Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2017:360

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-03-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
16/02542
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:945, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Liquidatie in Antwerpen. Medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van moord. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02542

Mr. Machielse

Zitting 28 maart 2017 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 10 mei 2016 voor: Medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van moord, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

2. Mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, en mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Bewezen verklaard is dat

"tot op heden onbekend gebleven verdachten op 18 oktober 2012 te Antwerpen, tezamen en in vereniging, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven hebben beroofd, immers hebben deze verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapen kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, waardoor [slachtoffer 1] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden, tot het plegen van welk misdrijf de verdachte op 18 oktober 2012 te Antwerpen en Turnhout tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, immers hebben de verdachte en zijn mededader middels hun telefoons inlichtingen verschaft aan de schutters."

3.2. [slachtoffer 1] is op 18 oktober 2012 even na 14:11 uur bij het Crowne Plaza Hotel te Antwerpen door twee personen beschoten en is ter plekke overleden. Het slachtoffer had in het hotel een ontmoeting met [betrokkene 1] en met [betrokkene 2] . In ieder geval een van de schutters stapte daarna in een witte Volkswagen Golf met het Nederlands kenteken [AA-00-BB] . Die auto is daarna op dezelfde dag aangetroffen te Turnhout en bleek de dag ervoor in Utrecht te zijn gestolen. Op camerabeelden is gezien dat [betrokkene 2]1 zich direct na de schietpartij naar een bosje heeft begeven en weer is terug gelopen naar het hotel. In het bosje is een cover en een batterij van een mobiele telefoon aangetroffen. In de cover was een papiertje geplakt met daarop vermeld ' [06-001] ', een Nederlands prepaid telefoonnummer. Nadien is daar de rest van de telefoon gevonden. Vervolgens is er onderzoek gedaan naar de verbindingen met die [06-001] . De [06-001] is alleen op 18 oktober 2012 gebruikt voor een contact met [06-002] ( [06-002] ). Om 14:09 uur, enkele minuten voordat [slachtoffer 1] werd doodgeschoten, is vanaf de [06-001] een sms-bericht gestuurd naar de [06-002] met als inhoud "We komen nu". De [06-002] heeft direct daarop een sms gestuurd naar een ander toestel, de [06-003] ( [06-003] ). Twee minuten nadien is [slachtoffer 1] doodgeschoten. De [06-002] communiceerde slechts met de [06-001] en met de [06-003] . Tussen [06-001] en [06-003] zijn geen contacten bekend geworden. Het hof heeft nog verdere coïncidenties met betrekking tot deze telefoonnummers geconstateerd wat betreft aanschaf en opwaardering. Maar ook wat betreft de plaats waar de toestellen zich op 18 oktober 2012 hebben bevonden. Tussen 13:20 uur en 13:31 uur hebben de [06-002] en de [06-003] zich in Antwerpen bevonden. Om 13:24 uur waren beide nummers in het bereik van dezelfde zendmast. De [06-002] heeft zich vervolgens naar Turnhout verplaatst, de [06-003] naar de plaats delict. Na de moord is de [06-003] ook gelijk met de witte VW Golf naar Turnhout verplaatst en wel in het bereik van dezelfde zendmast als de [06-002] .

Naar aanleiding van deze gegevens heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof concludeert op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, dat [betrokkene 2] de gebruiker van de [06-002] om 14:09 uur heeft ingelicht over het aanstaande vertrek van [slachtoffer 1] uit het hotel en dat de gebruiker van de [06-002] deze informatie heeft doorgespeeld aan de inzittende(n) van de Volkswagen Golf, waarna de schutters tot actie zijn overgegaan.”

De verplaatsing van de [06-002] naar en in Turnhout is in kaart gebracht en aan de hand daarvan is onderzoek gedaan naar opnamen van bewakingscamera's. De [06-002] kan zo worden gelinkt aan een BMW uit de 1-serie met het Duitse kenteken [CC-00-DD] . Aan de hand van die opnames en verklaringen van getuigen komt het hof tot de volgende vaststellingen:

"Op het moment dat de BMW met het kenteken [CC-00-DD] Turnhout is ingereden, heeft de [06-002] de zendmast Bremheidelaan in Turnhout aangestraald. De Bremheidelaan bevindt zich in de omgeving van de op- en afrit van en naar de snelweg E34, waar ook de Cervus-camera’s staan. De [06-002] heeft tussen 13:57 uur en 14:33 uur telkens de zendmast Lokerenstraat in Turnhout aangestraald. De [06-002] heeft in die tijdspanne veelvuldig sms-contact met [betrokkene 2] en de inzittende(n) van de Volkswagen Golf. De BMW is omstreeks 14.00 uur meermalen gesignaleerd in het dekkingsgebied van deze zendmast. Om 14.32 uur heeft de [06-002] voor het laatst een sms gestuurd naar de [06-003] . De [06-002] en de [06-003] hebben op dat moment allebei de Zendmast Lokerenstraat aangestraald. Daarna is de communicatie geëindigd. Het laatste sms-contact valt nagenoeg samen met het kruisen van de BMW en de Volkswagen Golf ter hoogte van de Mercedes garage op de Steenweg op Gierle. Die weg bevindt zich, als eerder opgemerkt, in het dekkingsgebied van de aangestraalde zendmast.

De Volkswagen Golf is aangetroffen op dezelfde parkeerplaats als waar de BMW een uur eerder rond heeft gereden. Zeven minuten na de registratie om 14.32 uur door de camera van de Mercedes garage is de BMW andermaal langs de Mercedes garage gereden. Gebleken is dat het traject Mercedes garage - parkeerplaats Health City - Mercedes garage in die tijd met een auto kan worden afgelegd.

Het hof acht tot slot mede redengevend voor het bewijs dat ook uit een andere - hierna te, bespreken - bron is gebleken dat de BMW en de Volkswagen Golf betrokken zijn geweest bij de liquidatie.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de [06-002] zich in elk geval vanaf 13.53 uur in de BMW heeft bevonden."

De BMW blijkt in Duitsland te zijn gehuurd in opdracht van verdachte en in Amsterdam ter beschikking van verdachte te zijn gesteld. Verdachte heeft erkend dat hij in de nacht van 17 op 18 oktober 2012 met de BMW heeft gereden en dat zijn zus een woning huurde in Turnhout. Een telefoon met nummer eindigend op 5317, die door verdachte voor contacten met zijn familie werd gebruikt, blijkt inderdaad in die nacht zich in Turnhout te hebben bevonden. Op 23 oktober 2012 wordt de BMW uitgebrand aangetroffen in Amsterdam. Op 26 mei 2013 wordt [A] in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam doodgeschoten. Zijn aangetroffen telefoons worden onderzocht en uit chatgesprekken kan worden afgeleid dat verdachte wordt aangeduid als 'hoofd' of als 'edde'. 'Hoofd' wordt in die gesprekken in verband gebracht met de in Duitsland gehuurde BMW en met de moord op [slachtoffer 1] . De aanname dat met ‘edde’ verdachte wordt bedoeld vindt bevestiging in gegevens die worden aangetroffen in de telefoon van de op 29 december 2012 in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam geliquideerde [B] .

Dit alles voert het hof tot de volgende conclusie:

"De verdachte heeft een ander onder diens eigen naam de BMW laten huren en heeft daarvan vervolgens zelf gebruik gemaakt. De verdachte onderhield het contact met de huurder van de BMW via een tussenpersoon. De BMW is enkele dagen na de liquidatie uitgebrand aangetroffen in Amsterdam. Uit het chatgesprek tussen [A] en [betrokkene 3] blijkt dat [A] niet begrijpt waarom de verdachte ‘gefikt’ heeft in plaats van ‘goed cleanen’. Het hof begrijpt uit de context van de verschillende berichten in samenhang met de brandstichting in de BMW, dat dit ‘fikken’ ziet op het in brand steken van de BMW. Een dergelijke handelwijze duidt erop dat de verdachte er veel aan gelegen was om zijn gebruik van de BMW zo goed mogelijk te verhullen.

Door het uitlezen van de telefoon van [A] is naar voren gekomen dat [A] in één van de gesprekken, die hij gevoerd heeft met een zekere [betrokkene 4] , zegt dat de verdachte een 1-serie had gehuurd op iemand zijn naam, dat hij ten tijde van ‘de actie op B’ in de BMW 1-serie reed en dat ‘die vriend’ van hem samen met ‘hoofd’(het hof begrijpt: de verdachte ‘alle auto’s reed en hoofd erachteraan met die 1 serie’. In een ander gesprek met [betrokkene 3] zegt [A] dat de verdachte ‘de lul’ is. Het hof begrijpt uit de context van de berichten dat [A] dit onder meer zegt omdat [betrokkene 5] is opgepakt en omdat [betrokkene 3] hem er op wijst dat er onderling veel getekst is en de voertuigen mogelijk door camera’s zijn geregistreerd. Het hof maakt ook uit deze berichten op dat de verdachte óók op 18 oktober 2012 overdag in Turnhout in de BMW en achter de Golf waarin in ieder geval een van de schutters zich bevond heeft gereden.

Dat verdachte op 18 oktober 2012 in Turnhout in de BMW reed, vindt voorts steun in de verkeers- en zendmastgegevens van het telefoonnummer 5317 in combinatie met de cameraregistraties van de BMW, waaruit volgt dat de privételefoon van verdachte en de BMW zich in de nacht voorafgaand aan de moord eveneens in Turnhout hebben bevonden. De verdachte heeft toegegeven dat zijn telefoon zich in de BMW bevond.

Het hof acht voorts mede redengevend voor het bewijs dat de halfzus van verdachte in Turnhout woonde, en de verdachte derhalve een connectie had met Turnhout.

(...)

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de BMW in gebruik was bij de verdachte, óók op de dag en het tijdstip van de liquidatie."

Vervolgens motiveert het hof zijn oordeel dat de verdachte direct voorafgaande aan en ten tijde van de liquidatie van [slachtoffer 1] de enige inzittende was van de Duitse BMW en komt dan tot de slotsom dat verdachte op 18 oktober 2012 vanaf 13:50 uur in Turnhout tot het moment dat de BMW Turnhout om 14:32 uur weer uitrijdt de enige inzittende van de BMW is geweest en dat hij gebruik maakte van de telefoon waarvan het nummer eindigt op [06-002] .

4.1. Het eerste middel klaagt dat het opzet op het gronddelict, dat ook nodig is voor medeplichtigheid, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. In de toelichting op het middel wordt zeer uitgebreid betoogd dat het enkele feit dat verdachte misschien een sms naar een ander telefoontoestel zou hebben gestuurd nog helemaal niets zegt over de inhoud of strekking van dat bericht. Ook als verdachte zo anderen op de hoogte wilde stellen van het feit dat [slachtoffer 1] het hotel ging verlaten wil het enkele feit dat [slachtoffer 1] vervolgens is doodgeschoten niet zeggen dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet daarop had. Ook een ander misdrijf, bijvoorbeeld een ripdeal of een vrijheidsberoving zou immers kunnen zijn beoogd.

De motivering van de vrijspraak van het medeplegen van moord getuigt er volgens de stellers van het middel van dat het hof ten onrechte heeft gemeend dat opzet op het gronddelict alleen bij medeplegen nodig is en niet voor de medeplichtige. Over afstemming tussen en samenwerking van degenen die betrokken waren bij het delict staat nauwelijks iets vast. Of er sprake was van een taakverdeling en welke dan en tussen wie is niet duidelijk. Deze onzekerheid biedt ook geen enkel houvast om aan te nemen dat verdachte minstens bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij de levensberoving van [slachtoffer 1] .

4.2. Verdachte heeft alle betrokkenheid steeds ontkend. De identiteit van de schutters is onbekend gebleven. De vraag is dus of uit datgene wat wel is vastgesteld is af te leiden dat verdachte met het voor medeplichtigheid verlangde opzet op het gronddelict heeft gehandeld. Want dat is inderdaad nodig voor een veroordeling voor medeplichtigheid.2

4.3. Of in een concreet geval kan worden aangenomen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet zal, als de verklaringen van verdachte en/of getuigen geen inzicht geven in wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.3

4.4. In de onderhavige zaak is het hof, in navolging van de rechtbank, minutieus nagegaan wat is voorafgegaan aan de moord op [slachtoffer 1] en wat zich daarna nog heeft voorgedaan. Het hof heeft vastgesteld dat de hele operatie zorgvuldig is voorbereid en volgens een plan lijkt uitgevoerd. De betrokkenen hebben handelingen onderling afgestemd en hebben zich grote moeite getroost om hun sporen uit te wissen.

Dat het de daders te doen zou kunnen zijn om bijvoorbeeld een ripdeal of een vrijheidsberoving is een stelling die niet strookt met de inhoud van bewijsmiddel 3, waarin een getuige heeft gezien dat er sprake was van gedragingen die neerkomen op een regelrechte liquidatie en niet op een uit de hand gelopen poging tot beroving of vrijheidsbeneming. Omdat verdachte zijn betrokkenheid steeds heeft ontkend is er ook geen enkel aanknopingspunt dat verdachte door de anderen om de tuin is geleid inzake hun werkelijke intenties.

4.5. En zo heeft het hof zich gesteld gezien voor de vraag hoe de gedragingen die het hof aan verdachte heeft toegeschreven naar uiterlijke verschijningsvorm zijn te duiden, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval die het hof heeft vastgesteld, tegen de achtergrond van wat zich in Antwerpen voor het Crowne Plaza Hotel heeft afgespeeld. Het hof heeft daarbij de verplaatsings- en gebruikslijnen van gsm's en auto's met elkaar vergeleken. De [06-002] en de BMW horen bij elkaar. Hetzelfde geldt voor de [06-003] en de gestolen witte Volkswagen Golf. Het hof heeft laten zien dat aan de liquidatie een zorgvuldige voorbereiding vooraf is gegaan en dat er afspraken gemaakt moeten zijn tussen [betrokkene 2] , verdachte en de schutters over de wijze van communicatie en het tijdstip van actie. Op pagina 26 en volgende van de bijlage met bewijsmiddelen heeft het hof een en ander gereconstrueerd. Verdachtes aandeel is niet enkel een sms'je naar de [06-003] nadat eerder op de [06-002] bericht van [betrokkene 2] was ontvangen, maar bestaat ook in het op voorhand regelen van de Duitse BMW en het contact houden op 18 oktober 2012 met beide andere telefoonnummers. Kortom, de gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het bevorderen van de moord dat het niet anders kan dan dat verdachte minstens met voorwaardelijk opzet daarop heeft gehandeld. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geen contra-indicaties aanwezig geacht.

4.6. Dat de motivering van de vrijspraak van medeplegen niet te verenigen zou zijn met de veroordeling voor medeplichtigheid ziet eraan voorbij dat de vrijspraak en de daaraan gegeven motivering niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Dat brengt mee dat de vraag of de motivering van de bewezenverklaring zich verdraagt met die van de vrijspraak in cassatie niet getoetst kan worden.4

De uitleg van de stellers van het middel van de motivering van het hof van de vrijspraak van medeplegen geeft overigens blijk van een onjuiste lezing van deze overwegingen. Het hof heeft niet tot uitdrukking gebracht dat voor medeplegen wel opzet op het gronddelict nodig is en voor medeplichtigheid niet, maar dat de nauwe en volledige samenwerking, gericht op het gronddelict zoals medeplegen dat verlangt, niet te bewijzen is. Dat laat onverlet dat volgens het hof verdachte met het oog op de levensberoving van [slachtoffer 1] inlichtingen heeft verschaft aan de personen die de liquidatie zouden uitvoeren.

Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt over het bewijs van het bestaan van voorbedachte raad bij de uitvoerders van de liquidatie. Niet blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen op welk moment de schutters het besluit zouden hebben genomen om [slachtoffer 1] dood te schieten. De schriftuur citeert de pleitnota van hoger beroep, waarin volop gespeculeerd wordt over de mogelijkheid dat het de bedoeling is geweest om [slachtoffer 1] te ontvoeren en dat pas op het laatste moment is besloten om hem dood te schieten. De stellers van het middel voeren ook hier weer aan dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad op gespannen voet staat met de motivering van de vrijspraak van het medeplegen.

5.2. Het hof heeft over de voorbedachte raad het volgende overwogen:

“Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De bij de liquidatie betrokken personen hebben telefoons en simkaarten aangeschaft ten behoeve van de onderlinge communicatie op de dag van de liquidatie en hebben gebruik gemaakt van een gestolen Volkswagen Golf en van een op naam van een ander gehuurde BMW. De inzittende(n) van de Volkswagen Golf, onder wie zich in ieder geval één van de schutters bevond, hebben zich vóór de liquidatie opgehouden in de directe omgeving van het hotel, waar [slachtoffer 1] een ontmoeting had met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , en gewacht op een teken om toe te slaan. Dit teken is door [betrokkene 2] om 14.09 uur in de vorm van een sms naar de verdachte gezonden, en door de verdachte naar de inzittende(n) van de Volkswagen Golf. Vlak nadat [slachtoffer 1] het hotel had verlaten, is hij door de schutters onder vuur genomen. In elk geval één van de schutters is vervolgens weer in de gereedstaande Volkswagen Golf gestapt en ervandoor gegaan. Deze feitelijke gang zaken getuigt van een professionele en grondige voorbereiding en het bestaan van vooraf gemaakte afspraken en van een duidelijke taakverdeling. Het hof is dan ook van oordeel dat er voor de betrokkenen voldoende gelegenheid is geweest om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zodat sprake is van handelen met voorbedachte raad. Van contra-indicaties die tot een ander oordeel nopen, is het hof niet gebleken.”

5.3. Deze overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de voorbedachte raad. Ik citeer uit een recent arrest van de Hoge Raad:

“2.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156).” 5

5.4. Wat betreft de argumentatie die de stellers van het middel ontlenen aan de motivering van de vrijspraak van het medeplegen herhaal ik dat deze vrijspraak en haar motivering niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Wel onderschrijf ik het standpunt van de stellers van het middel dat de details van de eventuele samenwerking en uitvoering van eventuele plannen feitelijk in nevelen zijn gehuld, met name wat betreft de identiteit van alle betrokkenen. Maar dat wil niet zeggen dat dit gebrek aan wetenschap in de weg moet staan aan het aannemen van voorbedachte raad.

5.5. Het hof is ervan uitgegaan dat de liquidatie van [slachtoffer 1] zorgvuldig is voorbereid. Het besluit tot liquidatie moet geruime tijd tevoren zijn genomen. Er moet uitgebreid overleg aan zijn voorafgegaan om de bijdragen van de verschillende betrokkenen op elkaar af te stemmen. De moordenaars moeten zijn aangestuurd en geïnformeerd over het moment dat [slachtoffer 1] het hotel ging verlaten en die informatie moet vanuit het hotel zijn doorgegeven. Zo een gang van zaken is zonder voorafgaande afspraken en afstemming onmogelijk. Dat niet bekend is geworden op welke momenten wat precies besproken is tussen welke deelnemers aan deze actie maakt nog niet dat voorbedachte raad niet kan worden bewezen of dat er sprake is van tegenstrijdige oordelen. Het stellen van zulke gedetailleerde eisen getuigt van een verkeerd begrip over de voorbedachte raad. Dat [slachtoffer 1] in Antwerpen van het leven is beroofd is geen gevolg geweest van een ongelukkige samenloop van toevallige omstandigheden, noch heeft het handelen van de schutters naar uiterlijke verschijningsvorm het karakter van een handelen in een plotselinge opwelling.6 De gebeurtenissen hebben de uiterlijke kenmerken van een tevoren beraamde aanslag.7 De schutters wisten klaarblijkelijk duidelijk wat hun te doen stond. Beiden zijn met een wapen in de hand naar het hotel gelopen en hebben toen verschillende schoten op [slachtoffer 1] gelost. Uit hun gedragingen kan niet blijken dat hun bedoelingen divergeerden; integendeel hun stond klaarblijkelijk beiden hetzelfde doel voor ogen. Dat zij onafhankelijk van elkaar ieder in een spontaan opgewelde actie [slachtoffer 1] hebben beschoten is ongerijmd. Alles wijst op een geplande en goed voorbereide afrekening. Contra-indicaties heeft het hof niet kunnen aantreffen en wat de stellers van het middel daarover opmerken is zuiver speculatief en staat op gespannen voet met de constateringen die het hof heeft gedaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waarop het hof die constateringen baseert, vloeit rechtstreeks voort dat de schutters met voorbedachte raad hebben gehandeld.8 Zij hebben gewacht op een teken van verdachte, die weer in verbinding stond met iemand in het gezelschap van [slachtoffer 1] , te weten [betrokkene 2] . Minstens één van de schutters heeft gebruik gemaakt van een Volkswagen Golf die een dag eerder was gestolen. Verdachte reed in een door een tussenpersoon in Duitsland gehuurde BMW. De wegen van deze Volkswagen en de BMW kruisten zich en er is intensief telefonisch contact geweest tussen de telefoon die verdachte gebruikte, de telefoon van [betrokkene 2] en de telefoon die behoorde bij de Volkswagen.

5.6. Kortom, gelet op de gegevens die het hof heeft vastgesteld was er sprake van een goed voorbereide en afgestemde liquidatie.9 Naar uiterlijke verschijningsvorm waren de voorafgaande gedragingen, zoals het een dag tevoren stelen van de Volkswagen, het daarmee naar Antwerpen rijden, de communicatie met verdachte en het wachten op een teken gericht op de uitvoering van het besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Contra-indicaties ontbreken.

Het middel faalt.

6.1. Het derde middel klaagt over de strafmotivering. Die wekt bij de steller van het middel verbazing. Het hof heeft niet uitgelegd waarom het een zwaardere straf heeft opgelegd dan de rechtbank en waarom de door het hof bepaalde straf evenredig is aan hetgeen aan verdachte wordt verweten. De opgelegde straf strookt ook niet met de motivering van de vrijspraak voor het medeplegen.

6.2. Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is strafbaar betrokken geweest bij de moord op [slachtoffer 1] . Op berekenende en meedogenloze wijze is [slachtoffer 1] zijn meest fundamentele recht - het recht op leven - ontnomen en is aan zijn directe omgeving onherstelbaar leed toegebracht. Zijn dierbaren zullen de gevolgen van dit verlies voor altijd meedragen. Feiten als deze schokken de rechtsorde en versterken de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, temeer nu [slachtoffer 1] op klaarlichte dag is doodgeschoten bij de entree van een hotel, waar zich zowel binnen als buiten personen bevonden.

De verdachte heeft bij de moord gefungeerd als belangrijke schakel door het versturen van smsjes aan de latere schutters. Dat niet meer mensen bij deze schietpartij, waarbij vele schoten gelost zijn, zijn omgekomen of gewond zijn geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Als sanctie op betrokkenheid bij een feit als moord past een gevangenisstraf van lange duur. De aan de verdachte op te leggen straf is lager dan is geëist, nu het hof, anders dan de advocaat-generaal, niet bewezen acht dat de verdachte de moord heeft medegepleegd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2016 is de verdachte eerder voor strafbare feiten, waaronder een poging tot afpersing en een bedreiging, onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank voor hetzelfde feit opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit en acht enkel een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden."

6.3. Verdachte is volgens het middel slechts veroordeeld voor het sturen van sms'jes. De pleitnota van hoger beroep spreekt ook van een zeer geringe bijdrage van verdachte. Verdachte heeft enkel een stukje informatie afkomstig van [betrokkene 2] doorgespeeld, hij is een simpele tussenschakel en speelde een rol die verregaand ondergeschikt was aan die van [betrokkene 2] en van de schutters zelf. Verdachte is door de rechtbank als het ware geframed in het sinistere drama van de liquidaties in de Amsterdamse onderwereld, maar dat doet geen recht aan de complexiteit van de rivaliteit in die onderwereld. In vergelijkbare gevallen hebben andere rechters veel lichtere straffen opgelegd. In de onderhavige zaak heeft het hof niet meer bewezen verklaard dan de rechtbank, maar wel een aanmerkelijk hogere straf opgelegd, hoewel het hof aan verdachte een minder zware rol heeft toegedicht dan de rechtbank deed. Het versturen van één sms-bericht komt hem op 12 jaar te staan.

6.4. Ik stel voorop dat de keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt,10 hetgeen ook de stellers van het middel lijken te beseffen. Dat de stellers van het middel hun verbazing uitspreken over de strafoplegging kan ik mij voorstellen als je uitgaat van het kader dat het middel als uitgangspunt neemt. In de eerste plaats geldt bij dit middel echter ook weer dat de vrijspraak van het medeplegen van moord en haar motivering niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Tweedens heeft hof verdachte niet bestraft voor het enkele sturen van een sms'je maar voor zijn betrokkenheid bij een berekenende en meedogenloze moord. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen dat [slachtoffer 1] op klaarlichte dag is doodgeschoten bij de entree van een hotel waar zich binnen en buiten meerdere personen bevonden. Verdachte heeft gefungeerd als een belangrijke schakel voor de latere schutters. En ten derde staat het de appelrechter vrij om aan dezelfde factoren die ook de strafmotivering in eerste aanleg dragen, zwaarder te tillen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan en op basis van dezelfde factoren een zwaardere straf op te leggen.11 In dit verband breng ik de rechtspraak van de Hoge Raad over het voormalige zevende lid van artikel 359 Sv in herinnering. Met de inwerkingtreding van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 die een nieuwe volzin aan het tweede lid van artikel 359 Sv toevoegde, is dit zevende lid geschrapt. Dat zevende lid bepaalde dat als een zwaardere straf wordt opgelegd dan door het OM gevorderd, het vonnis steeds in het bijzonder de redenen opgeeft die daartoe hebben geleid. De Hoge Raad meende dat aan deze voorwaarden voldaan was als de rechter overwoog dat de eis van het OM geen recht deed aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde.12

Als die motivering al voldoende was om aan een uitdrukkelijk wettelijk motiveringsvoorschrift betreffende de strafoplegging te voldoen dunkt mij dat hetzelfde zeker geldt wanneer de appelrechter op grond van een andere waardering van de voor de strafoplegging relevante factoren zich in gelijke zin uitlaat over de strafoplegging van eerste aanleg, nu zo een afwijking van eerste aanleg niet specifiek door een bepaling in Sv wordt geregeerd.

Het middel faalt.

7.1. Het vierde middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat in hoger beroep de redelijke termijn was overschreden. Aldus heeft het hof het tweede lid van artikel 359 Sv geschonden.

7.2. Op 22 maart 2016 heeft de advocaat gepleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Daarin is er op gewezen dat het in hoger beroep, na de afronding van de onderzoekhandelingen in augustus van 2015, zo lang heeft geduurd voordat de zaak ter inhoudelijke behandeling ter zitting is aangebracht.

Het hoger beroep is op 1 december 2014 ingesteld. Op 13 januari 2015 is een pro-formazitting gehouden, waar de advocaat van verdachte het hof heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen teneinde verdachte in staat te stellen een andere onherroepelijke vrijheidsstraf uit te zitten. Het hof heeft in dit verzoek bewilligd en de behandeling van de zaak aangehouden. Op 15 april 2015 heeft het hof in de zaak van verdachte een zogenaamde regiezitting gehouden om de onderzoekswensen in kaart te brengen. De verdediging had een appelschriftuur met onderzoekswensen ingediend. Ter terechtzitting van 22 april 2015 heeft het hof als zijn beslissing medegedeeld dat de rechter-commissaris nog zes getuigen diende te horen en een getuige-deskundige van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. Tevens heeft het hof besloten dat de verdediging de gelegenheid diende te krijgen om binnen een maand schriftelijke vragen voor een verbalisant bestemd, in te dienen bij de AG. Ook heeft het hof de AG opgedragen te zorgen voor een integrale woordelijke uitwerking van twee verhoren van verdachte. Vervolgens heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst. Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2015 heeft de advocaat er over geklaagd dat het onderzoek in de zaak al enige tijd is afgerond en dat de inhoudelijke behandeling pas in maart 2016 is gepland. Tevens uitte de advocaat het vermoeden dat gesprekken in het huis van bewaring tussen hem en zijn cliënt zijn afgeluisterd. De AG heeft daarnaar onderzoek gedaan en van dat onderzoek nadien verslag uitgebracht, hetgeen de verdediging weer aanleiding gaf om nadere onderzoekswensen in te dienen. Ter terechtzitting van 25 november 2015 heeft de advocaat verzocht om nadere getuigen te horen over het vermoeden van het afluisteren van deze vertrouwelijke communicatie. Het hof heeft dit verzoek afgewezen en tot de aanhouding van de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd besloten. Na nog een tussentijdse pro-formazitting is uiteindelijk de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep op 21 maart 2016 aangevangen.

7.3. Op het moment dat het verweer werd gevoerd was, op 6 oktober 2015, er nog geen sprake van het verstrijken van de door de Hoge Raad voor de afhandeling van een zaak tegen een preventief gehechte op 16 maanden gestelde termijn. Tijdens de daaropvolgende terechtzittingen is de verdediging – behoudens op 22 maart 2016 – op dit thema niet teruggekomen. Op het moment dat het hof arrest wees was deze termijn met een maand en negen dagen overschreden. Met het uitvoeren van de nadere onderzoekshandelingen waarom de verdediging had verzocht en die het hof op 22 april 2015 had bevolen is een aantal maanden gemoeid geweest. Deze nadere onderzoeksverrichtingen verklaren volledig de – geringe – overschrijding van de behandelingstermijn van 16 maanden.13 Dat er na augustus 2015 nodeloos zou zijn gewacht met de inhoudelijke behandeling van de zaak doet in dit verband niet ter zake – het gaat immers om de duur van de totale afhandelingstermijn – maar is ook nog eens twijfelachtig. Het OM moet immers ook de tijd hebben om de nieuwe onderzoeksresultaten te bestuderen en te beslissen of naar aanleiding daarvan nog andere stappen gezet moeten worden. Het betreft hier een zeer omvangrijk en ingewikkeld dossier en het is zeer goed voor te stellen dat nieuw onderzoeksmateriaal eerst zorgvuldig moet worden bestudeerd alvorens het, tegen de achtergrond van hetgeen al is verzameld, op waarde kan worden geschat.

Ik meen dat de Hoge Raad kan doen wat het hof heeft nagelaten, en duidelijk kan maken dat de complexiteit van de zaak en het afwikkelen van de door de verdediging gevraagde getuigenverhoren eraan in de weg staan om het tijdsverloop dat met afhandeling van de zaak in hoger beroep gemoeid is geweest tot onredelijk te bestempelen.

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

8.1. Het vijfde middel klaagt ook over schending van de redelijke termijn, maar dan in die cassatiefase. Verdachte heeft op 10 mei 2016 cassatie ingesteld en pas op 24 november 2016 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

8.2. De in het middel aangedragen data zijn juist. Tussen beide data zijn zes maanden en 14 dagen verlopen. Aldus is de door de Hoge Raad voor zaken waarin verdachte preventief gehecht is op zes maanden gestelde inzendtermijn met 14 dagen overschreden. De Hoge Raad zal zelf de opgelegde straf kunnen verminderen.

9. De voorgestelde middelen 1 tot en met 4 falen. De middelen 1 tot en met 3 kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel is gegrond hetgeen betekent dat de Hoge Raad de opgelegde straf zal dienen te verminderen, behoudens als de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase alsnog afdoende wordt gecompenseerd door een vlotte afdoening. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Die is aangehouden maar in augustus 2013 in detentie een einde aan zijn leven maakte.

2 HR 22 maart 2011, NJ 2011, 342 m.nt. Schalken; HR 14 april 2015, NJ 2015, 338 m.nt. Keijzer; HR 13 september 2016, ECLI:2016:2057.

3 HR 24 januari 2017, ECLI:2017:60.

4 HR 29 september 2009, NJ 2010, 117 m.nt. Keijzer; HR 16 februari 2010, ECLI:2010:BK3370; HR 5 juli 2011, NJ 2011, 466 m.nt. Keijzer.

5 HR 20 december 2016, ECLI:2016:2907.

6 Ook Vellinga en Vellinga-Schootstra verdedigen de stelling dat voorbedachte raad evenals andere subjectieve bestanddelen van een delict kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden; Wim Vellinga & Feikje Vellinga-Schootstra, Voorbedachte raad en contra-indicatie? in: Ad hunc modum, Deventer 2013, p. 297, 300.

7 Vgl. HR 13 januari 2015, ECLI:2015:48; HR 3 februari 2015, ECLI:2015:204.

8 HR 11 maart 2014, ECLI:2014:528 rov. 3.3 en 3.4.

9 Zie A. Das, Y. Piekhaar & N. Tielemans, ‘Gelegenheid tot beraad? Over indicaties voor voorbedachte raad’, DD 2014/54.

10 HR 14 maart 2006, ECLI:2006:AU9353; HR 20 november 2007, ECLI:2007:BB6218; HR 17 maart 2015, NJ 2015, 225 m.nt. Vellinga-Schootstra.

11 Vgl. HR 5 februari 2013, NJ 2013, 467 m.nt. Keulen; HR 29 maart 2016, ECLI:2016:518.

12 HR 6 januari 1998, DD 98.132; HR 11 april 2000, nr. 112.544 (niet gepubliceerd); HR 25 januari 2005, ECLI:2005:AR7168; HR 2 juni 2009, ECLI: 2009:BH9944.

13 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, rov. 3.16.