Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:380

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
30-05-2017
Zaaknummer
16/00151
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:974, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Afwijzing van door een gemachtigde raadsman gedaan verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, inhoudende dat verdachte geen dagvaarding heeft ontvangen en de raadsman heeft gemachtigd een aanhoudingsverzoek te doen. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 m.b.t. de bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek te maken afweging van belangen. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ttz. blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is ’s Hofs afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/00151

Zitting: 14 maart 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van twintig uren (subsidiair tien dagen hechtenis) met een proeftijd van twee jaren.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken die respectievelijk onder nr. 16/01295 en nr. 16/01944 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel bevat een klacht over de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2015 gedaan verzoek van de raadsman van de verdachte tot aanhouding van de zaak.

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde aanhoudingsverzoek het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats], adres: [a-straat 1] te [plaats],

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R. Mantz, advocaat te Den Haag, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak te doen.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De raadsman merkt het volgende op:

Mijn cliënt stelt dat hij geen dagvaarding voor de zitting van vandaag heeft ontvangen en hij heeft mij gemachtigd om, een verzoek tot aanhouding te doen. Mijn cliënt is wel op de hoogte van de zitting, omdat ik hem hier vanmiddag rond 14.00 uur van op de hoogte heb gesteld.

In reactie hierop deelt de advocaat-generaal het volgende mede:

De dagvaarding is conform de wettelijke betekeningsvereisten op correcte wijze aan de verdachte betekend. Ik neem de wens van de verdachte dat hij van zijn aanwezigheids recht gebruik wil maken, niet serieus. Ik verzoek het hof dan ook om het aanhoudingsverzoek af te wijzen.

Voorts hoor ik de raadsman niet zeggen dat hij door de verdachte bepaaldelijk gemachtigd is.

De raadsman merkt het volgende op:

Ik ben wel degelijk bepaaldelijk gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren. Hij wil alleen gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht en daarom verzoek ik om aanhouding.

De voorzitter constateert dat tevergeefs is getracht de dagvaarding aan de verdachte op zijn gba-adres uit te reiken. De dagvaarding is derhalve aan de griffier betekend, waarna een afschrift van de dagvaarding naar het gba-adres van de verdachte is verzonden.

De voorzitter deelt - na kort onderling beraad - als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding zal worden afgewezen, reeds vanwege het feit dat het verzoek niet dan wel onvoldoende is onderbouwd.”

4.2. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.1

4.3. In de onderhavige zaak heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek naar mijn mening zo summier gemotiveerd, dat uit die motivering niet kan worden opgemaakt of het hof de hiervoor bedoelde weging van belangen daadwerkelijk heeft gemaakt.

Door de raadsman is ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek aangevoerd dat de verdachte de dagvaarding in hoger beroep niet heeft ontvangen en dat hij pas om 14:00 uur op de dag van de terechtzitting zelf door zijn raadsman van de behandeling van zijn zaak op de hoogte is gesteld. Voorts heeft de raadsman gesteld dat hij door de verdachte was gemachtigd om de verdediging te voeren, maar dat de verdachte niettemin zelf ook gebruik van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken. Het hof heeft vervolgens bij zijn afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsman weliswaar overwogen dat dit aanhoudingsverzoek niet dan wel onvoldoende was onderbouwd, maar het is – gelet op hetgeen door de raadsman in het kader van het aanhoudingsverzoek wel is aangevoerd – niet goed duidelijk wat het hof hiermee precies heeft willen zeggen.

4.4. Is het hof in lijn met de opmerking van de advocaat-generaal in dit verband van oordeel dat de wens van de verdachte dat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken hier niet serieus moet worden genomen? Vindt het hof het verhaal van de raadsman dat de verdachte de dagvaarding niet heeft ontvangen en pas om 14:00 uur op de dag van de terechtzitting zelf van de behandeling van zijn zaak op de hoogte is geraakt eenvoudigweg niet geloofwaardig? Of zegt het hof met zijn motivering van de afwijzing eigenlijk dat het belang van een behoorlijke rechtspleging onder de door de raadsman geschetste omstandigheden naar zijn oordeel zonder meer boven het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte moet prevaleren? In alle gevallen geldt mijns inziens dat de motivering door het hof van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet voor zich spreekt en uiteindelijk ook niet toereikend is. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat in casu sprake is van een griffiersbetekening2 en dat de tijd tussen griffiersbetekening en de verzending van de dagvaarding als gewone brief naar het GBA-adres van de verdachte op 23 november 2015, enerzijds, en de datum van de terechtzitting van 7 december 2015, anderzijds, bovendien relatief kort is geweest.3

4.5. Het middel treft doel.

5. Nu het eerste middel slaagt, kan het tweede middel – waarin wordt geklaagd over de bewezenverklaring door het hof van de tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht – buiten bespreking blijven. Mocht de Hoge Raad ten aanzien van het eerste middel tot een ander oordeel komen dan heb ik geen behoefte aan een nadere conclusie om het tweede middel te bespreken, omdat dit naar mijn mening evident ongegrond is.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. bijv. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, rov. 2.3; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3; HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351 m.nt. Schalken, rov. 2.6.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 713-716.

2 Blijkens een zich in het dossier bevindende akte van uitreiking is op 11 november 2015 tevergeefs geprobeerd om de dagvaarding in hoger beroep op het GBA-adres van de verdachte uit te reiken en is de dagvaarding vervolgens na terugzending op 23 november 2015 aan de griffier van de rechtbank Den Haag betekend en als gewone brief weer naar het GBA-adres van de verdachte gezonden.

3 Vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3027; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3026, rov. 2; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258; HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325 en HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48.