Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:458

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-05-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
17/00300
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1098, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. BOPZ. Verzoek om toekenning van schadevergoeding bij schending van voorschrift van de Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

17/00300

Mr. F.F. Langemeijer

3 mei 2017

Conclusie inzake het verzoek van

[betrokkene]

In deze Bopz-zaak heeft de geneesheer-directeur een patiënte ten aanzien van wie een voorwaardelijke machtiging gold, op de voet van art. 14d Wet Bopz laten opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis. Vervolgens heeft de betrokkene via de officier van justitie een beslissing van de rechtbank op de voet van art. 14e Wet Bopz uitgelokt. Heeft de rechtbank beslist op een verzoek om schadevergoeding en, zo ja, houdt die beslissing stand?

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in de bestreden beschikking onder 2.1 – 2.6 en onder 3.3, hieronder verkort weergegeven:

1.1.1.

Ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) heeft de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 24 december 2015 een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 24 december 20161.

1.1.2.

Op 16 augustus 2016 heeft de geneesheer-directeur van GGZ inGeest betrokkene doen opnemen in het psychiatrisch ziekenhuis van GGZ inGeest te Bennebroek krachtens het bepaalde in art. 14d Wet Bopz. Als gevolg daarvan werd de voorwaardelijke machtiging voor het restant van de looptijd geconverteerd in een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging2.

1.1.3.

Op 30 augustus 2016 heeft de advocaat van betrokkene de Inspecteur voor de Gezondheidszorg verzocht op de voet van art. 14e lid 2 Wet Bopz zijn oordeel te geven over de beslissing van de geneesheer-directeur. Dat oordeel is uitgebracht op 6 oktober 2016. De Inspecteur is tot het oordeel gekomen dat het besluit van de geneesheer-directeur navolgbaar en weloverwogen is.

1.1.4.

De officier van justitie heeft, naar aanleiding van een schrijven van de advocaat van 9 september 2016, op 14 september 2016 aan de rechtbank verzocht een beslissing te geven als bedoeld in art. 14e Wet Bopz.

1.2.

De rechtbank heeft op 20 oktober 2016 betrokkene en haar advocaat, de geneesheer-directeur en de behandelend psychiater gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het bezwaar van betrokkene tegen de beslissing van de geneesheer-directeur van 16 augustus 2016 afgewezen. De rechtbank overwoog dat ter beoordeling voorligt de vraag of het gevaar dat betrokkene ten gevolge van haar stoornis loopt3 buiten het psychiatrisch ziekenhuis nog kan worden afgewend door het naleven van de overeengekomen voorwaarden. Daarbij is een beoordeling ex nunc vereist, dat wil zeggen: naar de omstandigheden ten tijde van de zitting (rov. 4.1). Uit de mededelingen van de geneesheer-directeur en de behandelend psychiater blijkt dat indien betrokkene weer naar huis zou gaan, het gevaar zich onverkort zal voordoen. Het gevaar kan volgens de rechtbank ook niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (rov. 4.3).

1.3.

De rechtbank maakt in haar beschikking geen melding van enig verzoek om schadevergoeding. Wel heeft de rechtbank kennis genomen van de pleitnotitie van de raadsman van betrokkene (rov. 1.1).

1.4.

Namens betrokkene is – tijdig4 – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

De beslissing van de rechtbank op het verzoek als bedoeld in art. 14e Wet Bopz wordt, als zodanig, in cassatie niet bestreden. De klachten onder A en B beperken zich tot het verzoek om schadevergoeding.

2.2.

Onderdeel A (in het cassatierekest toegelicht onder nrs. 1 – 11) klaagt dat de rechtbank ten onrechte, want in strijd met art. 24 Rv, geen beslissing heeft genomen over het verzoek om toekenning van een schadevergoeding; dit verzoek was vervat in de aan de rechtbank overgelegde pleitnota5. Het gaat de steller van het middel blijkbaar om de passage aan het slot van de pleitnota, onder 14, waar concluderend werd opgemerkt dat, om diverse redenen, de heropname niet rechtmatig heeft plaatsgevonden. De conversie heeft volgens de pleitnota geleid tot een onrechtmatige vrijheidsbeneming van cliënte waardoor de instelling schadeplichtig moet worden geacht. In het petitum van de pleitnota werd verzocht om vernietiging van de beslissing tot conversie, toewijzing van het verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling van cliënte en vaststelling van een schadevergoeding.

2.3.

Een beroep in cassatie staat niet open voor hem die zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend (art. 399 Rv). Ingevolge art. 32 lid 1 Rv vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Voor niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 399 Rv bestaat evenwel geen aanleiding in het geval dat weliswaar bij dezelfde rechter een verzoek als bedoeld in art. 31 of art. 32 Rv kan worden ingediend, maar in cassatie ook andere klachten aan de orde zijn gesteld. In die situatie is de proceseconomie ermee gediend dat alle klachten in één uitspraak worden afgedaan6. Onder B zijn ook andere klachten aan de orde gesteld. In zoverre acht ik het beroep in cassatie ontvankelijk, ook wat betreft onderdeel A.

2.4.

De rechtbank maakt in haar beschikking geen melding van enig verzoek om schadevergoeding. Uit het – achteraf opgemaakte − proces-verbaal (blz. 3 en 4) volgt dat de rechter de advocaat van betrokkene niet heeft toegestaan de gehele pleitnota voor te lezen. Wel heeft de rechter beslist dat de pleitnota bij de gedingstukken werd gevoegd; dat is ook in de beschikking vermeld. Om deze reden moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het verzoek van betrokkene om vaststelling van een schadevergoeding ten laste van de instelling (d.w.z. de rechtspersoon die het ziekenhuis in stand houdt) aan de rechtbank ter beslissing is voorgelegd.

2.5.

De rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding ten laste van de instelling niet aan de orde kan komen in de procedure als bedoeld in art. 14e Wet Bopz. Wat er zij van de gronden waarop de rechtbank dit oordeel heeft doen steunen7, betrokkene mist in ieder geval belang bij de klacht onder A omdat – zelfs indien een uitdrukkelijke beslissing op het verzoek om schadevergoeding moet worden gegeven – een verzoek om schadevergoeding ten laste van de instelling niet in de artikel 14e-procedure kan worden toegewezen. Ik licht dit hieronder toe.

2.6.

Naast de vorderingen die de benadeelde van een onrechtmatige (overheids)daad op grond van art. 6:162 BW kan instellen tegen de Staat of tegen een andere voor die daad verantwoordelijke persoon of rechtspersoon, kent de Wet Bopz drie mogelijkheden om een verzoek tot schadeloosstelling op een betrekkelijk eenvoudige wijze voor te leggen aan de burgerlijke rechter:

a. art. 28 Wet Bopz: degene ten aanzien van wie een last tot inbewaringstelling is gegeven kan de rechter verzoeken een schadevergoeding toe te kennen op de grond dat de door de burgemeester gegeven last onrechtmatig was8;

b. art. 35 Wet Bopz: indien degene, ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in hoofdstuk II Wet Bopz, dan wel tot het geven van een beslissing inzake ontslag als bedoeld in art. 49 lid 3 of lid 10 van deze wet, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in hoofdstuk II Wet Bopz of in art. 49 Wet Bopz niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze, op verzoek van betrokkene, een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de Staat;

c. art. 41b Wet Bopz (klachtprocedure): indien de klager de patiënt is, kan de inspecteur of de klager bij een verzoekschrift als bedoeld in art. 41a (lid 1 of lid 5) Wet Bopz verzoeken de klager een schadevergoeding toe kennen ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt, op de grond dat de beslissing waartegen de klacht is gericht, onrechtmatig is.

2.7.

Procedureel zijn er diverse momenten waarop een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in art. 35 Wet Bopz kan worden ingediend:

- als een zelfstandig verzoek in het verweerschrift (vgl. art. 282 lid 4 Rv);

- in een verzoekschrift, aan de rechter te overhandigen ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene;

- in een afzonderlijk ingediend verzoekschrift, in te dienen binnen drie maanden gerekend vanaf de dag waarop betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn/haar verzoek betrekking heeft9.

2.8.

Geen van de in alinea 2.6 genoemde gevallen doet zich hier voor. Betrokkene heeft niet verzocht om een schadevergoeding ten laste van de Staat op de grond dat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in hoofdstuk II Wet Bopz of in art. 49 Wet Bopz niet in acht heeft genomen, als bedoeld in art. 35 Wet Bopz. Betrokkene wenst een schadevergoeding ten laste van de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt en baseert dit verzoek op de (volgens haar: onrechtmatige) beslissing van de geneesheer-directeur d.d. 16 augustus 2016 tot opneming van betrokkene in het ziekenhuis. Als het gaat om een tekortschieten van de behandelend arts of van de geneesheer-directeur geldt art. 35 Wet Bopz niet10. Het cassatierekest bepleit onder 2 dat het niet in acht nemen door de geneesheer-directeur van een der bepalingen in hoofdstuk II of van art. 49 Wet Bopz voor de toepassing van artikel 35 zou moeten worden gelijkgesteld met het niet in acht nemen daarvan door de rechter of de officier van justitie. Ter toelichting op dit standpunt vermeldt het cassatierekest dat de in art. 35 Wet Bopz geregelde mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding samenhangt met art. 5 lid 5 EVRM.

2.9.

Het vijfde lid van art. 5 EVRM houdt in dat een ieder die slachtoffer is van vrijheidsbeneming in strijd met de bepalingen van dit verdragsartikel, recht heeft op een schadeloosstelling. Deze verdragsbepaling maakt inderdaad geen onderscheid tussen gevallen waarin de onrechtmatige vrijheidsbeneming is toe te schrijven aan de Staat (rechter of officier van justitie), de gemeente (burgemeester), de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt (geneesheer-directeur; behandelaar) of een andere verantwoordelijke instantie. De aanspraak op schadevergoeding moet met een voldoende mate van zekerheid kunnen worden geëffectueerd. Dit betekent onder meer dat de nationale autoriteiten bij de beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding het nationale recht in het licht van artikel 5 EVRM dienen uit te leggen en dat zij niet mogen vervallen in ‘excessief formalisme’11.

2.10.

Het EVRM laat het aan de nationale wetgever over, te bepalen via welke nationale procesgang het recht op schadevergoeding geldend wordt gemaakt: dit behoeft niet noodzakelijk dezelfde procedure te zijn als die, waarin over de (rechtmatigheid van de) vrijheidsbeneming wordt besloten. In Nederland heeft de wetgever bij de totstandkoming van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke machtiging in de Wet Bopz niet gekozen voor de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding ten laste van de instelling, te verkrijgen binnen het kader van de verzoekschriftprocedure bedoeld in art. 14e Wet Bopz. Voor dit soort schadeclaims blijft de patiënt dus aangewezen op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige (overheids)daad overeenkomstig het algemene procesrecht.12 De dagvaardings- of vorderingsprocedure in het algemene procesrecht voldoet aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM. Mijns inziens kan niet worden volgehouden dat het aangewezen zijn op de algemene vorderingsprocedure de effectiviteit ontneemt aan het door art. 5 lid 5 EVRM gewaarborgde recht op schadevergoeding. In dit verband verdienen twee uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de aandacht13. Anders dan in die zaken, gaat het in de onderhavige zaak niet om een geval waarin de rechter de schadeclaim heeft afgewezen omdat het besluit van het bestuursorgaan, zou de fout niet zijn gemaakt, hetzelfde zou hebben geluid14. De slotsom is dat de klacht onder A faalt.

2.11.

Onderdeel B (in het cassatierekest toegelicht onder 13 – 19, met vervolgklachten onder 2.2 – 2.4) houdt het volgende in. Indien en voor zover de beslissing van de rechtbank om het bezwaar van betrokkene tegen de beslissing tot conversie af te wijzen, mede de afwijzing inhoudt van het verzoek om toekenning van schadevergoeding, klaagt het middelonderdeel dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding ten onrechte is afgewezen, althans dat de afwijzing ontoereikend is gemotiveerd. Indien de rechtbank van oordeel was dat een beoordeling ex nunc van de beslissing tot opneming in het psychiatrisch ziekenhuis in de weg staat aan een beoordeling van het verzoek om schadevergoeding, is de rechtbank volgens de klacht uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting: het verzoek om schadevergoeding zag juist op de omstandigheden ten tijde van de beslissing van de geneesheer-directeur. De subsidiaire motiveringsklacht houdt in dat de rechtbank de onderbouwing van het schadevergoedingsverzoek in de pleitnota (samengevat in de stellingen die in het cassatierekest onder 19, a – f, worden genoemd) niet kenbaar in haar overwegingen heeft betrokken (cassatierekest onder 2.2). Indien de rechtbank van oordeel is dat deze onderbouwing niet relevant was voor de beslissing, heeft de rechtbank onvoldoende oog ervoor gehad dat de geneesheer-directeur, als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zijn beslissing zorgvuldig had behoren voor te bereiden (cassatierekest onder 2.3 en 2.4).

2.12.

Voor deze klachten geldt, mutatis mutandis, hetzelfde als in alinea 2.5 hiervoor. Betrokkene wenste een schadevergoeding ten laste van de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt ter zake van de (volgens haar: onrechtmatige) beslissing van de geneesheer-directeur d.d. 16 augustus 2016 tot opneming van betrokkene in het ziekenhuis. De verzochte schadevergoeding ten laste van de instelling kon niet worden toegekend in het kader van een procedure bedoeld in art. 14e Wet Bopz. Betrokkene was daarvoor aangewezen op een gewone vorderingsprocedure bij de burgerlijke rechter. Omdat een beroep als bedoeld in hoofdstuk 8 Awb niet openstond voor betrokkene, kon zij ook geen gebruik maken van de mogelijkheid om via art. 8:91 Awb schadevergoeding te verzoeken in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure. Daarom kwam de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke argumenten waarmee de advocaat van betrokkene deze schadeclaim in de pleitnota had onderbouwd. Zowel de rechtsklacht als de subsidiaire motiveringsklacht stuiten hierop af. De slotsom is dat onderdeel B niet tot cassatie leidt.

2.13.

Met het oog op het toekomstige recht zij nog vermeld dat de voorwaardelijke machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis niet terugkeert in het wetsvoorstel Wet verplichte ggz, dat bij de Eerste Kamer in behandeling is15. De procedure van de artikelen 14d en 14e Wet Bopz komt evenmin terug. Het wetsvoorstel gaat uit van een door de rechter te verlenen zorgmachtiging, die de te verlenen vormen van zorg bevat (art. 6:1 – 6:5 wetsvoorstel). Nadat deze machtiging is verleend voor een bepaalde looptijd, beslist de geneesheer-directeur over een eventueel verzoek tot (tussentijdse) beëindiging van de verplichte zorg. Vervolgens kan de patiënt een klacht indienen op grond van art. 10:3 bij de klachtencommissie en daarna nog een klacht bij de rechtbank op grond van art. 10:7. De regeling van de schadevergoeding is geconcentreerd in art. 10:11 en art. 10:12 van het wetsvoorstel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Zie art. 14c lid 2 in verbinding met art. 14a Wet Bopz.

2 Zie voor dit laatste: art. 14d lid 2, tweede volzin, Wet Bopz.

3 Blijkens de mededelingen van de geneesheer-directeur, door de rechtbank weergegeven in rov. 3.1, gaat het om het gevaar dat betrokkene (een vrouw van 35 jaar) seksueel of financieel wordt misbruikt. Betrokkene zou op dat vlak ernstige incidenten hebben meegemaakt.

4 Het cassatierekest is op 20 januari 2017 ter griffie ingekomen. De omstandigheid dat de looptijd van de (geconverteerde) machtiging al was verstreken, staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep; vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.

5 Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat de pleitnota (hoewel niet volledig voorgelezen omdat de rechter dat niet toestond) met toestemming van de rechter bij de gedingstukken in eerste aanleg is gevoegd.

6 Vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521, rov. 5.2.

7 De discussie, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting blz. 3, doet vermoeden dat daarbij de gedachte een rol heeft gespeeld dat een beoordeling van de vrijheidsbeneming ex nunc iedere beoordeling ex tunc uitsluit. Die opvatting zou op gespannen voet staan met HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5789, NJ 2012/568, JVggz 2012/39 m.nt. W. Dijkers en HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2996, NJ 2014/483, JVggz 2014/38 m.nt. W. Dijkers.

8 De schadevergoeding komt uiteindelijk ten laste van de gemeente: HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2747, NJ 2015/440, JVggz 2015/38 m.nt. W. Dijkers.

9 Zie art. 35 lid 2 Wet Bopz. Indien in cassatie over de desbetreffende schending is geklaagd, kan het verzoek om schadevergoeding ook nog worden ingediend binnen zes weken na dagtekening van de beschikking van de Hoge Raad.

10 Vgl. SDU Commentaar Wet Bopz, aant. C.1 op artikel 35 (W. Dijkers).

11 Zie: European Court of Human Rights, Guide on Article 5 of the Convention, Right to liberty and security, 2014 (www.echr.coe.int) , par. E; J.H. Gerards e.a. (red.), SDU Commentaar EVRM, deel I: materiële rechten, 2013, aant. C.8 bij art. 5 EVRM (J.H. Crijns).

12 Zie in deze zin: SDU Commentaar Wet Bopz, aantek. C.7 bij art. 14d Wet Bopz en aant. C.1 en C.1.5 bij art. 35 (W.J.A.M. Dijkers); A.H.J. Lennaerts, Het bestuursrechtelijk ABC van de Wet Bopz (en aanliggende kwesties), BJ Plus 2005, par. 22.

13 EHRM 29 mei 2012 (appl.no. 28260/07, Emin/Nederland), eerder besproken in de conclusie voor HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1068 (80a RO); EHRM 28 juni 2016 (appl.no. 69810/12, Özçelik/Nederland).

14 De problematiek van het oorzakelijk verband, waarover HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62.

15 Kamerstukken I 2016-2017, 32 399 nr. A.