Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:411

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2017
Datum publicatie
09-06-2017
Zaaknummer
16/04471
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1065, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Moet art. 7 van de akte huwelijkse voorwaarden worden gekwalificeerd als een alimentatie-overeenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/04471

Mr. F.F. Langemeijer

14 april 2017

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

Dit geschil heeft betrekking op de kwalificatie van een bepaling in de huwelijkse voorwaarden van partijen: is die bepaling wel of niet aan te merken als een alimentatie-overeenkomst?

1 Feiten en procesverloop

1.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld door het hof op blz. 2:

1.1.1.

Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (de vrouw) zijn in 1999 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

1.1.2.

De huwelijkse voorwaarden vermeldden, voor zover hier van belang:

Algehele uitsluiting

Artikel 1:

Tussen de echtgenoten zal geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan.

(…)

Herinrichtingsverplichting

Artikel 7:

1. Na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of scheiding van tafel en bed is de man verplicht een zodanig bedrag aan de vrouw ter beschikking te stellen dat daarmee de goederen welke redelijkerwijs benodigd zijn voor het voeren van een eigen huishouding, zoals inboedelzaken, stoffering en huishoudelijke apparaten, door de vrouw kunnen worden aangeschaft. De man is eveneens verplicht al zijn middelen aan te wenden teneinde zorg te dragen voor andere woonruimte van de vrouw.

2. Het bedrag als in het vorige lid bedoeld, wordt vastgesteld in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming dienaangaande door een door de kantonrechter te Leiden aan te wijzen deskundige.

3. De betaling van het bedrag als bedoeld in de vorige leden van dit artikel wordt door partijen aangemerkt als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.”

1.1.3.

De man heeft in 2013 een woning te [plaats A] gekocht met de bedoeling woonruimte aan de vrouw te verschaffen in het kader van de echtscheiding van partijen. De man heeft de aankoop van deze woning gefinancierd met een lening uit zijn besloten vennootschap.

1.2.

Op 28 april 2014 heeft de man aan de rechtbank Den Haag verzocht echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen. De vrouw heeft verweer gevoerd en van haar kant zelfstandige verzoeken aan de rechtbank gedaan, zoals hierna te bespreken.

1.3.

Op 17 juni 2014 heeft de vrouw een voorlopige voorziening verzocht voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De man heeft van zijn kant voorlopige voorzieningen verzocht. Bij beschikking van 21 juli 2014 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats B] , dat het minderjarige kind van partijen aan de man wordt toevertrouwd, dat de vrouw – kort gezegd – de ontvangen kinderbijslag doorbetaalt aan de man en dat de man aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen van € 755,- per maand.

1.4.

In de hoofdzaak heeft de rechtbank bij beschikking van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:6558) echtscheiding uitgesproken1. De rechtbank heeft bepaald dat het kind hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man, alsmede dat de vrouw aan de man een bepaalde bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van het kind zal betalen. Afgezien van de beslissing over een personenauto, die in cassatie niet meer van belang is, heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen. Dit afwijzende oordeel omvatte onder meer:

(i) de afwijzing van het verzoek van de vrouw om vaststelling van een bijdrage van € 2.000,- bruto per maand in de kosten van haar levensonderhoud (blz. 6 Rb);

(ii) de afwijzing van de verzoeken van de man m.b.t. ontruiming door de vrouw van het appartement te [plaats A] en, meer subsidiair, tot betaling door de vrouw van een huur van € 900,- per maand voor deze woning, te rekenen vanaf 5 december 2013 (blz. 2 en 7 Rb);

(iii) de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat het appartement te [plaats A] aan haar wordt toegedeeld en op haar naam wordt gesteld (blz. 3 en 7 Rb).

1.5.

Wat de twee laatstgenoemde punten betreft, overwoog de rechtbank dat tussen partijen in geschil is of artikel 7 van de akte van huwelijkse voorwaarden – hiervoor geciteerd – de man slechts verplicht om feitelijk woonruimte voor de vrouw te regelen dan wel (ook) inhoudt dat de man de woonruimte van de vrouw dient te (blijven) financieren. Na aanhaling van de Haviltex-maatstaf2 en van de onbetwiste stelling van de vrouw dat artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden is bedoeld als een correctie op de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen die partijen waren overeengekomen, overwoog de rechtbank:

“In het licht van die correctie leidt de rechtbank uit de bewoordingen “al zijn middelen aan te wenden” af dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de man bij een ontbinding van het huwelijk niet alleen huisvesting voor de vrouw zal regelen, maar deze ook zal (blijven) financieren. De door de man gestelde verplichting van de vrouw om aan de man huurpenningen te betalen strookt niet met deze kennelijke bedoeling van partijen. De tekst biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van de vrouw dat deze bepaling impliceert dat de man de eigendom van de woning (…) te [plaats A] aan haar dient over te dragen. Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden die tot een dergelijke uitleg van die bepaling nopen.”

1.6.

De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag en, voor zover in cassatie van belang, zijn verzoeken met betrekking tot de ontruiming van het appartement te [plaats A] (en meer subsidiair tot betaling door de vrouw van een huur van € 900,- per maand voor dit appartement) aan het hof voorgelegd. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld met betrekking tot het bedrag van de kinderalimentatie. Zij verzocht te bepalen, indien en voor zover het verzoek van de man dat zij het appartement te [plaats A] moet verlaten wordt toegewezen, dat de man haar een bedrag van € 1.000,- per maand zal voldoen.

1.7.

Bij beschikking van 8 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2154) heeft het hof:

- de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep t.a.v. afwijzing of nihilstelling van partneralimentatie met terugwerkende kracht3;

- de beschikking van de rechtbank vernietigd t.a.v. het bedrag van de door de vrouw te betalen kinderalimentatie; het hof heeft deze vastgesteld op € 375,- per maand4;

- de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;

- het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

1.8.

Met betrekking tot het appartement te [plaats A] heeft het hof, na een weergave van de partijstandpunten in rov. 8 en 9, in rov. 10 en 11 de Haviltex-maatstaf vooropgesteld. Vervolgens overwoog het hof:

“Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw op het moment dat zij met de man ging trouwen in financieel opzicht volledig afhankelijk werd van de man. De partneralimentatie, die haar enige inkomstenbron was, stopte en zij is de woning ingetrokken die aan de man toebehoorde. Aangezien partijen met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd brengt dit met zich dat de vrouw in geval van een echtscheiding zonder inkomen en zonder woning achter zou blijven. Dit terwijl de vrouw reeds een echtscheiding heeft meegemaakt en dus reeds met de gevolgen daarvan is geconfronteerd. In dit verband bezien is het hof van oordeel dat alles erop wijst dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw in geval van echtscheiding niet onverzorgd achter zou blijven. Het hof is dan ook van oordeel dat dit artikel zoals de rechtbank heeft overwogen, dient te worden gezien als een correctie op de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen die partijen bij het aangaan van het huwelijk zijn overeengekomen. De vrouw kon redelijkerwijs verwachten dat zij op deze manier in elk geval zeker zou worden gesteld van woonruimte zonder zich zorgen te hoeven maken om de bekostiging daarvan. Dat de vrouw dit mocht verwachten blijkt ook uit de wijze waarop de man uitvoering heeft gegeven aan artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden door in de aanloop van de echtscheiding de woning te kopen met de bedoeling om woonruimte te verschaffen aan de vrouw. Los van de vraag of de notaris een verklaring had mogen afleggen en wat zijn relatie is tot de man, kon de man er niet vanuit gaan dat op hem alleen een inspanningsverplichting rustte om een huurwoning voor de vrouw te zoeken zoals in de door de man overgelegde verklaring van de notaris wordt betoogd. Het enkele feit dat de man een concepthuurovereenkomst tussen de vrouw en de B.V. in het geding heeft gebracht maakt niet dat de vrouw er niet van uit mocht gaan dat de man de woning ‘om niet’ aan haar ter beschikking stelde. Niet in geschil is immers dat de man pas enkele maanden nadat de vrouw in de woning woonde, haar heeft verzocht om huur te betalen. Indien de man in de veronderstelling verkeerde dat hij slechts een huurwoning moest verschaffen aan de vrouw, had het voor de hand gelegen dat de man voordat hij de woning kocht of in elk geval voordat de vrouw de woning zou hebben betrokken, afspraken omtrent huur zou hebben gemaakt. Dit heeft hij niet gedaan. Daarbij komt nog dat de huurovereenkomst die door de man in het geding is gebracht, op naam staat van de B.V. van de man, terwijl de man de eigenaar is van de woning. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de man onvoldoende heeft gesteld om zijn beroep op de uitleg van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden te onderbouwen zodat het hof dit beroep niet honoreert en de beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd.” (rov. 12)

Het hof voegde hieraan toe:

“Aangezien het hof van oordeel is dat de vrouw de woning ‘om niet’ mag blijven bewonen, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw om partneralimentatie nu zij hierom heeft verzocht voor het geval zij de woning zou moeten verlaten.” (rov. 13)

1.9.

De man heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft in cassatie verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het cassatiemiddel van de man is gericht tegen rov. 12, hiervoor aangehaald. De klacht onder 1 houdt in dat het hof zich ten onrechte heeft beperkt tot de vaststelling dat de man verplicht is aan de vrouw het woongenot te verschaffen van het door hem verworven appartement (te [plaats A] ). Hoewel daartoe gehouden op grond van art. 25 Rv, heeft het hof niet de juridische grondslag vermeld waarop het oordeel berust dat de vrouw gerechtigd is dit appartement te bewonen. Het middel ziet als de grondslag: “dat artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden moet worden gekwalificeerd als een ‘voorhuwelijkse alimentatieovereenkomst’ ”. Volgens onderdeel 2 heeft de man belang bij een uitdrukkelijke vermelding van de juridische grondslag (i) omdat geen termijn is vastgesteld voor de duur van het woonrecht van de vrouw en (ii) omdat – indien dit woonrecht wordt aangemerkt als een vorm van alimentatie – de man wijziging kan verzoeken indien de omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven.

2.2.

Voor zover het oordeel in rov. 12 dat “dit artikel [lees: artikel 7] (…) dient te worden gezien als een correctie op de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen die partijen bij het aangaan van het huwelijk zijn overeengekomen”, zou moeten worden aangemerkt als een juridische kwalificatie, klaagt onderdeel 3 dat deze kwalificatie onbegrijpelijk is: huwelijkse voorwaarden waarin een ‘koude’ uitsluiting is overeengekomen laten een partneralimentatieverplichting van de echtelieden onverlet. Deze drie klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.3.

Art. 25 Rv bepaalt dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult5. Voor het onderhavige geschil betekent dit, dat de rechter de rechtsgrond aangeeft waarop de afwijzing van de vorderingen (grieven) van de man berust. Aan dit vereiste heeft het hof voldaan. De man had, als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure6, verzocht te bepalen dat de vrouw het door hem (via zijn B.V.) aan haar ter beschikking gestelde appartement te [plaats A] zou verlaten en ontruimen. Meer subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw voor het gebruik van dit appartement een huursom van € 900,- per maand verschuldigd is. Het hof is, op basis van het door de vrouw tegen die verzoeken gevoerde verweer, tot de slotsom gekomen: (a) dat de man zich bij huwelijkse voorwaarden jegens de vrouw had verplicht om, in geval van ontbinding van het huwelijk, haar woonruimte te verschaffen en (b) dat de man ter voldoening aan die verplichting krachtens de huwelijkse voorwaarden het appartement te [plaats A] aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld (via zijn B.V.). Het middel bestrijdt niet de uitleg die het hof aan art. 7 in de akte van huwelijkse voorwaarden heeft gegeven, noch het onderliggende oordeel dat de man rechtens gehouden is de verplichtingen na te komen die hij in de huwelijkse voorwaarden op zich heeft genomen jegens de vrouw.

2.4.

In de procedure voor het gerechtshof heeft de man nimmer het standpunt ingenomen dat de in art. 7 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verplichting zou zijn aan te merken als een alimentatieovereenkomst als bedoeld in art. 1:158 BW. De man heeft in de procedure voor het gerechtshof zelfs niet gesteld dat de (feitelijke) terbeschikkingstelling van woonruimte aan de vrouw moet worden aangemerkt als een uitkering tot levensonderhoud. Ook het hof heeft dit niet aangenomen. De vrouw had in hoger beroep verzocht om vaststelling van een partneralimentatie ten laste van de man, maar uitsluitend voor het geval dat zij gedwongen zou worden het appartement te [plaats A] te verlaten; zie alinea 1.6 hiervoor en rov. 13. Het uitgangspunt van middelonderdeel 1, dat hier sprake is van een (voorhuwelijkse) alimentatieovereenkomst, mist dan ook feitelijke grondslag.

2.5.

Het hof heeft, op blz. 2 van zijn beschikking, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat de man in 2013 het appartement te [plaats A] heeft gekocht met de bedoeling woonruimte aan de vrouw te verschaffen in het kader van de echtscheiding van partijen. De vrouw is in de redenering van het hof geen eigenaar of mede-eigenaar van het appartement. Volgens de rechtbank had zij geen aanspraak op overdracht/toedeling van het appartement (blz. 7 Rb). In de redenering van het hof heeft de man bij akte van huwelijkse voorwaarden aan de vrouw een persoonlijk recht (gebruiksrecht) toegekend ten aanzien van woonruimte in een nog nader te bepalen woning, voor rekening van de man, in geval van ontbinding van het huwelijk. Aan dat gebruiksrecht is nader vorm gegeven toen het huwelijk ten einde liep, te weten doordat de man (via zijn B.V.) deze woning kocht en aan de vrouw in gebruik gaf. In de akte van huwelijkse voorwaarden is dit gebruiksrecht niet aan een termijn gebonden. Uit een en ander volgt mijns inziens dat bij een eventuele wijziging van omstandigheden geen beroep kan worden gedaan op art. 1:401 BW. De vraag of het bepaalde in art. 6:258 – 6:259 BW in voorkomend geval (overeenkomstig) kan worden toegepast, behoeft in dit geding geen beantwoording. De onderdelen 1 en 2 leiden niet tot cassatie.

2.6.

Met betrekking tot onderdeel 3 merk ik op dat juist is, dat een akte van huwelijkse voorwaarden waarin is bepaald dat iedere gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten wordt uitgesloten onverlet laat dat een gewezen echtgenoot kan worden verplicht tot een onderhoudsbijdrage; zie art. 1:157 BW. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, doet deze constatering geen afbreuk aan de beslissing van het hof. Van huwelijkse voorwaarden waarin het recht op partneralimentatie bij voorbaat wordt uitgesloten, als bedoeld in art. 1:400 lid 2 BW7, is in de bestreden beschikking geen sprake.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Hoewel het hof dit niet vermeldt, kan in cassatie worden aangenomen dat de echtscheidingsbeschikking op 19 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Zie het uittreksel, dat als bijlage bij het verweerschrift in appel is gevoegd, en voetnoot 3 in het cassatierekest.

2 HR 13 maart 1981, NJ 1981/635.

3 Zie rov. 5 – 7. De kwestie van de gedurende de echtscheidingsprocedure betaalde partneralimentatie is in cassatie niet meer aan de orde.

4 Zie rov. 14 – 17. De kinderalimentatie is in cassatie niet meer aan de orde.

5 Zie over deze bepaling onder meer: Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25, aant. 2 (E.M. Wesseling-van Gent).

6 Het hof heeft – in zoverre in cassatie onbestreden − dit verzoek van de man kennelijk opgevat als ‘een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e’ die voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, als bedoeld in art. art. 827, lid 1, aanhef en onder f, Rv; zie ook Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 827, aant. 11 (B.E.S. Chin-A-Fat).

7 Zie daarover: Asser/De Boer I* 2010 nr. 639.