet Bopz.

1.3.

Betrokkene heeft de officier van justitie verzocht op de voet van art. 14e Wet Bopz een beslissing van de rechtbank hierover uit te lokken. Bij beschikking van 28 september 2016 heeft de rechtbank het bezwaar afgewezen en verstaan dat de voorwaardelijke machtiging wordt voortgezet als een voorlopige machtiging voor het tijdvak tot 21 november 2016.2

1.4.

De officier van justitie heeft op 4 november 2016 aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 – 17 Wet Bopz). Bij dit verzoekschrift was een verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater Van de Bent.

1.5.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 17 november 2016, in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat, de behandelend psychiater [de psychiater] en een verpleegkundige. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend.

1.6.

Namens betrokkene is – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Onderdeel 1 is voorwaardelijk voorgedragen, voor het geval dat de (hiervoor onder 1.3 genoemde) beschikking van 28 september 2016 in cassatie wordt vernietigd. Voor dat geval klaagt het middelonderdeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking van 17 november 2016 ten onrechte ervan uitgaat dat betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef krachtens (een voorwaardelijke machtiging die ingevolge art. 14d, lid 2, tweede volzin, Wet Bopz was geconverteerd in) een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Volgens het middelonderdeel heeft de advocaat van betrokkene tijdens de zitting op 17 november 2016 de rechtbank geattendeerd op zijn voornemen om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 28 september 2016. Ter onderbouwing van de klacht wijst het middelonderdeel op HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1039, JVggz 2014/2.

2.2.

Indien de Hoge Raad in de parallelzaak onder nr. 16/06239 zou besluiten tot verwerping van het beroep tegen de beschikking van 28 september 2016, behoeft dit middelonderdeel geen bespreking. Daarenboven leidt middelonderdeel 1 om de navolgende reden niet tot cassatie.

2.3.

Ingevolge het bepaalde in art. 15 lid 1 Wet Bopz is een machtiging tot voortgezet verblijf mogelijk ‘met betrekking tot een persoon die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft’. De regel dat een voorlopige machtiging vooraf gaat aan een machtiging tot voortgezet verblijf houdt verband met de oplopende geldigheidsduur: een voorlopige machtiging (eerste machtiging) heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Een machtiging tot voortgezet verblijf heeft een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening. Buiten het geval van art. 37 lid 1 Wetboek van Strafrecht, kan een patiënt dus niet voor een periode van een jaar onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis worden geplaatst zonder dat daaraan een voorlopige machtiging is voorafgegaan.

2.4.

Op basis van de overgelegde gedingstukken kan in cassatie worden uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene ten tijde van de indiening van het verzoek van de officier van justitie4 om een machtiging tot voortgezet verblijf (4 november 2016) feitelijk en rechtens in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef op basis van de – bij voorraad uitvoerbare − voorwaardelijke machtiging die, als gevolg van de beslissing van de geneesheer-directeur van 12 augustus 2016 tot opneming van betrokkene in het ziekenhuis voor het restant van de looptijd (doch ten hoogste voor zes maanden) van rechtswege was geconverteerd in een voorlopige machtiging. De aankondiging dat betrokkene voornemens was cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank in de art. 14e-procedure, maakt dat niet anders.

2.5.

Art. 15 Wet Bopz verzet zich in zo’n geval niet tegen het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. In de woorden van Dijkers:

“Een rechter die zich gesteld ziet voor de vraag of hij tot voortzetting van een reeds plaatsvindende dwangopneming zal machtigen, beoordeelt slechts of – op het tijdstip van zijn beslissing – nog steeds aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (stoornis, hieruit voortvloeiend gevaar, geen alternatief en afwezigheid van de ‘de nodige bereidheid’). Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en); elke machtiging betreft een zelfstandige maatregel, die niet voortbouwt op de voorafgaande.”5

Indien de beschikking van 28 september 2016 in de parallelprocedure in cassatie zou worden vernietigd (al dan niet met verwijzing van de zaak voor het nemen van een nieuwe beslissing), is daarmee niet gegeven dat het fundament wegvalt onder de machtiging tot voortgezet verblijf. De vergelijking in het cassatierekest met de zaak van HR 25 oktober 2013 gaat mijns inziens niet op. In dat geval was de slotsom, kort gezegd, dat rechtens geen conversie in een voorlopige machtiging had plaatsgevonden. Onderdeel 1 faalt.

2.6.

Onderdeel 2.1 houdt in dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de regel dat de (Bopz-)rechter slechts gebruik mag maken van een naar de wettekst verwijzende standaardmotivering indien de uit de processtukken − het proces-verbaal van de zitting daaronder begrepen − naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat wordt volstaan met zo’n motivering6. Volgens het middelonderdeel is de rechtbank niet, althans niet toereikend gemotiveerd, ingegaan op het verzoek van de zijde van betrokkene om de behandeling aan te houden op de voet van art. 8a Wet Bopz, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen alsnog een verzoek in te dienen tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz; volgens betrokkene kon in zijn geval worden volstaan met een voorwaardelijke machtiging, in welk geval hij zich zou houden aan de door de rechter vast te stellen voorwaarden. Evenmin is de rechtbank ingegaan op het (kennelijk: subsidiair bedoelde) verzoek van betrokkene om de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf vast te stellen op een kortere periode dan het wettelijk maximum.7

Onderdeel 2.2 bevat een hiermee samenhangende motiveringsklacht.

2.7.

Duidelijk is in elk geval dat de rechtbank beide verzoeken van betrokkene niet heeft ingewilligd. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter zitting, vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens (schizofrenie van het gedesorganiseerde type, in combinatie met cannabisafhankelijkheid), welke stoornis ook na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn. Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden. Zij vindt steun in de geneeskundige verklaring (rubriek 3.c). De rechtbank heeft aan de hand van de geneeskundige verklaring en de ter zitting verstrekte inlichtingen voorts vastgesteld dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf (te weten: dat hij maatschappelijk te gronde gaat en zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen) en dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Deze vaststellingen zijn niet onbegrijpelijk, mede in het licht van de (daarmee overeenstemmende) geneeskundige verklaring8.

2.8.

De rechtbank is bevoegd, maar niet verplicht om gebruik te maken van de mogelijkheden die art. 8a Wet Bopz biedt om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andersoortig verzoek in te dienen. Reeds uit de toewijzing van de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf valt op te maken dat de rechtbank geen twijfel had over haar antwoord op de vraag of een andere maatregel passender was dan de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf. Aangezien het primaire verweer betrekking had op de vraag of met een voorwaardelijke machtiging (als bedoeld in art. 14a Wet Bopz9) kon worden volstaan in plaats van een machtiging tot voortgezet verblijf zoals door de officier van justitie verzocht, viel de beoordeling van dit verweer (kan het gevaar buiten het ziekenhuis worden afgewend door het stellen van voorwaarden?) grotendeels samen met de beoordeling of het te duchten gevaar kon worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis. Dat de rechtbank van oordeel was dat het te duchten gevaar niet kon worden afgewend door het stellen van voorwaarden, valt ook af te leiden uit haar oordeel dat betrokkene de structuur van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis nodig heeft.

2.9.

Tegen de achtergrond van hetgeen in de gedingstukken is vermeld omtrent het mislukken van de eerder verleende voorwaardelijke machtiging en de aard van de stoornis, behoefde dit oordeel – om voor de lezer begrijpelijk te zijn − geen verdergaande uitwerking dan de rechtbank daaraan heeft gegeven. Overigens is ter zitting serieus aandacht aan dit primaire verweer besteed; zo heeft de rechtbank juist naar aanleiding van dit verzoek van de advocaat de behandelend psychiater gehoord, die zich heeft uitgesproken over het risico indien betrokkene de kliniek zal verlaten en zijn medicatie zal gaan afbouwen. Met de steller van het middel ben ik het eens, dat het antwoord van de psychiater op de door de advocaat gestelde vraag nog geen gemotiveerd oordeel van de rechtbank is. Dit neemt niet weg, dat het hier gaat om een inschatting door de rechtbank van de mogelijkheden van betrokkene om zich buiten een psychiatrisch ziekenhuis staande te houden en, in dat verband, van de te verwachten medicatietrouw. Het oordeel van de behandelend psychiater en dat van de niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene heeft onderzocht liepen op dit punt niet uiteen; contra-expertise was niet verzocht. In een dergelijk geval kon de rechtbank haar beslissing bezwaarlijk anders motiveren dan door de verwijzing naar de informatie die de rechtbank van de psychiaters had verkregen.

2.10.

Op het (subsidiaire) verzoek van de advocaat om de “termijn te verkorten” is de rechtbank in haar beschikking inderdaad niet met zoveel woorden ingegaan. Het komt mij voor, dat dit geen grond voor cassatie behoeft te zijn. Nu het subsidiaire verzoek slechts was toegelicht met dezelfde argumenten waarop de advocaat (primair) de afwijzing van het verzoek van de officier van justitie of, via art. 8a Wet Bopz, het verlenen van een voorwaardelijke machtiging had bepleit – zelfs de vraag hoeveel korter de geldigheidsduur van de machtiging dan zou moeten zijn, is in het pleidooi in het midden gelaten – mist betrokkene een redelijk belang bij deze klacht: de verlangde motivering voor de afwijzing van dit subsidiaire verzoek had slechts een herhaling van zetten kunnen opleveren. Onderdeel 2 leidt niet tot cassatie.

2.11.

Onderdeel 3 mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande middelonderdelen, waarop de klacht voortbouwt. Dit onderdeel behoeft verder niet te worden besproken.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 Zie art. 14c lid 2 in verbinding met art. 14a Wet Bopz.

2 Tegen die beschikking is cassatieberoep ingesteld onder nr. 16/06239. In die zaak wordt heden conclusie genomen.

3 Op 16 februari 2017.

4 Dat deze datum de peildatum is, volgt uit art. 16 lid 1 en lid 4 Wet Bopz.

5 W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 115, met verwijzing in voetnoot 44 naar HR 25 november 1988, NJ 1989/261, onder de vroegere Krankzinnigenwet.

6 Het middelonderdeel verwijst naar HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:669, NJ 2016/237, JVggz 2016/16 m.nt. T.P. Widdershoven.

7 Beide verzoeken zijn vermeld in het proces-verbaal van de zitting, blz. 2.

8 Zie met name rubriek 4 a – d over het gevaar en rubriek 6 over de (on)mogelijkheden van behandeling buiten een psychiatrisch ziekenhuis, al dan niet op basis van een voorwaardelijke machtiging.

9 Art. 14a lid 2, onder b, Wet Bopz stelt daaraan de eis dat ‘het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis (…) slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend’.