Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-03-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
15/03460
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:949, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie OM en verdachte. 1. Medeplegen van gewoontewitwassen, art. 420ter Sr en art. 420bis.1.b Sr; kwalificatieklacht. 2. Verbeurdverklaring van ex art. 94a Sv inbeslaggenomen geldbedrag? Ad 1. Het beroep op de rechtspraak over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het 'verwerven of voorhanden hebben' van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842) slaagt niet. De bewezenverklaring houdt ook in dat verdachte de geldbedragen heeft "overgedragen" en heeft "omgezet" a.b.i. art. 420bis lid 1 onder b Sr. In aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "verwerven" en "voorhanden hebben" van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel van verdachte niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van verdachte daarbij (vgl. ECLI:NL: HR:2015:3043). Ad 2. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2015:3689: voor verbeurdverklaring a.b.i. art. 33a Sr is niet nodig dat ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Een conservatoir beslag ex art. 94a Sv staat niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. ’s Hofs oordeel dat de gelden waarop conservatoir beslag rust niet kunnen worden verbeurdverklaard is onjuist. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 15/03265 en 15/03373.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03460

Zitting: 14 maart 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 10 juli 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens, onder 1, “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, onder 2, “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en, onder 3, “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden. Tevens heeft het hof in het genoemde arrest beslist tot verbeurdverklaring van een in beslag genomen mobiele telefoon. De vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 6.109,69 heeft het hof afgewezen.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , die respectievelijk onder nr. 15/03265 en 15/03373 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In deze samenhangende zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Tegen het arrest van het hof is zowel door de verdachte als namens het openbaar ministerie (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, vijf cassatiemiddelen voorgesteld. Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld.

De namens de verdachte voorgestelde middelen

4. De middelen die namens de verdachte zijn voorgestelde hebben alle betrekking op de bewezenverklaring van het hof. Alvorens deze middelen afzonderlijk te bespreken, geef ik hieronder eerst deze bewezenverklaring en de korte inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen weer.

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. hij op tijdstippen, gelegen in of de periode van 1 oktober 2010 tot en met 21 februari 2011, in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] en een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

- gewoontewitwassen en

- oplichting van de Belastingdienst;

2. hij in de periode van 2 november 2010 tot en met 11 februari 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) telkens

A. (in totaal) 158 (12 + 23 + 123) (digitale) formulieren

1) Aanvraag huur- en/of zorgtoeslag 2010 Belastingdienst/Toeslagen ten name van een groot aantal personen en

2) Wijziging huur- en/of zorgtoeslag 2010 Belastingdienst/Toeslagen ten name van een groot aantal personen en

B. (in totaal) 56 (52 + 4), althans één of meer (zogenoemde) (digitale) formulieren

Aanvraag en/of wijziging huur- en/of zorgtoeslag 2011 Belastingdienst/Toeslagen ten name van een groot aantal personen en

C. (in totaal) 229 (132 + 13 + 84), althans één of meer ( zogenoemde) (digitale) formulieren

1) Aanvraag voor Kinderopvangtoeslag 2010 Belastingdienst/toeslagen (ten name van een groot aantal personen) en

2) Wijziging Kinderopvangtoeslag 2010 Belastingdienst/toeslagen ten name van een groot aantal personen en

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader(s) valselijk en in strijd met de waarheid (onder meer), op naam (en/of buiten medeweten) van

(ad A1)

[A] op genoemd (digitaal) formulier (D-380) ingevuld en/of vermeld dat [A] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorgtoeslag wil wijzigen in [001]

[B] op genoemd (digitaal) formulier (D-701) ingevuld en/of vermeld dat [B] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorgtoeslag wil wijzigen in [001]

(ad A2)

[C] op genoemd (digitaal) formulier (D-434) ingevuld en/of vermeld dat [C] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorg- en/of huurtoeslag wil wijzigen in [002] en

[D] op genoemd (digitaal) formulier (D-448) ingevuld en/of vermeld dat [D] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorg- en/of huurtoeslag wil wijzigen

[E] op genoemd (digitaal) formulier (D-728) ingevuld en/of vermeld dat [E] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorg- en/of huurtoeslag wil wijzigen in [001]

[C] op genoemd (digitaal) formulier (D-435) ingevuld en/of vermeld dat [C] :

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van de zorg- en/of huurtoeslag wil wijzigen in [002] en

(ad C1)

[F] op genoemd (digitaal) formulier (D- 386) ingevuld en/of vermeld dat [F] :

- per 1 januari 2010 kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en-/of

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [003] is en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [G] (geboren [geboortedatum] -2004) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,00 bij een gastouderopvang en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [H] (geboren [geboortedatum] -2010) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,10 bij een gastouderopvang en

[I] op genoemd (digitaal) formulier (D-451) ingevuld en/of vermeld dat [I] :

- per 1 januari 2010 kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [003] is en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [J] (geboren [geboortedatum] -2003) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,00 bij een gastouderopvang en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [J] (geboren [geboortedatum] -2009) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,00 bij een gastouderopvang en

[K] op genoemd (digitaal) formulier (D-462) ingevuld en/of vermeld dat [K] :

- per 1 januari 2010 kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [004] is en

- het een aanvraag Kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [L] (geboren [geboortedatum] -2003) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,00 bij een gastouderopvang en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [M] (geboren [geboortedatum] -2009) voor 230 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 bij een Kindercentrum en voor 200 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 5,00 bij een gastouderopvang en

[N] op genoemd (digitaal formulier (D-705) ingevuld en/of vermeld dat [N] :

- per 1 januari 2010 kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van Kinderopvangtoeslag [001] is en

[O] op genoemd (digitaal) formulier (D-709) ingevuld en/of vermeld dat [O]:

- kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en-/of

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [001] is en

[P] op genoemd (digitaal) formulier (D-729) ingevuld en/of vermeld dat [P]:

- kinderopvangtoeslag 2010 wil aanvragen en

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [005] is en

- het een aanvraag kinderopvangtoeslag betreft voor het kind [Q] (geboren [geboortedatum]-2010) voor 207 hele opvanguren per volle maand en een uurtarief van euro 6,10 en

(ad C2)

[R] op genoemd (digitaal) formulier (D436) ingevuld en/of vermeld dat [R]:

- per 1 januari 2010 een wijziging kinderopvangtoeslag wil doorgeven en

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [003] is en

[S] op genoemd (digitaal) formulier (D-727) ingevuld en/of vermeld dat [S]:

- een wijziging kinderopvangtoeslag wil doorgeven en

- het rekeningnummer voor de uitbetaling van kinderopvangtoeslag [001] is

(telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

3. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt.”

4.2.

De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen die onder nrs. 1 t/m 48 zijn opgenomen in een aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Voor de bespreking van de middelen kan worden volstaan met een samenvatting van de inhoud van deze bewijsmiddelen.

- Bij de bewijsmiddelen 1 t/m 8 in hoofdzaak om verklaringen van getuige [betrokkene 3], die onder meer inhouden dat deze getuige door medeverdachten [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] is bedreigd en dat zij hun haar bankpasje en een kopie van haar identiteitsbewijs heeft gegeven. Voorts bevatten deze verklaringen een foto-identificatie van de verdachte en de opmerking van de getuige dat de verdachte altijd samen met medeverdachte [betrokkene 2] met pasjes bezig was.

- Bewijsmiddel 9 bevat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat hij sinds enige tijd samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte 3] .

- De bewijsmiddelen 10 t/m 12 betreffen verklaringen van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] over de afgifte van bankpasjes aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , de aanschaf van meerdere mobiele telefoons voor medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en bankactiviteiten die door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] per laptop werden uitgevoerd. In samenhang met de overige bewijsmiddelen kan uit bewijsmiddel 13 worden afgeleid dat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] bij een bankautomaat een bedrag van € 2.000,- van de rekening van [betrokkene 3] hebben opgenomen.

- De bewijsmiddelen 14 en 15 bevatten overzichten van de door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte IP-adressen en het daaraan gekoppelde gebruik van digitale accounts voor het versturen van berichten naar de Belastingdienst, terwijl de bewijsmiddelen 16 en 17 gegevens bevatten over de woonadressen van medeverdachten [betrokkene 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en tevens inhouden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode min of meer samenwoonde met zijn vriendin [betrokkene 8] op het adres [a-straat 1] in Rotterdam.

- Het belangrijkste bewijsmiddel in de zaak tegen de verdachte is bewijsmiddel 18, dat onder meer inhoudt dat bij de doorzoeking van het adres [a-straat 1] een USB-stick met een grote hoeveelheid persoonsgegevens van derden waarvan de burgerservicenummers zijn misbruikt is aangetroffen. Voorts houdt dit bewijsmiddel in dat bij de genoemde doorzoeking ook nog een papiertje met de pincode van een bankpasje van [betrokkene 6] is aangetroffen en dat een ander bankpasje van deze [betrokkene 6] in de woning van medeverdachte [betrokkene 2] is gevonden.

- De bewijsmiddelen 19 en 20 bevatten gegevens over de (in totaal) 492 burgerservicenummers die door de verdachte en zijn medeverdachten zijn gebruikt voor het aanvragen van zorg- en/of huurtoeslagen en over de resultaten van onderzoek met betrekking tot verschillende onder medeverdachte [betrokkene 2] inbeslaggenomen voorwerpen.

- Bewijsmiddel 21 houdt in dat de computer die in de woning met adres [a-straat 1] is aangetroffen en waarop de op datzelfde adres gevonden USB-stick aangesloten is geweest volgens de verklaring van de vriendin van de verdachte aan de verdachte toebehoorde, terwijl bewijsmiddel 22 onder meer informatie over een doorzoeking van de woning van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bevat.

- De als bewijsmiddel 23 gebruikte verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] houdt in dat deze medeverdachte de bedenker van de werkwijze van het aanvragen van zorg- en/of huurtoeslagen voor derden was, dat hij vele aanvragen voor toeslagen zelf heeft verricht en dat een deel van de aanvragen door hem is gedaan vanuit de woning met adres [a-straat 1] waar de verdachte verbleef.

- De bewijsmiddelen 24 tot en met 35 bevatten concrete informatie over tal van door de verdachte en zijn medeverdachten verrichte aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen en in dit verband bij de Belastingdienst opgegeven gegevensmutaties en bevatten daarnaast verschillende verklaringen van slachtoffers die inhouden dat zij niet van de genoemde aanvragen op de hoogte waren.

- Uit de bewijsmiddelen 36 en 37 kan worden afgeleid dat verschillende – in de vorm van toeslagen op de bankrekeningen van derden ontvangen – geldbedragen zijn doorgestort naar de bankrekeningen van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en dat medeverdachte [betrokkene 1] hierbij een rol heeft gespeeld.

- De bewijsmiddelen 38 en 39 maken duidelijk dat bij de doorzoeking van de verblijfplaats van de verdachte met adres [a-straat 1] onder meer nog een bundel bankbiljetten met een totale waarde van € 5.250,- en een hoeveelheid muntgeld met een totale waarde van € 859,69 in beslag is genomen.

- Bewijsmiddel 40 betreft een verklaring van de vriendin van de verdachte waaruit het hof kennelijk mede heeft afgeleid dat de verdachte of zijn vriendin in de tenlastegelegde periode geen substantiële (legale) inkomsten genoot, terwijl bewijsmiddel 41 inhoudt dat de verdachte in diezelfde periode niettemin feitelijk ten minste bijna € 29.000,- tot zijn beschikking heeft gehad.

- De bewijsmiddelen 42 t/m 48 zien ten slotte grotendeels op de betrokkenheid van onder andere de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] bij aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen die zijn gedaan met gebruikmaking van een IP-adres van een hotel in Rotterdam.

5. Het eerste middel en het tweede middel hebben beide betrekking op de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof het bewijs voor de deelneming aan een criminele organisatie niet heeft kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het tweede middel houdt in dat het hof heeft nagelaten te responderen op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het bewijs voor de deelneming aan een criminele organisatie. De middelen kunnen gezamenlijk worden besproken.

5.1.

In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie en het in dit verband door de verdediging gevoerde verweer de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

“Deelneming aan een criminele organisatie

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er – kort gezegd – geen sprake is van (deelneming) aan criminele organisatie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor duurzaamheid of bestendigheid is het tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Voor structuur is een hiërarchie geen vereiste. Om van deelnemen in de zin van bovengenoemd wetsartikel te spreken dient men te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in of ondersteuning te bieden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De omstandigheid dat tussen de verdachte en de andere(n) ook sprak was van een vriendschappelijk of familiair verband, maakt dit niet anders. Het verweer wordt verworpen.”

5.2.

Blijkens de inhoud van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota (zie p. 3-4) heeft de raadsman van de verdachte tegenover het hof als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangevoerd dat de verdachte moest worden vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie, aangezien uit het aanwezige bewijsmateriaal niet zou kunnen blijken dat wat betreft de verdachte en zijn medeverdachten sprake is geweest van een criminele organisatie in de zin van een gestructureerd samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van misdrijven en – voor zover dit anders zou zijn – niet zou kunnen worden opgemaakt waarin de concrete betrokkenheid van de verdachte bij de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie van de verdachte en zijn medeverdachten zou hebben bestaan.

5.3.

Voor zover in de middelen wordt gesteld dat het hof heeft nagelaten te responderen op het standpunt van de verdediging dat in de onderhavige zaak geen bewijs van het bestaan van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachten en zijn medeverdachte voorhanden is, kunnen de middelen zonder meer niet slagen nu het hof wel degelijk op dit standpunt heeft gerespondeerd. Het hof heeft in zijn arrest immers overwogen

(i) dat onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon wordt verstaan,1

(ii) dat voor het bestaan van een duurzaam of bestendig samenwerkingsverband een aanwijzing kan worden gevonden in een zeker tijdsverloop (hetgeen nogal voor zich spreekt),

(iii) dat om van een gestructureerd samenwerkingsverband te kunnen spreken niet altijd sprake behoeft te zijn van een vorm van hiërarchie,2

(iv) dat in casu – gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – van het bestaan van een criminele organisatie moet worden uitgegaan en

(v) dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake was van vriendschappelijke en/of familiaire banden dit niet anders maakt.

Deze overwegingen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Omdat het verder gaat om een vaststelling van de feiten, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst, ben ik van mening dat het bewijsoordeel van het hof deze toets kan doorstaan. Het hof heeft het bestaan van een criminele organisatie onder meer kunnen gronden op de uit de bewijsmiddelen blijkende grote intensiteit waarmee in de tenlastegelegde periode van 1 oktober 2010 tot en met 21 februari 2011 door de verdachte en zijn medeverdachten valse aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen werden gedaan en de tevens uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachten daarbij steeds in wisselende samenstellingen dezelfde modus operandi hanteerden. Ook in zoverre moeten de middelen dus falen.

5.4.

De vraag die resteert is of het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte ook daadwerkelijk aan de criminele organisatie van hemzelf en zijn medeverdachten heeft deelgenomen en of het hof zijn afwijking van het standpunt van de verdediging in dit verband eveneens toereikend heeft gemotiveerd. Om met het eerste punt te beginnen: het hof heeft in zijn arrest met juistheid overwogen dat voor het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr is vereist dat de verdachte daadwerkelijk tot een bepaalde criminele organisatie heeft behoord en betrokken moet zijn geweest bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie.3 Vervolgens heeft het hof overwogen dat – naar zijn oordeel – uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat in de onderhavige zaak van een zodanige deelneming door de verdachte aan de in de tenlastelegging genoemde criminele organisatie inderdaad sprake is geweest. Hoewel de betreffende overweging op zichzelf genomen weinig inhoudelijke aanknopingspunten biedt, kon het hof hier naar mijn mening mee volstaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door het hof genoemde bewijsmiddelen onder meer inhouden:

(i) dat op de verblijfplaats van de verdachte een USB-stick met een grote hoeveelheid van persoonsgegevens van de fraudeslachtoffers is aangetroffen (zie bewijsmiddel 18),

(ii) dat de op diezelfde verblijfplaats aangetroffen computer waarop de genoemde USB-stock aangesloten is geweest aan de verdachte toebehoorde (zie bewijsmiddel 21) en

(iii) dat op de verblijfplaats van de verdachte tevens een substantiële hoeveelheid contant geld is aangetroffen (zie bewijsmiddelen 38 en 39), terwijl geen reden bestaat om aan te nemen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode substantiële legale inkomsten genoot (zie de bewijsmiddelen 40 en 41).

Het hof heeft zijn afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dus ook op het punt van de concrete betrokkenheid van de verdachte bij de criminele organisatie van hemzelf en zijn medeverdachten toereikend gemotiveerd.

5.5.

Het eerste en het tweede middel falen.

6. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde (meermaals) medeplegen van valsheid in geschrift niet uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.

6.1.

In de toelichting op het middel wordt allereerst het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweer van de raadsman aangehaald (zie p. 21-25 van de overgelegde pleitnota), waarin de raadsman in hoofdzaak heeft aangevoerd dat het dossier in de onderhavige zaak als voor de verdachte belastend bewijsmateriaal niet meer bevat dan de vondst van een USB-stick met persoonsgegevens van derden en een papiertje met de pincode van het bankpasje van [betrokkene 6] op de verblijfplaats van de verdachte, terwijl door de medeverdachte [betrokkene 2] is verklaard dat hij bij het doen van de valse aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen ‘op eigen houtje’ handelde en bovendien soms ook vanuit de verblijfplaats van de verdachte opereerde (zodat de mogelijkheid zou zijn opengebleven dat de verdachte niet bij de genoemde valse aanvragen betrokken is geweest). Voorts wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het hof zijn bewijsoordeel met betrekking tot het medeplegen van de valsheid in geschrift door de verdachte in zijn arrest niet nader heeft gemotiveerd en dat het hof meer in het bijzonder niet duidelijk heeft gemaakt in welke concrete gedragingen van voldoende intellectueel of materieel gewicht naar zijn oordeel de nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn mededaders besloten ligt.

6.2.

Voordat ik op het middel inga, wil ik in algemene zin wel opmerken dat het arrest van het hof betrekkelijk arm aan bewijsoverwegingen is. In dit verband zal – naast het enigszins onsamenhangende karakter van de verschillende bewijsverweren van de verdediging – een rol hebben gespeeld dat de talrijke bewijsmiddelen in de onderhavige zaak ten aanzien van alle drie de tenlastegelegde feiten, zeker in onderlingen samenhang bezien voor zichzelf spreken. Al met al kan ik mij dan ook wel voorstellen dat het hof een nadere bewijsoverweging over het medeplegen van de verdachte niet nodig vond, waarbij ik opmerk dat zich in deze zaak – anders dan de steller van het middel lijkt te menen – niet duidelijk een geval voordoet waarin de gedragingen van de verdachte in de kern niet bestaan uit de gezamenlijke uitvoering van een strafbaar feit maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.4

6.3.

Bij zijn oordeel dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het meermaals doen van valse aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen heeft het hof zich mijns inziens onder meer kunnen baseren op de – ook bij de bespreking van de eerste twee middelen reeds genoemde – omstandigheden:

(i) dat op de verblijfplaats van de verdachte een USB-stick met persoonsgegevens van fraudeslachtoffers is aangetroffen (zie bewijsmiddel 18),

(ii) dat de op diezelfde verblijfplaats aangetroffen computer waarop de genoemde USB-stick aangesloten is geweest aan de verdachte toebehoorde (zie bewijsmiddel 21) en

(iii) dat op de verblijfplaats van de verdachte tevens een substantiële hoeveelheid contant geld is aangetroffen (zie bewijsmiddelen 38 en 39), terwijl geen reden bestaat om aan te nemen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode substantiële legale inkomsten genoot (zie de bewijsmiddelen 40 en 41).

Dat het hof in zijn bewijsvoering – gelet op de door de raadsman in hoger beroep aangehaalde verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] dat hij bij het doen van de valse aanvragen ‘op eigen houtje’ handelde en soms ook vanuit de verblijfplaats van de verdachte opereerde – de mogelijkheid heeft opengehouden dat de verdachte niet bij de valse aanvragen betrokken is geweest, ben ik niet met de steller van het middel eens. Het hof heeft voor het bewijs immers tevens gebruikgemaakt van de verklaring van getuige [betrokkene 3] die expliciet inhoudt dat de verdachte altijd samen met [betrokkene 2] met pasjes bezig was (zie bewijsmiddel 5) en heeft mede op grond van deze verklaring kennelijk niet aannemelijk geacht dat medeverdachte [betrokkene 2] steeds alleen handelde en dat de verdachte wat betreft het verkrijgen, bewaren en doorspelen van bankpasjes van derden en het verkrijgen, doorspelen en gebruiken van persoonsgegevens van derden niet zelf ook een duidelijke uitvoeringsrol heeft vervuld. Dit oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, zodat ook dit middel geen doel treft.

6.4.

Het derde middel faalt eveneens.

7. Het vierde middel en het vijfde middel bevatten in totaal drie klachten met betrekking tot de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 3 (het medeplegen van gewoontewitwassen). Het vierde middel houdt als eerste klacht in dat het hof het bewijs voor het medeplegen van gewoontewitwassen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. De tweede klacht luidt dat het hof bij zijn kwalificatiebeslissing ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde bijzondere kwalificatie-uitsluitingsgrond voor gevallen waarin sprake is van het witwassen van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. In het vijfde middel wordt gesteld dat het hof heeft nagelaten te responderen op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het bewijs en de kwalificatie van het medeplegen van gewoontewitwassen. De genoemde klachten kunnen gezamenlijk worden besproken.

7.1.

Zoals hierboven onder 4.1 reeds vermeld, heeft het hof onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2011 als medepleger betrokken is geweest bij een vorm van (gewoonte)witwassen die bestond in het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en omzetten van geldbedragen. In zijn kwalificatiebeslissing in het bestreden arrest heeft het hof het gewoontewitwassen van de verdachte daarnaast gekwalificeerd als gewoontewitwassen in de zin van art. 420ter Sr.

7.2.

Hoewel niet ten aanzien van alle in de bewijsmiddelen vermelde verwijzingen naar gedragingen van de verdachte en/of zijn medeverdachten met betrekking tot geldbedragen met precisie kan worden vastgesteld uit welk misdrijf de betreffende geldbedragen afkomstig zijn, moet er hier – gelet op de inhoud van de bewezenverklaring onder 2 (het meermaals medeplegen van het doen van valse aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen) – vanuit worden gegaan dat zowel de bewezenverklaring als de kwalificatie van feit 3 in het bestreden arrest betrekking hebben op het witwassen van geldbedragen die uit door de verdachte zelf (mede)gepleegde misdrijven afkomstig zijn. Daarin kan ik de steller van het middel dan ook volgen. Dat is niet het geval met betrekking tot de stelling dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarbij het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de betreffende geldbedragen, en dus zonder nadere motivering niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

7.3.

Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad, die betrekking heeft op de speciale kwalificatieuitsluitingsgond als het gaat om (schuld)witwassen, ligt de ratio ten grondslag dat voorkomen moet worden dat een verdachte die zelf een bepaald misdrijf heeft begaan en daardoor de beschikking krijgt over het voorwerp waar het misdrijf op gericht is, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van dat voorwerp.5 Daarom is door de Hoge Raad de voorwaarde gesteld dat in dergelijke gevallen nader moet worden gemotiveerd dat de betrokken gedragingen méér omvatten dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van het onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerp, wil er sprake zijn van witwassen.6 Uit die motivering zal dan moeten blijken dat de betrokken gedragingen (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

7.4.

Het is echter de vraag of het in onderhavige zaak wel gaat om het enkel verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen gelden, waarbij ik de nadruk leg op “onmiddellijk”.

7.5.

Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan namelijk worden opgemaakt:

(i) Dat door de verdachte en/of zijn medeverdachten via het doen van valse aanvragen voor zorg- en/of huurtoeslagen grote geldbedragen werden verkregen (zie de bewijsmiddelen 24 t/m 35),

(ii) dat deze geldbedragen in de meeste gevallen door de Belastingdienst werden gestort op bankrekeningen van derden zoals [betrokkene 3], [betrokkene 6] of [betrokkene 7] (zie bewijsmiddel 18) waartoe de verdachte en/of zijn medeverdachten zelf al toegang hadden (zie eveneens de bewijsmiddelen 24 t/m 35) en

(iii) dat de verdachte en/of zijn medeverdachten de gestorte geldbedragen in veel gevallen naar eigen bankrekeningen doorsluisden (zie de bewijsmiddelen 36 en 37) of contant opnamen en eventueel thuis bewaarden. (zie de bewijsmiddelen 13, 36 en 38 t/m 41).

7.1.

Hieruit kan worden afgeleid dat voordat de verdachte en/of zijn medeverdachten zelf de beschikking over de uit eigen misdrijf verkregen gelden kregen, deze geldbedragen door de Belastingdienst (voor het merendeel) eerst op bankrekeningen, die op naam van anderen stonden, waren overgemaakt. Deze wijze van “verwerven en voorhanden hebben” is mijns inziens onmiskenbaar gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de betreffende gelden. Waarom was het anders nodig de uitbetaling van de huur- en zorgtoeslagen via bankrekeningen van derden te laten verlopen, waarvan weer opnamen en overboekingen werden gedaan, door gebruikmaking van de pinpasgegevens van deze derden, in contanten of naar eigen bankrekeningen van de verdachten? Deze ‘omleiding’ kan moeilijk anders worden bestempeld als een methode om de criminele herkomst van het geld af te schermen.7 Daarbij ga ik ervan uit dat de oplichting, zijnde het gronddelict dat in dit verband relevant is, is voltooid op het moment dat de betrokken bedragen door de Belastingdienst op de rekeningen van die derden zijn overgemaakt. Ik meen dan ook dat er bij de strafbare feiten die mede door de verdachte zijn gepleegd, geen sprake is van een situatie waarop de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. In de eerste plaats omdat de gedragingen van het verwerven en voorhanden hebben, namelijk via een bankrekening van een derde waarover de verdachte en/of zijn medeverdachten mede kon beschikken, op zichzelf al een verhullend karakter heeft. Ten tweede omdat de constructie die gehanteerd is voor de uit- en doorbetaling van de door misdrijf verkregen toeslagen maakt, dat het niet gaat om “onmiddellijk” uit eigen misdrijf verkregen geld. Dit geld werd immers voor het merendeel gesluisd via rekeningen van derden voordat de verdachten daarover zelf de beschikking kregen. Ten aanzien van de verdachte zelf blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat hij rechtstreeks en dus onmiddellijk via betalingen door de Belastingdienst de beschikking over de frauduleus verkregen toeslagen heeft ontvangen.

Dat er in onderhavige zaak dus geen sprake is van een situatie waarbij de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, komt naar mijn mening zo duidelijk uit de bewijsmiddelen naar voren, dat het hof niet tot een nadere motivering gehouden was.

7.2.

Dat het hof uit de onder 7.5 aangehaalde omstandigheden heeft afgeleid dat de verdachte en/of zijn medeverdachten uit misdrijf afkomstige geldbedragen hebben overgedragen en omgezet en dat dit overdragen en omzetten van geldbedragen ook daadwerkelijk een verbergend of verhullende karakter heeft gehad, vind ik niet onbegrijpelijk. Voorts blijkt uit de hier aangehaalde inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen mijns inziens ook met voldoende mate van concreetheid waarom het hof in zijn arrest is afgeweken van het andersluidende standpunt van de verdediging.

7.3.

Ook het vierde en het vijfde middel treffen geen doel.

Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel

8. In het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van de vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van het onder de verdachte op de voet van art. 94a Sv in beslag genomen geldbedrag van € 6.109,69.

8.1.

Het bestreden arrest houdt wat betreft de in het middel bedoelde beslissing van het hof het volgende in:

“Ten aanzien van de inbeslaggenomen gelden overweegt het hof dat uit het dossier en hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, blijkt dat het om conservatoir in beslaggenomen gelden gaat. Gelden waarop conservatoir beslag rust kunnen niet verbeurd verklaard worden. Het hof zal daarom, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd deze gelden niet verbeurdverklaren.”

8.2.

Het middel doet een terecht beroep op HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2016/62, waarin door de Hoge Raad is bepaald dat het voor een verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr niet nodig is dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken en dat aan de mogelijkheid van het uitspreken van een verbeurdverklaring voorts niet in de weg staat dat op het betreffende voorwerp conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv rust (zie rov. 3.4.2 en 3.5.1). De ratio van deze overwegingen van de Hoge Raad is dat – in het geval dat een ex art. 94a Sr gelegd beslag wel aan verbeurdverklaring in de weg zou staan – de uitwerking van de sanctieoplegging door de rechter gelet op het bepaalde in art. 34, eerste en tweede lid, Sr ten aanzien van de uitlevering van niet in beslag genomen voorwerpen mede afhankelijk zou zijn van de opstelling van de beslaglegger. De beslissing van het hof ten aanzien van de vordering tot verbeurdverklaring van de advocaat-generaal kan derhalve niet in stand blijven.

8.3.

Het geldbedrag van € 6.109,69 waarop de vordering tot verbeurdverklaring van de advocaat-generaal betrekking heeft betreft het totaal van de geldbedragen van € 5.250,- en € 859,69 die bij de doorzoeking van de verblijfplaats van de verdachte in beslag zijn genomen (zie de bewijsmiddelen 38 en 39). Nu het hof bij zijn bewijsbeslissing gelet op de samenhangende inhoud van de bewijsmiddelen 38, 39, 40 en 41 (impliciet) heeft geoordeeld dat de betreffende geldbedragen geheel of grotendeels door middel van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, ben ik van mening dat in casu zonder nieuw onderzoek naar de feiten opnieuw op de in het middel bedoelde vordering tot verbeurdverklaring kan worden beslist en stel ik voor dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf zal afdoen.

9. Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel is terecht voorgesteld. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen alle, waarbij het eerste, tweede en derde middel naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering kunnen worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt ertoe:

(i) dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen wat betreft de afwijzende beslissing van het hof op de vordering van de advocaat-generaal tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 6.109,69 en

(ii) dat de Hoge Raad alsnog de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 6.109,69 zal uitspreken en de zaak op die wijze zelf zal afdoen en

(iii) dat de Hoge Raad het door de verdachte ingestelde cassatieberoep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72.

2 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:AU9130, NJ 2006/393, rov. 4.6.

3 Zie HR 19 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264.

4 Zie in dit verband HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3473, NJ 2015/390, rov. 3.2.2.

5 HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264 en ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. M.J. Borgers

6 Zie bijv. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2015/340, rov. 2.3.1.

7 Zie in dit verband E.W. Kruisbergen en M.R.J. Soudijn, Wat is witwassen eigenlijk?, In Misdaadgeld, witwassen en ontnemen, Justitiële Verkenningen 2015, nr. 1, p. 10-23.