Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:442

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-05-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
16/01938
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1084, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling door na politieachtervolging en frontale botsing op geparkeerde auto achteruit te rijden tegen het openstaande portier van stilstaande politieauto. Voorwaardelijk opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01938

Zitting: 16 mei 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 januari 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle, wegens 1. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, en wegens 3. “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren subsidiair 35 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.

  2. Namens de verdachte is op 5 februari 2016 onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. Bij akte van 10 februari 2016 is dit beroep partieel ingetrokken, namelijk voor zover het betreft het onder 1 en 3 bewezenverklaarde.1

3. Mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien het oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht bewust heeft aanvaard onbegrijpelijk is.

4.1. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 7 maart 2013 in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met het door hem, verdachte, bestuurde motorvoertuig is achteruit gereden in de richting van een stilstaand politievoertuig, bestuurd door [verbalisant 1], die op dat moment doende was via het geopende (linker) voorportier uit zijn dienstvoertuig te stappen en zijn benen daartoe buiten zijn dienstvoertuig had gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

4.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aanrijding misdrijf inclusief bijlagen voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 2] (pag. 15-22):

“(...) Op (...) 7 maart 2013 omstreeks 02.00 uur, reed ik, verbalisant, op de Zutphensestraatweg te Velp. Ik zag vanuit tegenovergestelde richting een voertuig, kenteken [AA-00-BB], rijden. Ik wilde de bestuurder controleren (...) en gaf een stopteken door middel van het rode transparant met de tekst:

‘Stop Politie’. Ik zag dat de verdachte er met hoge snelheid vandoor reed,

(...). Ik zag dat de verdachte op de linker rijbaan, voor verkeer van tegengestelde richting, ging rijden. Ik zag dat de verdachte links langs een, in het midden geplaatste, vluchtheuvel reed. Ik heb de verdachte steeds op korte afstand gevolgd (...). Het was donker (...). Ik zag dat de verdachte zijn voertuigverlichting doofde en met hoge snelheid door de genoemde wijk bleef rijden. (...) Het gevaar wat de verdachte met zich mee bracht door te rijden zonder verlichting, binnen de bebouwde kom met zeer hoge snelheid was zeer ernstig.

Ik zag een dienstvoertuig, (...), uit tegengestelde richting komen, op de Sperwerstraat te Arnhem. Ik zag dat de verdachte uitweek naar rechts, om het tegemoet komende dienstvoertuig te passeren, maar dat hij hierbij frontaal op een geparkeerde auto (...) reed. Het dienstvoertuig stond links van de verdachte, met het portier open. Ik zag dat de collega van dat dienstvoertuig uit wou stappen. Ik zag dat de auto van de verdachte achteruit reed, waardoor deze tegen het openstaande portier van de dienstwagen aan knalde. Ik zag dat mijn collega zich in die tijd zeer snel terug in het voertuig moest trekken. Ik zag dat er na de botsing geen ruimte meer was tussen het dienstvoertuig en het voertuig van verdachte.

Van beide voertuigen was de bestuurderskant geblokkeerd. Ik zag de verdachte aan de passagierskant van zijn voertuig uitstappen en wegrennen. (…)”

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 2], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (pag. 23-25):

“(...) Wij, (...), zagen een dienstvoertuig van de hondengeleider links naast de Volkswagen Caddy staan, waarbij het portier was geopend. Wij zagen dat de Volkswagen Caddy naar achteren kwam en tegen het portier van dit dienstvoertuig reed. (...) De verdachte bleek te zijn genaamd; [verdachte] geboren [geboortedatum]-1978 te [geboorteplaats]. (...) ”

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als de verklaring van [verdachte] (pag. 28-31):

“(...) Ik ben weggereden (...). Deze auto is een grijze Volkswagen Caddy. (...) U vraagt mij of ik weet dat ik een aanrijding heb gehad. Ja, dat weet ik nog wel. Ik zag dat er een politieauto op mij af kwam (...). (...) Ik botste toen tegen een geparkeerde auto. (...) Ik zag dat het een politieauto was aan de rode strepen. (...) ”

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (pag. 8-9):

“(...) Op (...) 7 maart 2013 omstreeks 02.40 uur hebben wij, verbalisanten, verdachte [verdachte] aangehouden. (...) Op voornoemde datum omstreeks 02.15 uur zagen wij op de Zuthpensestraatweg te Velp een grijze Volkswagen Caddy rijden. (...) Omstreeks 02.30 uur reden wij achter de voornoemde Caddy op de Sperwerstraat in Arnhem. Wij zagen in tegenovergestelde richting een opvallende politiebus staan met blauw zwaailicht. Wij zagen dat de voornoemde Caddy (...) de politiebus rechts voorbij wilde gaan. Wij zagen dat de voornoemde Caddy vervolgens met een harde klap tot stilstand kwam. Ik, [verbalisant 3], zag vervolgens dat er aan de passagierszijde een manspersoon uit de auto stapte. (...) Naar later bleek was de voornoemde Caddy na de aanrijding naar achteren gereden en daarbij met de achterzijde tegen de deur van de politiebus aangekomen. (...)

Doordat de voornoemde Caddy naast de politiebus stond, was de bestuurdersdeur geblokkeerd en had de bestuurder de Caddy aan de passagierszijde verlaten. (...)”

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 1] (pag. 10-11):

“(...) Op (...) 7 maart 2013, omstreeks 02.40 uur hoorde ik via de portofoon van de centralist van de politiemeldkamer te Arnhem, dat de noodhulpeenheid 1107 achter een voertuig aanzat die weigerde te stoppen na een door de 1107 gegeven stopteken. Dit gebeurde in Velp. De 1107 achtervolgde de auto, een grijze Volkswagen Caddy voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. (...) Daar bleef de verdachte in dezelfde hoek van de wijk rond rijden (...). Ik, verbalisant, (...) en reed in uniform gekleed in een opvallend dienstvoertuig, een Volkswagen Transporter. (...) Op het moment dat ik op de Doctor Schaepmanlaan reed zag ik in de verte de 1107 rijden die op dat moment nog achter het verdachte voertuig reed. (…) Op dat moment reed ik eveneens de Sperwerstraat in, in tegengestelde richting. Ik had mijn blauwe zwaailichten aangezet om zo mijn aanwezigheid duidelijk te maken. Ik zag het verdachte voertuig (A) met gedoofde verlichting uit tegenovergestelde richting naderen. Ik zag een manspersoon achter het stuur zitten. (...) De verdachte probeerde mij nog aan de rechterzijde te passeren, gezien uit zijn rijrichting, maar botste via een vrij parkeervak frontaal op een verderop geparkeerd voertuig (C).(...) Vervolgens wilde ik mijn dienstvoertuig (B) verlaten. Ik opende het linker portier en stak mijn benen naar buiten om uit te stappen. Op dat moment zag ik dat verdachte met zijn auto, na de aanrijding met het geparkeerde voertuig, weer achteruit reed. Ik moest heel snel mijn benen weer naar binnen in mijn dienstauto trekken om niet aangereden te worden door de verdachte. Als ik dit niet gedaan had of als ik te laat in de gaten zou hebben dat de verdachte zijn voertuig achteruit reed, was ik klem komen te zitten tussen mijn dienstauto en de auto van de verdachte. (...) Tijd om het portier dicht te trekken had ik zelfs niet meer, zo dicht was de verdachte met zijn auto langs mijn auto gereden. Vervolgens reed verdachte met zijn auto tegen het portier van mijn dienstauto aan (...). (...) Doordat de auto ’s zo dicht bij elkaar stonden kon het portier van de auto van de verdachte niet meer geopend worden. Verder zag ik dat de verdachte via het portier aan de bijrijderskant van zijn auto uitstapte en er te voet vandoor ging. (...) ”

4.3. Het bestreden arrest bevat daarnaast de volgende – voor de beoordeling van het middel relevante – overwegingen met betrekking tot het bewijs:

“Met betrekking tot de bewezen verklaring van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt:

Van opzet kan – via een voorwaardelijk opzetredenering – al worden gesproken indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg, in het onderhavige geval zwaar lichamelijk letsel, zou intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

In de onderhavige zaak dient de vraag te worden beantwoord of verdachte, met het onverhoeds achteruit rijden met zijn auto tegen de politieauto, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij deze manoeuvre verbalisant [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. In dit verband is van belang dat verdachte – na een voor hem kenbaar gegeven stopbevel te hebben genegeerd – heeft getracht zich te onttrekken aan een staande houding. Verdachte heeft hiertoe binnen de bebouwde kom gereden met snelheden die ver boven de ter plaatse toegestane snelheid lagen. Ook heeft verdachte – met de kennelijke bedoeling de achtervolgende verbalisanten van zich af te schudden – de verlichting van zijn voertuig gedoofd, terwijl het voorval plaatsvond gedurende de nachtelijke uren. Wanneer een te hulp schietende tweede politiewagen verdachte tegemoet komt en verdachte de weg verspert, wijkt verdachte met zijn auto uit teneinde zijn vlucht voort te kunnen zetten, Doordat hij bij dit uitwijken tegen een aldaar geparkeerd staand voertuig aanrijdt, komt verdachte met zijn auto tot stilstand. Het tweede politievoertuig heeft verdachte op dat moment klem gereden, in die zin dat het voor verdachte niet mogelijk was onmiddellijk vooruitrijdend weg te komen. In plaats zijn verzet tegen zijn aanhouding op dit moment te staken, rijdt verdachte achteruit met de kennelijke bedoeling om zijn vlucht voort te zetten. Hij komt hierbij in aanraking met de bestuurdersdeur van de op dat moment uit zijn voertuig stappende verbalisant [verbalisant 1]. Laatstgenoemde ziet verdachte achteruit rijden en kan nog net op tijd zijn beide benen in zijn voertuig trekken. [verbalisant 1] voorkomt daarmee dat zijn benen als gevolg van de aanrijding tussen de deur en deurstijl bekneld raken. Nadat verdachte via de medepassagiersstoel zijn auto heeft verlaten en thans te voet op de vlucht slaat, wordt hij na korte tijd ingerekend.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien — is het hof van oordeel dat op grond van de algemene ervaringsregels de verdachte op het moment dat hij verkoos achteruit te rijden zich bewust is geweest dat in het kader van een aanhouding zijn voertuig zou worden benaderd door de inzittende(n) van de hem klemgereden politievoertuig. Immers, dit is ook de voor verdachte meest voor de hand liggende volgende stap die door politiefunctionarissen worden gezet wanneer na een wilde achtervolging van een voertuig de staande te houden of aan te houden verdachte is klemgereden. Dit is een algemeen ervaringsfeit waarvoor verdachte geen trouwe kijker behoeft te zijn (geweest) van televisieprogramma’s als ‘Blik op de weg’ of ‘Wegmisbruikers’.

Door aldus in een situatie waarin verdachte in het kader van een aanhouding na een achtervolging is klemgereden en er dus sprake is een zeer beperkte manoeuvreerruimte, er voor te kiezen om achteruit te rijden terwijl hij de hete adem voelt van zijn achtervolgers, is het hof van oordeel dat de aanmerkelijke kans voor verdachte heeft bestaan - welke kans door de verdachte willens en wetens voor lief is genomen - dat hij hierbij met zijn voertuig politiemensen op hardhandige wijze met zijn auto zou raken dan wel dat zij ten gevolge hiervan bekneld zouden geraken met alle gebruikelijke ernstige letsels van dien. Op grond hiervan kan verdachte, tegen de achtergrond van de hem ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, het hebben van voorwaardelijk opzet worden aangerekend op het (in potentie) ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2 voorts wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

4.4. Het middel berust blijkens de toelichting onder meer op de stelling dat het hof zijn oordeel dat verdachte zich daadwerkelijk bewust was van het gegeven dat de inzittenden van het politievoertuig die hem de weg hadden versperd, zijn voertuig zouden benaderen, niet heeft gemotiveerd. Mijns inziens berust deze stelling op een verkeerde lezing van het arrest. Ik meen namelijk dat het hof met zijn overweging dat “dat op grond van de algemene ervaringsregels de verdachte op het moment dat hij verkoos achteruit te rijden zich bewust is geweest dat in het kader van een aanhouding zijn voertuig zou worden benaderd door de inzittende(n) van de hem klemgereden politievoertuig” tot uitdrukking heeft gebracht dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte, toen hij achteruit reed, wist dat de inzittende(n) van dat politievoertuig zou(den) zouden uitstappen en zijn voertuig zouden benaderen om hem aan te houden. In zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag.

4.5. Volgens de toelichting op het middel is het oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht bewust heeft aanvaard voorts onbegrijpelijk, omdat het hof zijn oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans willens en wetens voor lief heeft genomen niet nader heeft gemotiveerd.

4.6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [verbalisant 1] – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou kunnen intreden. Daarvoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kan intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is, of bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld of van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.2

4.7. Het hof heeft blijkens de hiervoor onder 4.2 en 4.3 weergegeven bewijsmiddelen en overwegingen de volgende feiten en omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag gelegd.
Verdachte heeft, nadat hem door verbalisant [verbalisant 2] een stopteken was gegeven, in de door hem bestuurde Volkswagen Caddy met zeer hoge snelheid en gedoofde verlichting getracht te ontkomen. Tijdens de achtervolging door verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte geprobeerd een hem tegemoetkomende politiebus die hem de weg versperde, bestuurd door verbalisant [verbalisant 1], rechts te passeren. Hij is daarbij frontaal gebotst op een rechts van de weg geparkeerd voertuig waardoor de Volkswagen Caddy tot stilstand is gekomen. Op dat moment bevond de politiebus zich links van de Volkswagen Caddy en de manoeuvreerruimte voor verdachte was zeer beperkt. Verdachte moest op dat moment weten dat de inzittende(n) van de politiebus zou(den) uitstappen en zijn voertuig zou(den) benaderen om hem aan te houden, maar is kennelijk in een poging om aan de politie te ontkomen toch achteruit gereden. Daarbij is verdachte met de achterzijde van het door hem bestuurde voertuig tegen het openstaande bestuurdersportier van de politiebus gereden, waarbij verbalisant [verbalisant 1] nog net zijn benen kon terugtrekken. Vervolgens is de Volkswagen Caddy tot stilstand gekomen met de bestuurderszijde tegen de bestuurderszijde van de politiebus.

4.8. Gelet op deze feiten en omstandigheden getuigt het oordeel van het hof dat verdachte de – in cassatie niet bestreden – aanmerkelijke kans dat politiemensen, in dit geval verbalisant [verbalisant 1], zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht bewust heeft aanvaard, mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.3

4.9. Het middel faalt en kan naar mijn mening met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens de aan de akte cassatie gehechte schriftelijke volmacht had de raadsman van de verdachte de ambtenaar van de griffie van het hof gemachtigd om namens de verdachte cassatie in te stellen tegen “de bewezenverklaring van feit twee van het arrest”. Kennelijk is abusievelijk onbeperkt beroep in cassatie ingesteld, welke fout is gecorrigeerd door de partiële intrekking van dit beroep.

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma.

3 Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5326, NJ 2013/55; HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609, m.nt. Mevis; HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1591.