Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:375

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-03-2017
Datum publicatie
30-05-2017
Zaaknummer
15/01787
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:967, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Smaad en laster d.m.v. het verspreiden van brieven aan de Amerikaanse ambassadeur en minister van buitenlandse zaken m.b.t. kunstsmokkel, artt. 261.1 en 262.1 Sr. 1. Klachtvereiste. 2. Bewijsklacht ‘ruchtbaarheid geven’. Ad 1. OM niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een klacht? De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BP1278 en ECLI:NL:HR:1994:ZC8448 m.b.t. het klachtvereiste a.b.i. art. 269 Sr en art. 164.1 Sv. Het Hof heeft geoordeeld dat bij X en Y de wens tot vervolging aanwezig was, waarin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat de tot klacht gerechtigden een klacht i.d.z.v. art. 164.1 Sv hebben gedaan. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft aan de f&o, die uit de stukken kunnen worden afgeleid omtrent de klachtprocedure van art. 12 Sv, de personen die aangifte hebben gedaan, de klacht van oktober 2007 en de aanvullende aangifte, de gevolgtrekking kunnen verbinden dat het niet anders kan zijn dan dat X en Y ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling hadden dat vervolging van verdachte zou worden ingesteld. Ad 2. De HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2848 m.b.t. ‘ruchtbaarheid geven’ a.b.i. art. 261 Sr. ’s Hofs oordeel dat verdachte m.b.t. de brief aan de Stichting Z heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan de in die brief vermelde aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft mede gelet op hetgeen op hetgeen in voornoemd arrest is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre. Uit de bewijsvoering van het Hof valt niet af te leiden dat verdachte m.b.t. de brieven aan de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Nederland en de toenmalige minister van buitenlandse zaken van de VS, heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan de in die brieven vermelde feiten ruchtbaarheid te geven. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. klachtvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01787

Zitting: 21 maart 2017

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 8 april 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens “laster en smaad, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De onderhavige zaak ziet, zoals hieronder nader zal blijken, op de verdenking van laster en smaad, meermalen gepleegd tegen [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] door middel van het verspreiden van een drietal brieven in de periode van 1 september 2009 tot en met 16 juli 2010. Hier verdient alvast aandacht dat aan deze verdenking een andere kwestie is voorafgegaan, die een ander tijdvak beslaat en voorts niet [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] maar diens op 27 maart 1993 overleden vader [betrokkene 8] betreft. Deze zou volgens de uitlatingen van de verdachte vanaf 1943 hebben geheuld met de vijand en in verband zijn te brengen met oorlogsmisdaden. Daarvan deed [betrokkene 15] op 21 februari 2007 aangifte en tevens klacht als bedoeld in de artikelen 269 Sr (belediging) en 270 Sr (smaad/smaadschrift). Zij wilde dat een einde werd gemaakt aan de haars inziens lasterlijke mededelingen die door de verdachte over haar overleden echtgenoot [betrokkene 8] werden verspreid. Het Openbaar Ministerie zag in dat verband echter (aanvankelijk) van vervolging af. Tegen deze beslissing tot niet vervolging werd vervolgens namens de maatschap [A] Advocaten en namens [betrokkene 1] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15] op 9 oktober 2007 een klaagschrift op grond van art. 12 Sv bij het Gerechtshof te Amsterdam ingediend. Nog in de loop van dat geding besloot het Openbaar Ministerie tot vervolging over te gaan, reden waarom, zo blijkt uit de beschikking in de beklagprocedure van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 maart 2009, de raadsman van de klagers op 6 februari 2009 het Gerechtshof te Amsterdam berichtte dat het beklag van de klagers als ingetrokken kon worden beschouwd en het hof de klagers niet-ontvankelijk verklaarde in hun klaagschrift. Ik heb deze voorgeschiedenis hier, samengevat, weergegeven en zal daarbij later nog wat uitvoeriger stilstaan aan de hand van stukken die zich achter de papieren muur in het strafdossier bevinden – stukken dus die op een andere dan de onderhavige situatie en op een ander tijdvak betrekking hebben –, omdat het hof daaraan (niettemin) refereert in de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Op dat verweer en de verwerping daarvan kom ik later terug.

  4. Voorts geef ik voordat ik de middelen ga bespreken, eerst nog de bewezenverklaring en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen weer. Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 1 september 2009 tot en met 16 juli 2010 te Amsterdam telkens opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en/of de goede naam van [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte telkens met voormeld doel een geschrift, verspreid, te weten:

3. een brief d.d. 1 september 2009 aan [betrokkene 3] en

4. een brief d.d. 17 oktober 2009 aan [betrokkene 4] en

5. een brief d.d. 16/7/2010 aan de stichting persvrijheidsfonds, inhoudende

3.

"I emphasize the word ex, because [betrokkene 1] decided only a few months ago to resign as a senator, after he was convicted of smuggling a painting by Rembrandt (as appointed Senator) from the USA through Switzerland into the Netherlands",

terwijl hij wist dat dit tenlastegelegde feit in strijd met de waarheid was en

4.

"Interestingly enough the current ex-senator [betrokkene 1] had to resign after smuggling a 'Rembrandt' from the US trough Switzerland into the Netherlands" en

5.

"De familie [...] heeft door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van Eur 100.000,-- de redactie van 'kleintje muurkrant' gedwongen zichzelf te muilkorven en de historische feiten van de website te verwijderen, ik heb hierover ruime correspondentie met de redactie gevoerd"

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

De bewijsmiddelen

1. Een geschrift, zijnde een kopie van een brief gedateerd 1 september 2009, gericht aan [betrokkene 3] , welke als bijlage 1 aan deze aanvulling is gehecht.

Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Subject: Senator [betrokkene 1] and the threat to US National Security.

[...] I emphasize the word ex, because [betrokkene 1] decided only a few months ago to resign as a senator, after he was convicted of smugling a painting by Rembrandt (as appointed Senator) from the USA trough Switzerland into the Netherlands.

[...]

Yours faithfully,

[verdachte]

2. Een geschrift, zijnde een kopie van een brief gedateerd 17 oktober 2009, gericht aan [betrokkene 4] , welke als bijlage 2 aan deze aanvulling is gehecht.

Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Subject: Senator [betrokkene 1] and the threat to US National Security.

[...] Interestingly enough the current ex-senator [betrokkene 1] had to resign after smuggling a ‘Rembrandt’ from the US trough Switzerland into the Netherlands.

[...]

Yours faithfully,

[verdachte]

3. Een geschrift, zijnde een kopie van een brief gedateerd 16 juli 2010, gericht aan de Stichting Persvrijheidsfonds, welke als bijlage 3 aan deze aanvulling is gehecht.

Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[…]

De familie [...] (het hof begrijpt: [A] Advocaten) heeft door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000 de redactie van ‘kleintje muurkrant’ gedwongen zichzelf te muilkorven en de historische feiten van de website te verwijderen, ik heb hierover ruime correspondentie met de redactie gevoerd.

[…]

[…]

Hoogachtend,

[verdachte]

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het is juist dat ik de brieven en e-mails waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen en waarvan passages zijn opgenomen heb geschreven.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2011.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik had een brief aan de redactie van “Kleintje Muurkrant” gestuurd met het verzoek toch een stuk over [A] Advocaten de plaatsen. Ik heb daarin vermeld dat ik ervoor zou zorgen dat de krant een compleet dossier zou krijgen. Ik heb voorts gevraagd of de redactie nog aanvullende informatie had. Vervolgens kreeg ik op 20 augustus 2010 een mail terug dat het allemaal gecompliceerder in elkaar zat. Uitgelegd werd dat [betrokkene 12] Kleintje Muurkrant onder dreiging van het aanspannen van een kort geding een zogenaamde vaststellingsovereenkomst had laten tekenen. Wanneer Kleintje Muurkrant iets over [betrokkene 13] zou plaatsen, werd een dwangsom van € 100.000,00 van kracht. [betrokkene 12] heeft later gedreigd met een kort geding, als de stukjes over [A] Advocaten niet van de website zouden worden verwijderd. Gelet op voomoemde vaststellingsovereenkomst was dit voor de redactie van Kleine Muurkrant reden de stukjes over [A] te verwijderen.

[…]

Voorafgaand aan de mailwisseling heb ik eerder met Kleintje Muurkrant gecorrespondeerd over de reden van het verwijderen van de stukjes over [A] Advocaten. Mij is toen slechts meegedeeld] dat gedreigd werd met een schadeclaim van € 100.000,00. Vervolgens heb ik per mail van 20 augustus 2010 om nadere uitleg gevraagd.

Toen ik de brief van 16 juli 2010 schreef, wist ik wel dat de stukjes over [A] Advocaten waren verwijderd in verband met een mogelijke claim van € 100.000,00. Ik wist toen nog niet dat het een dwangsom in de zaak [betrokkene 13] betrof.”

6. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak aan het klachtvereiste is voldaan van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk is, en dat aldus het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd door het hof is verworpen.

7. In het aan de Hoge Raad toegezonden strafdossier bevindt zich achter de papieren muur betrekkelijk veel correspondentie tussen de advocaten van de benadeelden en het Openbaar Ministerie waarin gesproken wordt over een aangifte tegen [verdachte] (de verdachte in de onderhavige zaak) en de vraag of op grond daarvan tot vervolging moet worden overgegaan. Ik noem hier eerst de stukken die (hoofdzakelijk) betrekking hebben op, kort gezegd, de lasterlijke uitlatingen die de verdachte zou hebben gedaan over wijlen [betrokkene 8] in de periode van 21 februari 2007 (datum aangifte [betrokkene 15] ) tot en met 26 maart 2009 (datum beschikking gerechtshof te Amsterdam in de eerder genoemde beklagprocedure):

a) Een proces-verbaal van 21 februari 2007 inhoudende de aangifte van mr. M. Wladimiroff namens [betrokkene 15] , [betrokkene 14] , [betrokkene 1] en [betrokkene 17] ter zake van onder meer smaad(schrift) en belediging jegens [betrokkene 8] . In deze aangifte staat onder meer het volgende:

“Aangifte:

[betrokkene 15] verzoekt te bevorderen dat een halt wordt toegeroepen aan de lasterlijke mededelingen die over haar op 27 maart 1993 overleden echtgenoot [betrokkene 8] worden verspreid door ene [verdachte] in een brief aan Sotheby’s New York, met afschrift aan de vestiging in Amsterdam. Deze brief was als side letter gevoegd bij een op 25 maart 2006 gedateerde brief van [verdachte] aan een zoon van cliënte. Daarnaast laat [verdachte] dezelfde laster ook via het internet verspreiden.

[verdachte] beticht [betrokkene 8] ervan vanaf 1943 geheuld te hebben met de vijand en brengt [betrokkene 1] in verband met oorlogsmisdaden. Deze schaamteloze acties treffen [betrokkene 15] en haar kinderen zeer zwaar, te meer omdat haar echtgenoot zich niet tegen deze onware en schandelijke aantijgingen kan verdedigen.

[betrokkene 15] , kiest gelet haar hoge leeftijd domicilie ten kantore van haar advocaat Mr. M. Wladimiroff. Mr. Wladimiroff doet namens cliënt aangifte van smaad (schrift) en belediging, zoals bedoeld in de artikelen 261 jo 262, 266 en 270 van het Wetboek van Strafrecht tegen [verdachte] (…).

De door [verdachte] gedane uitlatingen zijn niet alleen smadelijk voor haar overleden echtgenoot, maar ook beledigend voor haarzelf en haar kinderen. [betrokkene 15] , evenals haar kinderen, wensen de strafvervolging van [verdachte] en deswege wordt hierbij tevens klacht gedaan zoals bedoeld in de artikelen 270 respectievelijk 269 van het Wetboek van Strafrecht.

(…)

Zie voor de inhoud van de verklaring van [betrokkene 15] de brief van 9 augustus 2006, van M. Wladimiroff, gericht aan de Hoofdofficier van justitie te Amsterdam Mr. J.A.J.M. de Wit van het Arrondissementsparket te Amsterdam, met de daarin genoemde en bijgevoegde bijlagen.

Deze brief met bijlagen wordt als bijlage bijgevoegd,

Zie voor de inhoud van de verklaring/aangifte van [betrokkene 1] de brief van 10 oktober 2006, van [betrokkene 1] , gericht aan de Hoofdofficier van justitie te Amsterdam, Mr. J.A.J.M. de Wit. Daarbij is gevoegd de brief die per email is verzonden aan Professor mr. E.J.H. Schrage, afzender [verdachte] .

Deze brief met bijlage wordt bijgevoegd.

Aanvullende aangifte:

Op 5 januari 2007 wordt aan het Parket van de officier van justitie te Amsterdam, een brief ontvangen, gedateerd 4 januari 2007, gericht aan de officier van justitie te Amsterdam, Mr. H.C. van Coijen, van Mr. Wladimiroff.

Hij verzoekt nogmaals aandacht voor de kwestie [verdachte] omdat die maar doorgaat met zijn haatcampagne tegen de familie [betrokkene 1] .

Daarbij speelt een rol dat de aangever [betrokkene 1] als senator een bijzondere bescherming behoeft in het kader van de Veiligheidswet van de overheid.

Gebleken is dat [verdachte] naast Professor, mr. E.J.H. Schrage, ook andere hoogleraren van de Universiteit van Amsterdam heeft benaderd met zijn ongefundeerde beschuldigingen. Die brief heeft hij ook gestuurd naar leden van het Gerechtshof te Amsterdam.

Inmiddels blijkt ook dat Dr. J.P. Meihuizen, die onderzoek doet naar het oorlogsverleden van de Nederlandse advocaat, door [verdachte] bestookt wordt met beschuldigingen dat het kantoor [A] Advocaten opgericht zou zijn door iemand die zich aan collaboratie met de vijand zou hebben schuldig gemaakt.

De heer Meihuizen heeft te kennen gegeven dat de door hem geraadpleegde archieven geen enkele grond bieden voor deze infame beschuldigingen en dat hij zich niet voor het karretje van [verdachte] wenst te spannen.

Ook is gebleken dat [verdachte] de Anne Frank Stichting heeft benaderd. Deze desbetreffende brief wordt hierbij gevoegd alsmede een afschrift van een brief van een bestuurder van de stichting gericht aan [betrokkene 1] .

Te vrezen valt dat [verdachte] meerdere brieven heeft gestuurd waarvan zij nog geen weet hebben, terwijl sinds juli vorig jaar op het internet door [verdachte] geïnitieerde berichten staan vermeld met dezelfde beschuldigingen.

De brief met bijlagen wordt hierbij gevoegd.”

De in het proces-verbaal van aangifte genoemde brieven houden het volgende in:

- Een brief van 9 augustus 2006 waarin advocaat mr. M. Wladimiroff namens de weduwe van [betrokkene 8] en met instemming van haar kinderen de hoofdofficier van justitie vraagt te bevorderen dat een halt wordt toegeroepen aan de lasterlijke mededelingen die door ene [verdachte] over haar overleden echtgenoot worden verspreid. Zij doet tegen [verdachte] aangifte van smaad(schrift) en belediging, zoals bedoeld in de artikelen 261 jo 262, 266 en 270 Sr, en tevens klacht zoals bedoeld in de artikelen 270 resp. 269 Sr;

- Een brief van 10 oktober 2006 van [betrokkene 1] betreffende aangifte tegen [verdachte] ter zake van smaad, laster en afpersing vanwege het verspreiden van onware verhalen over de vader van de aangever in brieven die [verdachte] aan een aantal hoogleraren heeft geschreven en waarin tevens de volgende zin voorkomt: “I strongly feel, that until Senator [betrokkene 1] and his brother accept to see the correlation of their public and professional career and their status in society on the one hand and the actions of their father (warprofitering and collaboration) on the other, excommunication, in the most literal way, should be imposed on them, wherever possible”;

- Een brief van 4 januari 2007 van mr. M. Wladimiroff, waarin hij wijst op meer brieven die [verdachte] heeft gestuurd, ook aan leden van het gerechtshof te Amsterdam, en voorts mededeelt geïnformeerd te willen worden over de aanpak door het parket Amsterdam.

b) Een viertal klachtformulieren daterend van 22 februari 2007, waarin klacht wordt gedaan ter zake van smaad(schrift), laster, belediging en smaad(schrift) “jegens overleden persoon” en dienaangaande verzocht wordt een strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen [verdachte] . De klagers zijn [betrokkene 15] , [betrokkene 14] , [betrokkene 1] en [betrokkene 17] .

c) Een brief van 11 juli 2007 van de hoofdofficier van justitie waarin aan mr. M. Wladimiroff wordt medegedeeld dat het strafrecht geen mogelijkheden biedt om [verdachte] succesvol te vervolgen omdat het beledigen van een overleden persoon niet strafbaar is gesteld en “het beschuldigen van collaboratie en, sterker nog, oorlogsprofiteurschap, onvoldoende concreet is om als smaad in strafrechtelijke zin te kunnen worden aangemerkt”.

d) Een op 10 oktober 2007 bij het Gerechtshof te Amsterdam binnengekomen schrijven van [betrokkene 12] , met als aanhef “Beklag op de voet van artikel 12 Sv”. Het klaagschrift betreft “eenvoudige belediging, smaad, smaad(schrift), laster en smaad(schrift) door [verdachte] tegen een overledene”, de oprichter van het kantoor [betrokkene 8] , alsmede het misdrijf van afdreiging (art. 318 Sr). De strekking van het klaagschrift is in de kern dat de beschuldigingen dermate ernstig zijn dat deze ook zonder nadere precisering voor [betrokkene 8] , diens weduwe, diens zoons en de maatschap [A] Advocaten het beschadigende effect sorteren waartegen de artikelen 261 en 270 Sr beogen hen te beschermen. Betoogd wordt dat de klagers een rechtstreeks belang hebben bij vervolging van de verdachte, omdat hij de overleden [betrokkene 8] , [betrokkene 1] en de maatschap [A] Advocaten ernstige schade berokkent. In het klaagschrift wordt een brief van [verdachte] d.d. 25 maart 2006 aangehaald waarin hij aanspraak maakt op vergoeding van beweerd geleden schade ten bedrage van € 635.250,- en voorts (onder meer) het volgende schrijft:

"Uit de publieke media is gebleken dat uw broer, die zich profileert als expert in de antieke kunst en 1e kamerlid in 2003 getracht heeft om een vermeende Rembrandt schets vanuit Zwitserland in een opgerolde krant het land in te smokkelen om de invoerrechten (6% BTW) te ontlopen. Zijn argumentatie dat hij niet wist, dit valt onder de categorie onkunde dan wel misleiding (zie argumenten onder punt 2). Temeer uw kantoor zich opwerpt als een kantoor dat de expertise in huis heeft inzake kunst en antiek en de daarmee verbonden juridische regels en complicaties wat zich onder meer uit in het feit dat u zich o.a. specialiseert in gedurende WO II gestolen kunst. Dit laatste is wel erg misselijkmakend, gezien het feit dat het oprichtingsjaar van [A] Advocaten kantoor in 1942 was, een zeer bedenkelijk jaar, immers één jaar daarvoor waren alle joodse advocaten (van de in totaal 1700 –joodse en niet-joodse- praktiserende advocaten in Nederland) een arbeidsverbod opgelegd en de rest van de Joodse bevolking was zijn burgerrechten ontnomen evenals hun kunstbezittingen, de vraag is hoe kan men dan rechten praktiseren in een staat waar geen recht is en waar een gedeelte van de bevolking de status van vee heeft gekregen. Laat staan een praktijk beginnen en met welke clientèle kon men starten om de praktijk draaiend te houden. Een “stuwmeer” van ex-joodse advocatenclientèle was in 1942 voorhanden.”

In de desbetreffende sideletter schreef [verdachte] onder meer:

“Ik zal het als mijn persoonlijke missie maken deze informatie te delen en doen toekomen aan firma’s, ook buitenlandse – waar Joodse aandeelhouders aan verbonden zijn (…). De schijn en feiten heeft uw kantoor tegen. Ik eindig deze laatste brief aan u met u eigen citaat van 14 februari 2005 (…) “Zo wordt het spel gespeeld”. Uw betaling (op een rekening van mijn keuze) tegemoetziend om deze kwestie af te sluiten, teken ik, [verdachte] .”

Volgens het klaagschrift heeft de maatschap [A] Advocaten bij brief van 24 maart 2006 de vraag aan de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam voorgelegd of daarvan aangifte moest worden gedaan of dat het zin zou hebben dat de deken [verdachte] en [betrokkene 12] zou oproepen. Bij brief van 27 maart 2006 antwoordde de deken dat de inhoud van de sideletter naar chantage riekt en dat de maatschap zou kunnen besluiten aangifte te doen indien het kantoor mocht menen dat [verdachte] hier een grens had overschreden, maar dat het misschien zinvol zou zijn voorlopig maar even niets te doen en af te wachten hoe deze zaak zich verder zou ontwikkelen. Het gaat hierbij om de afdreiging-zaak.

e) Een brief van 29 mei 2008 van [betrokkene 12] waarin wordt aangegeven dat hij met voldoening heeft kennis genomen van de mededeling dat het parket heeft besloten alsnog te vervolgen ter zake van afdreiging (art. 318 Sr) en smaad tegen overledene (art. 270 Sr). De brief is mede ondertekend door [betrokkene 1] , [betrokkene 14] en [A] Advocaten B.V., waarin zij ieder voor zich verklaren als zoon van hun overleden vader klacht te doen als bedoeld in art. 270, tweede lid, Sr.

f) Een beschikking van 26 maart 2009 van het Gerechtshof te Amsterdam op het beklag van [betrokkene 15] , [betrokkene 1] , [betrokkene 14] en de maatschap [A] advocaten. Uit deze beschikking blijkt dat de raadsman van de genoemde klagers in de loop van het geding per e-mail van 6 februari 2009 het hof hebben bericht dat, nu het Openbaar Ministerie inmiddels tot vervolging van de beklaagde is overgegaan, het beklag van de klagers als ingetrokken dient te worden beschouwd. Omdat naar het oordeel van het hof de klagers om die reden geen belang meer hebben bij de beklagprocedure, heeft het de klagers niet-ontvankelijk in het beklag verklaard.

8. Dan nu de stukken die, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in verband zijn te brengen met de onderhavige zaak.

9. Ik noem in de eerste plaats het schrijven van 28 oktober 2009 waarin [betrokkene 12] aan de officier van justitie het verzoek doet om de brief die de verdachte aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten Hillary Clinton heeft gericht, te voegen bij de stukken die ad informandum aan het rechtsbankdossier zullen worden gevoegd. Uit de stukken van het geding blijkt dat te dezen aanvankelijk werd gedacht aan een voeging ad informandum, maar dat bij gebreke van een gave bekentenis van de verdachte er uiteindelijk voor is gekozen de brief als punt 4 in de tenlastelegging op te nemen.

10. In de tweede plaats wijs ik op de brief van 14 januari 2011 van [betrokkene 16] , waarin deze namens [betrokkene 15] , [betrokkene 17] , [betrokkene 1] en [betrokkene 14] aanvullende aangifte doet van smaadschrift en laster in de periode 12 november 2006 tot de dagtekening van de brief. De brief is medeondertekend door de genoemde personen van de familie [betrokkene 1] . Namens de medeondertekenaars verzoekt [betrokkene 16] het Openbaar Ministerie ter gelegenheid van de strafzaak een zodanige eis te formuleren dat het gedrag van [verdachte] wordt beëindigd. De brief vermeldt verder: “De passages in de geciteerde teksten die de aangifte feitelijk onderbouwen zijn onderstreept”. De aanvullende aangifte doelt onder meer op de brief d.d. 1 september 2009 van de verdachte aan de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Nederland, de brief die bij punt 3 in de tenlastelegging wordt genoemd. Voor zover het in de brief van [betrokkene 16] gaat om bijlage 23, ziet de aangifte echter op een andere dan de tenlastegelegde tekst gelet op de onderstreping daarvan. Ik citeer, voor zover hier relevant (de onderstrepingen zijn dus telkens van de hand van [betrokkene 16] ):

“In the research and files of the NIOD no exonerating reports, letters, statement etc. were found which could clear the name of the father of senator [betrokkene 1]. The collaborating father continued on with his carreer … [A] lawyers by accepting the request from and to offer their services to Khan makes them in facto aid to terrorism (…).”

Maar elders in het schrijven van [betrokkene 16] wordt de brief van de verdachte aan de ambassade d.d. 1 september 2009 opnieuw aan de orde gesteld:

“ [verdachte] aan ambassade USA- 1-9-2009 "I emphasize the word ex, because [betrokkene 1] decided only a few months ago to resign as a senator, after he was convicted of smuggling a painting by Rembrandt (as appointed Senator) from the USA through Switzerland into the Netherlands. The collaborating father continued on with his career (lawfirm [A] Advocaten) after the war where he was highly indemanded lawyer for defending Dutch Collaborators, and had also shockingly became a senator (like his son) and even more pervers the spokesman for his party on the subject of law (justice) and Culture in the Sentence (Eerste Kamer). Thus, he enjoyed fully the fruits of his conduct during and after the war. .…The firm has a tendency and a tradition to work with entirely undemocrated individuals and States, by prefence enemys of the USA. Just like their father and patriarg of the company collaborated with the nazi’s. After WWII, he had no problem to continue working with nazi’s.””

Voorts wordt in de brief van [betrokkene 16] , voor zover hier van belang, het volgende aangehaald:

“bijlage 46-kleintje muurkrant-pagina’s 5,6,7-

De senator wist van niks (9)

(…)

Wat deed de door ons al eerder opgevoerde [verdachte] (zo schrijft [verdachte] zelf, begrijp ik, AG). Die snuffelde binnen deze context aan het oorlogsverleden van [betrokkene 8] ’s advocatenkantoor, de voorloper van het huidige [A] advocaten en ging vervolgens een stapje verder dan Unger. Hij vond namelijk dat een vertegenwoordiger van een advocatenkantoor met een twijfelachtig oorlogsverleden niet in iets heikels kan zitten als een advisory board van Sotheby’s.

De senator wist van niks (11)

Maar volgens [verdachte] valt er nog heel wat af te rekenen met de opvolgers van de oorlogsprofiteurs in toga. En daarbij is [betrokkene 1] maar een voorbeeld.

(…).”

11. In de derde plaats: uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2011 (p. 8) blijkt dat de brief van de verdachte van 16 juli 2010 aan de Stichting Persvrijheidsfonds, genoemd bij punt 5 van de tenlastelegging en de bewezenverklaring, via de benadeelde tot de officier van justitie is gekomen.

12. Op de brieven van 28 oktober 2009 ( [betrokkene 12] ), 14 januari 2011 ( [betrokkene 16] ) en 16 juli 2010 (de verdachte) kom ik hieronder nog terug.

13. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2015 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd onder meer overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“A - Klacht door klachtgerechtigde?

2. Hoewel ik bij dit punt niet al te lang wil stilstaan — eenvoudigweg bij gebrek aan informatie — wil ik toch de vraag aan uw hof voorhouden of wel sprake is van een klacht, zoals de wet vereist bij smaad (jegens een overledene). Uit de tenlastelegging volgt dat er twee kandidaten zijn om als klachtgerechtigde op te treden: [betrokkene 1] en/of ‘ [A] Advocaten’

3. T.a.v. [betrokkene 1] : Hij dient geen klacht in, maar vraagt slechts ‘beleefd om zo spoedig mogelijke actie’ Bovendien gaat het in de betreffende brief (van 10 oktober 2006) alleen om de uitlatingen aan het adres van zijn overleden vader maar niet over passages die hemzelf of het kantoor betreffen. Over zijn vermeende kunstsmokkel spreekt hij niet. Daarover kennelijk geen klacht.

4. Wat ‘ [A] Advocaten’ betreft kan de vraag worden gesteld: Welke [A] Advocaten? Is het de maatschap of de BV en vanaf welk moment is wie bevoegd om namens ‘ [A] Advocaten’ een klacht in te dienen en waar blijkt dat uit? Ik merk op dat de rechtsvorm en de samenstelling van het bestuur per 1 januari 2008 is gewijzigd.

5. De wet vereist dat indien de klachtgerechtigde niet zelf klaagt, dat een vertegenwoordiger dit kan doen, mits daarvoor een bijzondere schriftelijke volmacht voor bestaat (art. 164 Sv.). Van deze volmacht dient bovendien een afschrift aan de aangifte te worden gehecht (art. 164 lid 2 jo. 163 lid 4 Sv.). Nergens in het dossier bevindt zich een dergelijke bijzondere schriftelijke volmacht.

6. Ik stel dan ook vast dat voor de uitlatingen waarmee de eer en goede naam van ‘ [A] Advocaten’ zou zijn aangerand geen klacht bestaat. Ten aanzien van [betrokkene 1] geldt hetzelfde met die toevoeging dat over zijn vermeende kunstsmokkel door hem in het geheel niet gerept wordt. Het ontbreken van klachten betekent dat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging.”

14. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2015 gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, nu smaad een klachtdelict betreft en er geen klachten zijn ingediend door de klachtgerechtigden [betrokkene 1] en/of [A] advocaten, dan wel dat de ingediende klachten niet voldoen aan de daaraan door de wet gestelde eisen.

(…)

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens de maatschap [A] Advocaten en alsmede namens [betrokkene 1] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15] is op 9 oktober 2007 een klacht opgesteld ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte niet te vervolgen ter zake van onder andere laster en smaad, welke klacht op 10 oktober 2007 bij het hof is binnengekomen.

Blijkens het proces-verbaal van terechtzitting in de onderhavige zaak van 23 juni 2011 waren ter terechtzitting in eerste aanleg namens de benadeelden [A] Advocaten, dan wel [betrokkene 1] en/of de nabestaanden van [betrokkene 8] aanwezig [betrokkene 16] en [betrokkene 12] . Het hof is van oordeel dat, voor zover de ingediende klachten als weergegeven op de pagina’s 11 e.v. van het dossier zoals door de raadsman gesteld al niet voldoen aan de daaraan door de wet gestelde eisen, uit het voorgaande niets anders kan worden afgeleid dan dat bij [A] Advocaten en [betrokkene 1] de wens tot vervolging aanwezig was. Gelet hierop wordt het verweer van de raadsman verworpen.”

15. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak voldaan is aan het klachtvereiste van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dat oordeel onbegrijpelijk. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof ten onrechte verwijst naar de bedoelde art. 12 Sv-procedure waarin het klaagschrift op 10 oktober 2007 bij het hof is binnengekomen, omdat het daarop betrekking hebbende klaagschrift niet ziet op de pleegperiode van 1 september 2009 tot en met 16 juli 2010, terwijl ook de verwijzing van het hof naar de zich in het dossier bevindende klachten niet opgaat, nu deze dateren van 22 februari 2007 en zij dus gezien de tenlastegelegde en bewezenverklaarde pleegperiode evenmin betrekking hebben op de onderhavige feiten. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat [betrokkene 16] en [betrokkene 12] aanwezig waren op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2011; zij hebben tijdens deze procedure geen formele rol gespeeld en hebben toen niet namens hun cliënten verklaard dat zij de vervolging van de verdachte wegens de later door het hof in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten ondersteunen. Evenmin, zo sluit de toelichting op het middel af, volgt uit de stukken dat [betrokkene 16] en [betrokkene 12] een bijzondere schriftelijke volmacht aan het hof hebben overgelegd, hetgeen ingevolge art. 164 Sv een vereiste is wanneer een ander dan de klachtgerechtigde een klacht tot vervolging kenbaar maakt, waarbij nog eens komt dat art. 164 Sv in de weg staat aan het indienen van een klacht indien de vervolging reeds is aangevangen.

16. Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang, waarbij zij aangetekend dat de artikelen 261 Sr (smaad en smaadschrift) en 262 Sr (laster) in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht onder Titel XVI “Belediging” is opgenomen:

Art. 261, eerste en tweede lid, Sr:

“1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

Art. 262 Sr:

Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Art. 269 Sr:

Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, behalve in de gevallen voorzien in artikel 267, aanhef en onder 1° en 2°.

Art. 163, tweede, derde en vijfde lid, Sv:

2. De mondelinge aangifte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt, in geschrifte gesteld en na voorlezing door hem met den aangever of diens gemachtigde onderteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.

3. De schriftelijke aangifte wordt door den aangever of diens gemachtigde onderteekend. (…).

5. De schriftelijke volmacht, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.

Art. 164 Sv:

1. Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.

2 Artikel 163, tweede lid, derde lid - met uitzondering van de tweede en derde volzin - en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

17. Ingevolge het bepaalde in art. 269 Sr wordt belediging niet vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Dit klachtvereiste strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventueel negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging.1 Zonder klacht is er in beginsel geen vervolgbaarheid.

18. Opmerking verdient dat het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164, eerste lid, Sv ook alsnog kan worden aangenomen indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (vgl. HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278).2 Aldus kan – anders dan de steller van het middel meent – in een situatie waarin een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen expliciet verzoek tot vervolging inhoudt, het bestaan van een klacht toch nog worden aangenomen nadat de vervolging reeds een aanvang heeft genomen.3 Uit art. 164, eerste lid, Sv valt dan ook niet af te leiden dat het ontbreken van een expliciet verzoek tot vervolging bij de aangifte niet kan worden hersteld nadat de vervolging is aangevangen.4

19. In het arrest van HR 22 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9316, NJ 1986/827 m.nt. ’t Hart heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen rechtsregel bepaalt dat bij uitsluitend op klacht vervolgbare misdrijven de klacht een strafrechtelijke kwalificatie moet behelzen en dat, voor zover de klacht wel een kwalificatie inhoudt, klachtmisdrijven die buiten deze kwalificatie vallen doch begrepen kunnen worden in het in de klacht omschreven materiële gebeuren, niet vervolgd zouden mogen worden.

20. Ook kan in het algemeen uit de omstandigheid dat een aangever beklag als bedoeld in art. 12 Sv heeft gedaan worden afgeleid dat hij de bedoeling had dat een vervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld en dat daarin een klacht besloten ligt.5

21. Ik keer terug naar het middel. Een vraag die het middel opwerpt is of dit laatste anders is indien de artikel 12-procedure betrekking heeft op feiten die dateren van vóór de bewezenverklaarde pleegperiode in de strafzaak. Die vraag zou ik niet alle gevallen ontkennend willen beantwoorden. Als de verdachte na de beklagprocedure als bedoeld in art. art. 12 Sv gewoon doorgaat met dezelfde lasterlijke praat, zie ik niet in waarom de reeds ingediende klacht zich niet tevens tot latere uitingen die de “telastlegging” van hetzelfde feit behelzen, zou kunnen uitstrekken. Dat geval doet zich hier echter niet voor. Uit de hierboven onder 7 weergegeven stukken van het geding blijkt immers dat de beklagprocedure betrekking had op andere feiten of, anders gezegd, op een ander feitencomplex, te weten de lasterlijke uitlatingen van de verdachte over het vermeende oorlogsverleden van [betrokkene 8] en de afdreiging. De in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten zien daarentegen op smaad en laster met betrekking tot de ‘kunstsmokkel’ die door de verdachte aan [betrokkene 1] wordt toegeschreven en de aantijging dat de familie [...] door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000,- de redactie van 'kleintje muurkrant' heeft gedwongen zichzelf te muilkorven en de historische feiten van de website te verwijderen. De uit de beklagprocedure af te leiden klacht kan mijns inziens daarom in het onderhavige geval niet als grondslag dienen voor een vervolging van de feiten (smaad en laster) waarvan de verdachte in de onderhavige zaak wordt beschuldigd.6

22. Het hof heeft voorts bij zijn oordeelsvorming de aanwezigheid van [betrokkene 16] en [betrokkene 12] op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg betrokken. De steller van het middel meent dat het hof daaraan het doorslaggevende argument voor zijn oordeel heeft ontleend. Dat lees ik echter niet in de overwegingen van het hof. Dat neemt niet weg dat het hof bij zijn oordeel wel heeft betrokken de omstandigheid dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2011 de genoemde raadslieden op die terechtzitting namens de benadeelden [A] Advocaten, dan wel [betrokkene 1] en/of de nabestaanden van [betrokkene 8] aanwezig waren. Het door het hof aangehaalde proces-verbaal houdt het volgende in:

“Als raadslieden van de benadeelde [A] Advocaten dan wel [betrokkene 1] en/of de nabestaanden van [betrokkene 8] zijn aanwezig [betrokkene 16] en [betrokkene 12] , beiden advocaat te Amsterdam. Deze raadslieden bevestigen dat de benadeelden geen vordering tot schadevergoeding ex artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering hebben ingediend.”

De enkele omstandigheid dat namens de benadeelden twee raadslieden op de terechtzitting in eerste aanleg aanwezig waren, kan naar ik meen het oordeel niet dragen dat [A] Advocaten en [betrokkene 1] de bedoeling hadden dat ter zake van de in de onderhavige zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten een vervolging tegen de verdachte zou worden ingesteld. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bedoelde proces-verbaal niets vermeldt waaruit zo een wens van de raadslieden zou kunnen worden opgemaakt. De (vervolg)vraag of aan het vereiste van de bijzondere volmacht als bedoeld in art. 164, eerste lid, Sv is voldaan, behoeft mitsdien hier geen beantwoording; die vraag laat ik dan ook verder rusten.7

23. Over de papieren muur heen heb ik, met het oog op de vraag of de verdachte belang bij cassatie heeft, het dossier geraadpleegd om te achterhalen of uit andere stukken wellicht een klacht met betrekking tot de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten kan worden afgeleid.

24. Slechts één concreet aanknopingspunt daarvoor heb ik in dat verband gevonden: de hierboven onder 10 genoemde brief van [betrokkene 16] van 14 januari 2011, die hij namens [betrokkene 15] , [betrokkene 17] , [betrokkene 1] en [betrokkene 14] heeft geschreven en waarin hij aanvullende aangifte doet. Maar dat aanknopingspunt betreft dan wel alleen de brief d.d. 1 september 2009 van de verdachte aan de ambassadeur van de VS in Nederland, [betrokkene 3] .

25. Ten aanzien van de andere twee in de tenlastelegging genoemde brieven heb ik geen concreet aanknopingspunt in het dossier aangetroffen waaruit de wens tot vervolging voor de desbetreffende feiten blijkt. Van een aangifte door of namens [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] betreffende de op 17 oktober 2009 gedateerde brief van de verdachte aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van de VS Hillary Clinton (zie hierboven ad 9) is mij niets gebleken. In het schrijven van 28 oktober 2009 verzoekt [betrokkene 12] enkel aan de officier van justitie om die brief van de verdachte ad informandum in het dossier te voegen. Als hierin al een verzoek tot vervolging gelezen zou kunnen worden8, ontbreekt in het voorliggende strafdossier een stuk waaruit zou blijken dat [betrokkene 12] daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd was door [betrokkene 1] of [A] Advocaten. En de passages die in het kader van de aanvullende aangifte in de brief van [betrokkene 16] van 14 januari 2011 met betrekking tot “kleintje muurkrant” worden genoemd, en waarvan ik hierboven onder 10 een tweetal heb weergegeven, betreffen de vader van [betrokkene 1] , [betrokkene 8] . De niet in de brief van [betrokkene 16] genoemde passages zien op de Rembrandt-perikelen van [betrokkene 1] . De tenlastelegging en de bewezenverklaring omvatten echter een ander complex van feiten, namelijk de brief van de verdachte van 16 juli 2010 aan de Stichting Persvrijheidsfonds en de aantijging dat de familie [...] door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000,- de redactie van “kleintje muurkrant” monddood wilde maken.

26. Voor zover ik heb kunnen nagaan ontbreekt niet alleen een klacht of aangifte ter zake, maar ook een uiting van [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] , dan wel van daartoe door hen gemachtigde raadslieden, die de wens behelst, of waaruit die wens zou kunnen worden afgeleid, dat vervolging tegen de verdachte van smaad en laster wordt ingesteld met betrekking tot zowel de brief van 17 oktober 2009 aan de minister van Buitenlandse zaken van de VS [betrokkene 4] als de brief van 16 juli 2010 aan de Stichting Persvrijheidsfonds.9Het strafdossier is onmiskenbaar geënt en toegespitst op de wens tot vervolging van de verdachte ter zake van diens uitlatingen over de vader van [betrokkene 1] . De uitgebreide correspondentie, de aangiftes, de klachtformulieren en de artikel 12-procedure getuigen hiervan.

27. Ik heb mij nog afgevraagd, gelet op de functie die [betrokkene 1] als senator in de Eerste Kamer in de periode van 2003 tot en met 2011 bekleedde, met een onderbreking van 15 mei 2009 tot 2 november 2010, of ten aanzien van hem het klachtvereiste eigenlijk wel van toepassing is. Art. 269 Sr zegt immers in verbinding met art. 267, aanhef en onder 2°, Sr dat een klacht niet nodig is als de belediging wordt aangedaan aan “een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Art. 84, eerste lid, Sr bepaalt dat onder ambtenaren ook de leden van algemeen vertegenwoordigende organen, zoals de leden van de Eerste Kamer, zijn begrepen.10 Bezien moet dus worden of de bewezenverklaarde feiten gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als senator zijn begaan. Het hof heeft daaromtrent niets vastgesteld. Ook uit de gebezigde bewijsmiddelen (of anderszins) blijkt niet dat de bewezenverklaarde beledigingen aan het adres van [betrokkene 1] gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van diens bediening als senator zijn gedaan.11 De enkele omstandigheid dat in één brief (die van 1 september 2009) wordt gerefereerd aan het senatorschap van [betrokkene 1] (in de andere brief, die van 17 oktober 2009 , wordt slechts gerept van ex-senator) is daarvoor niet voldoende, waarbij komt – niet minder belangrijk – dat de brief van 1 september 2009, en overigens zo ook de brief van 17 oktober 2009, is geschreven en verzonden in de periode waarin het Eerste Kamerlidmaatschap van [betrokkene 1] (tijdelijk) was onderbroken.

28. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat uit de door hem genoemde omstandigheden niets anders kan worden afgeleid dan dat bij [A] Advocaten en/of [betrokkene 1] de wens tot vervolging – ik begrijp: voor alle drie de feiten – aanwezig was, niet zonder meer begrijpelijk.

29. Het middel slaagt.

30. Het tweede middel keert zich met een viertal motiveringsklachten tegen de ad 3. bewezenverklaarde laster (de brief van 1 september 2009 aan de Amerikaanse ambassadeur [betrokkene 3] ).

31. De eerste klacht houdt in dat het hof in het verkort arrest voor het bewijs redengevend heeft geacht een brief d.d. 10 juni 2009 van de deken van de Orde van Advocaten aan de verdachte, inhoudende dat [betrokkene 1] niet is veroordeeld ter zake van kunstsmokkel, zulks terwijl (de inhoud van) deze brief niet in de bewijsmiddelen is vermeld en het hof heeft nagelaten met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel het die gegevens heeft ontleend. Volgens de tweede klacht zou het hof in strijd met het bepaalde in art. 301 Sv op deze voor het bewijs redengevende brief acht hebben geslagen, zonder dat uit de processen-verbaal in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat deze brief ter terechtzitting is voorgelezen of de korte inhoud ervan is meegedeeld. De derde klacht luidt dat het bestreden oordeel van het hof ook niet begrijpelijk is, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte de brief van de deken heeft ontvangen en gelezen. Deze drie klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

32. In het verkort arrest is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende overweging van het hof opgenomen:

Laster of smaad

(…)

Tenlastelegging van een bepaald feit

(…)

IV "I emphasize the word ex, because [betrokkene 1] decided only a few months ago to resign as a senator, after he was convicted of smuggling a painting by Rembrandt (as appointed Senator) from the USA through Switzerland into the Netherlands "

De Deken van de Orde van Advocaten heeft de verdachte op 10 juni 2009 een brief verzonden waarin staat dat [betrokkene 1] niet is veroordeeld ter zake van kunstsmokkel. De verdachte wist op 1 september 2009 toen hij de brief aan [betrokkene 3] schreef dus dat wat hij schreef in strijd met de waarheid was. De passage levert gelet op inhoud en strekking daarvan de tenlastelegging van een bepaald feit op, te weten kunstsmokkel, ten aanzien van [betrokkene 1] .”

33. De brief van de deken bevindt zich onder de op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Maar inderdaad maakt deze geen deel uit van de bewijsmiddelen. Dat brengt mij tot de volgende opmerkingen. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus — al dan niet in reactie op een bewijsverweer — beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld.12 In de hierboven onder 32 weergegeven overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte bekend was met de onjuistheid van zijn uitlating dat [betrokkene 1] veroordeeld was ter zake van kunstsmokkel. Met de verwijzing daarbij naar de brief van de deken, waarvan de inhoud specifiek op dit onderwerp betrekking heeft, heeft het hof naar mijn inzicht met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduid aan welk wettig bewijsmiddel de bedoelde redengevende omstandigheid is ontleend en daarmee voldaan aan de voorwaarde van controleerbaarheid van de uitspraak.13 Ik wijs er voorts op dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank van 23 juni 2011 blijkt dat de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek heeft meegedeeld, in het bijzonder van al die stukken waarvan in het vonnis melding is gemaakt. Ingevolge art. 417, eerste lid, Sv mogen stukken die in eerste aanleg zijn voorgelezen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Dat een en ander brengt mee dat aan het voorschrift van art. 301, vierde lid, Sv is voldaan. Uit de omstandigheid dat de brief van de deken is verzonden, heeft het hof, nu op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep contra-indicaties gesteld noch gebleken zijn, mogen afleiden dat de verdachte deze brief heeft ontvangen en van de inhoud ervan kennis heeft kunnen nemen. Daarbij zij nogmaals gezegd dat de brief op de terechtzitting in eerste aanleg is voorgehouden en, blijkens de opgemaakte zittingsverbalen, de verdachte toen geen enkele keer heeft tegengeworpen dat hij de brief nimmer ontvangen en gelezen heeft.14 Voor zover het middel klaagt over de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel, miskent het voorts dat een onderzoek hiernaar een waardering van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen ruimte is.

34. De vierde klacht, waaruit overigens blijkt dat de verdachte tijdig kennis droeg van de inhoud van de brief van de deken, houdt in dat de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij met “veroordeeld wegens de smokkel van een Rembrandt” niet op een strafrechtelijke veroordeling, maar op een veroordeling in belastingtechnische zin doelde en dat het hof heeft nagelaten te reageren op die verklaring en aldus de juistheid van die verklaring in het midden heeft gelaten. Dit onderdeel van het middel faalt reeds omdat de appelrechter niet gehouden is te beslissen op verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald.15

35. Het middel faalt.

36. Het derde middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel aan die feiten ruchtbaarheid te geven als bedoeld in de artikelen 261 en 262 Sr.

37. Het hof heeft ten aanzien van het ruchtbaarheid geven het volgende overwogen:

Laster of smaad

(…)

Ruchtbaarheid geven

De onder IV, VII en IX weergegeven passages zijn in telkens verschillende brieven verzonden aan verschillende personen en een instantie, te weten respectievelijk aan [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en de Stichting Persvrijheidsfonds. Het hof is van oordeel dat indien men een brief stuurt aan de bovengenoemde personen, gelet op de aard van hun respectieve functies, dan wel aan de bovengenoemde stichting, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven. Naar het oordeel van het hof kan derhalve worden vastgesteld dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op verspreiding van de inhoud van de door hem aan de bovengenoemde personen en instantie verzonden brieven.”

38. Blijkens de, hierboven onder 16 weergegeven, wettekst van art. 261, eerste lid, Sr respectievelijk art. 262, eerste lid, Sr, geldt voor beide strafbepalingen het vereiste dat de belediging moet zijn gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Mèt A.L.J. Janssens kan worden vastgesteld dat juist dit bestanddeel het wezenskenmerk van smaad en laster betreft: beoogd wordt iemands integriteit publiekelijk aan de kaak te stellen.16

39. De delictsbestanddelen “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven” maakte trouwens geen deel uit van het oorspronkelijk regeringsontwerp.17 Het oorspronkelijk ontwerp volstond nog met het noemen van twee gevallen: indien hetzij in tegenwoordigheid van twee of meer personen, hetzij door opvolgende mededeling aan twee of meer personen afzonderlijk een bepaald feit was tenlastegelegd waardoor iemands eer of goede naam werd aangerand. De ontwerpredactie stuitte echter door haar willekeurigheid en onbepaaldheid op bezwaren – “tot hoever zal de opvolgende mededeeling kunnen gelden?” –, terwijl het voorts inconsequent werd bevonden wanneer de mededeling aan één enkele persoon aan de strafbaarheid in de weg zou staan en de mededeling aan twee personen met een tussenruimte van enige jaren niet.18 Deze bezwaren werden ondervangen door de huidige wettekst; het kennelijke doel (om daaraan ruchtbaarheid te geven) zou naar verwachting “zonder moeite uit de omstandigheden […] kunnen worden afgeleid”.19 De voorbeelden in de rechtspraak leerden echter anders. Het criterium van het “kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven”, bleek in de praktijk niet eenduidig te worden uitgelegd. Mogelijk is daarin een reden voor de Hoge Raad gelegen geweest om in zijn arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/620 tot de volgende beschouwingen te komen:21

“2.4.1.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Onder "ruchtbaarheid geven" als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan "het ter kennis van het publiek brengen". Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.22 Van "het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven" kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.23

2.4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen kan van belang zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daar vertrouwelijk mee omgaat. Dat laatste was niet het geval bij een uitlating die op een (afgeschermde) sociaalnetwerksite was geplaatst die voor meerdere personen zichtbaar was, terwijl zij naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over die uitlating konden beschikken24, en evenmin in het geval waarin de verdachte contact had met een dagbladjournalist die aandacht had voor de kwestie waarop de uitlating betrekking had en waarover reeds gepubliceerd was.25 In beide zaken getuigde het oordeel van het Hof dat was gehandeld met het kennelijke doel om aan de mededeling ruchtbaarheid te geven niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.4.3.

Indien de ontvanger een ambt bekleedt dat met discretie pleegt te worden uitgeoefend, kan zich licht het geval voordoen dat het oordeel dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan de mededeling ruchtbaarheid te geven nadere motivering behoeft. Als voorbeelden kunnen worden genoemd faxen over gedragingen van de curator in een faillissement die waren toegezonden aan diens kantoor en in afschrift aan de Rechter-Commissaris in het faillissement26, en een brief aan de burgemeester over gedragingen van een vorige bewoner27.

Onder omstandigheden kan ook een nadere motivering zijn vereist indien de relatie met de ontvanger zodanig is dat de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat deze de mededeling niet zal verspreiden in een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. Dat deed zich bijvoorbeeld voor bij een brief van de ex-vriendin van de aangever over diens gedragingen jegens zijn kind, gericht aan de moeder van het kind die door deze ter kennis was gebracht van de aangever en de huisarts28, en bij een op aanraden van een leidinggevende van een kinderdagverblijf verstuurde e-mail naar het algemene e-mailadres van dat kinderdagverblijf teneinde medewerkers van dat verblijf met het oog op een ongestoorde Sinterklaasviering op de hoogte te stellen van hetgeen zich met de ex-partner had afgespeeld.29

2.5.

Het oordeel van het Hof dat door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde aantijgingen aan de daarin genoemde personen is gehandeld met het kennelijke doel om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft - gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meerdere personen en dat uit de aan getuige Ippel gestelde vraag kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden.”

40. Uit het hiervoor aangehaalde arrest blijkt dat voor de beoordeling van de vraag of een mededeling wordt gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van het publiek te brengen de omstandigheden van het concrete geval van belang zijn en dat de Hoge Raad te dien aanzien vasthoudt aan de eerdere (genoemde) uitspraken. Bij een aantal daarvan wil ik nog even stilstaan.

41. Van belang kan zijn of verwacht mag worden dat de ontvanger van de (smadelijke) mededeling daar vertrouwelijk mee omgaat. In HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325 betreft het uitlatingen op de toenmalige sociale netwerksite (profielensite) Hyves. De verdachte heeft daarop zichtbaar voor 20 à 25 andere personen de tekst geplaatst “ik moet mijn kind meegeven aan een pedo”, waarmee zij haar ex-partner bedoelt. Het hof neemt in aanmerking dat deze uitlating niet te vergelijken valt met informatie die in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring geadresseerden wordt toevertrouwd en dat het in het onderhavige geval, waarin de tekst op de Hyves-pagina van de verdachte zichtbaar is voor personen die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating mogen beschikken, voor de verdachte voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten was dat de geplaatste tekst verder zou worden verspreid. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad komt tot een vergelijkbaar oordeel in zijn arrest van 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7947, NJ 2012/382. De verdachte weet dat de journalist K. met wie hij contact heeft, geïnteresseerd is in de informatie die de verdachte hem heeft gegeven – de seksuele escapades van een zekere S. – en dat daarover al eerder is gepubliceerd. Gelet daarop acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte door mededeling van de in de bewezenverklaring omschreven feiten aan K. handelde met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

42. Indien, aldus de Hoge Raad, de ontvanger een ambt bekleedt dat met discretie pleegt te worden uitgeoefend, kan zich licht het geval voordoen dat het oordeel dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan de mededeling ruchtbaarheid te geven nadere motivering behoeft. Als eerste voorbeeld daarvan wordt door de Hoge Raad gewezen op HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2198, NJ 2001/183. De verdachte heeft verschillende faxen, waarin hij de curator in het faillissement van de verdachte beschuldigt van oplichting, toegezonden aan het kantoor van deze curator en aan de rechter-commissaris die klaarblijkelijk als zodanig in het faillissement optreedt. Volgens de Hoge Raad kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat geldt ook voor de feiten in HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691. De verdachte heeft een brief over de seksmartelkamer of darkroom van een zekere S. geschreven en verzonden naar de toenmalige burgemeester van Amsterdam. Uit die enkele omstandigheid kan naar het oordeel van de Hoge Raad niet volgen dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat de burgemeester een persoon is met een openbare functie, maakt dat oordeel niet anders.

43. Tot slot merkt de Hoge Raad in de hierboven geciteerde overwegingen op dat onder omstandigheden ook een nadere motivering vereist kan zijn indien de relatie met de ontvanger zodanig is dat de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat deze de mededeling niet zal verspreiden in een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. De Hoge Raad noemt als voorbeeld het geval waarin een ex-vriendin van de aangever, vader van een toen vijfjarige dochter, in een anonieme brief aan de moeder van het kind de vader heeft beschuldigd van ontuchtige handelingen bij het meisje. De moeder, uiteraard geschrokken van de inhoud van de brief, stelt de brief ter kennis van de aangever/vader en hun huisarts. Die enkele omstandigheid is volgens de Hoge Raad niet voldoende voor het bewijs van “het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid in de bedoelde zin te geven”. Een ander voorbeeld is te vinden in HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337. De verdachte heeft een e-mailbericht aan het slachtoffer, zijn ex-partner, ook verzonden aan het kinderdagverblijf waar hun dochter opvang geniet, dat wil zeggen aan het algemene e-mailadres dat wordt gebruikt door mensen die werkzaam zijn bij het kinderdagverblijf. De kwestie gaat om hun beider aanwezigheid op de Sinterklaasviering 2009. De tekst in het e-mailbericht luidt: “Als jij net als vorig jaar een scène gaat schoppen dan zal ik mij niet schromen daar aangifte van te doen. Je bent al veroordeeld voor je gedrag en je zit in je proeftijd.” De Hoge Raad gaat er in cassatie van uit dat het de bedoeling van de verdachte was om het kinderdagverblijf te informeren over wat zich in de voorbereiding op de Sinterklaasviering tussen hem en zijn ex-partner had afgespeeld, dit naar aanleiding van een incident tussen hen beiden tijdens de vorige Sinterklaasviering, en dat de verdachte op aanraden van een leidinggevende van het kinderdagverblijf het mailbericht heeft verstuurd naar het algemene e-mailadres. Deze omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad niet voldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de mededeling is gedaan met het kennelijke doel deze ter kennis te brengen van een kring van betrekkelijk willekeurige derden.

44. In de zaak naar aanleiding waarvan de Hoge Raad het aangehaalde arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6 heeft gewezen, laat hij het bestreden oordeel van het hof in stand, daarbij in aanmerking nemend dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meer personen en dat uit de aan een getuige gestelde vraag kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden.

45. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De verdachte heeft brieven gestuurd naar de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Nederland [betrokkene 3] , de toenmalige minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten [betrokkene 4] en de Stichting Persvrijheidsfonds. Het hof heeft overwogen dat indien men een brief stuurt aan personen die zo een functie bekleden, dan wel aan een dergelijke stichting, “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven”.

46. De vraag is nu of dit oordeel begrijpelijk is in het licht van de rechtspraak die hierboven is besproken. Ten aanzien van de brieven die gericht zijn aan de Amerikaanse ambassadeur in Nederland en de minister van buitenlandse zaken van de VS dringt zich een vergelijking op met het eerder genoemde arrest waarin een brief was verzonden aan de burgemeester van Amsterdam. Ook een ambassadeur en een minister van Buitenlandse Zaken dragen een ambt dat met discretie pleegt te worden uitgeoefend. In lijn met HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691 betekent zulks dat de enkele overweging van het hof dat “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven” niet voldoende redengevend is voor het oordeel dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Natuurlijk – maar dat geldt ook voor de burgemeester van Amsterdam – zullen de geadresseerden de brieven wel niet zelf (direct) onder ogen krijgen, daar hebben ze ongetwijfeld administratief personeel, kabinet-medewerkers of eigen secretarissen voor. Maar ook voor deze personen geldt, althans daar ga ik gelet op de regelgeving voor diplomaten en ambtenaren van uit, dat dit personeel, die medewerkers en/of die secretarissen (ook en vooral) in dat kader een (afgeleide) geheimhoudingsplicht hebben en dus met discretie handelen. In dat licht bezien is het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de brief aan de Amerikaanse ambassadeur en de brief aan de minister van Buitenlandse Zaken van de VS zijn geschreven en verstuurd met het kennelijke doel die mededeling ter kennis te brengen van een kring van betrekkelijk willekeurige derden.30 In zoverre treft het middel doel.

47. Dat ligt, denk ik, anders voor wat betreft de brief aan de Stichting persvrijheidsfonds. Deze brief was niet specifiek gericht aan een bepaalde persoon en had kennelijk ten doel financiële ondersteuning te verkrijgen. Dat deze Stichting als ontvanger van de brief daarmee vertrouwelijk zou (moeten) omgaan, kan mijns inziens niet worden aangenomen, ook niet op basis van de stukken van het geding. Voor zover het middel zich ter zake van deze brief keert tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over, kort gezegd, het ruchtbaarheid geven, is het tevergeefs voorgesteld.

48. Bij mijn beoordeling van het middel heb ik betrokken dat in het onderhavige geval sprake is van een (impliciete) cumulatieve tenlastelegging en dat er derhalve geen ruimte is om de drie brieven met betrekking tot de bewezenverklaring van laster en smaad in onderlinge samenhang te bezien. Elke brief dient derhalve afzonderlijk langs de meetlat van art. 261 respectievelijk art. 262 Sr te worden gelegd. Dat verklaart ook dat het hof de tenlastegelegde feiten heeft gekwalificeerd als laster en smaad, meermalen gepleegd.

49. Het derde middel slaagt gedeeltelijk.

50. Het vierde middel klaagt erover dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

51. Namens de verdachte is het cassatieberoep ingesteld op 13 april 2015.31 De stukken van het geding zijn op 4 februari 2016 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna twee maanden is overschreden. De Hoge Raad kan dit middel evenwel onbesproken laten indien hij mijn conclusie volgt, aangezien dan het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde kan worden gesteld.32

52. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO bedoelde overweging. Het derde middel slaagt gedeeltelijk. Het vierde middel behoeft geen bespreking.

53. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

54. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198, NJ 2016/346 m.nt. Keijzer.

2 Aldus ook HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198, NJ 2016/346 m.nt. Keijzer.

3 Vgl. HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6708, NJ 2007/527 m.nt. Reijntjes.

4 Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel, voorafgaand aan HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6708, NJ 2007/527 m.nt. Reijntjes.

5 HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3501, NJ 2010/46 (rov. 2.3.5).

6 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:519, waarin uit de artikel 12 Sv-procedure wel kon worden afgeleid dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging voor het betreffende feit zou worden ingesteld.

7 Ik merk overigens op dat uit het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep (p. 1) slechts valt af te leiden dat een gemachtigd raadsman namens de benadeelden aanwezig was. Over een bijzondere schriftelijke volmacht is in de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep echter niets opgenomen en vastgesteld.

8 Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk 2014, p. 603.

9 Dat was in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9970 anders. Daar kon uit het proces-verbaal van bevindingen de wens tot het instellen van vervolging worden opgemaakt.

10 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, eerste deel, p. 534.

11 Zoals bijvoorbeeld wel het geval was in HR 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9479, NJ 1994/197 m.nt. Van Veen (belediging van politieagenten tijdens aanhouding en overbrenging naar het politiebureau).

12 HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes.

13 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 281.

14 Veel zou de verdachte met zo een tegenwerping niet zijn opgeschoten; dan was hem ongetwijfeld de inhoud van de brief expliciet voorgelezen.

15 Zie onder meer HR 3 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0952, NJ 1999/59; HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0952, NJ 1999/60 m.nt. Knigge; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844, NJ 2012/473 m.nt. Borgers. Zie ook Van Dorst, a.w., p. 202.

16 A.L.J. Janssens, Strafbare belediging (diss. Groningen), 1998, p. 122.

17 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, 1891, p. 390.

18 Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 261 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 1 oktober 2008).

19 Smidt, tweede deel, a.w., p. 393 en 394. In een eerder voorstel waren ook de woorden “in het openbaar” opgenomen, maar deze “gevaarlijke bijvoeging” zou tot interpretatieproblemen kunnen leiden en kon dan ook worden gemist (p. 393).

20 Zie ook HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2849.

21 De nummering van de noten die de Hoge Raad in zijn arrest ten behoeve van zijn bronvermeldingen heeft opgenomen, heb ik ten behoeve van de duidelijkheid aangepast aan die van mij in deze conclusie.

22 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

23 HR 3 november 1964, NJ 1965/109 m.nt. Pompe.

24 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

25 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7947, NJ 2012/382.

26 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2198, NJ 2001/183.

27 HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691.

28 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

29 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337 m.nt. Keijzer.

30 Ik wijs in dit verband terzijde op de eerder genoemde zaak betreffende het kinderdagverblijf (HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337).

31 Bij akte van 3 mei 2016 is het cassatieberoep partieel ingetrokken.

32 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis (rov. 3.5.3).